Figuur 5.

Figuur 5.Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaarttenZij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten

Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten

Zij zaten in de berookte, besmookte herberg en zopen en kaartten

Wat baatte het hem? Ook de tweede beurs met goud raakte hij vóór den avond kwijt.

Ze zouden van elkander afscheid nemen. Lachende zeide magere Hein:

“Gerard! de weerwolf heeft je geen kaarten geleerd.”

“Dat zal ik mezelf leeren—en jij zult 't me leeren.”

Deze belofte kwam hij na. Langzamerhand kon hij evengoed spelen als magere Hein, en niemand kon zeggen, wie 't minst en wie 't meest verloor. Daarom was magere Hein ten zeerste vertoornd, want hij had al den tijd als de beste zes-en-zestiger van den omtrek gegolden. Binnen een maand was hij zijn roem al kwijt.

Hij zon op nieuwe middelen, om Gerard te grieven.

Op een morgen, dat de heer in de kroeg trad, noodigde hij hem niet dadelijk uit, om een spelletje te kaarten. Hij schoof Gerard een glas wijn toe, en vroeg:

“Zullen we eerst eens wat drinken?”

“Waarom?”

“Dan kun je beter met elkaar praten. Heb je gehoord, dat jan, die jou de leelijke poets heeft gebakken, een eigen boerderij gaat bouwen?”

“Wat zeg je?”

“Een eigen boerderij …. Ja—ja—en je hebt 't hem nog niet betaald gezet.”

Dien dag speelde magere Hein verreweg het beste, zoodat de kompanen in de herberg er zich over verwonderden. Gerard verloor goudstuk na goudstuk, en toch scheen het, dat hij geheel in zijn spel verdiept was. Hij boog zich over zijn kaarten, zijn voorhoofd was in diepe groeven gerimpeld, en zijn stem, wanneer hij een enkeleBladzijde 44opmerking sprak, klonk boos. Iedereen geloofde, dat het was om zijn ongeluk.

“Trek 't je niet aan,” zeide magere Hein, toen zij eindelijk de kaarten voor goed hadden neergelegd, “vandaag jij morgen ik.” Hij meende dit niet, doch hij wilde hem niet ontmoedigen.

“Geen nood,” riep Gerard uit, “'t zal niet lang meer duren, of je ziet me terug.”

Recht-aan, recht-toe—hij dacht niet meer aan 't geld, dat hij verspeeld had, want hij zou 't terug kunnen krijgen, wanneer hij 't wenschte—ging hij naar den kruisweg. Daar wachtte hij tot middernacht, toen fluisterde hij:

“In naam van den Duivel ben ik hier.”

Er klonk zacht gerinkel van een ketting. Hij hoorde een stem:

“Mijn vrienden behoeven dat niet meer te zeggen. Ik ken ze al van ver. Ik weet ook, waarom je komt. Het wordt je tijd, om je op Jan te wreken. Hij zou nu spoedig met het meisje trouwen, wanneer wij het hem niet zouden beletten. Wacht nog één maand, en je zult hem zijn slagen betaald zetten! Heb je nog iets anders te wenschen?”

“Neen.”

“Dan tot over een maand, als de boerderij gereed is.”

Nog even rammelde de ketting. Toen was de stilte rondom hem.

Langzaam, als wieken van een molen bij tragen wind, gingen de dagen voorbij—en in deze maand verloor Gerard meer dan drieduizend goudstukken aan mageren Hein. Men gaf dezen weder de eer, dat hij de beste kaartspeler was. Niemand wist, waarover de heer peinsde, als hij met gefronst voorhoofd bij de tafel zat.

Het bouwen der hoeve ging voort.

Eindelijk kwam de dag, dat ze gereed was. Slechter dan ooit speelde Gerard. Met ongeduld beidde hij den avond.

Toen hij om tien uur bij de boerderij stond, bemerkte hij tot zijn verwondering, dat ze verlaten was.Bladzijde 45Hij lag lang uit bij de rivier, hij hoorde zijn hart bonzen.

Wat zou er geschieden?

Eerst heel ver, daarna dichtbij, hoorde hij een geluid, dat op het zwellen van den storm geleek. Daartusschen schuurde een ketting door de lucht, zoo duidelijk, als ware dit de eenige klank in den stillen avond. Gerard meende, dat het noodweer kwam opzetten, en hij keek naar den hemel. Alle sterren en planeten echter van het heelal flonkerden, en de glans stroomde over de lucht, over de aarde, een wijd meer gelijk, waarop het zonnelicht is.

Ineens zag de heer, dat twee der sterren zich losmaakten van den egalen gloed, en snel dalend, vlammender en vlammender, zich naar hem bewogen. Het rammelen van den ketting werd een woeste ijzerdans, dreunend als groote stukken ijzer op ijzer gesmeten. Hij borg zijn handen voor de oogen ….

Naast hem lag de weerwolf.

“Je dag is gekomen, Gerard,” zeide de droevige stem, “zooals ik je beloofd heb. Ga mede—er is niemand in 't huis, daar heb ik voor gezorgd.”

