OOSTERGOO[11]Er ligt een Landje, hoog in ’t Noorden,Een landje in ’t Land[12]zoo groot van naam,Aan Sennaer, Donger, Ee, Gruits, Dreit, Langbeki’s boorden,Doorstrengeld en bewatrend, het oorspronkelijk saem!Het is een land vol heldre meren,Blauwoogig als zoovele dochtren van dat land,Als snoeren van saffier om ’t blonde zand,Die lagchend hen ’t bekranste hoofd met groen toekeeren,Waar Berk- en Eikewal der winden overmoed trotseren,Het zoomend met een looverrand.[11]Oude Benaming voor Noordoostelijk Friesland.[12]Friesland.Stiefmoederlijk zijn niet die strekenBedeeld, maar met veel schoons bedacht!Wat kleur en geur, zelfs waterrozen in zijn kreeken,Wat wilderozeblos! wat hagedorenpracht!Aan woudzoom, Lijsterbeskoralen!Wat blijde boomgaardskleurenlach in meischenstond,Wat leeuw’riklied! wat lijsterzang in ’t rond!Wat donker loover en wat helder veldbloempralen!Waar naar de Zee allengskens ’t bodemvlak begint te dalen,Wat vruchtenschat op vetten grond!Een Landje is ’t, min bekend bij vreemden,Zij gissen niets van zijn bestaan,Van zijne heldergroene en onafzienbre beemden;Zij zien het schoon van woud- en merenpracht niet aan;Zien ’t heerlijkst van zijn prachtlandouwen,De Zathe en Landen in hun afgerond geheel;Vol groepen vee in ’t bont, wat tafereel!Dat in het schoonst smaragd voor hen zich komt ontvouwen.Zij weten niet wat schoon, wat weelde alom er is te aanschouwen,De weide in groen, in rood, in geel!Zij merken niet die ring van dijkenIn ’t vroolijk eenig waterland;Die gordel van helgroen, als grens dier groene rijken,De fiere Watermolen op hun „hoogst” geplant,In staâge strijd met meer en plassen;Die eindelijk voor goed toch overwinnaar werd,Steeds draaiende elkaar groetende uit de vert’!Als vruchtbre vlakten Sinaers, van uit moerassen,Een Eldorado tooverend; tot kostelijk land deed wassen!De toegang ’t water ziet versperd.’t Wit Boekweitveld, de bruine heide!Waar langs zelfs de echte Scheper trekt;De honigzoete geur, het wit en bruin van beide,Tot in de scheemerende vert’ daar uitgestrekt.De nauwe Zandweg onder loover,Met varens sierlijk blad in ’t helgroen van het mos;De woudzoomloof! wat volle groene dosch!Door ’t ruischend bladgewelf op ’t wegje een lichtgetoover.Een warmtedamp van blauw in wazig licht de velden over;En Zangerke in ’t dicht kreupelbosch.Het treft hen niet als ’t hen verveelde,Het Fjorden trotsche, aan Noorsche kust,De Maalstroom, Foss en Elf, de woeste rotsenweeldeWaar ’t oog Sint Jansdag op de Noordkaap heeft gerust;Dat hoog getakte Linde, huiven,Van groen om ’t vriendlijk Landpaleis, beschermend spant;De Kievit jubelt door het waterland;Zich wiegt de Meerkol[13]in het plasje op golvenkuiven!Op hoogen zandgrond voor het Noord de roggebloesems stuiven!De Brem glimlacht aan akkersrand![13]Fulica Atra.Zij kennen niet de stille vrede,De rust, die zelfgenoegzaamheid,Die zich onwillekeurig aan het hart deelt mede,Waar ’t graanveldruischen als van zelf tot vrede leidt.Daar waar de klei om ’t zout der baren,Haar nette dorpen bouwde als ’t ware in hare schoot,Nadat