NAAR BOVEN!

NAAR BOVEN!Waar de rotswand loodrecht rijst.Tot die chaos, waar lawinen slapen;Naar der bergen kruin, vergrijsd,Door der eeuwen tijden; sinds zij zijn geschapen.Niet door jagers of toeristen, ooit betreên,Waar afgronden gapen, ja daar heen, daar heen!Koningrijken aan zijn voet—Eens te aanschouwen, uit der wolken kolkenLuchtig weefsel, waar de winter woedt,Steeds onafgebroken. Zien, van daar de volken,Slaven, zwoegen, sloven in hun daag’lijks zweet,Boven hunnen arbeid, moeite, vreugde en leed,Te ademen in vrije sfeer!Daar, verwijderd, verre van, wat menschen,Steeds vol zelfzucht, nijd en eer,Trachten, denken, hand’len, doen en laten, wenschen,Om de zeepbel „Macht”, op Mammons gaven tuk,Naar hetééne, dat men noemt op aard „Geluk”.

Waar de rotswand loodrecht rijst.Tot die chaos, waar lawinen slapen;Naar der bergen kruin, vergrijsd,Door der eeuwen tijden; sinds zij zijn geschapen.Niet door jagers of toeristen, ooit betreên,Waar afgronden gapen, ja daar heen, daar heen!

Koningrijken aan zijn voet—Eens te aanschouwen, uit der wolken kolkenLuchtig weefsel, waar de winter woedt,Steeds onafgebroken. Zien, van daar de volken,Slaven, zwoegen, sloven in hun daag’lijks zweet,Boven hunnen arbeid, moeite, vreugde en leed,

Te ademen in vrije sfeer!Daar, verwijderd, verre van, wat menschen,Steeds vol zelfzucht, nijd en eer,Trachten, denken, hand’len, doen en laten, wenschen,Om de zeepbel „Macht”, op Mammons gaven tuk,Naar hetééne, dat men noemt op aard „Geluk”.


Back to IndexNext