HET LAND DER FRIEZEN

HET LAND DER FRIEZENHet is bijna geen Land,Dat Landje aan ’t noorderstrand,En toch, ’tis ons een heiligdom,Zijn weiden zijn er even groen,De Oorijzers even schoon er om,Die de Friezinnen vrolijk doen,In ’t zon’licht schitt’ren onder kant.’t Is nietig op de kaart,Daarom ons even waard;Zeer afgelegen, min bekend,Naar ’t noorden aan den Waddenzoom,Ver aan Europa’s uiterst end.Het lokt ook geen toeristenstroom,Toch blijft het eene schoone gaard.Een enk’le vreemde komt;En ziet hij staat verstomd,Hij kwam, hij zag en hij, hij wasVerwonnen, op het oogenblik,Nu hij in stee spreekt van moeras,In plaats van poel en schor en slik,Diens schoonheidspunten samensomt.Verwonderd blijft hij staan!Hij vindt een tweede Kanaän,Hij vindt een tweede Paradijs,Van ’t schoonste en beste dezer aard.Toeft bij Oranjewoud en Rijs,Wijl hij van ’t eene op ’t and’re staart.Om al die schoonheid ga te slaan.Het land van meer en wier,’t Volk op zijne afkomst fier,Neêrleggend zeer veel op de schaalVan vrijheidsmin, van grootheid, deugd!Een volk met schoone en eigen taal,Wiens roem reeds menige eeuwen heugt,Dat land en volk wijd ik mijn lied.

Het is bijna geen Land,Dat Landje aan ’t noorderstrand,En toch, ’tis ons een heiligdom,Zijn weiden zijn er even groen,De Oorijzers even schoon er om,Die de Friezinnen vrolijk doen,In ’t zon’licht schitt’ren onder kant.

’t Is nietig op de kaart,Daarom ons even waard;Zeer afgelegen, min bekend,Naar ’t noorden aan den Waddenzoom,Ver aan Europa’s uiterst end.Het lokt ook geen toeristenstroom,Toch blijft het eene schoone gaard.

Een enk’le vreemde komt;En ziet hij staat verstomd,Hij kwam, hij zag en hij, hij wasVerwonnen, op het oogenblik,Nu hij in stee spreekt van moeras,In plaats van poel en schor en slik,Diens schoonheidspunten samensomt.

Verwonderd blijft hij staan!Hij vindt een tweede Kanaän,Hij vindt een tweede Paradijs,Van ’t schoonste en beste dezer aard.Toeft bij Oranjewoud en Rijs,Wijl hij van ’t eene op ’t and’re staart.Om al die schoonheid ga te slaan.

Het land van meer en wier,’t Volk op zijne afkomst fier,Neêrleggend zeer veel op de schaalVan vrijheidsmin, van grootheid, deugd!Een volk met schoone en eigen taal,Wiens roem reeds menige eeuwen heugt,Dat land en volk wijd ik mijn lied.


Back to IndexNext