Figuur 2.

Figuur 2.Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwamNiemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam

Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam

Niemand opende. Ze luisterde of er van binnen geen geluid kwam

“Zelfs, als uw woorden waar konden zijn, zou ik het niet doen. Mijn zuster haat mij en zij zal mij niets schenken. Ik deed haar voorzeker onrecht.”

Ze vroeg om een bete broods aan vreemden, en nooit ging ze tot Anna. Overal weigerde men haar voedsel, en iederen dag kwam zij met leege handen terug.

Wie het eerst gestorven is—?

Haar man; drie harer kinderen waren begraven, en met één kind was ze overgebleven.

“Moeder! geef me brood,” vroeg het kind.

“Er is geen brood,” snikte ze.

“Ga 't halen, moeder.”

“Niet sterven, mijn eenigste! O! je moogt niet sterven.”

“Moeder, geef me brood.”

Dien avond ging ze naar haar zuster's huis. Zij naderde de deur.

“Klop—klop—klop,” tot driemalen toe.

Niemand opende. Ze luisterde, of er van binnen geen geluid kwam. Het bleef stil, als de nacht om haar. Schuchter klopte ze weder.

“Klop—klop—klop—”

De deur bleef gesloten.

Ze peinsde:

“Mijn zuster zal uitgegaan zijn, daar ze geen brood heeft. Dus hebben de lieden toch gelogen, dat ik bij haar hulp kon vinden.”

IJlings keerde ze naar haar woning terug. Het kind lag op den grond, en verhief zich niet bij haar nadering.

“Moeder,” zeide hij met zwakke stem, “Moeder! hebt gij brood? Ik heb zoo'n honger.”

“O! ik kan 't niet geven. Kon ik het van mijn lichaam snijden, mijn kind—Zoo ik één bete had, zou ik er zelve niets van nemen, al scheurt mij-zelve de honger mijn ingewanden aan stukken. Moed! De goede God waakt.”

Bladzijde 16Zij zonk op haar knieën en smeekte om uitkomst.

Wonder! daar was een stem, ruischende, die tot haar sprak:

“Ga morgen in den vroegen ochtend naar uwe zuster Anne. Zij heeft het brood, dat gij behoeft. Uw goede werken zijn bekend in den Hemel, en de engelen zingen uwen naam. Zalig zult gij zijn.”

Nog twijfelde zij en ze vroeg:

“Anne zette zich aan mijnen disch, en at van mijn brood.”

Zoet antwoordde de stem:

“Heb vertrouwen.”

Toen stroomden haar de tranen uit de oogen, en snikkende lachte ze tot haar kind:

“Morgen zal er uitkomst zijn.”

Zij doorwaakte den nacht in gebed, haar zoontje aan haar zijde. En vroeg was het licht. Ze maakte zich gereed voor den tocht, en als den vorigen avond ging ze naar haar zuster's huis. De deur was geopend. Zoete baklucht stroomde haar tegemoet.

“Zuster!” zoo riep ze blijde, “heeft iemand u meel geschonken? Zeker waart ge van plan ten mijnent te komen, en mij rijk te bedeelen, zooals ik ook u heb gegeven. Ge zult mijn onrecht vergeten, nu ik in nood verkeer.”

Anne zag haar aan, haat in haar oogen.

“Wat zoekt ge bij mij, daar ik u gevloekt heb?”

“Zuster—mijn kind is stervende!”

“Uw kind? Spreekt gij van één kind slechts?”

“God nam mij al het andere. Één slechts bleef mij behouden. Zuster! gij zijt gezegend, dat ge mijn laatste bezit redden kunt.”

“Ik weet niet, wat ge meent.”

“Niet voor mezelf kom ik, doch voor mijn kind. Ik wil sterven, zoo ge weinig hebt; deel dan het overige tusschen u en mijn zoon.

“Ik heb geen brood in dit huis.”

“Zuster! er is hier geur van brood—”

Bladzijde 17“Ik zweer u, dat ik geen brood heb.”

Marie zonk op haar knieën neer. Haar handen betastten Anne's kleed.

“Zuster! gij liegt. O! deze leugen zal u nooit vergeven worden. Bij uw zaligheid … geef mij brood.”

Toen sprak Anne een vreeselijken eed:

“Zoo waarlijk mogen mijn brooden in steen veranderen, wanneer ik ze heb. Zoo waarlijk moge het meel in mijn vingers tot steen worden, als ik bak. Ik heb geen brood.”

Marie stond op, en legde haar handen aan 't hart. Ze zeide haar de woorden na met bevende, vreeselijke stem:

“Zoo waarlijk mogen uw brooden in steen veranderen, wanneer gij ze bakt. Zoo waarlijk moge het meel in uw vingers tot steen worden, als gij bakt. Amen!”

Zij ging heen, en liet haar, zuster achter.

Nadat zij weg was gegaan, sloot Anna de deur, en met zachte schreden liep ze naar den oven, waar ze gebakken had. Ze glimlachte, en ze peinsde:

“Voor mij is het alleen, en niemand zal er aanraken.”

Werktuigelijk nam ze een der brooden, welke op tafel dagen. Haar vingers werden koud.

“Steen!,” gilde ze.

Al haar brooden waren tot steen geworden.

Ze wilde het meel bakken. Steen werd het in haar handen.

Ze nam wat geld, dat in haar kasten was. Voor haar goud kocht ze meel. Steen werd het in haar woning.

Voor haar goud ontving ze steen. Ze stierf van den honger, met handen vol goud in haar huis. Overal lagen de steenen brooden, het steenen meel.

Hare zuster echter vond in haar woning brood en meel in overvloed. Zij spijzigde haar kind, ze spijzigde de armen, en ten laatste haar zelve. Doch op Anna was de vloek, en háár kon ze niets geven.Bladzijde 18

Een ieder weet, dat de aartsengel Gabriël de steden en de dorpen van Limburg heeft gebouwd; maar dat Montfort zoo ordeloos ligt, de huizen zoo hotsedebotsescheef door elkaar, is de schuld van den veelnamigen Satanas, die het niet prettig vond, dat het de Limburgsche menschen zoo gemakkelijk werd gemaakt.

Limburg dan was eindelijk gereed, op de steden en dorpen na. Wie moest die eventjes klaarmaken? Natuurlijk de engel Gabriël.

“Luister goed toe,” zei de Schepper, “hier heb je een zak vol met huizen en hoven en wegen, doe je best, en bederf 't landschap niet, want 't is een van de mooiste streken der aarde.”

“Wees niet bang,” antwoordde de engel Gabriël, “dat zal ik wel in orde brengen.”

