NEDERLANDWaar zich Rijn en Maas vertakten,Ligt het land van meer en vlakten.Hebben die rivieren Grooten,’t Vast in hunnen arm gesloten.En waar ook de tweede Schelde,Hen op hunne tocht verzelde,Met nog enk’le verd’re brokken,Saam tot een geheel getrokken,En van binnen zand en heide,Nog een veenlaag tusschenbeide,Met het noord’lijk Waddenland,En ziedaar ons Nederland.Zoo ten naastenbij de vreemden,Over onze groene beemden,Over onze pracht landouwen,Bij het vluchtige eerst aanschouwen,Water op en om in ’t ronde;Er door daaglijks haast te gronde.Dat in ’t etmaal tweemaal onderNiet gaat, lijkt het grootste wonder:Want het zeevlak bruischt hoog bovenHuizen, landerijen, hoven,En toch leeft men schijnbaar daar,Rustig voort, bij ’t grootst gevaar.’t Zij zoo in uw oog, niet andersNaar uw meening. Buitenlanders!Die steeds opzien naar uw rotsen,Vanwaar watervallen klotsen;Hoe U in ’t granietgesteente,Tegengrijnst, van de aard ’t gebeente;Of op rug of bergensplinter,U steeds toont uw zomer-winter.Roem gij zoo iets schoon en prachtig!’k Noem uw bergnatuur halfslachtig,Waar het naaste berggezicht,Uren van uw berghut ligt.’k Noem die schoonheid iets vreemdsoortig.Gij van uit zoo’n land geboortig,Kunt daar nauw’lijks buiten leven.U zij maar gelijk gegeven.Kunnen wij er mede instemmen,Waar die bergen ons beklemmen?Uwe hooggeroemde dalen,Zien slechts kort we in ’t zonlicht pralen,Daar ’t verstoppertje gaat spelen,Om geen gloed hun mee te deelen,Achter ’t breede bergenhoofd,Dat hun licht en warmte ontrooft.Waar straks der lawinen donder,Raast en loeit en schuift naar onder,Dacht gij, dat zij licht begrave,Sennhut, vee of tilbre have;Of Sirocco’s wilde orkanen,Werpen om, uw dak van spanen.Of uw kudde zich versteigre,’t Glibbrig pad u steunsel weig’re;Vat ik saam die mooglijkheden,Wensch ’k niet in uw plaats te treden,’t Mist al voor des Vlaklands zoon,Kind der bergen! hem zijn schoon.Moog het melodieuse schellen,Op den Alm der koeien bellen,Of door kunstlooze Alpenhoren,’t Langgerekt geluid bekoren;Of dat Jodler’s keelgeluiden,Ons als schoon zulks aan wil duiden,’t Zij dat Lago-Maggiore,Garda’s meer vol luister glore;Dolomietpracht, de Appenijnen,In hun heerlijkheid verschijnen,Napels met Sorrente en ookBrand Stromboli, Etna rook!Zelfs aan ’t land niet der Ardennen,Zouden wij ons kunnen wennen,Evenmin aan, waar de Brocken,’t Wolkenheer heeft saamgetrokken;Niet aan schoone dropsteenholen.Waar we in tooverzalen dolen;Niet daar, waar de bergen steenenGeven slechts voor brood. Daar henen,Naar de zilv’ren klaverweide,Waar het graan golft tusschenbeide,De onbeperkte horizont,Onbelemmerd staat in ’t rond.Dáár zijn, waar ’t Noord-West zijn winden,Spelen laat door hooge Linden,Die Grootvâ met eigen handen,Plantte voor het middagbranden;En die huis en stal en schuren,Bouwde om eeuwen te verduren;Boomgaard plantte aan de Oosterzijde.Al zijn kracht, zijn dagen wijdde,Aan zijn velden, aan zijn akker;Vóór de dageraad reeds wakker,Al ’t geen Vader naderhand,Meer uitbreidde en hield in stand.
