MIJN GELUKEen Landman ben ik klein van stand,Zooals in ’t algemeen men oordeelt.Mijn koningrijk is hof en land.Door ’t lot ben ik zoo goed bevoordeeld,Dat ik geen zorgen heb om brood;Om kort te gaan: ’t geen ’t lot mij bood,Is juist zooveel, als ik wel wensch:’k Acht mij dus een gelukkig mensch.Zoo menigeen tracht steeds naar meer,Naar hooger stand, naar meerder goedrenNaar ’s werelds grootheid, rang of eer:Ach de onrust van zooveel gemoedren,Naar hoogheid of naar meerder winst.Is wat mij kwelt, het allerminst.Mij boeit wat menigeen niet boeit:Ik ga mijn eigen gang door ’t leven,Schoon menig bloem, die voor mij bloeit,Een ander misschien is om ’t even.Voor ieder prijkt een bloem toch er,Voor ieder blinkt een held’re ster.
Een Landman ben ik klein van stand,Zooals in ’t algemeen men oordeelt.Mijn koningrijk is hof en land.Door ’t lot ben ik zoo goed bevoordeeld,Dat ik geen zorgen heb om brood;Om kort te gaan: ’t geen ’t lot mij bood,Is juist zooveel, als ik wel wensch:’k Acht mij dus een gelukkig mensch.
Zoo menigeen tracht steeds naar meer,Naar hooger stand, naar meerder goedrenNaar ’s werelds grootheid, rang of eer:Ach de onrust van zooveel gemoedren,Naar hoogheid of naar meerder winst.Is wat mij kwelt, het allerminst.
Mij boeit wat menigeen niet boeit:Ik ga mijn eigen gang door ’t leven,Schoon menig bloem, die voor mij bloeit,Een ander misschien is om ’t even.Voor ieder prijkt een bloem toch er,Voor ieder blinkt een held’re ster.