VAN HUIS

VAN HUISWeg uit vaderlandsche beemden,Heen naar ’t land van verre vreemden;Weg van de effne weidevlakten,Waar wijd de Olmen zich vertakten,Strenglend zich, aaneengeregen,Over smalle kiezelwegen.Weg van uit den groenen Polder,Waar men op des woonhuis’ zolder,Staat nog eene span beneden,’t Bruischend zeevlak, op dit heden.Weg van daar, van die landouwen,Waar slechts water is te aanschouwen,Met wat vakken groene weide,Hier en daar zoo tusschenbeide,Knotwilg, Iep en Populieren,Scheef gewaaid door zeewinds gieren.Met hun groen een Hoeve omzoomendEenzaam van de stormen droomend,Uit wiens schuilhoek slechts de mensch zich waagt,Als zijn vee het hem noodzaak’lijk vraagt.’t Effne van zijne onafzienbre velden,Kan als juist beeld, van zijn leven gelden,Met zijn breede vaarten, met zijn slooten,Lijnrecht door het groene veld geschoten;Juist berekend loopt daar ’t leven parallel,Mede en toch dat leven is hem zoet en wel.Kalm als ’t nauwelijks gerimpeld water,Dat niet weet van vallen of geklater,Maar slechts kent het trage langzaam vloeien,Langs een droomrig groepje bonte koeien,Naar den vijzel van twee Meters middellijn,Rondgevoerd door ’s Molens reuzenvlerken,Die het vocht als lichte veren opwaarts werken,Tot het Waterschap van water leeg zal zijn.Even kalm om er een beeld eens van te geven,Even rustig ongestoord, vloeit daar het leven.Of er dan geen schoon ligt in die weiden?Die den reis’ger uren begeleiden?Wien het groen van gras, vol bloemen, trokken,Wien de wijde vergezichten lokken,Niet zegt: dat alledaagsche ben ik reeds gewoon.Boeit het nuttige in vereeniging van ’t Schoon.Wien dat niet behage moge, wel! hij trekke,Heên, naar de Alpen opwaarts, en hij roepe, wekke,Aan de Jungfrau, de Lawine uit hare rust,Of hij hebbe eens ondernemingslust,Over ’t prachtig zeegroen van de gletschervloerenMet zijn gids aan koorden zich nu vast te snoeren.Wand’le naar ’t kou’ ijs omboord Zermatt!En bewondre Lyskamm’s zilvren piramide,Zoek’ met doodsgevaar daarheen het pad....Een behouden wederkomst beneden biedeHem ’t geluk. En Wermuth, Edelweisz,Alpenrozen breng’ hij mee van zijne reis.En aanschouw van uit het dal het Alpengloeien!Hoe de kleuren weder allengskens vervloeien,En de schrikverwekkende eenzaamheid,Onherbergzaam zich er overspreidt.Hoor! van Rijn’s veelbezochte groene kruinen,Hoe het jodlen, luide wederkaatst,Van de hoogste tot de laagste plaats,Tot Goldau op Rossbergs sombre bergenpuinen.Uit de veeren bij de opgang der zon!Van die bergenwereld eens te aanschouwen’t Panorama van die Reuzen. Kon,Heerlijker Natuur haar schoonste schoon ontvouwen?Uri Rothstock en Pilatus, Berner Alpen!Welk een grootheid, welk een bergenpracht!Waar naast gletschers, sneeuwveld, zwarte klove, zacht,De Alm met Sennhut groent, vol vee; hoe zwalpen MerenAls een breede gordel om de bergen,In hun tooverachtig levend blauw.Hel afstekend bij der bergen grauw;En hoe grillig zij zich sling’ren, wenden, keeren,Voorwaarts, rugwaarts,inenomhet dal.Hoor en zie! en sta voor Giessbachs val,Nadat ge in Lucern den gletschertuin,Een stuk aardgeschiedenis eens goed bewondert,Dievreemdin dit heden, daar staat afgezonderd,Predikt: „’t nu is van ’t weleer: het puin.”Vierwoudstedenmeer! o waterpracht!Waaraan Waijgis, Gersau, Vitznau, lacht.Daal dan weder af naar ’t Noorden;’t Rijndal langs, tot aan de boorden,Waar ge uw thuis hebt, uwe dreven,Wend terug daarheen den steven,Want het heimwee wenkte u lang,U met smartelijken drang;Want de stilte van uw weiden,Want der vlakte eentoonigheid,Over ’t waterland gespreid,Kwam tersluiks eens tusschenbeiden,U herinn’ren dat uw Erf,Uw hofstede op hooge werf.Aan de lage Noordzeestranden,Voor hun kindren lustwaranden,’t Dierbaarst bleef U toch op aarde,Wat voor schoons al ’t vreemde ook baarde!

