Nu is de sage der “Roode Hemdrok,” welke mij in Leeuwarden werd verteld (zooals dit meer voorkomt, trof ik ze later gedrukt aan, en wel bij Waling Dijkstra: eenBladzijde 373teleurstelling in zekere mate) hierom des te treffender, omdat de vrouw haar eigen doodkist ziet.
Teenstra deelt mede als voorbeelden van voorloop:
“Hier zag men in eene kamer eene doodkist onder de vensterbanken, van vele menschen in rouwgewaad omgeven, waaronder schreiende en zuchtende nabestaanden; daar zag men een lijkstaatsie langs den weg passeeren; ginds een begrafenisfeest aan eene wel voorziene tafel; daar zag men eenen hevigen brand; daar soldaten, hooge watersnood, die zag een schip vergaan; daar vertoonde zich een spookgestalte, in lijkgewaad, op het kerkhof, op welke plaats spoedig iemand moest worden begraven.”
En verder:
“De voorverschijningen van brand zijn in Noord-Nederland zeer algemeen.”
Nu heb ik inderdaad zoowel de “koude voorloop” (dood) als de “warme voorloop” (brand) algemeen in de Noordelijke provinciën aangetroffen (hierover nader); echter niet de voorloop van watersnood en oorlog, zelfs niet in 1914. Het kan daarom wel zijn, dat deze “voorloop” heeft bestaan, en ik verzoek hen, die mij hierover iets kunnen mededeelen, mij dit te berichten.
Hoe vindt nu zulk een voorloop plaats?
Ge ziet op een eenzamen weg een man staan, die uren lang op dezelfde plek blijft. Zoo ge u terzijde van hem stelt, zal hij niets zeggen. Eerst ten leste, als hij op 't punt is, om te vertrekken, kunt ge hem vragen, welken voorloop hij heeft gehad.
“Ik heb dat huis in brand gezien” of:
“Daar kwam een lijkkoets uit met een zwart (of bruin) en wit paard” (Waling Dijkstra; in Midwolde en Borger vond ik dezelfde overlevering).17
Bladzijde 374Een enkel maal grijpt u de man, die den voorloop heeft, bij den arm, hevig verschrikt roepend:
“Uit den weg—uit den weg—daar komt een begrafenisstoet aan.”
En dan duurt 't niet lang, of iemand wordt uit 't huis, waar dit geschiedt, naar zijn laatste rustplaats gedragen.
In Drenthe is 't op sommige plaatsen eenigszins anders. Daar heeft men de “koude” en de “warme” voorloop. Zij, die over de gave beschikken,zien steeds een woning in brand staan, als ze 't gezicht hebben (dus begrafeniskoetsen enz. ontdekken ze niet). Als ze nu de hand leggen op een muur van 't brandende huis, zal deze koud of warm aanvoelen. Is de muur koud, dan zal er in de woning iemand sterven. Is ze warm, dan komt er brand.
Teenstra, die met de Noord-Nederlandsche mystiek vrij-goed op de hoogte was (hoewel hij er te veel om heeft gelachen, wat waarschijnlijk de bevolking niet zeer vertrouwelijk ten zijnen opzichte heeft gestemd) noemt ook nog sagen van het “voorgevoel,” welke ik niet in dezen bundel heb opgenomen. Bijvoorbeeld:
“Iemand wil niet met een bepaald schip vertrekken, daar hij gevoelt, dat het zal vergaan. Inderdaad gebeurt dit.”
Teenstra kent ook nog de “gelijktijdige verschijning” en meldt hiervan 't volgende:
“Zoo gebeurde het ook eens, terwijl ik mij als passagier aan boord van Z. M. Fregat van Oorlog, de Eurydice, bevond, zijnde in 1827, op mijne terugreis van Batavia, dat onze kommandant, J. F. C. Wardenburg, terwijl wij ons beoosten Kaap de Goede Hoop, in de Indische Zee bevonden, mij des nachts kwam porren (wekken), zeggende niet te kunnen slapen; op verzoek van den waardigen kolonel opgestaan zijnde, deed hij mij, onder een sigaartje, verslag (te lang om hier mede te deelen) wat hij gezien en gehoord had, en of ik nu al beweerde, dat hij eenen benauwenden droom gehad had, hij beweerde bij kris en kras, dat hij goed wakker en zeer duidelijk gezien en gehoord,Bladzijde 375“dat zijne moeder, wonende in het Oldenburgsche, te Elsfleet aan den Wezer, op haar doodsbed lag, en zich, stervende aan zijnen jongeren broeder had beklaagd, dat zij voor haar verscheiden, ook nog niet haren zoon Johan, indien deze nog leefde (zijnde de kolonel zelf) had mogen zien, dat enz.” In den herfst van dit zelfde jaar kwam de kommissionair Hendericus Venhuizen, mij te Baflo, waar ik toen woonde, zeggen, dat er een Heer bij Bulsing, in de doelen, te Groningen, logeerde, die mij gaarne wenschte te spreken, of ik morgen niet in de stad zoude kunnen komen; hieraan voldoende, ontmoette ik den kolonel Wardenburg, die mij, terwijl wij aan het dessert zaten, verhaalde, dat op denzelfden nacht van het voormelde verschijnsel of voorgevoel, zijne moeder te Elsfleet overleden was, en aan zijnen broeder bij herhaling gezegd had, dat zij hem (den kolonel) voor haar sterven nog zoo gaarne eens weder gezien had, met alle de verdere daarbij plaats gehad hebbende omstandigheden, zooals hij die aan boord, in het zuidelijk halfrond gehoord en gezien had.”
Met den “voorloop” in verband staat het verschijnsel, dat algemeen bekend is. Terwijl men b.v. over den weg gaat, denkt men aan iemand, wiens aanwezigheid men nooit zou kunnen vermoeden; onmiddellijk daarna ontmoet men de persoon, over wie men zoo juist heeft gepeinsd. Ook zien sommige menschen lichtjes op plaatsen, waar later huizen worden gebouwd of een kanaal zal worden gegraven (Borger), of hooren een dof, ondergrondsch gedreun op de plek, waar later een spoorweg zal worden aangelegd (Drenthe, Limburg!!!) Verschillende mijner lezers kunnen waarschijnlijk in hun omgeving de door mij medegedeelde feiten met andere vermeerderen.
