DE BERGENAarde’s hoogst’ de BergenDie oprijzend, steeds,De bewondring vergen,Nog zoo verre, reeds.Waar ze in blauwe lijnen,Aan den horizont,Heerlijk schoon verschijnen,Half de kim in ’t rond.Naderbij gekomen,Ze indrukwekkend schoon,Half de lucht omzoomen,Oprijzend tot troon!Uit het vlak der aarde,Die ter eere Gods,Bij ’t begin hen baarde,Uit graniet en rots.Hem tot heilge altaren,In Zijn tempel, de aard;Waar ’t oog op kan staren;En de rust ontwaart,Die ver boven ’t slaven,Steeds naar boven trekt.Zich daaraan kan laven,Wat reeds rust verwekt!Is ’t niet of zij heilig,Heilig, schijnen zij?Waar het harte veilig,Veilig wordt en vrij!Waar om ’t hoogst dier kruinen,Sprekende van vreê,Wolken hen omtuinen,Tot een veil’ge reê!Ja als uitverkoren,Door Gods heiligheid,Om Hem te behooren.Zijn zij toebereid!
Aarde’s hoogst’ de BergenDie oprijzend, steeds,De bewondring vergen,Nog zoo verre, reeds.Waar ze in blauwe lijnen,Aan den horizont,Heerlijk schoon verschijnen,Half de kim in ’t rond.Naderbij gekomen,Ze indrukwekkend schoon,Half de lucht omzoomen,Oprijzend tot troon!Uit het vlak der aarde,Die ter eere Gods,Bij ’t begin hen baarde,Uit graniet en rots.Hem tot heilge altaren,In Zijn tempel, de aard;Waar ’t oog op kan staren;En de rust ontwaart,Die ver boven ’t slaven,Steeds naar boven trekt.Zich daaraan kan laven,Wat reeds rust verwekt!
Is ’t niet of zij heilig,Heilig, schijnen zij?Waar het harte veilig,Veilig wordt en vrij!Waar om ’t hoogst dier kruinen,Sprekende van vreê,Wolken hen omtuinen,Tot een veil’ge reê!
Ja als uitverkoren,Door Gods heiligheid,Om Hem te behooren.Zijn zij toebereid!