Hij keek na, of de zak goed gesloten was. Hij knikte—'t kon niet beter. Een stevige knoop was er van boven om gewonden, en geen scheurtje viel er te bekennen. Iedere huismoeder weet, dat een klein gat gemakkelijker te stoppen is dan een groot, en je mag niets ondernemen, voor je alles goed hebt nagekeken. Wat zegde gij daar nu van?

Weet ge, wie 't gehoord had, dat Gabriël de steden en de dorpen in Limburg moest bouwen? Eigenlijk is 't heelemaal niet goed, zijn naam te noemen. 't Was de booze, en hij dacht bij zichzelf: “Als ik den engel Gabriël een poets kan bakken, zal ik 't niet laten.”

En hij mee. Wat vlogen die twee vlug. Maar hoe't kwam, is niet gemakkelijk te zeggen. Misschien dacht Gabriël aan wat anders—misschien had Beëlzebub weer een van zijn duivelsche listen toegepast—Hoe 't zij, de engel merkte van den booze niets, en in snelle vaart bereikten ze Limburg al spoedig. Welk een land! 't Is misschien wel 't allermooiste op de heele wereld, en dat 't daar Gabriël juist moest overkomen!

Bladzijde 19De duivel schoot naar voren en met een forsche hand sloeg hij zijn scherp zwaard tegen den zak. En daar kon de zak niet tegen. 't Was een stevige zak. Er was niets op den zak aan te merken. Probeer 't met iederen zak. Leeneen is daartegen bestand.

Rits! een scheur in den zak.

En daar tuimelden me daar veertig huizen naar beneden. 't Eene kwam hier terecht en 't andere daar.

Alle dorpen zijn netjes en ordelijk aangelegd, nietwaar, maar van Montfort is niets terecht gekomen. Ga maar eens kijken in 't land van Roermond.

En als Gabriël zijn hand niet gauw onder de scheur had gehouden, bewaar ons, dan was er van alle steden en dorpen in Limburg één ongeregelde, schots-en-scheef door elkaar gedrongene massa geworden. Gelukkig, dat hij tegenwoordigheid van geest had, en goed heeft nagekeken, vóór hij de andere dorpen in 't land legde.Bladzijde 20

Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum hadden nog geen namen, en dus werden benoemd drie bekwame mannen, die deze moesten bedenken. Het waren de dikke Stokkum, de lange Kortum en de smalle Bergum. Ze zaten langen tijd tezamen, doch ze konden geen namen vinden, en ze besloten het toeval als peetoom te kiezen.

't Eerste dorp, waar ze aankwamen, was naar den zin van den dikken Stokkum. Want hij kreeg daar voor zijn part te eten: drie borden erwtensoep met kluiven en varkensooren, er bij menigte in drijvende; toen een bruin-gebraden varkenscarbonade met lekker, wit vet er in flarden aan, gedompeld ineen sausje, om een dood mensch weer levend te maken; toen een geurig stuk kalfsvleesch, aan het spit gedraaid; en duiven en wilde eenden, malsch als 't jonge gras; enten laatste een rozig speenvarkentje, dat uit mekaar viel, als je er met je hand aan raakte. De buik van den dikken Stokkum zwol, of hij bersten moest.

Zijn beide vrienden zagen het gevaar tijdig, en ze lieten een smid komen, die een band maakte om Stokkum's buik.

's Avonds was er weder een rijk maal, en opgediend werden: een kapoen, zoo zoet als honing; een forel, wit gelijk sneeuw, en smeltend op de tong; kuikentjes, die een oud mensch kon bijten; en een bruin-korstig stuk rundervleesch, met fijnen rijnwijn begoten.

Stokkum liet 't zich zoo smaken, dat zijn buik weder begon te rijzen. Maar helaas! daar stiet 't uitzettend vet tegen den band … met zulk een kracht, dat 't ijzer begon te kraken.

Toen riep Stokkum in doodsangst, bedoelend, dat hij nog een band wilde hebben ter versterking van den eersten:

“Nogéén 'r um. Nogéén'rum.”

En sinds dien heet de plaats, waar dit gebeurde:Eenrum.

Bladzijde 21Eindelijk verlieten de drie vrienden het dorp, waar zij het zoo goed hadden getroffen.

Ze kwamen aan een riviertje.

“Daar durf ik niet over,” zei de dikke Stokkum.

“Ik wel,” snoefde de lange Kortum.

Hij nam den polsstok, en sprong naar den anderen oever. Om zijn meesterschap te bewijzen, zette hij weder, zoodra hij was aangekomen, den polsstok in den bodem, en sprong ten tweeden male, thans naar zijn vrienden terug.

Figuur 3.Het polsstokspringenHet polsstokspringen

Het polsstokspringen

Het polsstokspringen

“Kijk 'ns!” riep de smalle Bergum uit, “daar heb je 'tmensch-ing al weer.”

Natuurlijk heet het dorp, waar dit geschiedde: “Mensingeweer.”

Ze moesten verder, en nu was 't de beurt van den smallen Bergum, om zijn kunsten te toonen. Ze kwamen aan een water, waar twee dorpen tegenover elkaar liggen. Nu zou Bergum eens laten zien, wat hij vermocht.

Hij wilde springen—Ocharme! Hij bleef met den polsstok in 't midden steken.

De dikke Stokkum was bang, dat zijn kameraad verdrinken zou, en kreet:

“O Berg-um! O Bergum!”

“Als hij 't leven er maar van af-brengt,” riep de lange Kortum.

“Ik winsch 'í um! Ik winsch 't um!”

Sinds dien hebben ook de dorpenObergumenWinsumeen naam, gelijk het zulke flinke plaatsen betaamt.

En vol trots keerden de drie mannen naar hun huis terug. Ze hadden hun plicht volbracht—Eenrum, Mensingeweer, Obergum en Winsum waren gedoopt.Bladzijde 22

In den tijd, dat Filips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen, van Holland, Zeeland en Friesland, Den Haag bezocht, om er met zijn gemalin, de vrome Isabella van Portugal den eed van getrouwheid te ontvangen, woonde er in de Korte Poten een vroolijke schoenlapper, genaamd Willem van Nieuwen, die meende zich ter eere van zijn soeverein te moeten bedrinken. Hij had een paar guldens bespaard, en binnen korten tijd had hij de gezondheid van den goeden Filips zoo dikwijls aangeroepen, dat hij er zelf zijn gezonde gedachten mede verloor. Hij wilde naar zijn woning, doch in het Voorhout weigerden zijn beenen hun plicht—en hij viel neer als een blok. Nog luider snurkte hij dan zijn gewoonte was.

