FRIESLAND EN WEST-FRIESLAND NA DE DROOGLEGGING DER ZUIDERZEE

FRIESLAND EN WEST-FRIESLAND NA DE DROOGLEGGING DER ZUIDERZEEMijn vaderland is ’t Polderland,Vanaf de Lauwers tot het duin,Forsch in den rug van Schoorl geplant,Hel blinkend met zijn blanke kruin.En dat riviertje in miniatuur,[14]Haast niets meer dan zijn ouden naam,Vat van den alouden Oosterbuur,Tot Zijpe, ’t vroeg’re Friesland sâam.Wel scheidt ons thans een breede zee,U Broed’ren van den overkant,De Fliestroom vloot slechts door ons land,Waar thans het zout op ’t zelfde stee,Met snellen loop en grootse hen zwier,Als onze stroom, als hoofdrivier.[14]De Lauwers.Wij zijn nog kind’ren van een stam,Ten nauwste met elkaâr verwant,Wij hebben meren, dijk en dam,Wij hebben gelijksoortig land;Wij hebben polders, klein en groot,Wij hebben meren drooggelegd.„Ontwater ons die plas, die sloot!”Oost, West, Zuid, Noord, zulks aangezegd.Wij hebben Molens opgebouwd,Met bijna dertig Meters vlucht,Als kantwerk rijzend in de lucht,Zoo kolossaal, als nooit aanschouwd,Wij gingen daarin zij aan zij,Dat kunstwerk deden gij en wij.Wij hebben nog veel meer gemeen;Wie de akker prijst, de veeteelt roemt,’t Landbouwbedrijf in ’t algemeen,Het schoonst’ van alle kunsten noemt,Die voelen wederkeerig zich,Steeds aangetrokken tot elkaar,Als één van zin, begeerig zichMet elkaar te onderhouden. DaarEn hier leeft, fonkelt nog een sprank,Een zoo ietwat, nog buitendien,Te voorschijn tredend soms misschien,Een uiting: half vergeten klank,Die uit de tijden van weleer,Eens opdoemt voor een enk’len keer.Ja Broed’ren zijn wij van één stam!Als ’t eens vergeten Flevomeer,Verondersteld zijn grens hernam,Komt West-Friesland tot Friesland weer,Wordt Frieslands grens weer Kenn’merland.Het eerbiedwaardig oud Kasteel,Van Radboud,[15]aan het Oosterstrand,Ziet dan het nooit gezien taf’reel,Uit Medemblik, hoe men ginds dijkt,De uiteinden nad’ren tot elkaâr,Van Oost en West een handenpaar,Nu ’t laatste water eind’lijk wijkt,Der Broeders van elks overkant,Weer reiken gaan de Broederhand.[15]Te Medemblik.

Mijn vaderland is ’t Polderland,Vanaf de Lauwers tot het duin,Forsch in den rug van Schoorl geplant,Hel blinkend met zijn blanke kruin.En dat riviertje in miniatuur,[14]Haast niets meer dan zijn ouden naam,Vat van den alouden Oosterbuur,Tot Zijpe, ’t vroeg’re Friesland sâam.Wel scheidt ons thans een breede zee,U Broed’ren van den overkant,De Fliestroom vloot slechts door ons land,Waar thans het zout op ’t zelfde stee,Met snellen loop en grootse hen zwier,Als onze stroom, als hoofdrivier.

[14]De Lauwers.

Wij zijn nog kind’ren van een stam,Ten nauwste met elkaâr verwant,Wij hebben meren, dijk en dam,Wij hebben gelijksoortig land;Wij hebben polders, klein en groot,Wij hebben meren drooggelegd.„Ontwater ons die plas, die sloot!”Oost, West, Zuid, Noord, zulks aangezegd.Wij hebben Molens opgebouwd,Met bijna dertig Meters vlucht,Als kantwerk rijzend in de lucht,Zoo kolossaal, als nooit aanschouwd,Wij gingen daarin zij aan zij,Dat kunstwerk deden gij en wij.

Wij hebben nog veel meer gemeen;Wie de akker prijst, de veeteelt roemt,’t Landbouwbedrijf in ’t algemeen,Het schoonst’ van alle kunsten noemt,Die voelen wederkeerig zich,Steeds aangetrokken tot elkaar,Als één van zin, begeerig zichMet elkaar te onderhouden. DaarEn hier leeft, fonkelt nog een sprank,Een zoo ietwat, nog buitendien,Te voorschijn tredend soms misschien,Een uiting: half vergeten klank,Die uit de tijden van weleer,Eens opdoemt voor een enk’len keer.

Ja Broed’ren zijn wij van één stam!Als ’t eens vergeten Flevomeer,Verondersteld zijn grens hernam,Komt West-Friesland tot Friesland weer,Wordt Frieslands grens weer Kenn’merland.Het eerbiedwaardig oud Kasteel,Van Radboud,[15]aan het Oosterstrand,Ziet dan het nooit gezien taf’reel,Uit Medemblik, hoe men ginds dijkt,De uiteinden nad’ren tot elkaâr,Van Oost en West een handenpaar,Nu ’t laatste water eind’lijk wijkt,Der Broeders van elks overkant,Weer reiken gaan de Broederhand.

[15]Te Medemblik.


Back to IndexNext