Wat de “voorloop-sagen” betreft, hier doet zich steeds iets zeer eigenaardigs bij voor. Het geval is in de volksverbeelding of liever in den volksgeest18zóó gesteld, datBladzijde 376er aan de uitkomst der voorspelling groote moeielijkheden zijn verbonden. Men bemerkt het in de overlevering van den “rooden hemdrok.” In Pietersbierum woont de vrouw van een dominé, die ziet, dat een man in rooden hemdrok haar doodskist dichtspijkert. Er woont echter niemand in het dorp, die op zoo in 't oog vallende wijze gekleed is, en daarom gelooft men haar niet. Als zich een timmerman, die altijd in een rooden hemdrok over de straat gaat, in het dorp heeft gevestigd, begint er angst te ontstaan, dat de voorspelling uit zal komen, en als de vrouw gestorven is, neemt de predikant zijn maatregelen, dat de kist naar een andere kamer zal worden vervoerd, dat er geen schroeven op den schoorsteenmantel liggen, dat niemand een witte doek op de doodkist zal spreiden. En toch geschiedt het alles, zooals de vrouw gedroomd heeft.
Neem een andere “voorloop-sage,” die van Opende (deze is tot dusver nog niet behandeld):
“Een man wordt 's nachts wakker, en staat op, daar hij niet kan slapen. Hij begeeft zich naar de deur zijner woning, en staart in 't donker. Plots ziet hij een lijkkoets over den weg, die heel langzaam zijns weegs gaat. De man denkt bij zichzelf:
“Dat kan nooit werkelijkheid worden. Nimmer toch wordt er 's nachts iemand begraven.”
Eenige weken later breekt er in Opende een besmettelijke ziekte uit, die daar en in den omtrek zóóvelen doet sterven, dat men ook's nachts moet begraven. Op dezelfde plek, waar de man de lijkkoets heeft gezien, gaat de treurige stoet voorbij.”
“Een ander, in Midwolde en in Borger, staat des avonds voor zich uit te turen, en bemerkt, dat er iemand begraven zal worden, getrokken door een wit en zwart (bruin) paard. Geen mensch gelooft het. Wie zal nu ook iemand ter laatste rustplaatse doen leiden … door een schimmel gevoerd?
Inderdaad sterft de man, die door den ziener is aangewezen, en men spant twee zwarte paarden voor denBladzijde 377wagen. Hetzalniet uitkomen, wat de profeet gezegd heeft. Maar wat geschiedt er? Een der zwarte paarden breekt zijn poot, en men moet zich wel met een ander paard behelpen, dat een schimmel is.”
Aldus is er in de voorloop-sagen een huiveringwekkende noodwendigheid te bespeuren, het zuiverste fatalisme, dat ik ken. Wel is een Macht achter alle feiten, doch deze is naamloos en genadeloos.
WESTERSCHOUWEN, WESTERSCHOUWEN, HET ZAL U BEROUWEN(blz. 67–71). Wordt in vele sagenboeken aangetroffen. De overlevering is zóó algemeen bekend, dat men niet kan nagaan, of ze inderdaad nog “leeft” of niet.
Merkwaardig is het, dat hier zoowel een zeemeerman als een zeemeermin een rol in spelen. De wijze, waarop de verzanding van Westerschouwen verklaard wordt, is zuiver-legendarisch.
Schrijnen zegt: “de watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der voorspelling. Want men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille van den nacht en trachten zij de menschen in 't verderf te storten.”
In 1892 heeft men nog volgens mededeeling van visschers te Southside, Deernes, op het Schotsche eiland Orkney een meermin gezien, 6 à 7 voeten lang, met zwart hoofd, overigens wit.
Dit is een der zeemeerminnen van den modernen tijd. Of ze nog in het Nederlandsch volksgeloof bestaan, heb ik niet kunnen constateeren. Het schijnt mij onwaarschijnlijk.
DE ZEEMEERMINNEN VAN EDAM(blz. 71–73). In de groote kerk te Edam op een der beschilderde glazen achter den preekstoel is een zeemeermin afgebeeld; terwijl de Purmerpoort aldaar een konterfeitsel vertoonde van het “groene wijf” met dit bijschrift:Bladzijde 378
Dit beeld hier opgericht tot een gedachtenisWat in het Purmer-meyr voorheen gevangen is.Anno 1403.
(Schrijnen, Nederlandsche Volkskunde).
Vgl. Soeterboom, Soetstemmende Zwaane van Waterland.
DE ZEEMEERMIN VAN MUIDEN(blz. 73).ERASMUS(standbeeld) blz. 73. Bekende sagen, door Prudens van Duyse medegedeeld.
KAÏN(blz. 74–82). Algemeen bekende overlevering, reeds door Wolf behandeld, ook door Welters, Limburgsche Legenden. Ik hoop, dat de vorm, waarin ik ze hoorde, door velen op prijs gesteld zal worden. Wolf was er trouwens, helaas! de man niet naar, om een dergelijk mooi verhaal goed weer te geven.
HET HEILIG HOUT VAN DORDRECHT(blz. 83–87).
MARIA, HET VENSTER(blz. 87–89).
BRAMMERT EN ELLERT(blz. 89–95). Geen der sagen van Nederland leeft wellicht zóó voort als deze. Hier is 't een jong meisje, dat door de beide roovers wordt gevangen gehouden, en dat ten laatste Brammert (of Ellert) met eet scheermes 't hoofd afsnijdt; ze wordt dan door den overledene nagezeten, die haar, op de wijze der witte wiven, een bijl nasmijt, welke tegen de deur aankomt. Zij is gered! Ook hoort men, dat ze Ellert lief krijgt, en dat ze door Brammert wordt vermoord, of dat ze Brammert liefkrijgt en door Ellert vermoord wordt (hierom moet Ellert rondspoken, tot aan den jongsten dag op de Drentsche heide; de kleine kinderen worden bang voor hem gemaakt, zooals wij in onze jeugd voor den boeman of een politie-agent). De klokken, die aan touwen worden gebonden, om de roovers te waarschuwen, vindt men echter steevast terug (vgl. 't aardig werkje: J. van der Veen, Nieuw Drentsch Mozaïek); trouwens deze klokkenBladzijde 379komen ook in verschillende Limburgsche verhalen voor (ook in andere provinciën?); reuzen-sagen vindt men natuurlijk overal. In 1913 is nog in Hilligersberg een feest geweest met optocht, waarbij ook nog een Reuzendochter in den praalwagen heeft plaats genomen (de Hillegaertsberg bij Rotterdam is volgens overlevering ontstaan door 't zand, dat de reuzin Hildegaerde uit haar voorschoot heeft laten vallen). Ook vertelt de Wall Perné een aardig reuzen-verhaal.
