NAAR BUITENSeringen bloeien, ’t Roosje geurt,De Roode Doorn is hoog gekleurd,Weigelia met zachte blos,Maakt zich uit dennendonker los.De Sneeuwbal schittert door dat groen;De Kamperfoelie hangt festoen,Van klimmend loof, met knop hij knop,Door ’s Zomers groene zalen op.De Varen prijkt in ’t groene mos,Van ’t hoog zich welvend eikenbosch.’t Viooltje bloeit aan ’s greppels rand,De Brem versiert met gouden bandDes groenen heuvels hoogsten top,En ’t slingerend paadje naar hem op.Het stroompje langs bebloemde boord,Schuift murmelend steeds dalwaarts voort,Rust bij de waterleeljes uit,Waar ’t molenrad den uitgang stuit,Dat zijne droppels dansen doet,In ’t volle licht der middaggloed.Ginds door het wuivend groene hout,Heft vorst’lijk, machtig zich en stout,Op ’s heuvels hoogste blanke kruin,Met forschen zwaai, half wit, half bruin,De zeils des molens hoog gebouw,De wieken rustloos, steeds getrouw,Gehoorzaamd aan des koeltjes drang,In hunnen rusteloozen gang.Waar is hier thans de HobbemaEn schildert hem den Meester na,Vereeuwigd hier met zijn penseel,Dit eeuwig landschapstafereel?Wat ongeëvenaard gezicht,Waar ’t oog zich ook maar henen richt.Ginds ’t statig groenblauw roggeland;Ver in ’t verschiet de fulpen rand.Van ’t onafzienb’re heideveld,Waar ’t klingelen de kudde meldt.Hoe vroolijk kijkt des landhuis ruit,Door ’t hoog geboomt’ van de omtrek uit!Hoe schilderachtig, diep in ’t dal,In ’t bed van groen met dennenwal,En boompartijen in den rug,Die boerderij met held’re brug,Die rookkolom, hoog uit de schouw,Het Eibertsnest op ’t schuurgebouw;Het trotsche hooge Lindenpaar,De Noteboomen, breed en zwaar,Daarnaast de held’re waterplas,In halflicht alsof ’t zilver was.Waar is de Ruysdael, die op ’t doek,Dit alles toovert, die zoo kloek,Zoo diep, zoo forsch, zoo vol, zoo breed,Dit alles weêr te geven weet?
Seringen bloeien, ’t Roosje geurt,De Roode Doorn is hoog gekleurd,Weigelia met zachte blos,Maakt zich uit dennendonker los.De Sneeuwbal schittert door dat groen;De Kamperfoelie hangt festoen,Van klimmend loof, met knop hij knop,Door ’s Zomers groene zalen op.De Varen prijkt in ’t groene mos,Van ’t hoog zich welvend eikenbosch.’t Viooltje bloeit aan ’s greppels rand,De Brem versiert met gouden bandDes groenen heuvels hoogsten top,En ’t slingerend paadje naar hem op.Het stroompje langs bebloemde boord,Schuift murmelend steeds dalwaarts voort,Rust bij de waterleeljes uit,Waar ’t molenrad den uitgang stuit,Dat zijne droppels dansen doet,In ’t volle licht der middaggloed.Ginds door het wuivend groene hout,Heft vorst’lijk, machtig zich en stout,Op ’s heuvels hoogste blanke kruin,Met forschen zwaai, half wit, half bruin,De zeils des molens hoog gebouw,De wieken rustloos, steeds getrouw,Gehoorzaamd aan des koeltjes drang,In hunnen rusteloozen gang.Waar is hier thans de HobbemaEn schildert hem den Meester na,Vereeuwigd hier met zijn penseel,Dit eeuwig landschapstafereel?Wat ongeëvenaard gezicht,Waar ’t oog zich ook maar henen richt.Ginds ’t statig groenblauw roggeland;Ver in ’t verschiet de fulpen rand.Van ’t onafzienb’re heideveld,Waar ’t klingelen de kudde meldt.Hoe vroolijk kijkt des landhuis ruit,Door ’t hoog geboomt’ van de omtrek uit!Hoe schilderachtig, diep in ’t dal,In ’t bed van groen met dennenwal,En boompartijen in den rug,Die boerderij met held’re brug,Die rookkolom, hoog uit de schouw,Het Eibertsnest op ’t schuurgebouw;Het trotsche hooge Lindenpaar,De Noteboomen, breed en zwaar,Daarnaast de held’re waterplas,In halflicht alsof ’t zilver was.Waar is de Ruysdael, die op ’t doek,Dit alles toovert, die zoo kloek,Zoo diep, zoo forsch, zoo vol, zoo breed,Dit alles weêr te geven weet?