DE ZAANSTREEK

DE ZAANSTREEKBreede volle zilv’ren Zaan!Die uw gladde waterbaan,Van uit plas en vaart in ’t Noorden,Henenspoelt langs groene boorden.Van ’t azuur der gouden wolkenSpieg’len zich in kreek en kolken.Waar een pad langs dijk en kade,Voert slechts door de groene wade.Hoog de watermolen rijst,Door het middaggoud omlijst,Waar het zilv’ren luchtgewemel,Aan de kim bij held’ren hemel,Speelt op ’t Noordsche windje in Mei,Op en over ’t groen der wei,Waar de kieviets juichen, roepen!’t Vee er legert zich in groepen,En de vreugd leeft aan uw zijDus in ’t schoone jaargetij.Waar ge uw loop vervolgt naar ’t Zuid,Wat tafreel breidt zich daar uit!Wijs mij Rijn met uwe puinen,Rolandseck, of wat de kruinen,Uwer bergen langs uw stroomen,Met uw Stolzenfels ook zoomen;Of hoe dicht ook de ed’le wingerd,Zich om uwe bergen slingert;Elders de Westfaalsche poort,Aan de Wezer toog bekoort;Havel de Alt marks merenrijen,Huwt aan donkre boschpartijen;Shannon trotsch door Erins hart,’t Schoon van alle wat’ren tart;Komt de Vecht in Utrechts dreven,U bijna op zijde streven,Gij o wonderschoone Zaan,Trekt door eigen pracht ons aan!Schilderachtig toon’ zich ’t puinIn het volle licht of ’t bruin!Van den eedlen ridderroover,Loerend weg, en ’t water over,Om zich in hun arendsnesten.Met gestolen buit te mesten,Zaanlanders, gij gingt de randen,Van uw stroom met nijvre handen.Zoomen door uw vlijt. Trafiek,Rees naast lusthuis en fabriek!Naast de ontelbre molentallen,Als het schoonste nog van allen.Als de vorsten van de Zaan!En wier wieken als de zwaan,Op uw breede zilvren vloeden,Statig zich door ’t luchtruim spoeden,Meten hunne cirkelbaan,Spieglend zich in ’t blank der Zaan.Boven iedre olmenrij,Die u Zaan ter wederzij,Boort langs uwe kronkelingen,Komen zij te voorschijn dringen!Zich tot trotschen groep vergarend,Of in lange rij zich scharend;Sommige reeds ’t koeltje vangend,Andren weer den wind verlangend,Alle zeils in rood en geel,’t Hekwerk langs, ontrold geheel;Straks met leêge wieken zwevend,En ’t Noord-Westen ruimte gevend,Of men kruist, of zeil geeft, zwicht.Wat een eenig trotsch gezicht!Waar de grooten statig zwieren,Kleinen hunnen lust botvieren,Om te zien eens of ’t Noord-West,Eindelijk ook tot zwichten prest.Dat is schoonheid, Poëzie!’t Is werk uwer energie,Zaanlanders, uw roem, uw glorie!Waar de Molens hun victorie,Met hun forsche wieken wuivenAls door ’t luchtruim henenstuiven.Als geen doek is overbodig,Heel de vlucht, al ’t zeil heeft noodig,Voor het pellen van de gerst,Eer volledig ’t hulsel berst.Wijl zij, die papier bereiden,Al eens zwichten tusschen beidenEn de Poltrok op zijn vlucht!Reefde om ’t werken van de lucht.De oliemolen dubbel werkend,’t Nadrend onweer lang reeds merkend,Met vier middellijnen slechts,Waagden het de omzicht’ge knechts.Nog spreidt ge uwe kunst ten toon,Leeghwater, Corneliszoon,Waar die Colossussen rijzend,Schijnen ze uwe namen prijzend.Werd aan U de erinnering flauwer,„’t Juffertje”, „de Beer”, „de Kauwer”,En zoo velen, die tot heden,Staan nog van dat schoon verleden,Wenken naar die tijden weer,Toen gij en nog enkle meer,Gingt die groote Molens bouwen,Die als ’t sieraad der landouwen,Van ten Noorden ’t mastrijk IJ,Rezen allengs zij aan zij,Langs de dicht bebouwde boorden,Van de Zaan en omliggende oorden,Van het IJ tot Krommenie’t Al de vrucht van uw genie.Molens, die het kostlijk graan.Tot fijn meel vervormen gaan,Molens, die ook de oliezaden,Straks aan Duno’s boord geladen,Kneuzen in de staande steenen,Wand’lend over ’t doodsbed henen,Wijl de rad’ren boven snorren,Die de wind tot gang aanporren.Persen ’t vet uit de olievrucht,Wijl de stampers uit de lucht,Op de taaie keien vallen,En die slagen dav’rend schallen,Tot uit ’t meel, geheel en al,De olie dan geperst zijn zal.Waar naast Poltrok, Sundvall’s balken,Aangevoerd op lange tjalken,Uit het Noordsche dennenwoudZaagt het prachtig timmerhout.En de Houtzaagmolen dan,Ze in de scherpe zagen nam,Om nu uit het land der GlommenBij de Gausta neergeklommen,Of om Nordlands sombre dalen,Naar de Zaanstreek af te dwalen,Eerst nog door ’t gebied der Fjorden,Voor de ruimt’ hun mocht geworden,Over Foss, langs Elf en Aa,Om dan eind’lijk vroeg of spâ.Met Schwarzwalder reuzeneiken,’t Nijvre Zaanland te bereiken,Waar weldra ’t uitheemsche woud,Rijst in stapels timmerhout,Om vlug van de molenerven,Heengaan naar de timmerwerven,En van deel en plank en lat,Men bouwt kof en huis of stad.Van uw roem drong eens de maar’,Tot het oor der Russen Czaar,Over tot den grooten Peter,Met zijn verziend oog en beter,Het bevroedend, dan de meestenDat het licht van groote geesten,Een gansch volk tot gids moet strekken,En uit eeuwen nacht moest wekken.’t Licht, de roem van u o Zaan!Trok der Russen Monarch aan,En hij werd als een der uwen.Zonder pik of teer te schuwenWerkte Peter MichaelofSlechts als knecht aan boot of kof,En een stulpje op de Zaankade,Wachtte hem vermoeid eerst spade,Zonder keizerlijke glimp,De Czaar Peter op „de Krimp.”[18][18]„de Krimp” de plaatselijke benaming, waar Czaar Peter logeerde.

