VOORJAAR

VOORJAARGeen sneeuwjacht meer, geen hagel meer;Geene ijsbloem op de ruiten;Een zonnetje ondertusschen weer,Dat somtijds lokt naar buiten.Reeds and’re luchten; niet meer grauw,De wolken die er zweven,En tusschen hen, het azuurblauw—Beneên het jonge leven.Reeds zomerwolkjes nu en dan,Van zachte milde vormen;En ’t zoele windje, in stede van,De ruwe winterstormen.Het winterkoninkje is niet meer;Daar buiten de een’ge zanger;Zoo menig lied weerklinkt er weer,En zwijgt van vreugd niet langer!En was de groene weide toen,Met doodskleur overtogen:Nu straalt ons ’t eerste teed’re groen,Met nieuwe glans in de oogen.’t Sneeuwklokje luidt het voorjaar in,En siert zoo lief de zode,En meldt zoo zacht, zoo stil’, ’t begin,Van ’t leven uit den doode.De Sleutelbloemen merken ’t eerst,Het uur van ’t blij ontwaken!En reppen zich als om het zeerst,En preêken ’t op de daken.En schuchter steekt een bloem haar knop,In ’t veld uit blad’rensprietje,Wat boven ’t groene moskleed op,Bij ’s Leeuw’riks eerste liedje.O Madeliefje, rein en schoon,Gij spant van alle bloemen,Van alle schoonen toch de kroon,Waarop het veld mag roemen!En crocus, hyacint en tulp,En hoe zij heeten mogen,Versieren tuin, paleis en stulp,Met kleuren overtogen.Zelfs ’t struikje dat geen bloemenpracht,Heeft om zijn schoon te ontplooien,Heeft met zijn blad’rendos getracht,Om zich op ’t schoonst te tooien.En ’t kleine lieve vinkenpaarZag ’t aan met welbehagen,En zong daar luid en vierde daar,Zijn gulden bruiloftsdagen.Een vlinder dartelt door den hof,Op iedre bloem neêrstrijkend.Het bijtje gaart zijn honigstof,Zijn zoeten schat verrijkend!Er gaat een suizen door Natuur:Een lied wel zonder woorden—Maar dat zich oplost in dit uur,Tot wondervolle akkoorden.En nu de mensch! verwonderd staat,Hij daarbij opgetogen,De heerlijkheid des Makers gaat,Voorbij als aan zijn oogen.’t Afschijnsel Zijner heerlijkheid,Straalt hem uit alles tegen,En hij gevoelt die Majesteit,Die grootheid allerwegen.Het leidt hem opwaarts naar omhoogDen Schepper luid te loven.Al ziet Hem hier niet ’s menschen oog,Eens namaals toch daarboven.Wanneer in eeuwig jonge kracht,Die nimmer zal verouden,Een eeuw’ge Lente prijkt vol pracht,Die immer stand zal houden.

Geen sneeuwjacht meer, geen hagel meer;Geene ijsbloem op de ruiten;Een zonnetje ondertusschen weer,Dat somtijds lokt naar buiten.

Reeds and’re luchten; niet meer grauw,De wolken die er zweven,En tusschen hen, het azuurblauw—Beneên het jonge leven.

Reeds zomerwolkjes nu en dan,Van zachte milde vormen;En ’t zoele windje, in stede van,De ruwe winterstormen.

Het winterkoninkje is niet meer;Daar buiten de een’ge zanger;Zoo menig lied weerklinkt er weer,En zwijgt van vreugd niet langer!

En was de groene weide toen,Met doodskleur overtogen:Nu straalt ons ’t eerste teed’re groen,Met nieuwe glans in de oogen.

’t Sneeuwklokje luidt het voorjaar in,En siert zoo lief de zode,En meldt zoo zacht, zoo stil’, ’t begin,Van ’t leven uit den doode.

De Sleutelbloemen merken ’t eerst,Het uur van ’t blij ontwaken!En reppen zich als om het zeerst,En preêken ’t op de daken.

En schuchter steekt een bloem haar knop,In ’t veld uit blad’rensprietje,Wat boven ’t groene moskleed op,Bij ’s Leeuw’riks eerste liedje.

O Madeliefje, rein en schoon,Gij spant van alle bloemen,Van alle schoonen toch de kroon,Waarop het veld mag roemen!

En crocus, hyacint en tulp,En hoe zij heeten mogen,Versieren tuin, paleis en stulp,Met kleuren overtogen.

Zelfs ’t struikje dat geen bloemenpracht,Heeft om zijn schoon te ontplooien,Heeft met zijn blad’rendos getracht,Om zich op ’t schoonst te tooien.

En ’t kleine lieve vinkenpaarZag ’t aan met welbehagen,En zong daar luid en vierde daar,Zijn gulden bruiloftsdagen.

Een vlinder dartelt door den hof,Op iedre bloem neêrstrijkend.Het bijtje gaart zijn honigstof,Zijn zoeten schat verrijkend!

Er gaat een suizen door Natuur:Een lied wel zonder woorden—Maar dat zich oplost in dit uur,Tot wondervolle akkoorden.

En nu de mensch! verwonderd staat,Hij daarbij opgetogen,De heerlijkheid des Makers gaat,Voorbij als aan zijn oogen.

’t Afschijnsel Zijner heerlijkheid,Straalt hem uit alles tegen,En hij gevoelt die Majesteit,Die grootheid allerwegen.

Het leidt hem opwaarts naar omhoogDen Schepper luid te loven.Al ziet Hem hier niet ’s menschen oog,Eens namaals toch daarboven.

Wanneer in eeuwig jonge kracht,Die nimmer zal verouden,Een eeuw’ge Lente prijkt vol pracht,Die immer stand zal houden.


Back to IndexNext