Figuur 25.

Figuur 25.“Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij“Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij

“Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij

“Hoe heb ik u thans behandeld?” Vroeg hij

De koster, ocharme! hij was beschaamd en terneergeslagen, hij wist niet, wat hij moest antwoorden, en hij zweeg.

De duivel zeide, en alle list had hij verborgen diep in zijn hart, zoodat er niets van uit-klonk in zijn stem; ootmoedig zeide hij:

“Nu heb ik u uw loon gegeven, maar toch heeft Maria, die gij dient, medelijden met u, en ze heeft mij met Hare macht gedwongen, om te doen, wat ik slechts noode doe.”

De duivel trok den stok op, en hij verloste den koster.

“Ga eruit,” zoo beval hij hem.

De duivel nu ging in den stok zitten, de gedaante des kosters aannemend.

De koster sloop zijn cel weder binnen, zonder dat iemand hem zag. In zijn cel was hij blijde, en hij dankte en loofde God en Maria, zijn lieve vriendin, omdat ze hem had geholpen vol goedertierenheid. Hij wachtte op den tijd datBladzijde 258hij zou moeten luiden, en toen het tijd was, luidde hij.

Dit hoorde de monnik, dien de abt had bevolen 's kosters plaats te vervullen, en hij verwonderde zich. Haastig ging hij in de kerk en hij vond daar den koster, luidende de klok. Vol angst was hij, want hij had gezien, dat men den koster in den stok had gesloten, en hij ging tot den abt en de monniken, zeggende, dat de koster uit den stok was gebroken. De abt en de broeders gingen naar den kerker, dien zij gesloten vonden, en zij openden daarom de deur. Ze zagen toen, dat de koster in den stok was. Vervolgens togen zij ter kerke, en daar stond de koster, en luidde de klok. De abt zeide daarop tot de broeders:

“Den ganschen nacht heeft de duivel ons bespot.”

Hij nam een kwast met gewijd water, en hij besprenkelde er den koster mede, die het ootmoedig ontving. Daarna ging de abt met de monniken naar den kerker, en hij wierp den duivel, in de gedaante van den koster, ook met gewijd water. Satan vloog heen, en hij liet grooten stank achter. Hieruit bemerkten zij, dat het de duivel was, die alle deze moeite had gegeven, en zij vonden geen fout in den koster, die met de hulp van onze lieve Vrouwe Maria voortging in deugden, Maria, de maagd en moeder Gods heel zijn leven dienende, zijn leven lang. In 't geheim zond hij een bode naar het klooster der vrouwen, om te onderzoeken, of de non ooit uit het klooster was geweest, en of ook iemand wist, wat er des nachts bij hem was geschied. Niemand had daar iets vernomen, en de koster biechtte den abt alles.

Nadat de koster was gestorven, openbaarde dit de abt aan allen, die Maria, de maagd en moeder Gods dienen, tot een exempel: dat Zij, Maria, hen, die haar getrouw zijn, in geenen nood laat en hen vertroost.Bladzijde 259

Twee torens staan er op de Bergkerk van Deventer, en men zegt, dat de eene iets grooter is dan de andere. Van twee zusters vertelt men, haar namen waren: Martha en Beatrix.

Eens waren ze gelijk van rijkdom, gelijk van vroomheid, maar Martha was iets grooter dan Beatrix, en daarom verschillen ook de torens der Bergkerk van lengte, zoo vertelt de sage.

Nooit speelde Martha zonder Beatrix, Beatrix zonder Martha, toen ze kinderen waren. Tezamen zochten ze de bloemen aan den zonnetintelenden IJsel, de madelieven en de boterbloemen, eeuwig 't eerste wonder des levens voor alle kinderen van Nederland.

Het was Palmpaschen, en beiden hadden ze een vogeltje van brood op een stokje. Ze zongen hetzelfde liedje:

“Palm—palm—paschenEikoerei—eikoerei,Noe nog êêne ZundagEn dan kriege we 'n eiEn dan kriege we 'n eiÉén ei is geen eiTwêê ei is een half eiDrêê ei is een Paaschei.”

