LENTEAVONDO, hoe heerlijk, o, hoe schoon!Neen, geen woorden kunnen ’t malen,’t Schoon der avondzonnestralen,’t Heerlijke van kleur en toon.O, hoe prachtig is de gloedVan dat schitt’ren, van dat glanzen,Van de hooge wolkentransenDie de zon zoo blinken doet!Liefelijker kan het niet,Waar van achter wolken stralen,Op de kleine ruiten dalen,Van een hutje, in het verschiet.Dat de vensters van zijn licht,Helder in het Westen gloeien;’t Blijft den blik maar immer boeien,Die zich ginder henen richt.Verder gloeit het zacht en teerOp de kruin van populieren,Die zacht in het windje zwieren,Rijzend, dalend, heen en weer.’t Schuitje dobbert op de plas,Door zijn golfjes zacht gewiegeldWaarin ’t lentewolkje spiegelt,Alsof ’t louter zilver was.Groepen biezen, spichtig riet,Fluisteren in ’t windje; wuivenNeigen hunne blonde kuiven,Als het koeltje langs hen schiet.In en boven ’t blauwe nat,Dartelt baars en zilv’ren voren,En de rietmusch doet zich hooren,Die in bies en struiken zat.Hoor wat ginder daar toch was!Langgerekte toonen dragen,Windes koeltjes roerdomps klagen,Uit den ruigen waterplas.En hoor daar, de kwartel slaat;Hoor uit gindsche dennengroepen,Luid verstaanbaar koekkoeks roepen,Wijl de kudde vroolijk blaadt.Aan den verren horizon,Praalt in goud, hoog op den toren,(Waaruit wij den klokslag hooren),’t Haantje in ’t goud der avondzon.Op den hoogen heuveltop,Achter ’t donkere woud verscholen,Beurt hoog, de oude standaardmolen,Zijnen wiek naar ’t luchtruim op!Avondpurper hecht zijn bruin,Over de ongerepte heide,Of rust soms eens tusschenbeide,Op der eiken forsche kruin.Of glijdt toevend over ’t dakDoet het mos en huislook glimmen.Valt op ’t kerkje, aan verre kimmen,Dat nauw boven ’t dorpje uitstak.En daar rijst voor ’s menschen oog,Eene boog van kleur en glanzen,Tot de hoogste hemeltransen,Stout van de aarde eensklaps omhoog!’t Schittert, flonkert, hel en zacht,Paarlen smelten en vervloeienIn smaragden, flonkren, gloeien,In de schoonste kleurenpracht.Zwijgend ziet de mensch dit aan.Van verbazing opgetogen.Ziet dat wonderwerk zijne oogen,Eensklaps opgebouwd daar staan!Ja dat is het grootsche slot,Van die heerlijke tooneelen,Dier natuurschoontafereelen,’t Al tot lof en eer van God!
O, hoe heerlijk, o, hoe schoon!Neen, geen woorden kunnen ’t malen,’t Schoon der avondzonnestralen,’t Heerlijke van kleur en toon.
O, hoe prachtig is de gloedVan dat schitt’ren, van dat glanzen,Van de hooge wolkentransenDie de zon zoo blinken doet!
Liefelijker kan het niet,Waar van achter wolken stralen,Op de kleine ruiten dalen,Van een hutje, in het verschiet.
Dat de vensters van zijn licht,Helder in het Westen gloeien;’t Blijft den blik maar immer boeien,Die zich ginder henen richt.
Verder gloeit het zacht en teerOp de kruin van populieren,Die zacht in het windje zwieren,Rijzend, dalend, heen en weer.
’t Schuitje dobbert op de plas,Door zijn golfjes zacht gewiegeldWaarin ’t lentewolkje spiegelt,Alsof ’t louter zilver was.
Groepen biezen, spichtig riet,Fluisteren in ’t windje; wuivenNeigen hunne blonde kuiven,Als het koeltje langs hen schiet.
In en boven ’t blauwe nat,Dartelt baars en zilv’ren voren,En de rietmusch doet zich hooren,Die in bies en struiken zat.
Hoor wat ginder daar toch was!Langgerekte toonen dragen,Windes koeltjes roerdomps klagen,Uit den ruigen waterplas.
En hoor daar, de kwartel slaat;Hoor uit gindsche dennengroepen,Luid verstaanbaar koekkoeks roepen,Wijl de kudde vroolijk blaadt.
Aan den verren horizon,Praalt in goud, hoog op den toren,(Waaruit wij den klokslag hooren),’t Haantje in ’t goud der avondzon.
Op den hoogen heuveltop,Achter ’t donkere woud verscholen,Beurt hoog, de oude standaardmolen,Zijnen wiek naar ’t luchtruim op!
Avondpurper hecht zijn bruin,Over de ongerepte heide,Of rust soms eens tusschenbeide,Op der eiken forsche kruin.
Of glijdt toevend over ’t dakDoet het mos en huislook glimmen.Valt op ’t kerkje, aan verre kimmen,Dat nauw boven ’t dorpje uitstak.
En daar rijst voor ’s menschen oog,Eene boog van kleur en glanzen,Tot de hoogste hemeltransen,Stout van de aarde eensklaps omhoog!
’t Schittert, flonkert, hel en zacht,Paarlen smelten en vervloeienIn smaragden, flonkren, gloeien,In de schoonste kleurenpracht.
Zwijgend ziet de mensch dit aan.Van verbazing opgetogen.Ziet dat wonderwerk zijne oogen,Eensklaps opgebouwd daar staan!
Ja dat is het grootsche slot,Van die heerlijke tooneelen,Dier natuurschoontafereelen,’t Al tot lof en eer van God!