In dienzelfden nacht verliet—nadat de klapwaker middernacht had geroepen—Filips de Goede het Binnenhof en, den moestuin van het paleis doorgaande, ging hij linksaf het Tournooiveld op en kwam in het Voorhout. Hij had drie edellieden bij zich, die met name worden genoemd: Jacob de Roussay, Hue de Lannoy en Jan de Berghes, grappenmakers, zooals Den Haag ze sinds dien nooit meer heeft gekend, waardige kornuiten van den goeden Filips. Ze trokken Willem aan zijn been, en Jacob de Roussay zeide met een kennersblik:

“Hij heeft te veel bier en brandewijn.”

Jan de Berghes riep uit:

“Bij den Hollandschen leeuw! die slapende man is de vroolijke Willem, die voorzeker de gezondheid Uwer Hoogheid vandaag gedronken heeft.”

“Wij hebben deernis met het ontwaken van dezen man,” aldus peinsde Filips, “en wijl hij de vroolijkheid mint, zullen wij hem morgen met een onverwachtsch feest verrassen. Daardoor zal hij tegelijk ook ons vroolijk stemmen. Neemt den man op uwen rug, heer de Berghes, heer deBladzijde 23Lannoy, en draagt hem naar ons paleis. Het wordt morgen een dag, die ons zal heugen.”

Op zijn bevel trok men Willem de kleeren uit, men waschte hem met reukwater, en trok hem een fijn Haarlemsch-linnen hemd aan. Een zijden muts zette men hem los op zijn verwilderd haar, en daarna legde men hem in het eigen bed van den hertog.

De schoenlapper snurkte.

En terwijl hij sliep, fluisterden de hovelingen het elkander toe:

“Filips wil, dat de vroolijke Willem zich voor den graaf van Holland zal houden.”

Met ongeduld wachtte men den morgen.

Terwijl lach en gefluister in den nacht niet ophielden, sliep de schoenlapper den slaap der rechtvaardigen en der dronkaards, in het bed van den hertog, gelijk hij had geslapen in de koele nachtlucht, gelijk hij zou hebben geslapen in een varkenskot. Hij sliep, als had hij dagen lang gewaakt, en onafgebroken trompette zijn snurken in het hertogelijk vertrek, zoodat 't door 't gansche paleis te hooren was. 't Geheele hof verzamelde zich in den morgen om zijn legerstede … een heir met kletterende wapens had hem niet kunnen wekken, laat staan wat jonge edellieden, hofdames, kameniers, pages …. 't Zonlicht streelde hem over 't gelaat, de geluiden van den dag drongen naar binnen—hij snurkte slechts.

Eindelijk naderde de maarschalk van Bourgondië in groot kostuum hem, en raakte hem even den schouder aan.

“Heer Graaf,” zeide hij, “het uur van Uwer Hoogheids ontwaken is ook thans gekomen.”

Om deze plechtige woorden bekommerde zich de slapende niet.

Een page sloeg hem tegen de hand. Een jong edelman stampte met zwaren voet op den grond.

De maarschalk in eigen persoon schudde hem.

Bladzijde 24Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.

Figuur 4.Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heenWillem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen

Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen

Willem ontwaakte, richtte zich op en zag verdwaasd om zich heen

Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had gehoord, zong—Toen werd het stil.

Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig wezen. Hij lachte. “Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken.”

“Heer graaf,” sprak de maarschalk van Bourgondië, “dit is het uur, waarop Uwe Hoogheid opstaat.”

“Heer graaf—zoo heeft nog niemand tegen een schoenlappergesproken. Die droom moest maar altijd voortduren.”

Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens, die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.

“Heer graaf? Ik ruik er wel naar.”

“De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstig-verwijtende stem:

“Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië.”

Één voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.

“Ik ben Uw zegelbewaarder.”

“Ik ben Uw opperschenker.”

“Ik Uw broodmeester.”

“Ik een hofjonker.”

“Ik de bevelhebber Uwer wacht.”

“Ik de gouverneur van Uw paleis.”

Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk zeide zij:

“Wij zijn Uw vorstelijke gade.”

Bladzijde 25“Mijn vrouw,” riep de vroolijke Willem. “Wilt gij beweren, dat ge mijn vrouw zijt? Al 't andere moge waar zijn, ja, ik geloof, dat ik de graaf van Holland ben, maar mijn vrouw zijt ge niet. Mijn vrouw heeft zooveel wratten op haar gezicht, als ik gisteren glazen heb geledigd, en dat is heel wat, en mijn vrouw heeft een stem, om den Duivel te verjagen. Haar oogen zijn zoo groen als gras, en de kleur van haar huid is zoo geel als een blad in den herfst. Mijn vrouw heeft een middel als een groote ton bier. Neen, nu gij zegt, dat ge mijn vrouw zijt, weet ik, dat ik droom en met verlof van deze edele ridders zal ik weer gaan slapen.”

Zoet antwoordde hem de heerlijke vrouw:

“Ge zijt de graaf van Holland, en wij zijn Uw getrouwe echtgenoote, die uit liefde voor U zou willen sterven—”

“Sterven?” riep de schoenlapper wanhopig. “Zoo waar ik Willem van Nieuwen ben en in de Korte Poten woon….”

“De heer graaf wil ons bedroeven.”

“Dus ben ik de zeer dappere, zeer machtige, zeer edele Filips, hertog van Lotharingen en Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland, van Vlaanderen en Henegouwen, Heer van Friesland—”

“Zijne Hoogheid weet wel, wie zij is. Zijne Hoogheid wil zich ten koste van ons vermaken.”

“Zoo gij 't zegt, ben ik de graaf van Holland. En toch had ik bij alle Heiligen willen zweren, dat ik de schoenlapper uit de Korte Poten ben. Ge weet wel … Willem van Nieuwen. Zoo er iemand uit dit doorluchtig gezelschap iets te repareeren heeft—”

“Kom—wij zullen ons thans verwijderen, behalve de opzichter Uwer garderobe, opdat Uwe Hoogheid zich kan kleeden—”

Weder was er zachte muziek, van een blijde melodie, zingende van de lente, zingende van geluk. Het lied van den glimlach, of de wereld zonder zorgen ware, rimpelloos gelijk een Meiedag.

Bladzijde 26“Vandaag moet Uwe Hoogheid haar beste kleederen aantrekken,” sprak de opzichter der garderobe, en hij reikte hem de roode schoenen met gespen, de granaten kousebanden, de groen fluweelen met goud geborduurde broek, den satijnen overrok, den bruinzijden met zilver geborduurden gordel, de zwarte muts met purperen kleppen, den hermelijnen mantel, alles neerliggende op een kostbaar kussen. Eerbiedig boog zich de dienaar, om zijn vorst te kleeden.