Het was Pinksteren, en ze dansten, hand in hand, met de anderen om de Pinksterkroon. Het was Paschen en ze stonden bij de vuren, die allerwege laaiden. Ze hadden later, toen ze jonge meisjes werden, de herinneringen der jeugd gemeen, en daarom hadden ze elkander lief. Ze behoefden hierover nooit met elkander te spreken: eensgezind waren ze zonder woorden. Zoo bereikten ze den leeftijd, dat het verlangen naar liefde liefelijk is, en een teeder, nooit-gezegd geheim.

Er kwam uit verre streken een ridder, die al veel liefde in zijn leven had gekend. Dit was te zien in zijn oogen, die een diepen glans hadden, en het was te hooren aan zijn stem, vroolijk als dansmuziek. Hij was niets dan jeugd.Bladzijde 260Hij was voor ieder, die hem tegenkwam, gelijk een blijde herinnering. Het duurde niet lang, of Martha en Beatrix ontmoetten hem, en beiden lachten ze om zijn leutig wezen, de liedjes, welke hij zong, en de grappen, die hij bedreef. Gezamenlijk bespraken zij het, hoe schoon van gestalte ze hem vonden, en ze waren beiden gaarne in zijn gezelschap. Toen kwam de dag, dat Martha over hem zweeg, en Beatrix alleen over hem praatte.

“O! bleef hij hier, instee van verder te gaan—” zoo zeide Beatrix—“want in Deventer is er geen, die aan hem gelijk is, vindt gij wel, zuster? 't Schijnt me, of voortaan mijn leven zonder hem dor zal zijn, ja, ge zult mij wel gelooven, als ik u zeg … dat ik soms verlang: “o! had ik hem niet gekend.”

Maar eens hoorde Beatrix in de kamer, waar ze met Martha sliep, zacht snikken, en verschrikt vroeg ze, waarom haar zuster weende. Ze kreeg geen antwoord, en den volgenden morgen herhaalde ze haar vraag.

“Ik geschreid?” glimlachte Martha. “Dat beeldt gij u in. Den ganschen nacht heb ik rustig geslapen.”

Beatrix nu geloofde haar. Eenige maanden later echter hoorde ze wedernacht schreien, en daarom vroeg zij, waarom Martha leed. Hoe verwonderd was ze, toen deze haar rustig zeide, dat er niets was, en dat ze slechts even wakker had gelegen.

Spoedig zou Beatrix dit alles vergeten. Want ook voor haar kwam het leed. Een dag zeide haar de ridder:

“Ik moet u verlaten, zoete Beatrix.”

Na dien weende zij in den nacht. Maarzijontkende het niet, toen Martha haar zeide, dat ze haar had hooren schreien.

Ze boog zich over tot haar zuster.

“Heb ik 't u niet gezegd,” zoo klaagde zij, “dat 't beter ware geweest, als ik hem nooit gezien had! Ay mij—zusterlieve—het is mij niet wel te moede. Ik ben angstig om te leven. Zou de dood nabij mij wezen? Ik voel geen krankheid, maar o! het is mij, of ik ergerBladzijde 261ben dan ziek, en of ik voortaan alle nachten zal schreien.” Martha nam hare hand, en streelde ze. Vast klonk haar stem.

“Ge hebt te veel over den jongen ridder gedacht, die Deventer verlaat. Beatrix! luister niet naar zijn stem, en volg hem niet over de wegen, die hij kiest. Blijf bij uw zuster, die u meer liefheeft dan hij, en bij wie ge veilig zijt.”

“Ik zal niet naar hem luisteren,” zoo beloofde Beatrix.

Ze ontmoette hem den volgenden dag niet, doch den daaropvolgenden zocht ze hem. Het was op een stille plaats bij de rivier, waar de vlugge Koerhuisbeek in den IJsel valt. Daar smeekte ze hem, om de stad te verlaten, zoo spoedig mogelijk.

“Waarom dan—” lachte hij lichtzinnig, “zijt ge bange voor mij?”

“Ik weet niet waarom—ik weet niet waarom—maar mijn hart dringt me—ik ben bange voor u—ga heen—blijf—ga heen—”

Hij zag haar aan, en hij vond haar schooner dan eenig meisje, dat hij ooit had gezien. Hij dacht erover na, hoe dwaas het zou zijn, alleen verder te trekken, en haar in de stad achter te laten. Hoe had hij niet eerder ontdekt, hoe waardig ze was tot liefde, en koen beschouwde hij haar.