Natuurlijk, dat op de Veluwe verschillende heuvels door reuzen zijn gebouwd—zooals in verschillende andere deelen van Gelderland (Hoenderberg bij Nijmegen). Op 't Ellertsveld komen meerdere reuzen-verhalen voor. De duivel stelt men zich voor als een gigant, die op een heuvel woont (de Papenlooze Kerk).
In 't programma der feesten te Hilligersberg heeft men een lied aan de reuzin gewijd, dat aldus begint:
“Toen Hillegond, een reuzemaagd,Van Hollands duinenrand,Onschuldig werd van huis gejaagd,Nam zij haar schoot vol zand.Zij zocht een plaats voor 't souvenir,Van haren dierbren grond,En 't lieve meisje stichtte hierDen berg van Hillegond.”
Dat de reuzen nog in talrijke volks-sprookjes leven, evenals de kabouters, spreekt wel vanzelf. De toekomstige schrijver der “Nederlandsche Sprookjes” zal er misschien verscheidene kunnen opdiepen!!
ZOMERSNEEUW(blz. 95–101). Steffens zegt in zijn Geschiedenis der aloude heerlijkheid ter Horst (vgl. “Limburg” XX, 3⊇ afl.): “In Horst geschiedde de rechtspleging onder eene eeuwenoude linde op den voorhof van den burcht.”
Het gedicht, dat in dit boek is aangehaald, en dat door den volksgeest is gedicht, vinden we gedeeltelijk inBladzijde 380't dialect van Canne opgenomen in dezelfde aflevering van Limburg. 't Begint aldus:
“Kint geer in Canne deen auwe lin, dee tegenDe berg, kort aon 't klein kapelke steit,Zen blajerkroen, die is zoe dîk, dat regeNoch zonneschijn, noch wint terdoor en geit.”
Mooi klinkt vooral—en als ge in de buurt van Canne komt, moet ge het door een inwoner eens laten zeggen!:
“Zoe min es 't noe in zomerhits kaan snieëEn 't nach kaan zijn in volle dageschijn,Zoe min mag geer gebruuk en wet versmieëEn zal dees vrouw zich vrijgesproke zien.”
MIRJAM, SAGE UIT DEN ACHTERHOEK(blz. 101–106). Wie zal zeggen, of deze sage, van welke ik een achttal jaren geleden nog maar enkele resten aantrof, niet meer een historisch feit is dan wel een overlevering, en of de geschiedenis zich in den tijd van den Zwarten Dood niet ergens in den Achterhoek werkelijk heeft afgespeeld?
Wanneer ik in 1912 had geweten, dat de heer H. J. Westerling in “De Gids” een artikel wilde publiceeren over de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland (“Een Bijdrage tot de vroegste geschiedenis der Joden in Nederland,” De Gids 1912, IV blz. 512), hadde ik voorzeker zijn artikel kunnen completeeren. Onder de plaatsen, welke de heer Westerling als verblijfplaats in het beruchte jaar 1349 voor de Joden op kan geven, behoort Ruurloo niet. Wel werden toen de Zwolsche Joden “ad majorem Dei gloriam” (of hier heerschte de amor Dei) doodgeslagen. Geheel uit liefde tot God, vertaalt de heer Westerling, die verder uit een Joodsch gebedenboek, in de 14⊇ eeuw geschreven, aanhaalt de volgende plaatsen, waar in 1349 tijdens den Zwarten Dood gemoord werd:
Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Deventer, Zwolle, Utrecht, Keppel en Broek aan den Ouden IJsel. Men merkt het, dat het meest plaatsen zijn in het Oosten van ons land gelegen, waarvan verschillende in den Achterhoek. DatBladzijde 381de Jodenmoord in Keppel bijvoorbeeld later naar Ruurloo door 't verhaal werd verplaatst, zou ons niet behoeven te verwonderen, en dat hier dan legendarische bijzonderheden aan werden verbonden, is bijna natuurlijk. Dat de Joden de bronnen hadden vergiftigd, om den Zwarten Dood te doen binnenrijden, was een algemeen-verbreide meening, waarom duizenden Hebreeërs zijn vermoord.
De heer Westerling o.a. schrijft ook hierover en vermeldt:
Arn. van Bevergerne daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat de Joden dood geslagen werden, omdat men hun de schuld gaf van de verschrikkelijke pestziekte de Zwarte Dood, die reeds een paar jaren Europa teisterde en toen deze streken bereikte.”
“Do was over alle de werlt ein al te groeten sterfte, also dat de eyne den anderen kume begraven kunde, ofte dat d' ene daer by den anderen niet blijven kunde in syn lesten omme de overvloedicheyt der siekede. Ende hieromme werden aller wegen de Joden gedodet, want men gaff eher de schult der siekede.”
DE GEVANGEN WOLK(blz. 106–111). Toen ik deze sage voor 't eerst hoorde, en ze naast Mirjam legde, werd het mij eenigszins zonderling te moede. Was het wel dezelfde Zwarte Dood, welke in Ruurloo een zoo lugubere, in den Enscheder Esch een zoo liefelijke, onschuldige overlevering deed ontstaan? In den Enscheder Esch van Joden en bronnenvergiftiging geen sprake—van de boetegangers, die zichzelf en anderen geeselden, kan zelfs niet gerept worden. Een “Nederlandscher” sage dan deze zal moeielijk te vinden zijn, en in dezen zin neemt ze naast “Kabouterwraak” zeker een eervolle plaats in.
De auteur van 't gedicht wordt door den heer J. J. van Deinse, den Twentschen volkskundige, niet vermeld, en dit is jammer. Het doet mij onderwijl genoegen, dat ik hiertoe thans in staat ben: de auteurs van dit gedicht zijnBladzijde 382mejuffrouw C. Elderink en de heer J. J. van Deinse. 't Zal meerderen belang inboezemen.
Ik haal er in de “Aanteekeningen” nog een deel van aan.
“Eeuwen al zint der vuurbij egoan,Seent doar den Hölterhof hef estaon,Meer van vader op zön, van moond tot moondGeet doar bi'j de boeren de mare roondHoe doar vervöl in puun en stof,De stèrke geslacht en den Hölterhof …. ”
DE GIERIGE MULDER(blz. 111–116). Bekende sage.