De heer stond op, en liep naar de hoeve. Ze waren voor de schuur gekomen.—Geen enkel woord zeide de weerwolf. Hij nam twee steenen, sloeg die tegen elkaar, de vonken spatten eraf op droog rijs, dat voor hem lag—even smookte het, een kleine vlam slingerde zich van takje op takje, meerdere vlammen volgden, vermengden zich met elkander, werden een vuurtje, een vuur, dat vonken en vlammen afdrong tegen 't hout der schuur, een laaiende tong lekte ook daar, vuur werd het, vuur en vuur warrelden dooreen, het was brand!

“Kom,” beval de weerwolf. “Niemand hoeft je hier te zien. Ga naar de herberg, en blijf daar zitten—dan kan niemand je iets bewijzen.”

Rustig zat Gerard in de kroeg. Hij vond er gezelligen janus, en hij stelde hem voor, een spelletje te domineeren. Zij speelden Russisch. Gerard had steeds de meesteBladzijde 46zevenen, en dubbel blank scheen hem niet te verlaten.

Iemand rukte de deur open, zag naar binnen, schreeuwde:

“Brand!” en verdween.

Tegelijkertijd sprongen de twee vrienden op, en renden buiten de kroeg.

Aan den hemel dreef een rossige rook, die breeder en dikker werd, tot hij 't gansche firmament vulde. Het was niet te zien, waar het vuur precies was, want 't geheele gehucht leek wel in vlammen te staan. Zuilen van vuur rezen in de hoogte. Een luid geroep van stemmen was er over de straat, en de klok luidde men, dat men in de nabijzijnde dorpen hulp zou bieden. De brandweerkar rolde aan, en alle jongelingen holden mee, om met het spuiten te helpen. Er formeerden zich ploegen, om elkaar af te wisselen, en sissend sprong de eerste waterstraal, als een stuk ijzer zoo sterk en blank, door den vurigen gloed, doovend, wat in den weg kwam. Ook Gerard wilde zich bij een ploeg voegen. Men wilde het niet. Bits riep één der jongelingen:

“Wie er schuld aan heeft, hoeft niet te helpen.”

Gerard lachte en antwoordde:

“Ik heb er geen schuld aan. Vraag 't maar aan gezelligen janus.”

De spuiten der andere dorpen renden aan, en in het hooge vuur drongen van alle zijden waterstralen, als scherpe messen, die tegen elkaar worden gewet. De vlammen slonken, en een benauwende rook sloeg uit de puinhoopen van 't huis. Na uren werkens was in den morgen 't laatste vuur tegen den grond geslagen. Er stond een wacht bij 't huis. Toen sloop een eenzaam man, de eigenaar van deze ruïne, naar de plaats, weenend en hij schreeuwde:

“De wraak des Hemels voor wien dit heeft gedaan.”

Iemand der wacht troostte hem:

“Hij zal zijn wraak niet ontgaan.”

Er waren er velen, die hoopten, dat de rechter zou straffen. Dit geschiedde niet. Wel beval de rechter, datBladzijde 47Gerard bij hem zou komen—hij was nog een oud vriend van zijn vader—en hij praatte langen tijd met den heer.

“O Gerard!” sprak de rechter, “wat hoor ik slechte dingen van jou. Toen je een klein kind was, heb ik nog met je gespeeld, en nu hoor ik, dat je een kaartspeler bent, en met mageren Hein omgaat, die je zeker tot gemeene dingen aanzet. Ik had dat vroeger nooit van je gedacht.”

Dat heeft de rechter gezegd.

Wie er berouw had, niet de heer. Wanneer de nonvlinder in het dennenbosch is, blijft er van het hout niets over. Had hij niet den weerwolf—in ruil voor wraak en geld—zeven kaartspelen op Oudejaarsavond beloofd? Nu hij de gevangenis niet inging, had hij zich met mageren Hein te oefenen. Iederen dag kwam hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in de kroeg—en de beide menschen zaten tegenover elkander, en kaartten. Nu weder wist niemand, wie van tweeën het beste zes-en-zestigde. Met rustig hoofd overwoog Gerard zijn kansen.

Na eenige maanden mompelde men, dat de heer de overwinnaar was. Nooit vergiste hij zich in het aantal, troeven, dat nog over was, op het rechte oogenblik kondigde hij een twintig of een veertig aan, zonder ooit een vrouw of heer voor den tijd weg te geven. Het was de beurt van mageren Hein, om zijn goudstukken te betalen. Iederen dag verminderde zijn rijkdom.

Magere Hein had een dochter, die van zijn slecht gedrag niets wist. Ze begreep het niet, dat haar vader iederen dag met Gerard in de kroeg zat, want haar ziel was jong en vol vertrouwen. Nooit duldde magere Hein, dat er kwaads van zijn dochter werd gezegd. Er waren wel eens aterlingen, die met haar spotten, doch niemand durfde dit in gezelschap van den vader.

Het was het mooiste meisje der Betuwe, en zooals er geen schooner kerselaren zijn dan in de Betuwe, zoo zijn er geen mooier meisjes dan daar. In het voorjaar zien wijBladzijde 48de witte bloesems, guirlanden van witte bloesemen, tuinen van witte bloesemen, een wijde, witte schoonheid, een duizelingwekkende belofte; nooit stelt de vervulling van zomer en herfst teleur. Zang en dans hebben zij daarom lief, de meisjes van de Betuwe. Ze zijn de schoonste der wereld: hoe wonderschoon moet zij dan wel zijn, die haar koningin wordt genoemd? Zij is de sprookjesachtige belofte en de werkelijke vervulling.