“Beatrix,” zoo lachte hij, “ik zou niet heengaan, als gij in de stad blijft, want ik zou geen rust meer kennen, en aan Deventer moeten denken als een moede vogel aan zijn nest. Ik kan niet meer zonder u en toch moet ik u verlaten.”

Zijn stem werd angstig, terwijl hij haar handen in de zijne nam.

“Vaarwel, Beatrix—vaarwel! Ik min u—vaarwel! Gij zult nooit meer vragen, waar ik ben, en toch, waar ik ben, zal ik aan u denken. Als ik gewond word, en mijn wonden mij pijnigen, zal ik naar uw zachte, troostende handen verlangen—”

Ze zag hem aan.

“Hebmijniet lief,” smeekte ze, “heb Martha lief.”

Bladzijde 262Rustig antwoordde hij.

“Martha kan ik niet lief hebben. Nooit denk ik aan Martha, zonder aan u te denken. Doch laat ons van elkander gaan, en elkaar nooit weer zien. Vaarwel, Beatrix, en vergeet me.”

Ze staarde voor zich uit, en in haar ooren klonk de stem harer zuster. Was ze bij Martha veiliger dan bij den ridder? Angstig vluchtte ze, zonder hem te antwoorden. Bij Martha schreide ze, en ze bekende haar alles, ook, dat ze hem had gevraagd, om Martha lief te hebben. Martha vroeg niet, wat de ridder had geantwoord. Ze sloot haar in de armen.

“Vergeet, zusterlief. Vergeet hem, of ge zult uzelf vergeten.”

“Ik zal hem vergeten.”

Hij reed 't huis voorbij, en ze hoorde zijn stem. Doch ze trad niet naar buiten. Verre klonk zijn lied.

“Het waren twee conincskinderen,Si hadden malkander soo liefSi konden bi malkander niet komen,Het water was veel te diep.”

Angst was er in haar hart, na haar belofte, dat zij hem vergeten zou. Bovenal waren voor haarde nachten vreeselijk. Zoodra het donker werd, en zij probeerde te slapen, werd de nacht een levend, dreigend wezen voor haar, en met wijdopen oogen staarde ze naar de vreeswekkende gedaante, die zich over haar heenboog, met wreede stem roepende:

“Vergeet hem, dien ge niet vergeten kunt. Spoedig zal hij heengaan, en beiden zult ge eenzaam zijn. Als hij gewond is, zijt gij niet bij hem.”

Soms spotte de nacht met haar.

“Ge zijt hem toch vergeten, hoe komt het dan, dat ge aan zijn naam denkt? Beatrix, meent ge, dat ge gelukkig zult worden, als ge in een klooster gaat, want ge zult toch niet hier blijven wonen, waar ge hem iederen dag hebt gezien? Zal ik hem u eens vóórtooveren?”

Dan trad de gedaante van den nacht terug, en in den luister des lichts stond rank en recht de jonge ridder. AlsBladzijde 263zij de armen naar hem uitstrekte, verdween hij weder. Eens kwam er een visscher voorbij haar huis, die aan de deur klopte. Hij liet haar een visch zien, dien hij gevangen had, en hij vroeg haar, of ze dien wilde koopen, voor den maaltijd van haar en haar zuster.

“Hoeveel deze visch?” vroeg ze, bereid tot koopen.

Instee den prijs te noemen, begon hij te lachen. Zij riep driftig:

“Neem den visch weer mede, en ziet, dat gij hem verkoopt, waar gij niet lachen zult.”

“Moet ik dan niet lachen—als ik in dienst van een rijk heer sta?”

“Ik heb met uw grappen niet van doen. Ga heen.”

“Ik zal heengaan,” sprak hij, “maar niet, voordat ik u heb gezegd, dat morgen vóór den avond mijn heer u wacht—bij de Koerhuisbeek—waar ge hem al eerder hebt ontmoet.”

Ze legde de hand aan haar hart. Ze zeide met zachte stem:

“Zeg den ridder, dat ik niet zal komen.”