DUIF EN DOFFER(blz. 116–122). Zie ook Limburg XX, 3⊇ aflevering. Beroemde overlevering, d.w.z. zij behoort beroemd te zijn. Ik hoop hiertoe een weinig bij te kunnen dragen.
EMMA VAN HAARLEM(blz. 122–125). Vele steden (die Weiber von Weinsberg) bestrijden elkaar deze sage.
ELEONORA'S POLL(blz. 125–130).
DE KAMPER RAADSLIEDEN(blz. 130–132). Één der Kamper uien. Ik meende deze ook als “voorbeeld” in dezen bundel op te nemen.
DE WEERTER ROGSTEKERS(blz. 132–137). Legio is het aantal namen, dat den bewoners van verschillende steden wordt geschonken: “Weerter Rogstekers,” “Deventer stokvisch,” “Zutphensche wind,” “Leeuwarder galgelappers,” “Amsterdamsche koeketers,” “Haarlemsche muggen,” “Makkumsche strandroovers,” “Franeker klokkedieven,” “Winsumsche Spinzakken,” “Asser biggen,” “Bornsche meelvreters.”
Aan een der Kamper uien (zie vgd.) ligt de Kampensche naam “Kamper steur” ten grondslag.
Verder: “Texelsche kwallen,” “Hoornsche krentebollen,” “Zaamslagsche strooplikkers,” “Dordrechtsche schapedieven,” “Zaandijksche krentekakkers.”
Bladzijde 383Van “Haagsche bluffers” hebt ge algemeen gehoord, en de “Werkendamsche brijbroeken” genieten ook eenige reputatie.
In de verklaring dezer namen liggen verschillende verhalen ten grondslag.
Door een onbekenden X is een gedicht op de Weerter rogstekers geschreven. Hieraan is 't volgende ontleend:
Te Weert had nog niemand de peluw verlaten,Toen knakkend de kar ging de straat op en neer,De hoef van de paarden reeds klonk door de straten.Ineens ploft de rog uit de hotsende kar.En ligt als een ongedierte achter den wagen.Zijn vaalzwart, maar flikkerend oog als een star,Is zeker een teeken van onheil en plagen.Weldra komt een aaklig, naar galmend geschreeuwDe rust der ontwakende Weertenaars storen ….”
De aanval op den rog wordt op geestige wijze aldus geteekend:
“Jan, steek!” riep een vrouw, die het venster uitkeek.“Als gij uw Jan,” zei de andre, “'t gevaar zoo zaagt tergenAls mijn Jan, dan zoudt ge niet zeggen: Jan steek!Dan zoudt ge geen zekeren dood voor hem vergen.”
En het roepen der landlieden:
“Alarm slaat nu 't doffe gerommel der trom,Verspreidt de verwondering door de gehuchten,Die allen in roer zijn: het klokkengebromDoet ijslijk de loopende landlieden zuchten.Zij stroomen met hoopen door 't veld; als een wolk,Zoo worden zij zwart door de straten gedreven,En dringen vooruit door het krielende volk,En vragen: “Wat is er. Wat wil toch dat leven?”
't Onheil, dat de rog heeft aangericht:
“'t Heeft in Hamont drie menschen verscheurd,Vandaar is het pijlsnel op Budel gevlogen,Daar viel ook dit lot aan een koopman te beurt,Men randde het aan en 't verdween uit hun oogen.”“Het heeft,” zegt weer deze, “met ijslijk gehuilIn 't vliegen een driejarig kind opgenomen,Met 't schreeuwende wicht in zijn bloedigen muilVloog 't heen als een wind, over huizen en boomen.”
Bladzijde 384KABOUTERWRAAK(blz. 137–149). Wanneer hier niet bij was vermeld, dat de Drentsche boerenjongen, dien ik Hilbert heb gedoopt, 't eerst over het Ellertsveld was gegaan (het Ellertsveld, dat zoo vol is van sagen en verhalen) en daarna (zie bladzijde 145) voor de Gietensche herberg stil had gehouden, dan had ik waarlijk geaarzeld, of ik dit verhaal bij de ”sagen” wel had opgenomen. Want het vertoont vele sprookjesachtige motieven, en één deel van Schrijnen's definitie over 't sprookje is hier aanwezig: “het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal …,” doch 't andere deel: “zonder beperking van plaats, persoon of tijd,” kunnen wij niet aantreffen.
Men zal onder de sagen, welke in dit boek voorkomen, er nauwelijks één kunnen vinden, welke zoo onmiddellijk uit den “volksgeest” is ontstaan. Het ontmoeten van Hilbert en Japikje; hun vrijage; haar weigering, om iets met hem te eten; haar wreed uitstel; 't avontuur der beide jongelingen uit 't Zuiden; zijn gang over het Ellertsveid, waarbij hij niet zijn beste pak aantrekt …. Ook de flesch jenever, die hij bij zich steekt heeft haar gezonde bestaansreden.
Immers, waar in verschillende deelen van ons vaderland (Achterhoek b.v.) een jongen, die naar een meisje uit een vreemde buurtschap vrijt, dikwijls groote kans loopt door de plaatsgenooten van 't meisje te worden afgeranseld, weet de Drentsche jongeling veelal een dergelijk avontuur te ontgaan, door de “eigenaars” op jenever te tracteeren. Inderdaad: eigenaars. Niemand heeft het recht, zich met haar te bemoeien, zonder hun toestemming.
De flesch jenever, die Hilbert met zich mede-neemt, is in het oorspronkelijk verhaal dan ook niet voor hem-zelf bestemd, doch om “'t wicht in het Noorden” te koopen. Eerst, als hij de kabouters ontmoet, begint hij te tracteeren, daar hij anders niet weet, hoe hij de guurkes voorbij moet komen.
De volkshumor is deze belangwekkende lezing geestigerBladzijde 385gaan maken, en dus tijgt Hilbert ter vrijage met een stuk “schinken” in de eene, en een flesch jenever in den anderen zak. Telkens neemt hij een beet en een slok, wat tengevolge heeft, dat de drank al flink is aangesproken, wanneer hij bij de kabouters aankomt.