“Stil! stil!” riep Willem uit, “dat speel ik zelf wel klaar.”

“Dat zou tegen de gewoonte van Uwe Hoogheid zijn.”

Toen hij gekleed was, geleidde men hem naar de eetzaal, waar hem zijn gade reeds wachtte.

“O! onze held, hoe hebben wij naar u verlangd,” zeide ze zachtkens. “Zijt ge verlost van uw kwaden droom, dat ge slechts een arme schoenlapper zijt?”

Willem bekeek zijn kleederen, en peinzend bleef eindelijk zijn blik op zijn roode schoenen rusten.

“Kijk eens, geliefde echtgenoote—wat die broek of die kousebanden van me waard zijn, weet ik niet, doch zulke schoenen als ik, heeft alleen maar de graaf van Holland, en daarom moet ik wel gelooven, dat ik ben, wat ge zegt, hoewel ik me ook niet kan verklaren, hoe een graaf van Holland zooveel verstand van schoenen heeft.” Hij krabde zich 't hoofd. “En ziet ge, alles zou ik nog wel aannemen, maar de vrouw van den vroolijken Willem met haar wratten en haar schelle stem, zit me in den weg—”

“Spreek, edele heer, niet van een andere vrouw in onze tegenwoordigheid. Wij hebben U lief, en liefde is ijverzucht.”

“IJverzuchtig behoeft ge op de vrouw van den schoenlapper van Nieuwen niet te zijn.” Hij zuchtte. “Wij gelooven u, onze gemalin. Wij zijn de graaf van Holland! Wij zijn de graaf van Holland! Het overige is een kwade droom.”

Zijn oogen schitterden.

Bladzijde 27“Vertel ons, gemalin, wat doet de graaf van Holland den heelen dag?”

“Weet ge dat dan niet?” berispte ze hem. “Eerst behoort ge ter kerke te gaan, en na den noen moet ge rechtspreken.”

“En dan?”

“Dan zet gij U met Uw edellieden tezamen, en zoo ge wilt, komen wij bij U en schenken U den wijn.”

“Wijn? Daarin zullen wij ons sterk betoonen, dat verzekeren wij u.”

Omringd door zijne hovelingen trok hij ter kerke. Omringd door zijne hovelingen wendde hij zich naar de zaal, om recht te spreken. Men wees hem den troon. Bevallig wierp hij zijn hermelijnen mantel over den arm, en plechtig wachtte hij de dingen, die zouden komen.

Een jonge man trad binnen en bleef aarzelend voor den zetel staan.

“Wat wilt gij?” vroeg hem Willem.

“Recht.”

“Dat beloven wij u. Spreek vrindje—”

De klager, die niemand minder was dan de echte graaf, boog zich terneder.

“Wij hebben lang genoeg gewacht—Zeg eindelijk, wat gij verlangt

“Mijn schoonvader houdt een herberg aan de Korte Poten, Uwe Hoogheid. Één zijner klanten is een liederlijke guit, een dronkaard, Willem van Nieuwen, die zijn beroep slecht verstaat—”

“Halt!” viel hem de rechter in de rede. “Dat is een leugen, want er is geen betere schoenmaker in de stad dan Willem van Nieuwen, en het is daarom ook, dat wij u als onzen vorstelijken wil te kennen geven, om slechts bij dien schoenmaker te koopen.”

Een oogenblik was het stilte. De lach kriebelde de hovelingen in de keel, doch allen wisten hun vroolijkheid tot daartoe in te houden.

Bladzijde 28De graaf zette zijn verhoor voort:

“Vertel ons, wat uw vader voor klacht heeft tegen den vroolijken Willem. Doch wees in uw woorden voorzichtig! Wij kennen den man nauwkeurig.”

“Mijn vader heeft den onwaardigen schelm—”

“Beleedig den man niet! Wees op uw hoede.”

“Hij heeft hem steeds op goed vertrouwen geschonken, doch nimmer eenen duit van hem ontvangen. Thans is Willem hem elf gulden schuldig, welke hij weigert te betalen. Heer graaf! brengt gij den man tot rede.”

“Wij weten van het geval, en we weten, wie uw schoonvader is. Het is de waard met de hazenlip en met den geknapten neus, dien hij in een vechtpartij heeft gekregen. Hij is zoo scheel, dat hij alles dubbel ziet, behalve de glazen, waarin hij schenkt, want die geeft hij maar voor de helft, en het is meer schuim dan bier, dat hij daarbij nog geeft. Wanneer Willem van Nieuwen hem meer dan vijf gulden schuldig is, laten wij ons hangen. Daar wij echter een genadig vorst zijn—”hierbij stond hij op—“zullen wij ditmaal genade voor recht doen gelden, en daar Willem een vroolijk kompaan is, dien wij een toegenegen hart toedragen, bevelen wij onzen rentmeester den klager elf gulden uit te betalen.“

Dit geschiedde:

De rentmeester telde den jongen man elf gulden uit.

Willem oogde hem na, tot hij de zaal had verlaten: Toen riep hij uit:

“Een onbeschaamd gezel. Het is jammer, dat wij hem niet hebben gevraagd, waar hij woont, want wij voelen lust, om hem eens te gelegener tijd af te rossen. Dat is voorbij. Is er nog een geding te beslissen?”

“Uwe Hoogheid is zeker vermoeid van dit rechtsgeding,” zoo sprak de maarschalk van Bourgondië, “en ik raad Uwe Hoogheid aan, een frisschen dronk te nemen, opdat de gedachten van Uwe Hoogheid kunnen rusten.”

“Hiertegen hebben wij niets in te brengen,” schaterdeBladzijde 29de schoenlapper. “Haal ons den lekkersten wijn, dien ge in den kelder hebt, en voorwaar! nu zullen wij u laten zien, dat niemand den graaf van Holland in het drinken evenaart.”

“Zeg dat niet te spoedig, heer graaf!” zoo zeide hem Jan de Berghes, “want voorzeker! ik heb reeds alle edellieden van Brabant in dat tournooi doen sneven.”

“De wedstrijd worde onmiddellijk aangegaan! Edele gemalin, reik ons de bekers.”

Niet zag de schoenmaker, dat zij Jan de Berghes' roemer slechts voor de helft, zijn eigen beker daarentegen telkens vol schonk. Hij dronk in een teug, en hij glimlachte, toen Jan de Berghes drie malen over zijn deel deed.

“Beken het ons maar,” schreeuwde hij, “dat ge niet tegen ons kunt overwinnen.”

“Het einde zal het leeren.”

Ze deden elkander bescheid. Weder ledigde Willem den beker in éénen teug, Jan de Berghes in drie.

