MIJN WANDELING

MIJN WANDELINGIk ben gewandeld door de veldenHoe schoon der boekweit witte pronk!Niet minder schoon, wat zij vertelden:Een vink op eene boomstamstronk.Een kirrend duifje in groene sparren,Wiens nest door ’t oog nauw was te ontwarren,Uit zwartgroen van der boomen pracht,Ik volgde ’t zandspoors mullens langer,Dan ik wel eerst zulks had gedacht,Toen heerlijk schoon een verre zanger,Mij aantrok door zijn toovermacht.Ik toefde bij zijn schoone wijzen,In „Mol en Duur”, zijn een’gen zang,Op ’t mos waar tusschen varens rijzen,Een allerlieft halfuurtje lang.Ik ging vandaar weer zoetjes verder:Liet bosch en struiken achter mij;Ik zag eensklaps heel de omtrek vrij,En bij den heuvelkling een herderSteeds met zijn kudde wand’lend voort.’k Vroeg met een kort, een enkel woord,Of hij zich niet wat eenzaam voelde,„Neen”, zei hij kort,—’k zei nog „die wolk”....’k Wees hem die aan. „Nu ja, daar woelde,Voor uren al een donderlucht....”„Kom, dacht ik: dan wil ’k voor mijn oogenEens zien, (’k ben er niet voor beducht)Hoe schoon aan ’s hemels zuiderbogen,Het onweer in zijn majesteitZich aan de kimmen voorbereidt”.’k Zie nog het goud de wolken zoomen,Waar loodkleur in het diepste blauw,Zacht overgaat in neev’lig grauw,Van massa’s, ’t Zenith nader komen,De Zon verlichtend hel de pracht,Die grootsche zwarte wolkenmacht,’k Zag onheilspellend ’t luchtruim worden,’t Ging zich ten fellen strijd aangorden,Wat tegenstelling gindsch en daar;Hoe rein en helder ’t West en Noorden,Het blauwst azuur langs hunne boorden,De middagshoek zoo vreess’lijk zwaar,Waarin de donder werd geboren,Die duid’lijk zich voor ’t eerst liet hoorenDie ’t broeiend luchtruim nu door rentAls maakte even hij bekend,„Dat wie van ’t ontzagwekkend schooneEen vriend, bewonderaar is, toone,Zich thans in ’t ruime vrije veld!”’k Zie nog hoe ’t inkrimpt, dan weer zwelt,Dat woelen in die wolkenbergen.Nog hoe de krachten elkaar tergen,Die zich ontwikk’len in het Zuid,’t Oog werd niet moe er naar te staren.’k Hoor ontzagwekkend zwaar en luid,De donders er nog doorheen varen,Wijl ’k zag getakt door ’s bliksems schicht,Van tijd tot tijd, het hel verlicht.’k Zag er de onzichtb’re krachten stuwen,De wolkenmassa’s tot een kluwen,Tot stapelwolk ineengeward.Van ond’ren ’t vrees’lijkst diepblauwzwart,’k Zag boven zich de wolken ronden,Met hoogrood goudafzet, verbonden,Door zwavelgeel, door azuurblauw,Zacht overgaand in neev’lig grauw,Ik zie nog hoe het al den steven,Door innerlijke kracht gedrevenVer naar het Oosten henenricht!’k Had lust in ’t majestueus gezicht,Dier wolkenwereld, voorbij trekkend,Den halven hemel zwaar bedekkend.Toen zette ik me op een reuzensteen,Waar het zoo aardig zat te droomen,Met vrij uitzicht naar ’t Oosten heen,Wijl zachtkens zakkend naar zijn zoomenHet onweer statig grootsch verdween,Toen ’t juist een vast gebergt’ nog scheen.’k Heb weer de wandelstaf genomen,Die ’k nederlei in ’t woek’rend kruid;Ik zocht er veel vreemdsoortigs uit,Waarvan ik nooit had kunnen droomen,’k Zag planten schoon als ’k nooit gedachtHad, in de weelderigste pracht.’k Zag rondom mij een keur van bloemen,Waarvan ’k de naam niet eens kan noemen,In meng’ling, in verscheidenheid,Een tooverpracht om mij verspreid,Waar ik ’t bestaan niet van vermoedde,’k Genoot zoo veel, tot ik mij spoedde,Naar mijn Penaten eind’lijk wêer.’k Ging ’t kronk’lend pad eens heuvels neer,Een Haasje kwam op halverwegen,In volle vaart mij ijlings tegen,Een Wezel kruiste mijnen weg,En zag van onder eene hegMij na, met haar nieuwsgierige oogen,Als vroeg zij; „wat had u bewogenHier eens te kijken, Wandelaar”?’k Ontmoette nog een DuivenpaarWier rappe vleug’len luide sloegen,Die beide met de snelste vlucht,Naar ’t verre nestje henenjoegenKlapwiekend door de stille lucht.En verder had ik geen ontmoeting,In deze prachtige avondstond,Der vinkenslag was mijn begroeting,Toen bij mijn deur ’k mij weer bevond.