Breede volle zilv’ren Zaan!Die uw gladde waterbaan,Van uit plas en vaart in ’t Noorden,Henenspoelt langs groene boorden.Van ’t azuur der gouden wolkenSpieg’len zich in kreek en kolken.Waar een pad langs dijk en kade,Voert slechts door de groene wade.Hoog de watermolen rijst,Door het middaggoud omlijst,Waar het zilv’ren luchtgewemel,Aan de kim bij held’ren hemel,Speelt op ’t Noordsche windje in Mei,Op en over ’t groen der wei,Waar de kieviets juichen, roepen!’t Vee er legert zich in groepen,En de vreugd leeft aan uw zijDus in ’t schoone jaargetij.

Waar ge uw loop vervolgt naar ’t Zuid,Wat tafreel breidt zich daar uit!Wijs mij Rijn met uwe puinen,Rolandseck, of wat de kruinen,Uwer bergen langs uw stroomen,Met uw Stolzenfels ook zoomen;Of hoe dicht ook de ed’le wingerd,Zich om uwe bergen slingert;Elders de Westfaalsche poort,Aan de Wezer toog bekoort;Havel de Alt marks merenrijen,Huwt aan donkre boschpartijen;Shannon trotsch door Erins hart,’t Schoon van alle wat’ren tart;Komt de Vecht in Utrechts dreven,U bijna op zijde streven,Gij o wonderschoone Zaan,Trekt door eigen pracht ons aan!

Schilderachtig toon’ zich ’t puinIn het volle licht of ’t bruin!Van den eedlen ridderroover,Loerend weg, en ’t water over,Om zich in hun arendsnesten.Met gestolen buit te mesten,Zaanlanders, gij gingt de randen,Van uw stroom met nijvre handen.Zoomen door uw vlijt. Trafiek,Rees naast lusthuis en fabriek!Naast de ontelbre molentallen,Als het schoonste nog van allen.Als de vorsten van de Zaan!En wier wieken als de zwaan,Op uw breede zilvren vloeden,Statig zich door ’t luchtruim spoeden,Meten hunne cirkelbaan,Spieglend zich in ’t blank der Zaan.