“Hahaha! ge zijt voorzichtig … ge ziet, dat ge met een vermaard' drinker hebt aangebonden, en daarom vreezen wij voor u.

“Het zal anders komen dan ge denkt,” hitste jan.

De schoone Isabella lachte.

“Ons dunkt, dat onze gemaal zal winnen.”

Met schorre stem antwoordde Willem:

“Bijlo! dat zijn goede woorden. Als de heer van Berghes tegen den grond ligt, zullen wij er u met een kus mede beloonen.”

Onafgewend bleef ze hem aanzien, terwijl ze hem den boordevollen beker reikte.

“Doe thans ons met eenen teug bescheid,” zoo smeekte ze.

En weder dronk hij.

Toen de avond kwam, viel de vroolijke Willem als een overwonnene ter aarde, en hij snurkte, of hij de dooden moest wekken. Haastig kleedde men hem in zijn oude lompen. Hij bemerkte het niet, dat weder de heeren deBladzijde 30Berghes en de Lannoy hem op de sterke schouderen droegen, thans om hem 't paleis uit te voeren. Zonder hem te schommelen, brachten ze hem naar het Voorhout, en legden hem daar ter plaatse, waar hij den vorigen avond gezonken was. Onhoorbaar verwijderden zij zich.

Willem snurkte.

Wat deerde 't hem, dat zijn kussen de aarde was, en zijn deken de koude nachtlucht? Hij was in een wereld van gelukzaligheid, waarin het leven een droom is. De echo van een blijde melodie was er in zijn sprookjesachtig bewustzijn en nooit had hij in den zonderlingen waan, die zijn slaap begeleidde, kunnen denken, dat hij de vroolijke Willem was, snurkend onder den blooten hemel. Ach neen! hij was de graaf van Holland, de schoone Isabella was zijn gemalin.

De wreede dag brak aan. 't Eerste roerlooze licht van den morgen schemerde bleekwit langs de takken der boomen, en alle hanen van 's Gravenhage kraaiden elkander tegemoet. Nog weifelde de zonnegloed boven de vage schemering, die de dag troebelde door den nacht. Het geheim van het duister was steeds nog in het Haagsche Voorhout, de zware boomen wilden den nacht behouden, doch daar in een onbewaakt oogenblik was 't het eerste zonnestraaltje, dat over 't mos schoot, en vol-uit volgde een bundel van rooden glans. Blijde begonnen ineens alle vogelen te zingen. Voor de huizen der 's Gravenhaagsche burgers kakelden de kippen, knorden de zwijnen. Smeden en timmerlieden hervatten 't ambacht …. En langzamerhand begonnen ook de mieren in het Voorhout haar dagelijksche taak. Haar drommen stieten tegen 't lichaam van den snurkenden schoenlapper. Ze beten.

Wee! zijn ontwaken.

Hij richtte zich op, keek om zich heen, wreef zich in de oogen, en greep toen naar zijn beenen en lendenen, waar de verontruste mieren haar ergernis toonden. Hij sprong op, bekeek zijn ellendige plunje, en krabde zich 't hoofd.Bladzijde 31Hij zeide niets. Hij zette alleen maar zijn mond wijd open, en bleef onbeweeglijk staan.

Toen zuchtte hij, en langzaam ging hij naar zijn huis.

Niet de schoone Isabella van Portugal, maar zijn vrouw met de wratten wachtte hem. Hare handen waren niet zacht. Ze voerden den bezemsteel, en ze hanteerden dien danig tegen den armen schelm, die niets van zijn vroolijkheid had behouden. Hij zette zich aan zijn werk. Zijn muren waren met oude schoenen behangen. Zijn vloer was van aarde, en er waren geen kleeden op. Ook was er geen zachte muziek in zijn woning—en terwijl de schelle stem zijner vrouw hem honende trilde in zijn verdoofde ooren, mompelde hij:

“'t Was alles maar een droom. Ik had 't wel kunnen denken—'t was maar een droom.”

Bladzijde 32

In de Betuwe, Teisterbant, was eens een rijk heer, maar hij besteedde zijn geld niet aan goede dingen, en als er in de streek iets kwaads was geschied, zeide men:

“Dat heeft Gerard, de slechte heer, gedaan.”

Vroeger was hij een goed heer geweest, doch vele booze geesten loeren op de onschuldige ziel: hartstocht en eerzucht en speelzucht en heerschzucht, die allen een stem hebben binnen 't geweten der menschen. Een dag was er een jonge man op Gerard's slot gekomen, die hem een brief van een zijner vrienden had gebracht: sinds dien zag men hen altijd samen. Nimmer had Gerard iemand gekend, die hem dierbaarder was.

In die dagen was de weerwolf weder in de Betuwe verschenen, en men zeide, dat er vreeselijke dingen zouden gebeuren. Want waar slechte daden en gedachten zijn, is de weerwolf: 't is een groote hond met een vlammende tong en vurige oogen. Hij rammelt met zijn ketting en loopt rechtop als een mensch. Zoo hij een stal voorbij-komt, rukken de paarden zich los en snellen dol in de weide.

Gerard en zijn vriend zouden een avond huiswaarts keeren, toen ineens een wilde storm kwam opzetten. Het duister sloeg loodzwaar neer, en de wind was als een gillende vloek, die aanhoudend schreeuwde door de lucht. Het water der rivier in de verte grommelde; de stammen der boomen werden gebeukt als met bijlen, de knappende takken sprongen woest tegen elkander, en in een warrelenden dans, schuifelende als voetstappen, slingerden de losgelaten bladeren over de ongeziene aarde. Gelijk de weeklacht van een reus was deze nacht, één lang-gerekte gil snerpte uit het duister. Plots verstomde 't geraas, en duidelijk klonk voor Gerard 't rammelen van een ketting. Hij zag twee vurige oogen, die, hoe zijn angstige paard zich ook wendde, voortdurend naar hem gericht waren. Daarna was de storm bedaard. De avond schemerde vredig.

“Heb je die vreemde oogen gezien?” vroeg Gerard,Bladzijde 33en hij klopte 't bevende paard tegen den hals. “De landlieden zeggen, dat de weerwolf is teruggekeerd.”

“Dat is hij ook,” lachte zijn vriend. “Ik heb hem al vele malen bemerkt, wanneer ik des avonds over 't land zag.”

“Wat zou hij van ons willen?”

“De weerwolf wil niet, hij haalt, wat hem vervallen is.”

“Wat zal hij halen?”

“Ga 't hem zelf vragen. Ik kan hierop geen antwoord geven.”