“Hij doet u weten,” hernam de visscher, “dat hij Deventer wil verlaten. Hij is er zeker van, dat ge komen zult, en nog iets droeg hij me op, u te zeggen: ge zult er niet met uw zuster over spreken.”

“Dat had ik nu niet gedaan—maar zeg uw heer, dat hij alleen zal trekken, en mij niet wachten zal.”

“Mijn heer heeft gezegd, dat ik u dezen edelsteen tot pand zal reiken, van groote waarde. Ge moogt dien behouden, ook al komt ge niet. Doch de steen is hem een bewijs, dat ge hem niet zult laten wachten.”

Ze bezag den schitterenden steen, en ze week terug. Want hij lag, vloeiende van verleidend licht op haar hand, en ze wist, dat hij haar liefde hooger schatte dan aardschen rijkdom. Toen wendde ze haar gelaat af van deze flonkering.

“Geef den emerant aan uwen heer terug, want ik wil hem bewijzen, dat ik niet komen zal. Zoowaar ik u den steen geef, zoo waar zal ik niet komen.”

Bladzijde 264“Behoud den emerant,” sprak de visscher, “daar hij van u is. Ik heb geen recht hem terug te vorderen. Mijn heer verwacht u.”

Hierop vertrok hij met den visch. Beatrix bleef alleen achter, en nu ook was het licht genadeloos voor haar, en de dag was een wreede gedaante, een reus met vreeselijke stem, die zijn groote handen zwaar op haar schouder legde. Ze zocht rust in den schemer van haar huis, bij Martha, hare zuster, doch de dag volgde haar met onbarmhartigen tred en gebaar. Ze hoopte, dat de nacht wel troost zou brengen, en haar van den druk zou bevrijden. Al kwam loom de nacht, eerst met zware groeven en voren van het avonddonker door den glans, toen met volle duisternis, geen verandering bracht hij voor haar, want even zoo huiveringwekkend boog hij zich over haar heen. Ze kende geen slaap, ze moest denken met bonzend voorhoofd aan den morgen, en den ridder, die haar bij de Koerhuisbeek wachtte.

Zonder afscheidsgroet verliet ze hare zuster) en ze kwam aan de beek. Den emerant droeg ze in haar vingeren. De ridder wachtte haar, en hief haar op zijn paard. Zoo verlieten ze tezamen de stad, en niemand in Deventer heeft hen ooit weer ontmoet.

Figuur 26.De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paardDe ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard

De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard

De ridder wachtte haar en hief haar op zijn paard

Martha werd ouder, en slechts leefde zij in één verlangen dat ze nog eens haar zuster zou zien, die terugkeerde, om rust bij haar te zoeken en te vinden. De dagen en de nachten gingen voorbij, doch van Beatrix hoorde ze niets. Maar toen ze zou sterven, deed zij den priester bij zich komen, en ze zeide hem:

“Ter nagedachtenis van de liefde van mijn zuster en mij, wil ik van mijn geld een kerk doen bouwen op den berg. Twee torens zullen erop worden gebouwd, de een iets grooter dan de ander, twee kinderen van één vader gelijk, en onafscheidelijk. Zoo zal eeuwig blijven de gedachte aan onze liefde en na onzen dood althans zullen er twee zusteren zijn, die elkander niet verlaten.”Bladzijde 265

Het Pinksterfeest werd gevierd, en vele dappere ridderen waren bij Keizer Karel te gast.

Huigen van Dordoen naderde den Keizer, en hij sprak:

“Wilt gij niet mijn ooms Aimijn van Dordoen en Aimerijn van Nerboen beloonen? Vele diensten hebben zij u bewezen.” Keizer Karel zeide:

“Zij hebben het mij zelf dikwerf gevraagd, ik gaf hun niets en zal hun niets geven.”

Huigen van Dordoen ging voort, zijn woorden te zeggen, welke niet alle van pas waren voor 't oor des heerschers. Deze werd driftig, en greep zijn zwaard. Toen werd de ridder door 's keizers hand gedood. De vloer der zaal was nat van zijn bloed.