ze ’t zeegeweld in boeien sloot,Daar waar het rijksgebied behoort aan ’t rijk der aren,Macadams wegen zich langs Bouwheers residenties scharen,’t Al de Olmensingel luwte bood.Ze kennen, schoon ze in weinig dagen,De aard reisden om, dit tochnogniet.Gesleept door ’t stoomros en door ’n zeekolos gedragen,Betitlend zelf zich met den naam: „Cosmopoliet”!Zij hebben lang hun land vergeten,Met al de zoete erinneringen hunner jeugd.Hun dierbaar Ouderhuis, hun kindervreugd.Een wandelende Jood met volle recht geheeten.Vol onrust voortgejaagd, gestaag naar hooge en lage breedten,Wien nooitéénuur van rust verheugt.Wat vreugde alom! gij vreemdelingen!Bij zomervolksfeest moet gij ’t zien;Bij wintertijde als zij schaatsenrijden gingen!„Dat kleine Land dat leven zegt gij dan, misschien”....„Heeft ook in zijne lage landen,Zijn stille Poëzie en zijn aantrekkelijkheid.En van Traditie en Historie breidt,Een lichtend waas van goud zich langs die verre strandenDie land en volk verbonden houdt met saamgesnoerde handen,Een rust die geen verandering beidt!”Denk niet: een landje als der MaremmenPontijnsch moeras aan Tibervloed,Dood Land, waar slechts des zaaiers en der oogsters stemmen.Men hoort en ’t werk voleindt er met bekwamen spoed;Neen! geen miasmen, die hier zweven,Hier niets onreins: de Noordzee wil haar sterkend bad,Gewillig uit haar overrijken schat,Met volle handen gaarne aan hulpbehoeft’gen geven,Maakt zenuwen van staal, geeft veerkracht weder tot nieuw leven,Als waar het een verjongingsbad.En daar wat keur van dorpen, vlekken,Bij meer op terp, die ’t landschap dicht,Met forsche Molens, grijze torens, het bedekken,Als Hantum, Kollum, Bergum, Wartena er ligt.Die waterparel en zoovelen,En ’t schilderacht’ge stadje in ’t midden van dat al,Nog met zijn boomenkrans op vestingwal,Bij Bonifaciusfontein, zoo wel gelegen,Een kring van nette dorpen in een krans van groen geregen,Aan allen kant, in groot getal.Toerist, torsch zware Alpenstokken,Van ’t dal naar ’t onherbergzaamst oord,Van Lysa Gora, Watzmann, Hexentanzplatz, Brocken,Van Fluelen, Jungfrau, Lyskamm, Schwarzhorn, enzoovoort.Het ijzer brandde er in die namen,Van bergenwildernis en dalenparadijs.Om Edelweisz en Alpenrozenprijs;De zware bergstok hield al die herinnerings samen,Zegt van wat schrik’lijk oord behouden gij en gids weerkwamen.Uit sneeuwwoestijn door ’t gletscherijs.Welaan! zoekt gij nu juist gevaren?Trotseer dan hier ’t wild element;Steekt de Noordzee maar in en tart haar hooge baren,Als zij met Boreas ’t zeedijkbolwerk berent.Gedenk dan Peasens schipbreuk’lingen.En hebt gij straks genoeg van uw nomadentocht,Een romanesk grondhoekje aangekocht,Hier een Hectare gronds voor duizend zilverlingen.Bouw landverblijf met schuurtje er u, plant boomgaard en syringen,Dan vindt ge eens licht nog wat gij zocht.Bouwwerken nog van grijze tijden,Die Voorgeslacht ge in ’t aanzijn rieptWaar ’t Westergeesterkerkantiek wij aandacht wijden,Veenwoudens Stins en Rinsmageestm’er Kerk en Krypt.In Oudega de Vensterramen,Als van Gouda’s Sint Jan, hoewel op