Ze reden, zonder nog een woord te zeggen, naar het kasteel. Telkens zag Gerard zijn vriend aan, en het scheen hem, of er een gloed was in zijn oogen, welken hij bij een mensch nog nooit bemerkt had. Nadat zij eindelijk tehuis waren gekomen, en van hun paarden waren afgesprongen, vroeg Gerard:

“Waarom heb je niets tegen me gesproken?”

Het was een stem, die van verre scheen te komen, welke antwoordde:

“Laat mij—ik smeek 't je—op het oogenblik niets zeggen.”

Zwijgende liepen zij de gang in, en gingen naar de kamer. Gerard beval zijne dienaren, zich te verwijderen. Hij keek zijn vriend in de oogen, welke hem lichtend geleken als de oogen van den weerwolf.

“Zeg me, wat dit alles te beteekenen heeft?” vroeg hij.

De vriend antwoordde met doffe stem:

“Je hebt mij gekend, zonder mij te kennen. Weet je, wie ik ben?”

“Het leek, toen ik je voor 't eerst zag, of ik je al jarenlang had gekend, en of ik al jarenlang met je had gesproken—”

“Dat had je ook.”

“Van mijn jongste dagen, ja—ik zou bijna zeggen, van mijn geboorte.”

“Ja—ja.”

“Zeg me je waarlijken naam.”

“O mijn naam! …. Luister naar me, Gerard. Ik benBladzijde 34door den duivel gezonden, want door mij wist hij van je geheime, slechte gedachten.”

“Wie ben je dan?! Je naam, of—”

Hij nam het zwaard van den wand. Treurig sprak de ander:

“Je kunt me niet dooden. Ik ben en ben niet. Ik ben je grootste vriend en je grootste vijand. Ik ben een stem in je bloed, en door duivelsche macht heb ik menschengedaante aangenomen. Ik moet mijn plicht volbrengen. Zie! als je het zwaard in mijn hart stoot, zul je geen bloed zien.”

“Alles heeft een naam—de Duivel heeft een naam—de weerwolf heeft een naam.”

Nauwelijks had hij dit geroepen, of een ketting rammelde, en twee vurige oogen waren op Gerard gericht. Het scheen, of zijn vriend in de lucht vervloeide, en of er achter in de zaal een hond blafte.

Dit was de eerste keer, dat Gerard den weerwolf ontmoette. Het zou helaas! de laatste maal niet zijn.

Al had zijn vriend hem verlaten, toch geleek het den heer in Teisterbant, of diens stem altijd tot hem sprak, hitsend tot kwade dingen. Zacht zeide hem een klank binnen in zijn ziel, dat hij zijn oude, goede, trouwe makkers moest opgeven, en dat hij nieuwe, slechte kameraden moest zoeken.

Hij vond ze ook, want slechte vrienden zijn overvloedig. Het waren beruchte kompanen, met wie hij voortaan omging: sluwe oplichters, kaartspelers en drinkebroers.

Tot dusver was hij gewoon geweest, wanneer de oogst schraal stond, zijn pachters uitstel van betaling te geven: nu, in dit booze jaar, terwijl de weerwolf zijn kwaad bedreef, kende hij geen genade.

Er was een oude boer, die zijn geheele leven op een zijner pachthoeven had gewoond, en die thans in zwaren nood verkeerde, want de oogst was mislukt, en zijn vee was gestorven. Hij kwam bij hem op het kasteel, en smeekte hem om medelijden. Gerard vloekte en riep uit:

Bladzijde 35“Als je niet betaalt, jaag ik je van de boerderij als een hond.”

De oude man wrong zijn handen, en riep in doodsangst, o! doodsangst was het:

“Laat me op de boerderij blijven wonen.”

Gerard lachte:

“Als je betaalt.”

De oude man ging met moeden tred heen. Hij zag zijn heer niet aan—'t geluid echter zijner voetstappen, zooals ze klonken op de trap en op 't kiezelsteen van den tuin—was een verwijt, scherper dan woorden kunnen zeggen. Gerard luisterde er niet naar, en des middags vertelde hij in de kroeg, wat hij bedreven had.

Zijn beste vriend, die magere Hein werd genoemd, knikte hem goedkeurend toe, terwijl hij een oogenblik de kaarten liet rusten.

“Dat is goed zoo, Gerard, je had 't bijna niet beter kunnen doen!”

“Bijnaniet—magere Hein?” vroeg de heer verwonderd, “wat bedoel je daarmee?”

“Er zou nog iets beters gedaan kunnen worden!”

“Wat meen je toch?”

Magere Hein nam de kaarten op, floot tusschen zijn tanden, en lachte:

“Vooruit! bestel nog een borrel, en we zullen kaartspelen.”

Gerard boog zich voorover en greep hem bij den pols.

“Leg je kaarten neer, ik wil weten, wat je bedoelt.”

“Ik wil alleen nog maar zeggen, Gerard, dat je een leerling in het vak bent.”

Ze speelden. Ze namen de kaarten, en gooiden ze neder, ze schudden ze, en gaven. Gerard lette niet op, en verloor. Hij was met honderd goudstukken in de herberg gekomen, maar na drie uur was er niets meer van zijn geld over. Magere Hein streek koelbloedig 't goud van de tafel, en liet het in zijn beurs vallen.

Bladzijde 36“Ziezoo! tot morgen,” lachte hij.

Gerard keek hem aan, en vroeg langzaam:

“Je hebt zooeven gezegd, dat ik een nieuweling in 't vak ben. Nu ik zooveel geld aan je heb verspeeld, mag ik zeker wel weten, watje meent.”

Magere Hein liet zijn beurs in den zak dansen, dat de goudstukken tinkelden.

“Zie maar eens naar de kleindochter van den boer, en je zult jezelf een antwoord geven.”

Verder sprak hij niet. Vóór de kroeg namen zij van elkaar afscheid.

Eenzaam ging Gerard den weg naar huis. Hij dacht aan den avond, dat hij met zijn vroegeren vriend den weerwolf ontmoet had, toen, na den storm, de weiden even zoo schemerig-vredig waren geweest. Als toen waren de slooten zoo blank en roerloos, en stil lag in hun schimmig zilver de schaduw der boomen. Onbewegelijk stonden eenige koeien op het land; vast, afgebakend was de diepe gloed van den horizon gespreid. Het landschap was zonder trilling en geluid, en het geleek Gerard, of er zelfs niet 't minste wolkje boven kon drijven, en of het verstard was tot aan den gezichteinder. Toen spalkte de gloed aan den hemel vaneen—een zwarte smook sloop lenig, wrong zich, door de opening, en boog zich spiedend naar beneden. Huiverend bleef hij staan. Een ketting rammelde, en aan den horizon lag de weerwolf, den muil wijd geopend, den vurigen tong wentelend, en de vreeselijke, gloeiende oogen naar zijn richting. Hij vermande zich, en riep:

“Weerwolf! zoekt ge mij?”