Waar zich Rijn en Maas vertakten,Ligt het land van meer en vlakten.Hebben die rivieren Grooten,’t Vast in hunnen arm gesloten.En waar ook de tweede Schelde,Hen op hunne tocht verzelde,Met nog enk’le verd’re brokken,Saam tot een geheel getrokken,En van binnen zand en heide,Nog een veenlaag tusschenbeide,Met het noord’lijk Waddenland,En ziedaar ons Nederland.
Zoo ten naastenbij de vreemden,Over onze groene beemden,Over onze pracht landouwen,Bij het vluchtige eerst aanschouwen,Water op en om in ’t ronde;Er door daaglijks haast te gronde.Dat in ’t etmaal tweemaal onderNiet gaat, lijkt het grootste wonder:Want het zeevlak bruischt hoog bovenHuizen, landerijen, hoven,En toch leeft men schijnbaar daar,Rustig voort, bij ’t grootst gevaar.
’t Zij zoo in uw oog, niet andersNaar uw meening. Buitenlanders!Die steeds opzien naar uw rotsen,Vanwaar watervallen klotsen;Hoe U in ’t granietgesteente,Tegengrijnst, van de aard ’t gebeente;Of op rug of bergensplinter,U steeds toont uw zomer-winter.Roem gij zoo iets schoon en prachtig!’k Noem uw bergnatuur halfslachtig,Waar het naaste berggezicht,Uren van uw berghut ligt.
’k Noem die schoonheid iets vreemdsoortig.Gij van uit zoo’n land geboortig,Kunt daar nauw’lijks buiten leven.U zij maar gelijk gegeven.Kunnen wij er mede instemmen,Waar die bergen ons beklemmen?Uwe hooggeroemde dalen,Zien slechts kort we in ’t zonlicht pralen,Daar ’t verstoppertje gaat spelen,Om geen gloed hun mee te deelen,Achter ’t breede bergenhoofd,Dat hun licht en warmte ontrooft.
Waar straks der lawinen donder,Raast en loeit en schuift naar onder,Dacht gij, dat zij licht begrave,Sennhut, vee of tilbre have;Of Sirocco’s wilde orkanen,Werpen om, uw dak van spanen.Of uw kudde zich versteigre,’t Glibbrig pad u steunsel weig’re;Vat ik saam die mooglijkheden,Wensch ’k niet in uw plaats te treden,’t Mist al voor des Vlaklands zoon,Kind der bergen! hem zijn schoon.
Moog het melodieuse schellen,Op den Alm der koeien bellen,Of door kunstlooze Alpenhoren,’t Langgerekt geluid bekoren;Of dat Jodler’s keelgeluiden,Ons als schoon zulks aan wil duiden,’t Zij dat Lago-Maggiore,Garda’s meer vol luister glore;Dolomietpracht, de Appenijnen,In hun heerlijkheid verschijnen,Napels met Sorrente en ookBrand Stromboli, Etna rook!
Zelfs aan ’t land niet der Ardennen,Zouden wij ons kunnen wennen,Evenmin aan, waar de Brocken,’t Wolkenheer heeft saamgetrokken;Niet aan schoone dropsteenholen.Waar we in tooverzalen dolen;Niet daar, waar de bergen steenenGeven slechts voor brood. Daar henen,Naar de zilv’ren klaverweide,Waar het graan golft tusschenbeide,De onbeperkte horizont,Onbelemmerd staat in ’t rond.
Dáár zijn, waar ’t Noord-West zijn winden,Spelen laat door hooge Linden,Die Grootvâ met eigen handen,Plantte voor het middagbranden;En die huis en stal en schuren,Bouwde om eeuwen te verduren;Boomgaard plantte aan de Oosterzijde.Al zijn kracht, zijn dagen wijdde,Aan zijn velden, aan zijn akker;Vóór de dageraad reeds wakker,Al ’t geen Vader naderhand,Meer uitbreidde en hield in stand.