Als Schrijnen zegt van “de sproke”:
“Zij heeft óók een nationaal karakter en voegt zich geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft,” dan zal men, na het bovenstaande te hebben gelezen, nog meer mijn aarzeling begrijpen, of dit verhaal niet geheel en al bij de sprookjes is te rangschikken. Nu wordt het sprookje anders verteld als de sage, gelijk ieder weet, die beide vormen onder “'t volk” heeft bestudeerd. Zoo ge de moeite zult nemen, om het register achter in 't boek nauwlettend te bekijken, dan zult ge bevinden, hoe de meeste overleveringen een deugd of een ondeugd beschouwen, tenzij in de “liefde”-sagen, en de “heksen”-sagen. Het sprookje daarentegen is de vertelling zonder moraal, en eindigt dus bijvoorbeeld met de woorden:
“En toen kwam er een varken met een langen snuitEn toen was het vertelseltje uit,”
een slot, waarmede kinderen en de groote menschen, die dikwijls als kleine kinderen zijn, volkomen genoegen nemen. Men begrijpt dus, dat voor 't wedervertellen van sprookjes (Boekenoogen, Dijkstra, Pol de Mont, de Cock) een afzonderlijk talent noodig is, omdat men met schrale woordkeus groote effecten moet bereiken.
De “Kabouterwraak,” welke laten we zeggen voor de helft sage is, voor de helft sprookje, bood dus zeer eigenaardige moeilijkheden. Ik heb getracht, deze zoo goed mogelijk te overwinnen, en de scheikundige regel: “in een mengsel behouden de stoffen onveranderd haar eigenschappen” ook hier stelselmatig toe te passen.
Bladzijde 386HET VROUWENZAND(blz. 149–154). Hier zij in de eerste plaats verwezen naar de Aanteekening op “Het Vrouwtje van Stavoren.” In 't werk “Oud en Nieuw” Nederlandsche Legenden door J. J. van der Horst (Leiden J. W. van Leeuwen 1887) is de sage opgenomen onder den titel “Richbertha van Stavoren.” Hier vindt gij, dat een vreemdeling, een wijze oosterling, de rijke weduwe bezoekt, en, nadat hij bij haar een rijk gastmaal heeft genoten, zegt:
“Eene zaak verwondert mij bovenmate: ik mis hier ééne spijs, die het beste, het edelste, het kostbaarste is van alles, wat de aarde den mensch voortbrengt.” Ge ziet dus den schatmeester der weduwe op reis gaan, om dit kostbaarste te vinden, en dan leest ge, dat op zijn schip gebrek aan brood komt. Landt hij nu in een stad aan de Baltische zeekust, dan weet hij, dat de tarwe het kostbaarste van alles is. Bij zijn terugkomst, beveelt ook hier de weduwe, het graan in zee te werpen, waaraan morrend en vloekend wordt voldaan.Ook de bevolking van Slavoren verzet zich hier tegen haar bevel. Vooral dit laatste dient onze bijzondere aandacht te trekken, en 't komt ook wel overeen met de houding van het volk in “Het Vrouwtje van Stavoren” (blz. 6).
Het “ring-motief” wordt door den heer van der Horst tegelijkertijd in deze sage verwerkt, en wel als volgt (nadat de tarwe in zee is geworpen):
“Toen stond daar eensklaps de onbekende vreemdeling in oostersch gewaad vlak tegenover haar en sprak plechtig:
“Gij ziet, dat ik woord houd. Uw schatmeester heeft in waarheid, door God zelven verlicht, het kostbaarste, het edelste, het nuttigste voortbrengsel der aarde u aangevoerd, en gij versmaadt en verwerpt het in dollen overmoed. Weet, o vrouwe Richtbertha! dat God rechtvaardig en almachtig is. Eens zult gij gebrek lijden aan hetgeen gij thans met zooveel verachting in zee werpt ….”
Een helle schaterlach klonk krijschend over de hoofdenBladzijde 387der omstanders. De trotsche weduwe wierp het hoofd in den nek en gilde:
“Wie zijt gij, vermetele vreemdeling, om mij te durven hoonen? Zou ik ooit gebrek kunnen lijden? Neen, gij zult mij niet ten tweeden male bedriegen! Ziehier mijn kostbaarsten ring van juweelen: eer brengt de zee mij dezen ring terug, eer ik gebrek zal hebben aan één korrel graan!” En met deze woorden slingerde zij het prachtig juweel in zee.
Vol bitterheid in de ziel, maar, zoo mogelijk, nog trotscher dan tevoren, betrad zij hare marmeren woning, gevolgd door de verwensching en vervloeking van schepelingen en armen.
“God is rechtvaardig!” had de geheimzinnige vreemdeling haar gewaarschuwd, en zijne bedreiging werd op vreeselijke wijze vervuld. Slechts weinige dagen daarna zat Richbertha aan den maaltijd en werd eensklaps bleek als een doode: bevend en sidderend staarde zij op het stuk zeevisch, dat zij voor zich had, want daarin werd de weggeworpen juweelen ring haar teruggegeven.
Van dat oogenblik dagteekent Richbertha's ongeluk en het verval van Stavoren ….
Een bladzijde later vinden wij het ontstaan van het wonderkoren beschreven, en dus zien wij hier, dat drie lezingen in één zijn gevlochten, en wel zeer gelukkig gecombineerd.
Wolf geeft in zijn “Niederländische Sagen” twee afzonderlijke lezingen, zonder eenige toespeling echter op den ring.In de eerste lezing zin alle bewoners van Slavoren overmoedige lieden, en de vrouwe geeft haar schipper bepaald bevel, om koren te halen, daar de graanprijzen zeer hoog zijn. Het tweede verhaal stemt meer overeen met het in dit boek behandelde. De geschiedenis van den ring treffen wij bij Wolf niet aan.
Nu is het slechts zelden, dat een sage onlogisch is. Leest men bijvoorbeeld “Westerschouwen, Westerschouwen,” dan wordt de gansche plaats gestraft, omdat haar inwoners gezamenlijk overmoedig zijn en zonder medelijden. InBladzijde 388“Straffe Gods” wordt alleen de onbarmhartige vrouw gestraft; Gerard de slechte heer, de gierige mulder, zij worden ten verderve gevoerd, en niet hun omgeving. Een sage is maar niet zoo onlogisch, en waar zij de vloek, die over een streek wordt uitgesproken, verklaart, daar schakelt ze, als 't noodlot zelve, feit aan feit aaneen, zoodat wij geneigd zijn te zeggen:
“Zoo—en zoo niet anders—is het gebeurd.” De verteller der sage heeft als eerste plicht deze fataliteit te gevoelen en te handhaven.