kleine schaal,Verrukkend ’s kenners oog door kleurenpraal,Wijl Noormansdeur en Steenenkunst te Murmerwoude samen,Met menig ander schoon in Frieslands Noordoosthoek beamen,De lof er van in steenen taal.Dat Landje is ’t, met zijn lang verleden,Van toen, om have en ’t dak van stroo,Zijn inwoners met Noormannen, zeeschuimers streden,In ’t weergaloos schoon heerlijk landschap „Oostergoo”!Zijn Foeke Sjoerds, wiens schriften ons vermelden,Al wat voor eeuwen in ’t Oud Landschap is geschied,Hoe schoon schetst Eelke Meinderts, daar ons niet,’t Volksleven, dat zijn schriften ons zoojuistvertelden,En gij o Halbertsma’s, wier toonen ’t diepst der ziel ontwelden,Hoe leeft gij met ons in uw lied!Kwam Noorman ’t strand niet verontrusten.Ooit in levende lijve er weer,En zonk ter Luine’s sterkte aan de open Noorderkusten,Door wapenkracht of door partijgeweld ter neer,Toch bleef men ’t oog naar ’t Noorden richten,Van waar een Noorman, als die van weleer, verwoed,Zijn stoute aanvallen op het landje doet,Maar ’t volk weerstaat zijn Blijden, Stormram en zijn schichten,Het maakt zich groot en grooter, rekt uit zich in al zijn gewrichten,Dringt hem terug nu voet voor voet.Het gaat dat oogenblik bemerken,Terwijl de Noorman mijm’rend rust,Gelijk met saamgevouwen en vermoeide vlerken,De Zeemeeuw droomt op ’t slib van de verlaten kust.Maar eensklaps, ziet! daar! wat krioelen,Op ’t anders altijd eenzaam, bijna kleurloos strand,Die drommen heen en weerkeerend van ’t land;Éénwit voor oogen; immer alleeneenbedoelen,Een nieuw stuk wereld tooverend uit schor en kreek en poelen,’t Nieuw-Kruisland, ’t Engwierumer Nieuwland.
Er ligt een Landje, hoog in ’t Noorden,Een landje in ’t Land[12]zoo groot van naam,Aan Sennaer, Donger, Ee, Gruits, Dreit, Langbeki’s boorden,Doorstrengeld en bewatrend, het oorspronkelijk saem!Het is een land vol heldre meren,Blauwoogig als zoovele dochtren van dat land,Als snoeren van saffier om ’t blonde zand,Die lagchend hen ’t bekranste hoofd met groen toekeeren,Waar Berk- en Eikewal der winden overmoed trotseren,Het zoomend met een looverrand.
[11]Oude Benaming voor Noordoostelijk Friesland.
[12]Friesland.
Stiefmoederlijk zijn niet die strekenBedeeld, maar met veel schoons bedacht!Wat kleur en geur, zelfs waterrozen in zijn kreeken,Wat wilderozeblos! wat hagedorenpracht!Aan woudzoom, Lijsterbeskoralen!Wat blijde boomgaardskleurenlach in meischenstond,Wat leeuw’riklied! wat lijsterzang in ’t rond!Wat donker loover en wat helder veldbloempralen!Waar naar de Zee allengskens ’t bodemvlak begint te dalen,Wat vruchtenschat op vetten grond!
Een Landje is ’t, min bekend bij vreemden,Zij gissen niets van zijn bestaan,Van zijne heldergroene en onafzienbre beemden;Zij zien het schoon van woud- en merenpracht niet aan;Zien ’t heerlijkst van zijn prachtlandouwen,De Zathe en Landen in hun afgerond geheel;Vol groepen vee in ’t bont, wat tafereel!Dat in het schoonst smaragd voor hen zich komt ontvouwen.Zij weten niet wat schoon, wat weelde alom er is te aanschouwen,De weide in groen, in rood, in geel!