Nu was de oorlog in het land, en de bloedwraak werd gezworen. Aimijn wilde den dood van Huigen niet straffeloos dulden, en hij toog met zijn vrienden ten strijde. Toen werd hij in den ban geslagen, en hij moest gehoorzamen, tegen den drang van zijn ziel.

Karel's vrienden verzamelden zich, en ze kwamen tot den keizer.

“Vrede! Vrede! Vrede tusschen u en Aimijn van Dordoen.” En de keizer zeide:

“Het zij zoo.”

Hij bood Aimijn verzoening. Geen bloed zou er meer tusschen hen zijn. Neen, ze zouden vrienden worden, en keizer Karel had een dochter, Aye, die schonk hij Aimijn tot vrouw. Maar Aimijn wrokte binnen-in de geheime diepten van geest en bloed, en hij zwoer:

“Aye is van 's Keizers geslacht, en zoo zullen haar zonen zijn. Haar zonen zijn mijn vijanden, en bij hun geboorte zullen zij gedood worden.”

Aye, dit hoorende, werd zeer bevreesd, en wanneer ze een kind verwachtte, verliet ze Aimijn's slot heimelijk. VierBladzijde 266zonen werden haar geboren, zonder dat de vader dit wist. Zij werden in een klooster opgevoed, en hun kracht wies. De jongste van de vier echter was groot en sterk boven de andere, gelijk een valk boven den sperwer.

Toen ze dan jongelingen waren, ging Aye een dag naar Aimijn, en ze vroeg:

“Edele Heer, als gij kinderen had, hetzij weinig, hetzij vele, zoudt gij ze dooden?”

“Vrouwe, had ik kinderen, ik zou hen liefhebben.”

“Voorwaar heer—” zeide de edele vrouwe, “ge hebt gezworen, dat ge hen zoudt dooden.”

“Eeden gezworen in verbolgenheid zijn geen eeden. Had ik kinderen, ik zou vroolijk wezen.”

“Gaat met mij en ge zult uw kinderen zien.”

Toen beproefde Aymijn den moed zijner zoons, en hij tartte hen, zoodat Reinout hem ter aarde hieuw. De grijsaard lag op den grond en smeekte:

“Edele jongelingen, slaat mij niet, ik ben uw vader en hedenavond nog zal ik u ridder maken.”

“Zijt gij onze vader—,” riep Reinout uit, “het doet me leed, dat ik u geslagen heb.”

Aymijn echter was blijde, dat zijn zoon onbevreesd was.

Den avond sloeg de vader hen tot ridderen. Maar ze hadden nog geen paarden, om te rijden en te strijden naar ridders-wijze, en men voerde voor Reinout sterke rossen, welke hem te zwak waren, en hij sloeg ze dood met de vuist of drukte ze met zijn knieën de lendenen stuk. Aymijn was zeer verblijd hierover, zooals men wel begrijpen zal. Hij zeide:

“Zoon, ik weet een paard voor u, dat de kracht van tien rossen heeft. Beyaert is zijn naam, en hij staat in een sterken toren. Hij is van 't geslacht der dromedarissen, en zoo ge erop rijdt, kunt gij een sperwer in zijn vlucht kortwieken.”

Reinout temde het edele ros Beyaert met gevaar van zijn leven, en het paard droeg hem over twee wijde grachtenBladzijde 267met één sprong. Beyaert stond daarna bevende voor hem, en hij boog zijn pooten tezamen, eerbiedig nijgende. Reinout reed op Beyaert, en zijn broederen op andere paarden. Als Reinout op Beyaert zat, beefde de aarde en het vuur sprong uit de steenen. En Aymijn met zijn kinderen werden ten hove genoodigd, omdat Lodewijk, keizer Karel's zoon, werd gekroond als koning van Frankrijk.

Zij gingen, de Aymijn's of Heemskinderen, met hun vader, allen welgewapend, zooals ridderen ten strijde trekken. Een bode kwam hen tegemoet, en deze vroeg:

“Ontwapent u.”

Aymijn deed aldus, en daarna trok hem Karel met zijn baronnen en zijn jonkvrouwen tegemoet. En de beiden spraken vele vriendelijke woorden tezamen. Lodewijk zeide niets, noch tot Aymijn noch tot zijn kinderen, want er was boosheid in zijn hart, omdat de keizer zijn doodsvijand was gaan begroeten.