Dat was de dochter van mageren Hein. Het was een boos uur, dat Gerard haar ontmoette, en zij, verwonderd, zijn knik beantwoordde. Een valsche melodie speelde door zijn ziel.

Het duurde wel een maand vóór Gerard met den vader over 't meisje praatte. Magere Hein was met een volle beurs gekomen—hij moest met een leege heengaan. Verdrietig zeide hij:

“Daar blijft van mijn geld niets over.”

Gerard boog zich naar hem over, en fluisterde:

“Ik heb je dochter lief, magere Hein! Als je mij je dochter geeft, betaal ik je al je geld op den huwelijksdag weerom.”

“Nooit—nooit—”

“Je hebt 't mij zoo geleerd,” zeide Gerard met een duivelschen glimlach, “weet je nog wel, datje mij een leerling in het vak noemde?”

“Zoo heb ik dat niet bedoeld.”

“Hoe heb je 't dan anders bedoeld—'t is gelijk, of 't de dochter van een boer is, of jouw dochter is 't!”

“Mijn dochter zal niet met iemand trouwen, die met den weerwolf heult.”

Gerard liet zijn goudstukken in zijn zak rammelen.

“Zonder dát zul je niet kunnen kaartspelen, magere Hein.

“Dan laat ik 't vervloekte kaartspel.”

“Dat kun je niet meer. 't Kaartspel heeft jou te pakken. Ik wil je eens wat zeggen, magere Hein. Zullen wij om je dochter zes-en-zestigen? Wie van dertien spelen erBladzijde 49't meest wint, heeft gewonnen. Jij zet je dochter als inzet en ik duizend beurzen met goud gevuld. Is 't aangenomen?”

“Neen—”

“We zullen zien.”

Twaalf dagen kwam magere Hein niet in de kroeg. Den dertienden dag verscheen hij. Hij riep om een borrel en om kaarten. Het spel nam een aanvang.

En van de dertien spelen won Gerard ze alle.

“Je dochter is de bruid,” lachte de heer.

“Je zult haar hebben,” zei magere Hein schor.

Het is geen vroolijke bruiloft geweest. De organist kon dien dag niet spelen, daar hij ziek was. De dominé sprak slechts enkele woorden, en buiten sloeg de regen met felle stroomen neer. In den avond was er storm, zooals er nooit in de Betuwe was geweest. Alsof duizend kettingen tegen elkaar stieten, zoo gierde de wind over de vlakte. Een fel hahaha, nu eens gierlachend, dan weer klagelijk weenend, sloeg door de lucht, en liet een angstwekkende echo na, welke niet breken wilde. Een heksensabbath van woeste stemmen gilde ver en dichtbij, vreemde geruchten waren er in schuur en stal, die geleken op buigen en kraken van dood hout en toch in hun nameloos wee een levende ziel verborgen.

De bruiloft van den slechten heer met 't mooie meisje voorspelde niets goeds. De weerwolf zou zijn buit wel halen, zeide men in de Betuwe.

Gerard speelde nu met zijn schoonvader niet meer om geld. Het was hem er alleen maar om te doen, dat hij oefening zou krijgen. O! hij zou beter spelen dan de weerwolf. Toch verschool zich een geheime angst in zijn bloed—: wat zou er op Oudejaarsavond gebeuren? Eerst laat in den nacht kwam hij thuis—vroeg vertrok hij weder. Hij moest kaarten, kaarten, kaarten …. Soms was 't hem, of een donkere gedaante achter hem stond, wanneer hij speelde … soms hoorde hij den sleependen ketting …. Zijn droomen werden gekweld door dien sidderendenBladzijde 50klank, een bedreiging voor hem, die hem nooit rust liet. Hij werd als een man, die geen jeugd heeft gekend, somber en in zich zelf pratend. Als hij over een eenzamen weg ging, zag hij de vale, vluchtende gedaante van den weerwolf steeds voor zich. Kwam hij op zijn slot, dan was hij korzelig tegenover zijn vrouw, alsof zij 't helpen kon, dat hij ongelukkig was. Het gerucht, dat hij haar sloeg, was de waarheid. 't Meisje, dat eens zoo blijde en vertrouwend naar 't leven had gezien, of het een bloesemende boomgaard ware, had nu lichtschuwe oogen. Haar teere schouders waren gebogen, als rustte er een last op. Ze wist, dat ze met een kaartspeler was getrouwd, die geheele dagen achter elkander met haar vader in de kroeg zat, en wanneer ze aan de toekomst dacht, zag zij in de eindelooze ellende, het langzaam-aan verdwijnen van het verleden, en de onafwendbare nadering der dagen, die eens verre waren. De tranen zouden tranen volgen. Het leed zou zijn teekening in haar gelaat groeven.

De Oudejaarsavond was voor haar een marteling. Ze kon niet aan het verleden denken, ze durfde niet denken aan de toekomst. Daarom voorzeker is het geweest, dat zij om zeven uur uit het kasteel ging, en Gerard alleen liet in de groote zaal.

Nog vijf uren had de heer te wachten, voor hij zijn vonnis zou vernemen. Hij wilde het noodlot afwenden en hij deed drie grendelen voor de poort. Hij had een grooten bloedhond: dien stelde hij ter bewaking. Hij sloot de deur van de groote zaal, en stak alle kaarsen aan, zoodat hij den nacht vergat. De vensters wapende hij met luiken. Nu mocht de vijand probeeren te komen.