Ik ben gewandeld door de veldenHoe schoon der boekweit witte pronk!Niet minder schoon, wat zij vertelden:Een vink op eene boomstamstronk.Een kirrend duifje in groene sparren,Wiens nest door ’t oog nauw was te ontwarren,Uit zwartgroen van der boomen pracht,Ik volgde ’t zandspoors mullens langer,Dan ik wel eerst zulks had gedacht,Toen heerlijk schoon een verre zanger,Mij aantrok door zijn toovermacht.Ik toefde bij zijn schoone wijzen,In „Mol en Duur”, zijn een’gen zang,Op ’t mos waar tusschen varens rijzen,Een allerlieft halfuurtje lang.Ik ging vandaar weer zoetjes verder:Liet bosch en struiken achter mij;Ik zag eensklaps heel de omtrek vrij,En bij den heuvelkling een herderSteeds met zijn kudde wand’lend voort.’k Vroeg met een kort, een enkel woord,Of hij zich niet wat eenzaam voelde,„Neen”, zei hij kort,—’k zei nog „die wolk”....’k Wees hem die aan. „Nu ja, daar woelde,Voor uren al een donderlucht....”„Kom, dacht ik: dan wil ’k voor mijn oogenEens zien, (’k ben er niet voor beducht)Hoe schoon aan ’s hemels zuiderbogen,Het onweer in zijn majesteitZich aan de kimmen voorbereidt”.’k Zie nog het goud de wolken zoomen,Waar loodkleur in het diepste blauw,Zacht overgaat in neev’lig grauw,Van massa’s, ’t Zenith nader komen,De Zon verlichtend hel de pracht,Die grootsche zwarte wolkenmacht,’k Zag onheilspellend ’t luchtruim worden,’t Ging zich ten fellen strijd aangorden,Wat tegenstelling gindsch en daar;Hoe rein en helder ’t West en Noorden,Het blauwst azuur langs hunne boorden,De middagshoek zoo vreess’lijk zwaar,Waarin de donder werd geboren,Die duid’lijk zich voor ’t eerst liet hoorenDie ’t broeiend luchtruim nu door rentAls maakte even hij bekend,„Dat wie van ’t ontzagwekkend schooneEen vriend, bewonderaar is, toone,Zich thans in ’t ruime vrije veld!”’k Zie nog hoe ’t inkrimpt, dan weer zwelt,Dat woelen in die wolkenbergen.Nog hoe de krachten elkaar tergen,Die zich ontwikk’len in het Zuid,’t Oog werd niet moe er naar te staren.’k Hoor ontzagwekkend zwaar en luid,De donders er nog doorheen varen,Wijl ’k zag getakt door ’s bliksems schicht,Van tijd tot tijd, het hel verlicht.’k Zag er de onzichtb’re krachten stuwen,De wolkenmassa’s tot een kluwen,Tot stapelwolk ineengeward.Van ond’ren ’t vrees’lijkst diepblauwzwart,’k Zag boven zich de wolken ronden,Met hoogrood goudafzet, verbonden,Door zwavelgeel, door azuurblauw,Zacht overgaand in neev’lig grauw,Ik zie nog hoe het al den steven,Door innerlijke kracht gedrevenVer naar het Oosten henenricht!’k Had lust in ’t majestueus gezicht,Dier wolkenwereld, voorbij trekkend,Den halven hemel zwaar bedekkend.Toen zette ik me op een reuzensteen,Waar het zoo aardig zat te droomen,Met vrij uitzicht naar ’t Oosten heen,Wijl zachtkens zakkend naar zijn zoomenHet onweer statig grootsch verdween,Toen ’t juist een vast gebergt’ nog scheen.’k Heb weer de wandelstaf genomen,Die ’k nederlei in ’t woek’rend kruid;Ik zocht er veel vreemdsoortigs uit,Waarvan ik nooit had kunnen droomen,’k Zag planten schoon als ’k nooit gedachtHad, in de weelderigste pracht.’k Zag rondom mij een keur van bloemen,Waarvan ’k de naam niet eens kan noemen,In meng’ling, in verscheidenheid,Een tooverpracht om mij verspreid,Waar ik ’t bestaan niet van vermoedde,’k Genoot zoo veel, tot ik mij spoedde,Naar mijn Penaten eind’lijk wêer.’k Ging ’t kronk’lend pad eens heuvels neer,Een Haasje kwam op halverwegen,In volle vaart mij ijlings tegen,Een Wezel kruiste mijnen weg,En zag van onder eene hegMij na, met haar nieuwsgierige oogen,Als vroeg zij; „wat had u bewogenHier eens te kijken, Wandelaar”?’k Ontmoette nog een DuivenpaarWier rappe vleug’len luide sloegen,Die beide met de snelste vlucht,Naar ’t verre nestje henenjoegenKlapwiekend door de stille lucht.En verder had ik geen ontmoeting,In deze prachtige avondstond,Der vinkenslag was mijn begroeting,Toen bij mijn deur ’k mij weer bevond.


Back to IndexNext