DE RIDDER VAN STENHUISHEERD(blz. 154–160). Geen bijzondere opmerkingen.
DOODENDROOM(blz. 160–167). De lezer behoeft niet te denken, dat de spelling “Engelland” aan een drukfout is te wijten, of mij is ingegeven door van Eeden-iaansche motieven. Waarlijk rust deze sage op 't geloof, dat in Engel(l)and, aan de overzijde de zee, de schimmen der dooden (engelen) rusten, en dat de veerman des Doods de moderne Styx oversteekt met de nevelen aan boord. Dat de dooden pijn kunnen gevoelen door de schuld der levenden, komt voor in menig spookverhaal: bijvoorbeeld ook bij de juffrouw zonder kop, die bij Echt rondwaart. Hier zou zij verlost kunnen worden, als de boerenjongen de schat vindt … waar hij niet in slaagt. In Dokkum wordt verteld (deze sage is niet in den bundel opgenomen), dat in een huis een geest rond moet waren, tot een schat is opgespoord, waaraan hij tijdens zijn leven niet kon komen. Als de kwelling ophoudt, vindt de geest rust.
In Oscar Wilde's “The Ballad of Reading Gaol” wordt de pijn der dooden alsvolgt verklaard:
“For he who sins a second timeWakes a dead soul to painAnd draws it from its spotted shroudAnd makes it bleed again,And makes it bleed great gouts of bloodAnd makes it bleed in vain.”
Bladzijde 389Het spoken van het doode kindje bij zijn moeder, die om hem weent, daar het door haar tranen geen rust kan vinden, is wel-bekend. Eerst keert het tot vrede weder in, als de moeder niet meer schreit.
Ook “Doodendroom” vertoont sprookjes-achtige motieven. Er is bijna geen plaatsaanduiding (“Walcheren” is een veel algemeener begrip natuurlijk dan bijvoorbeeld Westerschouwen); toch kon ik er niet toe besluiten het verhaal als sprookje te behandelen.
MOOI-ANN VAN VELP(blz. 167–178). Een echt voorbeeld van den “naloop” (zie Aanteekeningen bij “De Roode Hemdrok”). De sage wordt verschillend verteld; de één zegt: “de jonker van Biljoen” en de ander: “de jonker bij Biljoen.” Tijdens de correctie heb ik nog geaarzeld, welke lezing ik zou volgen, doch de vage uitdrukking “bij” trok mij, om de samenstelling van het verhaal, nog 't meeste aan. Wonderlijk is, dat mooi-Ann zich niet op den jonker zelf wreekt, deze blijft na haar dood even gezien als hij vroeger was, en ook “'t oud karonje van een meid” leeft volkomen onbezorgd verder. Ik vermoed, dat er vijftigjaar geleden wel andere lezingen over hebben bestaan, doch dat deze zijn uitgestorven. Er zullen waarschijnlijk wel manuscripten of gedrukte gedichten van diverse anonyme schrijvers over bewaard zijn gebleven, welke men mij niet heeft toegezonden tot dusver.
Natuurlijk is 't niet onlogisch, dat mooi-Ann zich op “de mannen” wreekt, doch de volksgeest wenscht in dergelijke gevallen de meest-bloeddorstige wraak, en de jonker benevens 't oud karonje dienden eigenlijk een zwaren dood te sneven.
DE VERBORGEN SCHAT(blz. 178–182). Niet alleen bij Welters, maar op tal van plaatsen (Mookerheide, Veluwe) komen verhalen van verborgen schatten voor, bij welker opgraving niet mag worden gesproken. Vele spookverhalenBladzijde 390hebben uit den aard der zaak een verborgen schat ten grondslag. Hier wordt een interessant geval van naloop met een verborgen schat in verbinding gebracht.
Men merkt het, dat de geest op Woensdag en Vrijdag het gevaarlijkst wordt geacht; waarom de beide boerejongens op Dinsdag moeten graven, is mij niet duidelijk.
WAAROM DE REUZEN IN LIMBURG ZIJN UITGESTORVEN(blz. 182–187). ZieAanteekeningen Brammert en Ellert.
DE STILLE RONDE VAN BERGEN-OP-ZOOM(blz. 178–196). Een onzer zeldzame soldaten-sagen, tegelijkertijd “naloop.” Waarschijnlijk ligt hieraan waarheid ten grondslag, misschien een treffender dan in dit verhaal tot uitdrukking komt.
Het wil mij namelijk voorkomen, dat de “plaatsmajoor” van de werkelijkheid niet een veel hoogeren rang dan zijn zoon bekleed heeft, die tot de gewone soldaten moet gerekend worden. Dat hij, de vaandrig, zich in plaats van den schildwacht zou hebben gesteld—lijkt mij onwaarschijnlijk. Dat de schildwacht zich in werkelijkheid zou laten overhalen … het is bijkans onmogelijk te achten.
Maar deze wijze van bespreken heeft inderdaad iets wreeds. Natuurlijk is er menige sage, waarin de waarheid verborgen is. Misdaad en berouw zijn dikwijls de grondslagen, vooral, wanneer het begane feit niet door den rechter is gestraft, zoekt “het volk” de wraak op deze wijze, d.w.z. de zwerver of de liedjeszanger (soms ook een derde-rangs-poeët als de dichter van het vers, waarmede ik de sage doe aanvangen) voeren het verder, en ten laatste, men weet niet hoe, is sage geworden, wat in diepen grond waarheid was. Dergelijke sagen onderscheid ik gaarne van de zuiver-fantastische, waarin allerlei waanfiguren den dans uitvoeren. Verbeeld ik 't me, dat de menschen, die deze histories vertellen, ook in hun aard verschillend zijn van de overige? Ik heb althans getracht ook de wijze van behandeling dezer “waarheids”-sagenBladzijde 391anders te doen zijn dan de door het volk verdichte, en ze vooral den klank der werkelijkheid te laten behouden, zooveel dit doenlijk is.