Dichtbij hem klonk een zacht gegrom, en toen hij den klank spiedend naderde, vloog een donker lichaam op en verdween met woeste sprongen in de verte.

“Weerwolf! booze wolf!” kreet hij.

Wankelend, een dronkaard gelijk, liep hij verder. Naast hem was een gedaante, die al zijn bewegingen nabootste, en hem in de ooren fluisterde:

Bladzijde 37“Waarom heb je mageren Hein niet gezegd, dat je den kleindochter van den boer reeds lang kende? Je wist, wat hij meende, je had de stem van zijn hart gehoord. Gerard! de tijd is rijp.”

De heer stond stil en met hem zijn schaduw, Hij ging verder, en weder hoorde hij naast zich den ritselenden tred, die deed denken aan 't glijden van een blad in den herfst.

“Pluk de bloeiende kersen uit den boomgaard, Gerard. Waarom heb je den ouden boer niet gezegd, dat hij op 't land kon blijven, als …. Jij kunt slecht zijn, want je hebt geld. Niemand durft zich tegen je te verzetten.”

Gerard sloeg de handen tegen zijn voorhoofd. Hij klaagde tot zichzelf:

“Is 't zoover met je gekomen? Onthef den armen man van zijn pacht—toen je vader nog leefde, woonde hij al op 't land. Laat 't volkje naam zegenen, en niet vervloeken.”

De gestalte naast hem spotte:

“Probeer je niet te verzetten, want dat lukt je toch niet. Ga nu maar dadelijk naar den ouden boer en zeg hem, dat hij de boerderij in ruil voor zijn kleindochter 'kan behouden. Dat brave geweten van je is machteloos geworden.”

Hiertegenover dreigde de stem, welke hem het goede voorschreef:

“Gerard als er een steen losgaat van den weg, volgen er meer. Je kunt nog terug—ga rustig naar je kasteel, en zoek den slaap des rechtvaardigen. Je weet wel, dat al je tegenwoordige vrienden je kwaad willen, verlaat ze! Het is ook laag, om den ganschen dag in een herberg met een verloopen sujet te kaarten. Eens kom je voor God's richterstoel, om verantwoording over je daden af te leggen. Wat zul je God dan antwoorden?”

Even zweeg de donkere schaduw, die met hem ging. Niet langer dan eenige seconden. Dan vleide ze:

“Wat is braafheid, en wat zul je ermede bereiken? Wees verstandig, Gerard. Men noemt je den schoonstenBladzijde 38jongen man uit de streek, en zul je nu je jeugd laten voorbijgaan? Wie weet, wat er na dit leven is—Geloof de andere stem niet, die begrijpt er even weinig van als ik. Ik zeg je, dat je je moest schamen, wanneer je tegenover den mageren Hein komt te zitten, en hem zult zeggen, dat je den boer zonder vergoeding de pacht hebt vrijgescholden. Hij zal je uitlachen, en niet alleen magere Hein, maar ook lange Dries, en gezellige janus, ze zullen je met zijn drieën uitlachen, omdat je een domme, goede kerel bent. Er is nog nooit een braaf mensch geweest, die 't goed op de wereld heeft gehad.”

Nog geruimen tijd duurde deze tweespraak. Ten lange leste stond Gerard voor de deur van den boer, en hij kon de beide stemmen nog volgen.

Hij klopte.

Er kwam geen antwoord, en hij trad binnen.

De boer zat aan de blank-houten tafel, zijn hoofd tusschen beide handen. Hij bewoog zich niet, toen Gerard voor hem stond. Hij bleef voor zich uit-staren, gelijk iemand, die zich iets herinnert, en mijmerend terug-leeft. Zijn oogen waren vergroot, en onwillekeurig hield hij de handen, waarmede hij zijn gelaat ondersteunde, tot vuisten gebald.

Zijn kleindochter spon vlas—het wiel snorde, doch ze zong er geen lied bij. Zij dacht niet aan het verleden, zij dacht aan de toekomst. Wat zou Jan zeggen, als hij hoorde, dat zij de boerderij moesten verlaten? Zij spon het vlas—het wiel snorde, doch ze zong er niet bij.

Ze hoorde de klink van de deur, en hief 't hoofd.

Juist zóó was de vaag-roode tint van het avondlicht over haar bleek gelaat, en in gedempt goud werd haar blonde haar omvat. Terwijl aldus haar gezicht den stillen gloed ontving, vloeide uit haar handen, bij het spinnewiel, 't bloed weg, en wit, slank lagen ze bij het vlas.

Gerard naderde haar, en zag haar aan. Toornig richtte zij zich op.

Bladzijde 39“'t Huis hieruit, slechte man,” riep ze. “Je vriend is de weerwolf.”

Hij antwoordde haar met een schellen lach:

“Ik kom niet, om met jou te praten, maar met je grootvader.”

“O! slechte man,” fluisterde ze, “iedereen weet, dat weerwolf bij je is geweest.”

“Praatjes.”

“Jan heeft 't mij gezegd.”

Hij haalde zijn schouders op. Toen sprak ze dreigend:

“Jan is niet bang voor tien weerwolven, en hij zal me helpen. Want 't is uit slechtheid, dat je bij me komt….”

Eerst toen schrikte de boer wakker uit zijn mijmering. Hij verhief zich als een krachtig man en stelde zich tegenover zijn gast.

“Hier ben ik de meester,” riep hij, “en hier jaag ik weg.”

“Kom vriendje,” zei Gerard luchtig, “het was vanmorgen zoo boos niet gemeend. Ik heb ook veel geld verloren, en daarom was ik wat kwaad gemutst. Er is wel nader over te praten, beste man. Je hebt al jaren op de boerderij gewoond, en ik kan het toch niet over mijn hart verkrijgen ….”

De oogen van den ouden man waren plots als van een jongeling, die nog alles van het leven mag verwachten. Redding zou er komen, en gespannen wachtte hij op het heil. Zijn kleindochter echter, haar handen vouwend, smeekte hem, den heer niet te gelooven. Had Jan niet zelf gezegd, dat Gerard en weerwolf voor eeuwig een verbond hadden gesloten? Nadat ze dit had verklaard, schrompelde eenige seconden het lichaam van den boer inéén. Hij werd een grijsaard, voor wien de dood licht moest zijn; uit zijn oogen week alle glans, de groeven om zijn mond werden diep, zijn handen begonnen te beven. Het vreeselijk vermoeden begon in hem te leven. Toen tintelden zijn spieren, zijn arm werd recht, en zijn vinger wees Gerard de deur.

