REGEN

REGENHeer! Gij zijt goed en groot!De mensch klaagt U zijn nood,Verliest bij droge lucht,Zijn hoop op brood en vrucht.Gij drijft op ’s windes aêm,Eensklaps de wolken saam,Wanneer Gij Heer het wilt,Terwijl Gij ’t Noorden stilt,Dat louter droogte gaf.Gij wenket met Uw staf,Het Zuiden gaf gehoor;Een wolkendrom trad voor,En spande een grijzen boog,Als tent voor ’s menschen oog,Langs heel het hemelrond.En in den eigen stond,Kwam ’t wilde dropp’lenheer,Als hemelzegen neêr;Niet eer dan ’t noodig was,Maar op zijn tijd van pas,Schonkt regen gij aan de aar,Liefd’rijke Alzegenaar!

Heer! Gij zijt goed en groot!De mensch klaagt U zijn nood,Verliest bij droge lucht,Zijn hoop op brood en vrucht.Gij drijft op ’s windes aêm,Eensklaps de wolken saam,Wanneer Gij Heer het wilt,Terwijl Gij ’t Noorden stilt,Dat louter droogte gaf.Gij wenket met Uw staf,Het Zuiden gaf gehoor;Een wolkendrom trad voor,En spande een grijzen boog,Als tent voor ’s menschen oog,Langs heel het hemelrond.En in den eigen stond,Kwam ’t wilde dropp’lenheer,Als hemelzegen neêr;Niet eer dan ’t noodig was,Maar op zijn tijd van pas,Schonkt regen gij aan de aar,Liefd’rijke Alzegenaar!


Back to IndexNext