DE WITTE WIVE VAN LOCHEM(blz. 196–208). Een “witte wive” als hulp voor twee verliefde jongelui! De “witte wive” van Lochem, de meesteres van alle witte witte op de Veluwe, Salland, den Achterhoek, de Twenthe, is hier wel eenigzins gefatsoeneerd. De sage is ontegenzeggelijk belangrijk, als zou 't alleen maar zijn om den leuken boerschen humor op blz. 197, waar Herbert's ouders een proces winnen … waarmede ze hun spaarpenningen verliezen. Toch is de karakterteekening nog te scherp, om niet aan geleerde invloeden te doen denken. Ook het feit, dat den kinderen geen kwaad wordt gedaan, is eenigszins-vreemd. Zoo zoetelijk zijn de witte wiven gemeenlijk niet (zie ook de “Witte Wiven van Tubbergen” in dezen bundel, blz. 210; De “Witte Wive van Espeloo” in “Overijselsche Sagen,” door mij geschreven; de “Witte Juffers” in 't Noorden zijn schrikaanjagende gestalten). Echter zijn er ook wel “witte wiven” als de Lochemsche, zooals b.v. de Witte Juffer van Hoog Soeren.
Over den oorsprong der “witte wiven” of “witte juffers” zijn velerlei beschouwingen geschreven, alreeds door Picardt, en hier wordt dan ook alle mogelijke kwaad van haar verteld. Schotel deelt mede dat zij volgens sommigen dezelfden zijn als de Alven of Elven, waarvan zoo vele sagen bestaan, en waarna eenige plaatsen genoemd worden, doch anderen betwijfelen zulks. Evenals goede en kwade engelen zijn er goede en kwade Alven. De laatsten, zwarte en donkere Alven geheeten, zijn klein, mismaakt, kwaadaardig, duivelachtig, vijanden der menschen en van het Christendom, het daglicht schuwende en bij nachtwerkende.
Maar … de witte wiven van Tubbergen, die toch zeker tot de kwaden gerekend worden, zijn: 1°. niet zwart, 2°. niet klein en mismaakt, 3°. schuwen zij het daglichtBladzijde 392niet. Ook de witte wiven van Vriezenveen kunnen uit de beschrijving van Schrijnen (Nederlandsche Volkskunde I, blz. 67) geen liefelijken indruk op ons maken.
Waar ik over witte wiven heb hooren spreken, was het bijna steeds met een gevoel van angst, sterker: ondragelijke afschuw. Daarom is mij de figuur der Lochemsche witte wive wel een weinig vreemd en—ware zij minderbelangrijk geweest—deze objectieve tegenzin hadde mij ertoe geleid, ze te verzwijgen.
HET ONTSTAANDER NAMEN VAN VERSCHILLENDE HOLLANDSCHE PLAATSEN. Haarlem met de Bakenessergracht, Deventer, Markeloo, Zandeweer, Domburg (blz. 208–210). Evenals “Hoe Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum een naam kregen” een uiting van den volkshumor.
DE WITTE WIVEN VAN TUBBERGEN(blz. 210–219). Verhaal meteen allegorische beteekenis. Zie voor aanteekeningen op de “Witte Wiven”aanteekeningen hierboven.
WONDERLIJKE AVONTUREN VAN DEN RIDDER MET DEN ZWAAN(blz. 219–244). Schotel verwijlt lang bij dit verhaal, “wijl zijn geschiedenis uitsluitend een vaderlandsche legende ten grondslag heeft.”
“Noch in het Zuiden van Frankrijk, noch in het Oosten, Griekenland of Rome (gelijk sommigen beweerden), maar in Frankenland moet het verhaal onzer sage gezocht worden. In het gebied der Merovaeussen, Chilperikken, Lothariussen, en wel in dat gedeelte van hun gebied, dat zich van den Rijn tot aan de Schelde uitstrekt, stond haar wieg en bakermat.”
Reeds het feit, dat de ridder met den zwaan in Nijmegen aan-komt, is voor ons een aanwijzing, dat wij dit oud verhaal, dat door Wagner's opera een wijde vermaardheid heeft verkregen, in den bundel behooren op te nemenBladzijde 393al plaatst mr. L. Ph. C. van den Bergh zijn oorsprong in het Noordelijk Frankrijk.19
DE SCHELPENGROT OP NIENOORT(blz. 244–252). Levende sage.
VAN EENEN RIDDER(blz. 252–255), met
VAN EENEN KOSTER EN EENE KOSTERIN(blz. 255–259), behoorende tot de Maria-legenden.
Men zal tegen mij opwerpen, dat hier niet de “Beatrijs” is gekozen, doch na de bewerking van Boutens was er natuurlijke aarzeling bij mij, om bij de poëtische wedergave nog een in proza te voegen.
Daarbij kwam nog de eigenaardige omstandigheid, dat er nog een sage onder ons volk leeft, welke met de legende van Beatrijs overeenkomst vertoont en wel de hier behandelde sage van
DE BERGTOREN VAN DEVENTER(blz. 260–265).
EEN SCHOONE HISTORIE VAN DE VIER HEEMSKINDEREN(blz. 265–275). Uit den Fabelkring van Karel den Groote. Wellicht een der meest-geliefde romans in de 15⊇, 16⊇ eeuw, ja later nog zette zich de liefde van ons volk voor de vier Aymijns kinderen op hun ros Beyaert voort, en de Montelbaens-toren te Amsterdam zal eeuwig een heugenis blijven van den invloed dezer sage. Terwijl alle andere Arthur- en Karel-romans reeds tot de vergetelheid behoorden, en sergeant-majooor van Altena b.v. in 1812 zeer verbaasd was, toen hij in verschillende Duitsche plaatsen van zekeren Roland hoorde vertellen, was in 't begin der 19⊇ eeuw de sage der Heemskinderen nog levend in ons volk.
J. A. Alberdingk Thym zegt van dit verhaal:
“De Nederlanders hebben de Heemskinderen bemind met eene trouwe, met eene ridderlijke, met eene MiddeleeuwscheBladzijde 394liefde, en niet alleen, toen zij aan de hoven der Vorsten, op de hooge burchten der Baanrotsen verkeerden, toen zij door dichters werden ingeleid, die slechts bij uitzondering de gouden sporen ontspanden, om de feestzaal te betreden, dichters, wien de harp in handen blonk, al dekte de hertogsgroet of gravenwrong hun kruin: neen, ook toen de Heemskinderen, als kermisgasten in roode en gele lompen gekleed, door den modder onzer pleinen en bruggen gevoerd, bij het orgel van een straatmuzikant hun armen ouden Beyaert kunsten moesten afdwingen nog toen bleef de liefdes des volks volstandig, nog toen beminden zij die eenmaal zoo fiere jongelingen op hun heldhaftig paard.”