Weg uit vaderlandsche beemden,Heen naar ’t land van verre vreemden;Weg van de effne weidevlakten,Waar wijd de Olmen zich vertakten,Strenglend zich, aaneengeregen,Over smalle kiezelwegen.Weg van uit den groenen Polder,Waar men op des woonhuis’ zolder,Staat nog eene span beneden,’t Bruischend zeevlak, op dit heden.Weg van daar, van die landouwen,Waar slechts water is te aanschouwen,Met wat vakken groene weide,Hier en daar zoo tusschenbeide,Knotwilg, Iep en Populieren,Scheef gewaaid door zeewinds gieren.Met hun groen een Hoeve omzoomendEenzaam van de stormen droomend,Uit wiens schuilhoek slechts de mensch zich waagt,Als zijn vee het hem noodzaak’lijk vraagt.

’t Effne van zijne onafzienbre velden,Kan als juist beeld, van zijn leven gelden,Met zijn breede vaarten, met zijn slooten,Lijnrecht door het groene veld geschoten;Juist berekend loopt daar ’t leven parallel,Mede en toch dat leven is hem zoet en wel.Kalm als ’t nauwelijks gerimpeld water,Dat niet weet van vallen of geklater,Maar slechts kent het trage langzaam vloeien,Langs een droomrig groepje bonte koeien,Naar den vijzel van twee Meters middellijn,Rondgevoerd door ’s Molens reuzenvlerken,Die het vocht als lichte veren opwaarts werken,Tot het Waterschap van water leeg zal zijn.Even kalm om er een beeld eens van te geven,Even rustig ongestoord, vloeit daar het leven.Of er dan geen schoon ligt in die weiden?Die den reis’ger uren begeleiden?Wien het groen van gras, vol bloemen, trokken,Wien de wijde vergezichten lokken,Niet zegt: dat alledaagsche ben ik reeds gewoon.Boeit het nuttige in vereeniging van ’t Schoon.Wien dat niet behage moge, wel! hij trekke,Heên, naar de Alpen opwaarts, en hij roepe, wekke,Aan de Jungfrau, de Lawine uit hare rust,Of hij hebbe eens ondernemingslust,Over ’t prachtig zeegroen van de gletschervloerenMet zijn gids aan koorden zich nu vast te snoeren.Wand’le naar ’t kou’ ijs omboord Zermatt!En bewondre Lyskamm’s zilvren piramide,Zoek’ met doodsgevaar daarheen het pad....Een behouden wederkomst beneden biedeHem ’t geluk. En Wermuth, Edelweisz,Alpenrozen breng’ hij mee van zijne reis.En aanschouw van uit het dal het Alpengloeien!Hoe de kleuren weder allengskens vervloeien,En de schrikverwekkende eenzaamheid,Onherbergzaam zich er overspreidt.

Hoor! van Rijn’s veelbezochte groene kruinen,Hoe het jodlen, luide wederkaatst,Van de hoogste tot de laagste plaats,Tot Goldau op Rossbergs sombre bergenpuinen.Uit de veeren bij de opgang der zon!Van die bergenwereld eens te aanschouwen’t Panorama van die Reuzen. Kon,Heerlijker Natuur haar schoonste schoon ontvouwen?Uri Rothstock en Pilatus, Berner Alpen!Welk een grootheid, welk een bergenpracht!Waar naast gletschers, sneeuwveld, zwarte klove, zacht,De Alm met Sennhut groent, vol vee; hoe zwalpen MerenAls een breede gordel om de bergen,In hun tooverachtig levend blauw.Hel afstekend bij der bergen grauw;En hoe grillig zij zich sling’ren, wenden, keeren,Voorwaarts, rugwaarts,inenomhet dal.Hoor en zie! en sta voor Giessbachs val,Nadat ge in Lucern den gletschertuin,Een stuk aardgeschiedenis eens goed bewondert,Dievreemdin dit heden, daar staat afgezonderd,Predikt: „’t nu is van ’t weleer: het puin.”Vierwoudstedenmeer! o waterpracht!Waaraan Waijgis, Gersau, Vitznau, lacht.

Daal dan weder af naar ’t Noorden;’t Rijndal langs, tot aan de boorden,Waar ge uw thuis hebt, uwe dreven,Wend terug daarheen den steven,Want het heimwee wenkte u lang,U met smartelijken drang;Want de stilte van uw weiden,Want der vlakte eentoonigheid,Over ’t waterland gespreid,Kwam tersluiks eens tusschenbeiden,U herinn’ren dat uw Erf,Uw hofstede op hooge werf.Aan de lage Noordzeestranden,Voor hun kindren lustwaranden,’t Dierbaarst bleef U toch op aarde,Wat voor schoons al ’t vreemde ook baarde!


Back to IndexNext