En de baronnen en jonkvrouwen zeiden tot elkander:

“Is dit Reinout, Aymijns zoon? Hij is de mannelijkste en schoonste jongeling van het Christenrijk.”

Dit hoorde Lodewijk, en het bedroefde hem, daar hij ook schoon was van aangezicht en groot van lijf; en op velerlei wijzen tartte hij de broeders sinds dien, ook na zijn kroning. Reinout's roem werd hem tot schande, want hij, die afgunstig is, gevoelt de eer een ander gegeven als oneer voor zichzelven.

Ten laatste kon Reinout, de jonge held niet meer leven, zonder zich te breken uit zijn schande en schaamte; met Adelaert, zijn broeder, dien Lodewijk had geslagen, ging hij in de zaal. Ze hadden een mantel om, en in hun hand droegen zij het barre, bare zwaard. Keizer Karel stond bij zijn zoon, en Reinout en Adelaert liepen door de menigte, tot ze bij hen waren. Zij groetten den keizer, doch Reinout greep koning Lodewijk bij het hoofd, en hij sloeg het af, om het tegen den muur te werpen. Het spatte bloed, dat tegen 's konings gelaat aansloeg, druppelenBladzijde 268bloed. De keizer werd zeer vertoornd en riep:

“Edele baronnen, die mij liefhebben, helpt mij wreken den dood mijns zoons.”

Toen stonden alle baronnen op, en ze wapenden zich. Er was een groot gevecht, waarin Aymijn gevangen werd genomen. Maar Reinout en zijn broeders vluchtten op het ros Beyaert, en zij ontvloden den toorn des konings, tot waar zijn hand niet reiken kon; doch niet gelukkig is de banneling, want men onthoudt hem zijn recht.

Zij reden op het trouwe, sterke ros Beyaert, dat hen droeg van land tot land, en Beyaert was een ridder mede, hij werd gewond, zoo de broeders gewond waren. Eindelijk kwamen ze in 't land van koning Iewijn, en nadat ze dezen vier jaren hadden gediend in nood en dood, schonk hun de edele vorst een rots, waarop Reinout een kasteel liet bouwen, dik van muren en met sterke torens. Hij noemde het Montalbaen. Koning Iewijn gaf Reinout zijn dochter tot vrouw. Clarisse was de naam der schoone maagd.

Keizer Karel was nog zeer vertoornd over den dood van Lodewijk, zijn zoon, en hij zond koning Iewijn een brief. Wat er in den brief stond, kan men lichtelijk raden: dat de keizer boos was op den koning, daar hij de Heemskinderen land had gegeven en hun groote eer had bewezen.

Hij deed in 't land rijzen een groot leger, en hij sloeg het beleg voor Montalbaen, Reinout's veste. Doch niet ving hij de vier Heemskinderen, en na een jaar moest hij aftrekken, weinig tot zijn eer.

Reinout's hart verlangde ernaar, zijn moeder weer te zien, en hij zeide dit tot Adelaert, die verstandig was als raadsman.

“Wat wilt gij!” zoo riep deze, “weet gij niet, dat vader en moeder voor Karel uw dood hebben gezworen?”

“Broeder! neen, dit tel ik niet, want de ouders hebben natuurlijk hun kinderen lief; daarom, het ga, zoo het gaat, ik wil moeder wederzien.”

De broeders overvielen de pelgrims, die naar JeruzalemBladzijde 269waren geweest, en zij gingen in pelgrimspijen naar het slot Pierlepont, waar Aymijn woonde. Zij vonden het gesloten en zij klopten aan. De portier kwam, en hij vroeg:

“Wat is uw begeeren?” Reinout antwoordde met oude stem:

“Vriend! laat ons binnentreden in het slot Pierlepont, vier pelgrims zijn wij, die hebben gezworven van stad tot stad en land tot land; we hebben zulk een honger en dorst, wij bidden en smeeken u, laat ons binnen.”

“Neen—niet ik! want een kwade mare is tot ons gekomen, dat onze Heeren in Frankrijk zijn gevangen, Ritsaert en Writsaert, Adelaert en Reinout.”