De wijzers der klok schreden voort, en de geluidlooze tijd deed zijn plicht. Als er een kaars was uitgebrand, stak Gerard een nieuwe op den blaker aan. Zóó bleef het volle glans tot elf uren.

Net of er een koelte wuifde langs de rossige vlammen, sloegen ze heen en weer. Gerard ging naar de venstersBladzijde 51en zette de luiken vaster. Roerloos lag de bloedhond vóór de gegrendelde poort.

Het was koud in de zaal. Hij wierp eenige blokken op het vuur—wel warrelden de vonken op, maar zij brandden niet. Hij strekte zijn handen naar den haard uit—zijn vingers bleven koud.

Hij hoorde den koekoek van de klok twaalf malen, voor hij wist, dat er een uur was verloopen. Een ketting rammelde … hij wendde zich om … de weerwolf stond achter hem.

“Ik ben hier, om te kaarten,” zeide hij, “heb je alles klaargelegd?”

“Nee,” antwoordde Gerard.

“Zie dan naar de speeltafel—daar liggen de kaarten.”

Hij zag 't spel liggen. Een hoopvolle gedachte verdrong zijn angst.

“Maar als de kaarten gemerkt zijn?”

“Dat zijn ze niet, doch jij mag schudden en geven, en ik zal met den rug naar de kaarten gaan zitten. Jij zegt me dan, wat je opspeelt, en schuift me mijn kaart toe.”

Aldus speelden ze.

Het eerst won Gerard, toen de weerwolf.

“Quitte,” riep deze.

't Volgend spel was voor Gerard, het vierde voor den weerwolf.

“Quitte alweer.”

Het vijfde spel won de weerwolf, het zesde Gerard.

“Quitte ten derde male.”

Het klonk spijtig, en nu was er vrees in weerwolf's stem. Zou de ziel hem ontgaan?

Het ging om het zevende, of laatste. Hij rammelde met zijn ketting.

De heer sloeg de handen aan zijn hoofd. Alle oefenspelen met mageren Hein waren in zijn denkend brein verzameld. Het zou er nu op aankomen, wat hij had geleerd.

Schoppen was troef.

Bladzijde 52Bij den derden slag speelde Gerard een twintig uit. Hij beefde van geluk. Ja, hij zou mogen winnen.

Het was de laatste tour en nog had geen van beiden zes-en-zestig geroepen. En ineens kwam er een jubeling in Gerard. Hij zou het spel niet verliezen. Hij nam een ruiten negen met een ruiten boer. Hij had klaver-aas in de hand, en hij moest uitspelen. Alle troeven waren er toch uit? Aas, heer, vrouw, boer, tien—ja—

En hij speelde den klaver-aas. Hij had één kaart vergeten.

“Troef,” riep de weerwolf. Hij gooide met een behendigen zwaai schoppen-negen op tafel en draaide zich meteen om, Gerard met zijn klauwen grijpend.

“Troef—en zes-en-zestig.”

Hij voer met Gerard's ziel ter helle.Bladzijde 53

Ook in ons land, en wel in Utrecht, heeft een basiliscus zijn helsch wezen vertoond, nadat hij lange jaren deze streken had gemeden. Reeds had dit monster in het jaar 513 bij Dokkum achttien menschen geveld, die zijn oogen hadden gezien, en acht eeuwen later vond men weder een zeer grooten basiliscus in den put van Oldeboorne. Toen men hem ophaalde, waren het weder achttien menschen, die door hem werden gedood: even flikkerden zijn oogen, en dát vuur sloeg de sterfelijke lichamen in, welke asch werden. Men gaf allerwege acht, dat er geen basiliscus werd geboren, en men kon dit met eenige moeite wel beletten. De duivel, die op de menschelijke ziel loert, weet, dat hij gehaat wordt als vijand der wereld, en hij moet meer listig zijn dan sterk, wil hij den schat van ongeloof en twijfel naar de hel mededragen. Zijn trawanten vindt ge daarom onder onschuldige dieren, welke hij onder betoovering brengt, waarvoor zij later dikwijls moeten boeten, of het menschen waren. Evenals heksen mogen zij niet langer leven, want wat met den Duivel heeft verkeerd, is gevaarlijk voor het grootste goed ter aarde—slechts te betalen met hemelsch gewin: de ziel.

Daarom handelden de menschen wijs, als ze acht sloegen op de hanen. Sommige hanen waren er, die eieren legden zonder dooier, en deze werden uitgebroed op een mesthoop; men zeide, dat een schildpad ze stoofde. Als het ei openbarstte, kwam er een basiliscus uit, een vervaarlijk monster, welks kop zoo vreeselijk was, dat niemand dien aan kon zien, zonder den dood te sterven. Geen wezen op aarde, dat hem niet ontvluchtte: ja, hij ontvluchtte, hoe vreemd het klinken moge, zichzelf, want hij was bang, zijn eigen oogen te aanschouwen, die ook hem den dood moesten brengen. Hij vlood in donkere putten en kelders, liefst onder een brouwerij, en daar heeft ook de basiliscus van Utrecht gewoond. Hij was uit het hanenei gekropen, en het zonnelicht vreezend, dat op meer en vaart heldereBladzijde 54spiegels, zelfs zonder rimpeling, nederlegt, had hij 's nachts onder een brouwerij redding gezocht. Twee felle vlammen waren zijn oogen.

