GEBED

GEBEDO! dat nog dikwijls mijne Vader,De reine lenteweelde mij,Die heerlijkheid beschoren zij!O! dat nog dikwijls hart en ader,Zich in de lentepracht verblij!Dat ik het schoon der bosschenzanger,Der lieve NachtegaalBij ’t goud van zachten avondstraal,Weer in verrukking moog’ ontvangen,Die eenig schoone zangerstaal.O! dat nog vaak de grootsche luister,Der sterrenhemel voor mij gloei’!De volle maan mijn zinnen boei’!En door het sombre sparrenduister,Voor mij nog lang het beekje vloei!Dat ik nog lang uit Uwe werken,O! Vader U, te kennen poog’;Dat ik nog lang, omlaag, omhoog,U, in Uw wond’ren moog bemerken,En U daarin aanbidden moog’!

O! dat nog dikwijls mijne Vader,De reine lenteweelde mij,Die heerlijkheid beschoren zij!O! dat nog dikwijls hart en ader,Zich in de lentepracht verblij!

Dat ik het schoon der bosschenzanger,Der lieve NachtegaalBij ’t goud van zachten avondstraal,Weer in verrukking moog’ ontvangen,Die eenig schoone zangerstaal.

O! dat nog vaak de grootsche luister,Der sterrenhemel voor mij gloei’!De volle maan mijn zinnen boei’!En door het sombre sparrenduister,Voor mij nog lang het beekje vloei!

Dat ik nog lang uit Uwe werken,O! Vader U, te kennen poog’;Dat ik nog lang, omlaag, omhoog,U, in Uw wond’ren moog bemerken,En U daarin aanbidden moog’!


Back to IndexNext