Bladzijde 40“Als ik nog een jonge kerel was,” riep hij, “zou je er zoo genadig niet afkomen.”

Met gebogen hoofd verliet de heer de boerenhoeve. Hij meende, dat zich nu zeker de schaduw weder bij hem voegen zoude, maar dit geschiedde niet. Ook zweeg zijn geweten, en aldus was er noch een goede noch een kwade stem sprekend, welke hem verweet of aanhitste.

Juist zou hij de laan, welke naar zijn kasteel voerde, ingaan, toen hij achter zich haastige schreden hoorde. Hij wendde zich om, en zag jan, den geliefde van het jonge meisje, op zich afkomen. Voor hij wist, wat er gebeurde, lag hij al in een greppel naast den weg, met een hoofd vol deuken en gaten.

Dat gaf den volgenden dag in de kroeg een schaterende vreugde, nadat hij zich zijn vrienden had vertoond!

Gezellige janus sprak 't eerst.

“Ze hebben jou ook aardig de veeren uit-getrokken,” zoo lachte hij, “en ik moet zeggen, dat er weinig van je is overgebleven. Ben je gevallen, broeder, of was je zoo buiten Westen, dat je tegen een muur bent aangeloopen? Ze zeggen hier, dat je door een boerenjongen bent toegetakeld, maar dat geloof ik niet. Of zou er toch soms iets van waar zijn?”

Lange Dries nam de kaarten op, schudde ze, en sprak peinzend:

“Ik heb 't voor je opgenomen, want ik kon niet denken, dat je 't getuigenis van een sterke vuist zoo op je gezicht zou dragen. Vertel ons, kindlief, wat er gebeurd is.”

Ze spotten nog langen tijd, doch eindelijk sloeg magere Hein met zijn vuist op tafel en schreeuwde:

“Laten we 't hem zeggen, waarom geen van ons allen dergelijke ongelukken gebeuren. Wij hebben er ons voor weten te vrijwaren. Wij hebben een contract met den weerwolf afgesloten, die helpt ons, als wij hem oproepen.”

“Stil ….” zei Lange Dries, “zijn tijd is nog niet gekomen.”

Bladzijde 41“Wat—niet gekomen! Heeft hij geen lust om zich te wreken?” Hij richtte zich tot Gerard. “Heb jij geen lust, om je te wreken?”

“Ja.”

“Dan moet je te middernacht naar een kruisweg gaan, daar komt de weerwolf in menschelijke gedaante—Eerst zie je hem niet … let dan op het rammelen van den ketting—zeg dan: ‘in naam van den Duivel ben ik hier,’ en je zult raad krijgen, zooals je nooit iemand heeft gegeven.”

Gezellige Janus smakte met de lippen.

“Dan is 't klaverblad van vier gered.”

“Hebben jullie—” vroeg Gerard dof, “allen een verbond met den weerwolf afgesloten?”

Zij zwegen, de drie pratebroers. Ja, zij waren in weerwolf's macht, en ze hoopten, dat hij Zou worden als zij. Als hij te middernacht naar den kruisweg ging, zou hij een middel vinden, om zich op Jan te wreken.

Gedachteloos speelde hij kaart, en gedachteloos verloor hij.

Bijna te middernacht verlieten de vrienden elkander. Gerard was vastbesloten den raad van mageren Hein op te volgen, en hij liep naar den kruisweg.

't Klokje van den verren toren sloeg twaalf uur—hij hoorde 't rammelen van een ketting, toen sprak hij met vaste stem:

“In naam van den Duivel ben ik hier.”

Hij gevoelde, dat iemand op hem toe-trad, tot hij vlak bij hem was. 't IJzer sleepte achter de gedaante aan, en ketste tegen de steenen, met zacht-klingelend geluid. Hij hoorde een moede, treurige stem:

“Je hebt mij geroepen, Gerard. Hier ben ik.”

Waar had hij die stem eerder vernomen?

“Magere Hein heeft je gezonden—” vervolgde de gestalte, “en je wilt je op Jan wreken. Dat kan gebeuren. Ik heb gehoord, dat hij gauw wil trouwen, en dat hij eenBladzijde 42eigen boerderij zal zetten. Dan is jouw tijd gekomen en ik zal je helpen.”

“Wat moet ik voor uw hulp geven?”

“Je hebt me in den naam des Duivels geroepen en daarom eisch ik je ziel.”

Gerard werd vervaard over deze woorden, en hij riep, dat hij zijn ziel niet wilde verpanden. Hij wilde vluchten van deze plaats, maar de weerwolf legde hem een klauw op zijn schouder, en beloofde hem, dat hij niet voor niets zijn ziel behoefde te geven. Hij zou ongestraft wraak mogen nemen, en tot den Oudejaarsavond zou hij over zooveel geld mogen beschikken, als hij-zelf wilde. Op Oudejaarsavond echter zouden de weerwolf en hij kaartspelen: zeven spelen, en de inzet was Gerard's ziel. Wie 't meeste ervan won, zou de ziel mogen hebben.

Dit nam Gerard aan. Hij besloot bij zichzelf, om in het volgende halfjaar nog meer te kaarten dan hij tot dusver had gedaan. De weerwolf beloofde hem zooveel geld, als hij maar wilde, en dus zou hij nooit arm kunnen worden. Den volgenden morgen was hij al vroeg in de herberg, doch magere Hein zat er reeds, vóór zich een groote pot bier.'

“Je bent er ook gauw bij,” lachte magere Hein, “de hanen hebben waarentig nog niet allemaal gekraaid, en je bent toch zeker na middernacht naar bed gegaan?”

“Kom! laten we spelen.”

De waard bracht de smerige kaarten en legde ze op tafel.

Thans vonden zij het niet meer de moeite waard, om woorden te verspillen. Ze haalden hun beurzen voor den dag, beide met goudgeld gevuld, en ze smeten ze naast zich. Toen speelden ze. Buiten was het schoone zonnelicht, de vogels zongen, en het geheele zeldzame feest van den zomerdag nam een aanvang. Zij zaten in de berookte, besmookte herberg, en zopen en kaartten. Ze loerden, om elkander te verrassen; Gerard lette goed op zijn spel, hij waagde niets: zijn oude tegenstander was hem echter de baas, en 't klonk onophoudelijk van goudgeld naar Hein'sBladzijde 43kant. Eindelijk was de beurs van den heer leeg, en hij haalde een nieuwe voor den dag. Weder begon en herbegon het spel. De waard ging af en aan, zoodra een kroes of glas was opgedronken. Zij zopen, en het hitste hen aan tot sneller geven en nemen der kaarten. Toch gaf Gerard voortdurend acht—


Back to IndexNext