DE SCHERMER

DE SCHERMERVriendelijke groene Schermer!Meer—Land zoo vol Poëzie!Gij, wie ’t Hollandsch landschap minnen,Treed van groen, die gaarde binnen,’t Werk van Leeghwaters Genie.’t Zoogenaamd Achtst „wereldwonder,”Ligt naar ’t zuiden op de kaart;’t Steenen bouwwerk van van Kampen.’t Land van water en van dampen,Wijst iets schoons van and’ren aard!Ja de doode steenen zwijgen,Maar des levens polsslag slaat.Waar wij ’t werk der groote vad’renIn de groene Schermer nad’ren,Die als „Wonder” voor ons staat.Bij het zevental van vroeger.Neem na ’t achtste u men thans op,En onthoude dat tot negen,Het getal is nu gestegen,En dat wel van uit het Sop.Ook de Beemster en de Purmer,Hebben van U Schermer iets,Maar sinds ’t daar begon te stoomen,Was het oogenblik gekomen,Dat van Poëzie bleef niets.Goudhoorn door uw vijftig Molens,Eertijds schuimend waterveld,Waar de wind ’t onwillig water,Sloeg in schepradsboeien,[16]staat erIedre Molen thans als „Held!”[16]Thans hebben alle Vijzels.Vrolijk golfden nog uw baren,Toen door eenen reuzendijk,Ongemerkt ge u liet omgorden,Die u tot een boei zou worden,Voor uw woelend waterrijk.Nadat de eerste fiere Molen,Schilderachtig bouwgewrocht,Tachtig voet zijn lange vlerken,Door ’n Zuid-Wester straks liet werken,Zoo voor ’t eerst ’t Schermeer bevocht.Rezen zij als uit de golven,Tot het groote vijftigtal,Waar ze in teekenacht’ge groepen,’t Vocht viermaal op scheprads schoepen,Nemen, eer men ’t missen zal.Poldermolens, ondermolens,Middenmolens, dan na hen,Bovenmolens, welker gangen,Water beurtlings zich liet vangen;Een stuk Meer verliezend men.Wacht! Halt! de Admiraal,[17]de Vlootvoogd,Van ’t een zestien sterk Smaldeel,Ankerend rondom „de Blokkers”Nu ’t Zuid-West ontwaakt, trok er ’sZeildoeks lengte los geheel.[17]Admiraal wordt genoemd de Chef-Molenaar, wien de regeling opgedragen is over de bemaling ééner groep watermolens zooals over een Zestiental bij „de Blokkers” niet ver van Driehuizen in N. Holland. Het ziet alleen op de Onder- Midden- en Bovenmolen, niet op de Poldermolen, de laagst geplaatste in den Polder, waarvan ieder Molenaar de bemaling meer zelve regelt. Daar de watertoevoer der Onder- Midden- en Bovenmolens met elkaar in ’t nauwst verband onderling staan en wanneer de waterstand in de Polder vaart maakt, dat er gemalen moet worden, kruit de Admiraal zijn Molen, spant de zeils over ’t Hekwerk en begint te malen zwacht de zeils en ontrolt ze weer, alles naar behoefte van wind. Is het water laag genoeg weggemalen, dan zet hij zijn Molen in Kruisstand, = X. Alle Molenaars onder zijn order staande, volgen in een en ander precies hem daarin na.Spande ze uit, op ’t kanten hekwerk.Breed de zeilen alle vier,Dat zij juist de wieken dekten,Die zich uit hun rust nu rekten,Draaiend dra met forschen zwier.En de Molenaars, niet wendend,’t Oog van, wat hun Admiraal,Deed en doet, het oog steeds richtend,Of aanvangt, zeil bijlegt, zwichtend:Zij verstaan zijn stomme taal.En op eens: wat vrolijk zweven,Nu ’t Zuid-West lei zijne kracht,In ruim zestig molenvleug’len,Hunne drift nauw te beteug’len,Door des scheprads watervracht.En ziet hoe de wat’ren ijlen,Allengskens sterker, eerst slechts zacht,Om die wond’ren eens te aanschouwen,Die men aan hun zoom ging bouwen,Lokkend hen door toovermacht.Door het vreemd alarm verbijsterd,Als in eenen tooverkring,Rondgevoerd en aangegrepen,Opgetild en platgeknepen,Uitgestort in ’s boezems ring.En zoo gaan de laatste droppels,Met den Admiraal op post,Bij der reuzemolens draaien.Bij hun hoog Victoriezwaaien,Dat geen steenkool heeft gekost.’t Meer is op eensLandgeworden,En welk land! de vette Klei!Waarvan ’t goud straks uit de kluitenKijkt, als koolzaadgoud naar buiten,Wiss’lend af met schoone wei.En nu bouwt de Mensch zijn woonplaats,Op het jong geboren land.Ploegt, verkavelt, rept zijn handen,Slaapt reeds binnen ’s ringdijks wanden,Onder ’t peil van boezemstand.Dat is eed’ler krijg te voeren,Dan op Spaansche en Brit voorwaarOverwinnings? te behalen.Ziet! dat is eerst „admiralen,”Van den Vlootvoogd—Molenaar!Gij Piet Hein daalt, Gij de Ruyter,Hierbij in mijn achting zeer!Want geen bloed kleeft aan deez’ zege.Water slechts en dat ter dege:’t Water van de Schermermeer.