Zij merken niet die ring van dijkenIn ’t vroolijk eenig waterland;Die gordel van helgroen, als grens dier groene rijken,De fiere Watermolen op hun „hoogst” geplant,In staâge strijd met meer en plassen;Die eindelijk voor goed toch overwinnaar werd,Steeds draaiende elkaar groetende uit de vert’!Als vruchtbre vlakten Sinaers, van uit moerassen,Een Eldorado tooverend; tot kostelijk land deed wassen!De toegang ’t water ziet versperd.
’t Wit Boekweitveld, de bruine heide!Waar langs zelfs de echte Scheper trekt;De honigzoete geur, het wit en bruin van beide,Tot in de scheemerende vert’ daar uitgestrekt.De nauwe Zandweg onder loover,Met varens sierlijk blad in ’t helgroen van het mos;De woudzoomloof! wat volle groene dosch!Door ’t ruischend bladgewelf op ’t wegje een lichtgetoover.Een warmtedamp van blauw in wazig licht de velden over;En Zangerke in ’t dicht kreupelbosch.
Het treft hen niet als ’t hen verveelde,Het Fjorden trotsche, aan Noorsche kust,De Maalstroom, Foss en Elf, de woeste rotsenweeldeWaar ’t oog Sint Jansdag op de Noordkaap heeft gerust;Dat hoog getakte Linde, huiven,Van groen om ’t vriendlijk Landpaleis, beschermend spant;De Kievit jubelt door het waterland;Zich wiegt de Meerkol[13]in het plasje op golvenkuiven!Op hoogen zandgrond voor het Noord de roggebloesems stuiven!De Brem glimlacht aan akkersrand!
[13]Fulica Atra.
Zij kennen niet de stille vrede,De rust, die zelfgenoegzaamheid,Die zich onwillekeurig aan het hart deelt mede,Waar ’t graanveldruischen als van zelf tot vrede leidt.Daar waar de klei om ’t zout der baren,Haar nette dorpen bouwde als ’t ware in hare schoot,Nadat ze ’t zeegeweld in boeien sloot,Daar waar het rijksgebied behoort aan ’t rijk der aren,Macadams wegen zich langs Bouwheers residenties scharen,’t Al de Olmensingel luwte bood.
Ze kennen, schoon ze in weinig dagen,De aard reisden om, dit tochnogniet.Gesleept door ’t stoomros en door ’n zeekolos gedragen,Betitlend zelf zich met den naam: „Cosmopoliet”!Zij hebben lang hun land vergeten,Met al de zoete erinneringen hunner jeugd.Hun dierbaar Ouderhuis, hun kindervreugd.Een wandelende Jood met volle recht geheeten.Vol onrust voortgejaagd, gestaag naar hooge en lage breedten,Wien nooitéénuur van rust verheugt.
Wat vreugde alom! gij vreemdelingen!Bij zomervolksfeest moet gij ’t zien;Bij wintertijde als zij schaatsenrijden gingen!„Dat kleine Land dat leven zegt gij dan, misschien”....„Heeft ook in zijne lage landen,Zijn stille Poëzie en zijn aantrekkelijkheid.En van Traditie en Historie breidt,Een lichtend waas van goud zich langs die verre strandenDie land en volk verbonden houdt met saamgesnoerde handen,Een rust die geen verandering beidt!”
Denk niet: een landje als der MaremmenPontijnsch moeras aan Tibervloed,Dood Land, waar slechts des zaaiers en der oogsters stemmen.Men hoort en ’t werk voleindt er met bekwamen spoed;Neen! geen miasmen, die hier zweven,Hier niets onreins: de Noordzee wil haar sterkend bad,Gewillig uit haar overrijken schat,Met volle handen gaarne aan hulpbehoeft’gen geven,Maakt zenuwen van staal, geeft veerkracht weder tot nieuw leven,Als waar het een verjongingsbad.