Boven iedre olmenrij,Die u Zaan ter wederzij,Boort langs uwe kronkelingen,Komen zij te voorschijn dringen!Zich tot trotschen groep vergarend,Of in lange rij zich scharend;Sommige reeds ’t koeltje vangend,Andren weer den wind verlangend,Alle zeils in rood en geel,’t Hekwerk langs, ontrold geheel;Straks met leêge wieken zwevend,En ’t Noord-Westen ruimte gevend,Of men kruist, of zeil geeft, zwicht.Wat een eenig trotsch gezicht!Waar de grooten statig zwieren,Kleinen hunnen lust botvieren,Om te zien eens of ’t Noord-West,Eindelijk ook tot zwichten prest.

Dat is schoonheid, Poëzie!’t Is werk uwer energie,Zaanlanders, uw roem, uw glorie!Waar de Molens hun victorie,Met hun forsche wieken wuivenAls door ’t luchtruim henenstuiven.Als geen doek is overbodig,Heel de vlucht, al ’t zeil heeft noodig,Voor het pellen van de gerst,Eer volledig ’t hulsel berst.Wijl zij, die papier bereiden,Al eens zwichten tusschen beidenEn de Poltrok op zijn vlucht!Reefde om ’t werken van de lucht.De oliemolen dubbel werkend,’t Nadrend onweer lang reeds merkend,Met vier middellijnen slechts,Waagden het de omzicht’ge knechts.

Nog spreidt ge uwe kunst ten toon,Leeghwater, Corneliszoon,Waar die Colossussen rijzend,Schijnen ze uwe namen prijzend.Werd aan U de erinnering flauwer,„’t Juffertje”, „de Beer”, „de Kauwer”,En zoo velen, die tot heden,Staan nog van dat schoon verleden,Wenken naar die tijden weer,Toen gij en nog enkle meer,Gingt die groote Molens bouwen,Die als ’t sieraad der landouwen,Van ten Noorden ’t mastrijk IJ,Rezen allengs zij aan zij,Langs de dicht bebouwde boorden,Van de Zaan en omliggende oorden,Van het IJ tot Krommenie’t Al de vrucht van uw genie.

Molens, die het kostlijk graan.Tot fijn meel vervormen gaan,Molens, die ook de oliezaden,Straks aan Duno’s boord geladen,Kneuzen in de staande steenen,Wand’lend over ’t doodsbed henen,Wijl de rad’ren boven snorren,Die de wind tot gang aanporren.Persen ’t vet uit de olievrucht,Wijl de stampers uit de lucht,Op de taaie keien vallen,En die slagen dav’rend schallen,Tot uit ’t meel, geheel en al,De olie dan geperst zijn zal.Waar naast Poltrok, Sundvall’s balken,Aangevoerd op lange tjalken,Uit het Noordsche dennenwoudZaagt het prachtig timmerhout.

En de Houtzaagmolen dan,Ze in de scherpe zagen nam,Om nu uit het land der GlommenBij de Gausta neergeklommen,Of om Nordlands sombre dalen,Naar de Zaanstreek af te dwalen,Eerst nog door ’t gebied der Fjorden,Voor de ruimt’ hun mocht geworden,Over Foss, langs Elf en Aa,Om dan eind’lijk vroeg of spâ.Met Schwarzwalder reuzeneiken,’t Nijvre Zaanland te bereiken,Waar weldra ’t uitheemsche woud,Rijst in stapels timmerhout,Om vlug van de molenerven,Heengaan naar de timmerwerven,En van deel en plank en lat,Men bouwt kof en huis of stad.

Van uw roem drong eens de maar’,Tot het oor der Russen Czaar,Over tot den grooten Peter,Met zijn verziend oog en beter,Het bevroedend, dan de meestenDat het licht van groote geesten,Een gansch volk tot gids moet strekken,En uit eeuwen nacht moest wekken.’t Licht, de roem van u o Zaan!Trok der Russen Monarch aan,En hij werd als een der uwen.Zonder pik of teer te schuwenWerkte Peter MichaelofSlechts als knecht aan boot of kof,En een stulpje op de Zaankade,Wachtte hem vermoeid eerst spade,Zonder keizerlijke glimp,De Czaar Peter op „de Krimp.”[18]

[18]„de Krimp” de plaatselijke benaming, waar Czaar Peter logeerde.


Back to IndexNext