Vriendelijke groene Schermer!Meer—Land zoo vol Poëzie!Gij, wie ’t Hollandsch landschap minnen,Treed van groen, die gaarde binnen,’t Werk van Leeghwaters Genie.

’t Zoogenaamd Achtst „wereldwonder,”Ligt naar ’t zuiden op de kaart;’t Steenen bouwwerk van van Kampen.’t Land van water en van dampen,Wijst iets schoons van and’ren aard!

Ja de doode steenen zwijgen,Maar des levens polsslag slaat.Waar wij ’t werk der groote vad’renIn de groene Schermer nad’ren,Die als „Wonder” voor ons staat.

Bij het zevental van vroeger.Neem na ’t achtste u men thans op,En onthoude dat tot negen,Het getal is nu gestegen,En dat wel van uit het Sop.

Ook de Beemster en de Purmer,Hebben van U Schermer iets,Maar sinds ’t daar begon te stoomen,Was het oogenblik gekomen,Dat van Poëzie bleef niets.

Goudhoorn door uw vijftig Molens,Eertijds schuimend waterveld,Waar de wind ’t onwillig water,Sloeg in schepradsboeien,[16]staat erIedre Molen thans als „Held!”

[16]Thans hebben alle Vijzels.

Vrolijk golfden nog uw baren,Toen door eenen reuzendijk,Ongemerkt ge u liet omgorden,Die u tot een boei zou worden,Voor uw woelend waterrijk.

Nadat de eerste fiere Molen,Schilderachtig bouwgewrocht,Tachtig voet zijn lange vlerken,Door ’n Zuid-Wester straks liet werken,Zoo voor ’t eerst ’t Schermeer bevocht.

Rezen zij als uit de golven,Tot het groote vijftigtal,Waar ze in teekenacht’ge groepen,’t Vocht viermaal op scheprads schoepen,Nemen, eer men ’t missen zal.

Poldermolens, ondermolens,Middenmolens, dan na hen,Bovenmolens, welker gangen,Water beurtlings zich liet vangen;Een stuk Meer verliezend men.

Wacht! Halt! de Admiraal,[17]de Vlootvoogd,Van ’t een zestien sterk Smaldeel,Ankerend rondom „de Blokkers”Nu ’t Zuid-West ontwaakt, trok er ’sZeildoeks lengte los geheel.

[17]Admiraal wordt genoemd de Chef-Molenaar, wien de regeling opgedragen is over de bemaling ééner groep watermolens zooals over een Zestiental bij „de Blokkers” niet ver van Driehuizen in N. Holland. Het ziet alleen op de Onder- Midden- en Bovenmolen, niet op de Poldermolen, de laagst geplaatste in den Polder, waarvan ieder Molenaar de bemaling meer zelve regelt. Daar de watertoevoer der Onder- Midden- en Bovenmolens met elkaar in ’t nauwst verband onderling staan en wanneer de waterstand in de Polder vaart maakt, dat er gemalen moet worden, kruit de Admiraal zijn Molen, spant de zeils over ’t Hekwerk en begint te malen zwacht de zeils en ontrolt ze weer, alles naar behoefte van wind. Is het water laag genoeg weggemalen, dan zet hij zijn Molen in Kruisstand, = X. Alle Molenaars onder zijn order staande, volgen in een en ander precies hem daarin na.

Spande ze uit, op ’t kanten hekwerk.Breed de zeilen alle vier,Dat zij juist de wieken dekten,Die zich uit hun rust nu rekten,Draaiend dra met forschen zwier.

En de Molenaars, niet wendend,’t Oog van, wat hun Admiraal,Deed en doet, het oog steeds richtend,Of aanvangt, zeil bijlegt, zwichtend:Zij verstaan zijn stomme taal.

En op eens: wat vrolijk zweven,Nu ’t Zuid-West lei zijne kracht,In ruim zestig molenvleug’len,Hunne drift nauw te beteug’len,Door des scheprads watervracht.

En ziet hoe de wat’ren ijlen,Allengskens sterker, eerst slechts zacht,Om die wond’ren eens te aanschouwen,Die men aan hun zoom ging bouwen,Lokkend hen door toovermacht.

Door het vreemd alarm verbijsterd,Als in eenen tooverkring,Rondgevoerd en aangegrepen,Opgetild en platgeknepen,Uitgestort in ’s boezems ring.

En zoo gaan de laatste droppels,Met den Admiraal op post,Bij der reuzemolens draaien.Bij hun hoog Victoriezwaaien,Dat geen steenkool heeft gekost.

’t Meer is op eensLandgeworden,En welk land! de vette Klei!Waarvan ’t goud straks uit de kluitenKijkt, als koolzaadgoud naar buiten,Wiss’lend af met schoone wei.

En nu bouwt de Mensch zijn woonplaats,Op het jong geboren land.Ploegt, verkavelt, rept zijn handen,Slaapt reeds binnen ’s ringdijks wanden,Onder ’t peil van boezemstand.

Dat is eed’ler krijg te voeren,Dan op Spaansche en Brit voorwaarOverwinnings? te behalen.Ziet! dat is eerst „admiralen,”Van den Vlootvoogd—Molenaar!

Gij Piet Hein daalt, Gij de Ruyter,Hierbij in mijn achting zeer!Want geen bloed kleeft aan deez’ zege.Water slechts en dat ter dege:’t Water van de Schermermeer.


Back to IndexNext