En nu—in 't begin der 19⊇ eeuw verschijnt er dus weder een verkorte uitgave van de lotgevallen der vier broeders, een uitgave, welke eindigt met den dood van Beyaert. Want het is vooral de dood van Beyaert, die de “Vier Heemskinderen” zoo dramatisch maakt: 't is het leed om een stervend paard, dat wij met de middeleeuwsche menschen begrijpen. Niet de vele avonturen der ridders kunnen wij zoozeer waardeeren, maar wel hebben wij Adelaert lief als een broeder, wanneer hij uitroept:
“Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht loon wordt gij betaald.”
Dit tooneel alleen zal de wensch van Wolf en Deken dat er “iemand, niet misdeelt van aardig vernuft, onder ons zou opstaan, die een geheel nieuwe Uitgaaf bezorgde van de schoone historie der Vier Heemskinderen” voor alle geslachten, al leven zij duizend jaar na ons, weder bij verschillende doen opkomen. Hier hebt ge dan een twintigeeuwsche bewerking, om de “Vier Heemskinderen” weder populair te maken voor dezen tijd. Aldus zal deze oude sage20steeds nieuw blijven.
Bladzijde 395FERGUUT, RIDDERROMAN UIT DEN FABELKRING VAN DE RONDE TAFEL(blz. 275–311). In 1908 verscheen de laatste Hollandsche Uitgave van de Ferguut, en wel van dr. Eelco Verwijs, opnieuw bewerkt en uitgegeven door dr. Verdam. Door mij is tevens geraadpleegd het werk van L. G. Visscher (1838). Men begrijpt, dat door mij het werk van Visscher reeds hierom wordt gewaardeerd, omdat deze ervoor heeft gewaakt, dat de “Ferguut”—voor mij de mooiste ridderroman uit den Fabelkring van de Ronde Tafel—is blijven leven in veler belangstelling. Wel zal ik niet ontkennen, dat Verdam een verdienstelijk werk heeft gedaan, door in het wetenschappelijk tournooi deze “gebrekkige uitgave” den genadestoot toe te brengen, maar ik, bovenal bewogen als schrijver door den werkelijken roman, moet mij van dezen kamp afzijdig houden.
Voor mij is de “Ferguut” nog als stroomend bloed in 't lichaam van dezen tijd, en wij zelf kunnen er ons in weder-kennen, wij de onervaren droomers, die het leven moeten leeren begrijpen. Onze jonge ziel gaat uit naar een verheven doel … tot alles achten wij ons wel bekwaam, en uittrekkende ontmoeten wij onze eerste vijanden, nadat we den twijfel hebben overwonnen. Staat daarna niet Keye, de spotter, voor ons allen gereed? Maar, o wonder! komt niet tegelijkertijd onze eerste, groote vriend, die de hand op onzen schouder legt, maar die niet kan beletten, dat wij daarbuiten weder moeten zwerven, zonder genade—
De arme Ferguut! Inzijntijd21het type van den vaarlijken ridder, al komt hij op uit eenvoudig geslacht, wordt hij voor ons eeuwiglijk de droomer, de strevende man, die voortdurend wordt gehinderd door 't leven. Men ziet, dat 't geluk dichtbij hem is, doch lichtzinnig als een jonge knaap, die lachend wijst naar de scherven eener gebroken vaas, weet hij niet, welke kostbaarheid er voor hem verlorenBladzijde 396gaat. En als wij later zien, hoe hij zich afwendt van de jonkvrouw Galiëne, vol schaamte over zijn moed, nadat hij haar heeft bevrijd, zeggen wij:
“Het was een mensch, deze Ferguut, en hij leeft als een man in 't boek van een groot schrijver.”
Heb ik de ontroering mijner ziel, terwijl ik de Ferguut voor u vertaalde, genoeg in 't werk zelve kunnen leggen? Dit is de menschelijkste der Arthur-sagen, een der meesterwerken van de wereld-literatuur.
WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN UIT FRIESLAND(blz. 311–321). In vele oude geschiedenis-boeken over Friesland worden deze verhalen min of meer alshistoriebehandeld: dat ze echter bij de sagen behooren, behoeft geen betoog.
ZUWAERT, DE MARTELARES VAN DORDRECHT(blz. 321–323). Is gekozen als voorbeeld eener Katholieke legende. Zoo deze bundel door een tweeden wordt aangevuld, zullen daarin verdere verhalen over Nederlandsche martelaren of heiligen worden opgenomen.
DE ENGELSCHE KONINGSDOCHTER(blz. 323–332). Bekende sage over 't ontstaan van 't wapen der heeren van Heusden.
DE VLIEGENDE HOLLANDER(blz. 332–338). Niet ligt aan deze sage 't verhaal vanKaïn(Waleram en Reginald, blz. 74 en vlgd. van dit boek) ten grondslag, zooals door sommigen wordt aangenomen. Is ze een fantasie van Heinrich Heine? Zie “Aus den Memoiren des Herrn von Schnabelewotzski.”
Door Wagner's opera heeft ze zich verspreid over de gansche wereld, en zóó is er nog in dezen tijd in Zuid-Afrika, dat arm is aan “Europeesche” sagen, een variatie uit ontstaan.Bladzijde 397
ONTMOETING MET DEN VLIEGENDEN HOLLANDER(blz. 338–342). O.a. door Waling Dijkstra medegedeeld.
DE SAGE DER “LUTINE”(blz. 342–346). Van deze sage bestaat minstens één gedicht, door een liedjeszanger bij den weg gevent. Ik heb het in Zwolle hooren zingen, maar het was uitverkocht, toen ik er mij meester van wilde maken. Zoodra het in mijn bezit is, hoop ik het te publiceeren.
DOKTOR FAUST BIJ BOMMEL(blz. 346–352).
AVONTUREN VAN DOKTOR FAUSTUS IN LEEUWARDEN(blz. 352–356). Dokter Faustus brengt het er in Nederland wel armzalig af. Hij is hier slechts de toovenaar bij uitnemendheid, die toevallig den naam van Faust heeft aangenomen. Faust was hier welbekend door den volksroman “De Historie van Docter Johannes Faustus, die een uitnemenden grooten tovenaar in zwarte Konsten was ….” enz., welks verschijning door mr. van den Bergh waarschijnlijk wordt gesteld op het einde der 17⊇ eeuw.
Na de voleindiging dezer “Aanteekeningen” wensch ik gaarne een woord van dank te brengen aan den heer C. A. van Fenema, conservator aan de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen, die mij met diverse aanwijzingen van dienst is geweest.
1914–1917.