Een man ging naar beneden, in opdracht van den bierbrouwer: misschien had hij 't schuimend vocht te schenken, frisch uit het vat, misschien ook viel er iets te verplaatsen of te vertimmeren. Men was verwonderd, dat hij niet wederkeerde, en men schertste een weinig, meenend, dat hij zich op zijn eentje te goed had gedaan: ongetwijfeld was de zoete slaap zijn geest en ziel binnengedrongen, en waren zijn gedachten ver van de zorg dezer wereld. Ten leste werd de patroon ongeduldig; hij riep en vloekte, dat de kerel boven moest komen, en men kreet met luide stem in den kelder. Toen er geen antwoord kwam; meende men, dan hij meer Danziger of Maastrichtsch of Leuvensch bier had gedronken, dan voor een zwakken slaap paste, en wat woorden niet konden bereiken, zou wellicht een flinke trap of oorvijg kunnen brengen. Een stevige kornuit ging naar beneden, en hij zag, dat de man dood terneder lag. Hij wilde roepen, maar zijn blik gleed af en hij staarde in de oogen van den basiliscus.

“Nu moet ook ik sterven,” dacht hij, want een vlam sloeg om zijn hart. Met de handen greep hij naar de plek zijner pijn, en de basiliscus bleef hem aanzien, den grooten hagedissenkop vooruit, en de scherpe stekels op zijn lichaam stonden loodrecht opgericht. De man gevoelde, dat de vlam in zijn lijf verder sloop, op de wijze van het vuur, met een spits einde eerst lekkende, voor zij zich verbreedde.

Zoo ook dringt de smart der liefde vleiend en verterend in 't willoos bloed des menschen, want het onvervuld verlangen is een basiliscus, wiens oogen dooden, en dat zichzelven zou dooden, als het zichzelven ooit zien kon.

De jonge man, die naar beneden was gezonden, viel ook terneder, en de twee vuren in den kop van het monster staarden de duisternis tegemoet.

Bladzijde 55Hoevelen de basiliscus gedood heeft in Utrecht; is niet bekend.

Er is geen kroniek van, gelijk voor Dokkum en Oldeboorne: doch wel afschuwwekkender moet zijn leven geweest zijn, daar men er nog vele eeuwen over heeft gesproken.

Hij was niet te dooden, als draken of waterslangen, die immers een dapper ridder met zijn zwaard kan verslaan, nadat ze veel menschen ten verderve hebben gevoerd. 't Is een vreeselijker ondier dan alle andere. Onbeweeglijk ligt hij in duisteren kelder, en hij heeft den kop slechts te wenden naar zijn vijand, om dezen te doen wankelen en te verteren. En wanneer er ook eens een mensch gevonden werd—maar dit is bijkans onmogelijk—die niet sterft door de vlam om zijn hart, dan is één prik der rechte stekels voldoende, om te dooden.

Hoe de stad Utrecht van den basiliscus te bevrijden?

Iemand, meer knaap dan man, bood zich aan, om met hem te kampen. Men bezag hem vol deernis, want het is wel wreed, als een jongeling moet sterven. Maar hij kwam vroolijk, en liet zich een blinddoek voor 't gelaat binden; opdat hij de vreeselijke oogen niet zou zien. Men vroeg hem naar zijn wapen. Was 'teen speer of boog, of een slinger, gelijk de knape David had, die Goliath wilde verslaan?

Hij wees op zijn borst, waarop een plank rustte, en niets anders.

“Weet ge dan niet?”—zoo vroeg men hem, “dat de basiliscus stekels heeft? Hij is een groote hagedis, dien ge niet hooren kunt, zoo hij nadert, en zien kunt ge hem ook niet, met uw blinddoek voor het gelaat.”

Hij lachte slechts, zooals een onbezorgde knaap, die 's levens strijd en wreedheid nog niet kent, kan lachen. Hij behoorde tot hen, die wereldsche smart tegemoet gaat met een blinddoek voor de oogen, doch met het wapen van reinheid op zijn borst. Men aarzelde. Zou men hem doen dalen, tot voor het vreeselijk monster? WederBladzijde 56lachte hij, en met jongen, lichten tred liep hij naar beneden. De basiliscus hoorden zijn schreden, en hief den kop. Zijn oogen waren vlammen, maar de knaap stierf niet, neen, hij liep zorgeloos, en tastte slechts even. Nog feller vlamden de oogen van den draak, en de jongeling lachte maar.

Langzaam kroop de hagedis naderbij. Zoo de vijand niet stierf door het vuur, zou hij sterven door het vergift. Was er een mensch, die den basiliscus kon ontgaan?

Toen wendde de knaap de plank, die op zijn borst rustte, en hij hield de voorkant naar de richting der duisternis, welke vóór zijn blinddoek was.

De basiliscus snelde op hem toe, en plotseling zag hij zijn eigen oogen, daar het een spiegel was, dien den jongeling met zich had meegedragen, glas der zuiverheid en der waarheid, dat hij voor het monster plaatste.

De vlam, die allen hadden gevoeld, sloeg 't eigen lichaam van den basiliscus binnen, en hij werd verteerd tot asch en tot niets.Bladzijde 57

Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen uit-gebroed, die het vee betooveren, schepen beletten uit te varen, en kinderen kwellen. Een goede honderd jaar geleden heeft er in Bolsward ook zulk een heks gewoond.