En daar wat keur van dorpen, vlekken,Bij meer op terp, die ’t landschap dicht,Met forsche Molens, grijze torens, het bedekken,Als Hantum, Kollum, Bergum, Wartena er ligt.Die waterparel en zoovelen,En ’t schilderacht’ge stadje in ’t midden van dat al,Nog met zijn boomenkrans op vestingwal,Bij Bonifaciusfontein, zoo wel gelegen,Een kring van nette dorpen in een krans van groen geregen,Aan allen kant, in groot getal.
Toerist, torsch zware Alpenstokken,Van ’t dal naar ’t onherbergzaamst oord,Van Lysa Gora, Watzmann, Hexentanzplatz, Brocken,Van Fluelen, Jungfrau, Lyskamm, Schwarzhorn, enzoovoort.Het ijzer brandde er in die namen,Van bergenwildernis en dalenparadijs.Om Edelweisz en Alpenrozenprijs;De zware bergstok hield al die herinnerings samen,Zegt van wat schrik’lijk oord behouden gij en gids weerkwamen.Uit sneeuwwoestijn door ’t gletscherijs.
Welaan! zoekt gij nu juist gevaren?Trotseer dan hier ’t wild element;Steekt de Noordzee maar in en tart haar hooge baren,Als zij met Boreas ’t zeedijkbolwerk berent.Gedenk dan Peasens schipbreuk’lingen.En hebt gij straks genoeg van uw nomadentocht,Een romanesk grondhoekje aangekocht,Hier een Hectare gronds voor duizend zilverlingen.Bouw landverblijf met schuurtje er u, plant boomgaard en syringen,Dan vindt ge eens licht nog wat gij zocht.
Bouwwerken nog van grijze tijden,Die Voorgeslacht ge in ’t aanzijn rieptWaar ’t Westergeesterkerkantiek wij aandacht wijden,Veenwoudens Stins en Rinsmageestm’er Kerk en Krypt.In Oudega de Vensterramen,Als van Gouda’s Sint Jan, hoewel op kleine schaal,Verrukkend ’s kenners oog door kleurenpraal,Wijl Noormansdeur en Steenenkunst te Murmerwoude samen,Met menig ander schoon in Frieslands Noordoosthoek beamen,De lof er van in steenen taal.
Dat Landje is ’t, met zijn lang verleden,Van toen, om have en ’t dak van stroo,Zijn inwoners met Noormannen, zeeschuimers streden,In ’t weergaloos schoon heerlijk landschap „Oostergoo”!Zijn Foeke Sjoerds, wiens schriften ons vermelden,Al wat voor eeuwen in ’t Oud Landschap is geschied,Hoe schoon schetst Eelke Meinderts, daar ons niet,’t Volksleven, dat zijn schriften ons zoojuistvertelden,En gij o Halbertsma’s, wier toonen ’t diepst der ziel ontwelden,Hoe leeft gij met ons in uw lied!
Kwam Noorman ’t strand niet verontrusten.Ooit in levende lijve er weer,En zonk ter Luine’s sterkte aan de open Noorderkusten,Door wapenkracht of door partijgeweld ter neer,Toch bleef men ’t oog naar ’t Noorden richten,Van waar een Noorman, als die van weleer, verwoed,Zijn stoute aanvallen op het landje doet,Maar ’t volk weerstaat zijn Blijden, Stormram en zijn schichten,Het maakt zich groot en grooter, rekt uit zich in al zijn gewrichten,Dringt hem terug nu voet voor voet.
Het gaat dat oogenblik bemerken,Terwijl de Noorman mijm’rend rust,Gelijk met saamgevouwen en vermoeide vlerken,De Zeemeeuw droomt op ’t slib van de verlaten kust.Maar eensklaps, ziet! daar! wat krioelen,Op ’t anders altijd eenzaam, bijna kleurloos strand,Die drommen heen en weerkeerend van ’t land;Éénwit voor oogen; immer alleeneenbedoelen,Een nieuw stuk wereld tooverend uit schor en kreek en poelen,’t Nieuw-Kruisland, ’t Engwierumer Nieuwland.