Op het Hoog leefde een gelukkig echtpaar met vele, gezonde kinderen. Alleen het jongste was altijd ziek, en de buren zeiden, dat het wel betsjoend kon zijn.

Doch wie was de tsjoenster?

Er woonde in de Witheerensteeg een vriendin der vrouw, die veel van kinderen hield. Ze kwam dikwijls op het Hoog, om een praatje te maken, en dan nam ze het kind, op haar schoot, en ze kuste het met veel liefde. Ze wiegde het in haar armen en zei:

“Do earm skiep. Do earm skiep.”

Als ze zich naar 't kind overboog, was er moederliefde in haar blik. Als dokter kwam, schudde ze medelijdend en mistroostig 't hoofd, alsof ze zeggen wilde:

“Kun je voor het arme schaap niets doen?”

Wat probeerde men al niet? Duizend middelen, die in dikke boeken staan! Een dokter kan niet helpen, als 't kind betsjoend is. Om die ziekte tegen te gaan, heeft men sterkere hulp noodig. De eenige, die raden kan, is de duivelbanner. Deze weet alles en kan de heks verjagen, haar zelfs doen sterven. En wat kan een dokter doen tegen een tsjoenster? Hij gelooft er zelfs niet aan!

“Weet je, wat ik doe?” zei eindelijk de man. “Ik ga den duivelbanner opzoeken.”

Dat dras een wijs besluit. Had hij dit maar eerder gedaan, instee de raad van een dokter op te volgen. Hij ging den volgenden dag op weg, en had wat water van zijn kind meegenomen. Hij liep uren en uren, vóór hij bij den duivelbanner kwam, die onmiddellijk begreep, dat er iets niet in den haak moest zijn. Er was een tsjoenster in het spel. Hij zei het den vader zonder omwegen. Wat te doen? De duivelbanner zei:

Bladzijde 58“Dat is al heel eenvoudig, man. We zullen haar wel klein krijgen, maar 't kind moeten we ook genezen, is nietwaar?”

“Ja,” antwoordde de man.

“Kijk eens, deze kruiden helpen.” De bezweerder gaf hem een klein zakje, zeggend:

“Dat is nummer één. Daarmee moet je de wieg van het kind uitrooken.”

De wieg was ook al behekst. Of 't goed was, dat men den duivelbanner om raad had gevraagd!

Schuchter vroeg de man:

“En nummer twee?”

“Nummer twee is dit drankje. Dat moet 't kind gebruiken, 's morgens op de nuchtere maag, 's middags vóór 't gaat eten en 's avonds voor 't gaat slapen. Maar voor ik 't vergeet, wanneer de wieg wordt uitgerookt,mag er niets openstaan. En dan is er nog nummer drie.”

“En dat is, nummer drie?”

“Houd de geneesmiddelen in je zak, en loop, zonder je op te houden, recht naar huis. Op de reuk van kruiden komen de heksen af, en raad eens waarom? Ze willen ons werk tegenhouden, die leelijke tjoensters, wanneer het goede is gekocht. Als nu een vrouw op je afkomt, weet je, dat het de heks is. Ga recht door. 't Kan niet missen.”

Het was een lange weg, maar de vader nam geen rust, al lokte hem menige herberg. Recht moest hij gaan. Straks moest hij de tsjoenster ontmoeten. Maar wonder! hij kwam geen enkele vrouw tegen, noch aan de Sneekerpoort, noch in de Witheerensteeg en eerst op het Hoog schreed iemand hem voorbij. Het was een vrouw. Ze liep vlak langs hem heen, en stiet hem in de zij. Er rinkelde iets. 't Fleschje in zijn zak werd gebroken, en hij gevoelde, dat het drankje wegvloeide. Wat was dat jammer!

Hij vertelde het zijn vrouw dadelijk, toen hij thuiskwam. Zij schudde haar hoofd en riep uit:

“Ja, mijn vriendin was ook al zoo gehaast. Ze moest naar de Witheerensteeg.”

Bladzijde 59“O! is 't die?” vroeg de man, geheel en al ontsteld.

“Wat meen je?”

“Men moet er 't beste van hopen,” zuchtte hij. Ze greep hem bij den arm.

“Wat bedoel je toch?”

Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd angstig. Ze stamelde:

“Je zou zeggen … je zou zeggen ….”

“O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was—”

“Denk je dat?”

“'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 't Kan niet anders ….”

“En wat moeten we nu met 't kind doen?”

“'t Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg eerst uitrooken.”

Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen kon ze niet. Geen doorkomen aan.

Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.

Men draaide de wieg om en legde de kruiden in 't komfoor. Toen de vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van, vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht …. Het kind kreunde, en buiten werd er aan het slot gemorreld.

“Niet opendoen!” hijgde de man. “De heks.”

Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te jammeren … een ware heksensabbath.

De man en zijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had gelijk. Er waren booze machten in het spel.Bladzijde 60Het duurde eenigen tijd, vóór de rook was weggetrokken; gelukkig maar, dat men den schoorsteen niet verstopt had. Zoodra de lucht weer zuiver werd, hielden de katten met schreeuwen op, en ook het kind kreunde niet meer.

Heksenwerk moest het heeten en anders niet. Iedereen in Bolsward was het erover eens, en daarom bejegende men den man der tjoenster van alle kanten stug, waar hij den volgenden dag ook kwam. Des avonds trad hij de gelagkamer van de “Valk” binnen en al zijn vrienden zwegen. Als hij tot een hunner sprak, wendde deze 't hoofd af. Misschien had een kind op straat hem al nageroepen, misschien had hij het van een der lieftallige lieden gehoord, die gaarne het leed van een ander op de tong proeven. Hij wist, wat er gezegd werd in de stad, en hij besloot zijn vrienden om raad te vragen. Het was een moeilijk geval, want een heks is slim. De waard kwam er ook bij staan, en luisterde toe. Met praatte her en der, roosterde de zaak aan het spit, maar men kon ze niet zoo gauw gebraden krijgen. Wat moest er gedaan worden?

Een der vrienden was een sluwe vogel. Eindelijk had deze de goede raad gevonden.

“Je moet een klein gat in den zolder boren,” zei hij, “zoodat je haar bespieden kunt.”

Iedereen vond het vreemd, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het eenvoudigste is altijd het beste op de wereld.

De man wachtte, tot de vrouw was uitgegaan, en toen deed hij, wat zijn vriend hem had geraden, onderwijl denkend:

“Wanneer ze nu meent, dat ik uit ben, zal ik zacht naar boven sluipen, en ik zal van hieruit kunnen zien, wat ze doet, die leelijke heks.”

Een paar avonden later, deed hij, of hij 't huis ging verlaten.

“Waar ga je naar toe?” vroeg zij. Hij antwoordde onverschillig:

Bladzijde 61“Naar ‘de Valk.’ Ik moet kijken, of 't bier me vanavond smaakt.”

Zoo namen ze afscheid van elkaar. Zij meende natuurlijk, dat hij weg was, doch hij had de deur natuurlijk niet gesloten. Neen, hij sloop terug, en liep de zoldertrap op. Met zijn oog ging hij op het gat liggen, dat hij een paar dagen geleden had geboord. Een deel der kamer kwam binnen zijn spiedende blik, en hij bemerkte, dat ze opstond, om zich heen keek, en de deuren sloot. De man boven peinsde:

“Haha! ze wil niet gezien worden! Ze heeft wat in den zin.”

Ze ging naar de kast.

“Wat moet ze daar doen?” dacht hij.

Ze opende de kast heel omzichtig. Hij kon net precies onderscheiden, wat ze wegnam. Een heel klein popje, dat in luiers was gewikkeld!

Ze nam het popje op haar schoot en begon het te prikken. Met groote, scherpe spelden prikte ze het. Ze bleef het steken, op 't hoofdje, op den rug, op de beentjes, en 't kind daarginder op het Hoog werd nu vreeselijk daardoor bezeerd. Luid begon het te krijten en het was niet tot bedaren te brengen, zoolang de tsjoenster pijnigde. De man op zolder wist dit.

Het werd eindelijk de gewone tijd, dat hij uit de herberg kwam. Nu zag de spion boven, dat ze 't popje weer in de kast borg. Hij ging kousvoeteling de trap af, en sloop de deur uit. Hij liep even om, en kwam een oogenblikje later doodgemoedereerd terug. Ze had de stoete op tafel staan met geurige boter.

“Zoo—” glimlachte ze, “ben je al terug?”

Hij antwoordde niet.

“'t Is vroeg vanavond, of verbeeld ik 't me?”

Hij antwoordde niet.

Ze begreep, dat hij iets vermoedde van haar wreed spel: Zwijgend stonden ze tegenover elkaar. Ten laatste beval hij:

Bladzijde 62“Geef me den sleutel van de kast.” Ze deed heel verwonderd.

“Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?”

“Geef me den sleutel.” Ze trachtte te schertsen.

“Daar is niets in ….”

“Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?”

“Neen,” zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.

“Och—een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar niets in is?”

“Er is wel wat in.”

“Wat is er dan in?”

“Mijn kleeren zijn erin!”

“Laat ze me zien—of is er nog meer in?”

“Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden.”

“Zoo—een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de sleutel!”

Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keek hij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om.

“Overal zijn speldeprikken,” zei hij. Ze smeekte:

“Geef 't mij terug. Geef 't mij terug.”

“Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer.”

“Ik wou 't weggeven.”

“Niet noodig! Ga jij maar naar bed.”

“Geef 't mij maar terug.”

“Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op.”

“Nee—nee—terug … het popje … terug het popje.” Hij tergde haar.

“Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen kleine kinderen? Ga naar bed.”

Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed.

Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er midden tusschen.

“Zoo!” riep hij uit.

Bladzijde 63Hij hoorde, hoe de vrouw in haar bed steunde. Toen begon ze van pijn te schreeuwen. De man bleef natuurlijk heel rustig. Hij zei:

“Ik verbrand het popje maar.”

Hij keek naar de vlammen, die 't popje omdansten en grepen in hun begeerenden, verterenden gloed.

Eerst, nadat het tot asch was geworden, wendde hij zich naar het bed. Daar lag de vrouw, met vreeselijke brandwonden, en ze stierf op hetzelfde oogenblik.Bladzijde 64

De vrouw van den predikant in Pietersbierum lag ziek te bed, en ze kon niet slapen. Ze woelde heen en weer, en ze bad om slaap, die haar kon doen vergeten. Wat wilde ze anders dan vergeten, buiten deze wereld van pijn en zorg zijn, al ware het slechts enkele uren? Haar oogen waren wijd-geopend, en ziet! daar spalkte de nacht uiteen.

Midden in de kamer stond een doodkist.

Ze stond op, om te weten, wie gestorven was en ze naderde de kist. Wie lag erin? Zijzelve.

“Moet ik sterven?” dacht ze, en ze wekte haar man.

“Kijk de kist in de kamer,” zei ze. De man richtte zich iets op, en staarde den nacht in, welke voor hem niets was dan het duisterste duister.

“Wat moet ik zien?” vroeg hij verwonderd. Ze antwoordde, in 't midden der kamer staande:

“Deze baar, waarin ik als lijk lig.” Hij werd kwaad, en zei korzelig:

“Je verbeeldt je mooie dingen! Schaam je, en ga slapen.”

Langzaam liep ze naar haar bed terug, doch ze wendde zich, zoodra ze weer lag, met het gezicht naar de kist, welke bleef staan. Ze dacht:

“Dus moet ik sterven.”

En ze sliep niet. Korten tijd daarna kwam een man binnen. Hij was gekleed in een rooden hemdrok. Hij bleef even zwijgend staan, en schreed toen rustig naar den schoorsteenmantel. Hij boog zich iets voorover, en ze bemerkte, dat hij iets van den schoorsteenmantel nam, een paar dingen van ijzer. Ze richtte zich iets op, om beter te kunnen zien. Wat waren het? Een paar schroeven. De man in den rooden hemdrok trad statig op de kist toe, en maakte het deksel vast. Iemand—ze onderscheidde niet wie—legde op de dichte baar een witten doek. De dragers kwamen binnen en de kist werd weggedragen.

Toen werd alles stil en duister en gewoon. WakendeBladzijde 65wachtte ze den dag af, welke zonder geheimen was. Haar man haalde zijn schouders op, toen ze hem had verteld, hoe de man met zijn rooden hemdrok had gehandeld, en hij zei:

“Zulk een man is er in Pietersbierum niet. Hoe zou hij dus ooit de doodkist kunnen dichtnagelen. Zet zulke beelden uitje hoofd.” De vrouw echter antwoordde:

“Het was waar, zooals ik jou zie.”

Eenigen tijd later werd haar een zoon geboren, en men droeg hem naar de kerk in een roode kapruft. Hij werd gedoopt, en nadat men aan het doopmaal zich had verzadigd, zeide de predikant lachend, want hij geloofde niet in de werkelijkheid van een droom: “Was dit niet de man in den rooden hemdrok, die je lijkkist heeft dichtgeslagen? Kom! dat zal 't wel geweest zijn?” Ze staarde hem met groote oogen aan, en zweeg. Hij spotte nog even ten haren koste, maar ze legde de handen in haar schoot.

Hij meende, dat ze wel in stilte de dwaasheid van haar geloof beleed, en hij kwam niet meer op haar woorden terug. Het duurde echter lang, of men hoorde, dat er in het dorp een nieuwe timmerman was komen wonen.

Deze was gekleed in een rooden hemdrok.

Men zag hem ook niet anders dan in den rooden hemdrok.

In zijn werkplaats en op straat droeg hij den rooden hemdrok.

Ze kwam hem tegen, en legde de hand voor haar oogen, gelijk vele menschen doen, die binnen hun geest een herinnering aanschouwen. En ze zeide:

“Dat is de man.”

Echter praatte ze er niet meer over. Een jaar later stierf ze.

De predikant wilde niet, dat haar droom tot waarheid werd, en hij beval:

“Breng de kist in een andere kamer.”

Men wilde hieraan voldoen, en twee dragers namen de kist. De gang echter was nauw, en men stiet de baar bij het draaien tegen den muur. Een der dragers zei:

Bladzijde 66“De kist kunnen we nergens anders krijgen. De kist moet hier blijven staan.”

Ze droegen ze naar 't midden van het vertrek. Daar bleef ze, gelijk de vrouw ze had gezien.

Haar lijk lag in de kist. Het deksel was er nog niet op geschroefd. De predikant riep:

“Leg de schroeven niet op den schoorsteenmantel. Leg de schroeven op de vensterbank.”

“De man met den rooden hemrok trad binnen. Hij bleef op den drempel staan.

“Ik zal de kist dicht-schroeven,” zei hij.

Hij ging naar den schoorsteenmantel. Ja, men had de schroeven op de vensterbank gelegd, doch een paar waren er blijven liggen. Deze nam hij.

Hij liep op kist toe. Met de schroeven, welke hij op den schoorsteenmantel had gevonden, deed hij het deksel op de kist. Iedereen zag het. De predikant riep:

“Er mag geen witte doek op de kist.” Allen knikten met 't hoofd. Niemand zou een witte doek op de kist spreiden.

Juist wilde men vertrekken toen nog een vrouw binnentrad. Ze keek naar de kist.

“Dat is niet in orde,” dacht ze. “Zoo zullen we dominé's vrouw niet uitleiden.”

Ze nam haar witte zakdoek en spreidde deze vroom over de kist.

Allen bogen het hoofd, angstig en berustend tegelijkertijd om het wonder, dat 's menschen leven is.Bladzijde 67


Back to IndexNext