Heilige woorden zeide Reinout en de portier liet hen, deze hoorende, binnen. De vier Heemskinderen traden in de zaal, en daar zat hun moeder. En allen zeiden:

“Vrouwe, God geve u goeden dag.”

Dit zeide de vrouwe, Aye, de moeder van Ritsaert en Writsaert, Adelaert en Reinout:

“God loone 't u, pelgrims.”

Zij gaf hun te eten en te drinken. Zij schonk goeden wijn, en Reinout ledigde twee schalen, en de vrouwe was verwonderd. Zij sprak:

“Vanwaar zijt gij gekomen, pelgrim, dat ge den sterken wijn zoo drinkt? Tien ridderen drinken niet zooveel als gij alleen.” Reinout antwoordde haar.

“Geeft mij nog eens van den wijn, wilt gij?”

Nadat hij de derde schaal had geledigd—de schalen waren van goud—riep hij uit, dronken:

“Vrouwe, ik wilde, dat ik meer had, want had ik nog een schaal, mijn oom Karel zou ik niet ontzien.” Adelaert, uitmuntende in verstand, schrok van deze woorden, en hij stiet Reinout met den elleboog aan, zoodat deze ter aarde viel, en hij bleef liggen, gelijk een doode: ja, zoo dronken was hij. Maar wie ter wereld was gelukkiger dan Aye, de moeder? Zij nam Reinout in haar armen, ze kuste hem, ze kuste hem, gelukkiger dan ooit een levend menschBladzijde 270wezen kan; men meende, dat zij sterven zou om der wille van deze vreugde. Adelaert, de wijste der broeders, nam haar in zijn armen en voerde haar van Reinout weg.

Een verspieder naderde thans vrouw Aye, en hij zeide:

“Vang Reinout, en levert hem over aan keizer Karel, want aldus hebt gij gezworen.” Doch vrouwe Aye antwoordde hem:

“Mijn hart kan mijn kinderen geen kwaad doen: noch om het leven noch om den dood zou ik mijn kinderen verraden.”

Ook Aymijn vernam, dat zijn zonen in de zaal waren, en hij deed zijn baronnen zich wapenen. Reinout lag ter aarde, dronken van den wijn, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert stelden zich te weer, twee dagen lang. En Reinout lag ter aarde; toen de derde dag kwam, ontwaakte hij, en hij zag zijn broeders strijden.

Hij verhief zich en sprak:

“Broeders staat achter mij, gij zijt moede geworden, uw slagen zijn te zwak.”

Reinout sloeg met zijn zwaard om zich heen, en men vreesde hem als den dood zelve. Reinout doorbrak de schare, tot hij bij zijn vader was, en hij wilde hem met het zwaard verslaan. Adelaert volgde hem, en hield hem tegen.

“Broeder—” zeide hij verstandig, “wat wilt gij? Nimmer zouden wij de schande ontwijken, noch voor God verzoenen, noch ooit kunnen komen bij een edelman; en Karel zoude ons nimmer vergiffenis schenken!”

Reinout echter zeide:

“Voorzeker, ik zal hem leeren zijn kinderen te belagen.”

Hij bond zijn vader handen en voeten en legde hem op een paard ter neder. Een jongeling kwam voorbij, en Reinout beval hem Aymijn naar keizer Karel te brengen. De jongeling weigerde, en de edele ridder sloeg hem een hand en een oor af, en stak hem een oog uit. De jongeling had slechts één hand, één oor en één oog over, en angstig werd hij voor verder verlies. Dus bracht hij Aymijn naar Karel, en dikwijls vervloekte hij Reinout onderweg.

Bladzijde 271Ze kwamen te Parijs, aan Karel's hof; de knaap klopte aan de poort, en de portier opende, en hij vroeg:

“Vanwaar komt ge? Wien hebt ge daar gevangen?”

“Het is de graaf Aymijn van Nerboen.”

De portier liet het paard doorrijden, tot in de zaal. En Aymijn was aan handen en voeten gebonden. Hij klaagde den keizer zijn nood, en op maakte zich Karel met een geweldig leger, om de Heemskinderen te belagen. Reinout ontvluchtte, en Ritsaert en Writsaert en Adelaert werden gevangen. Niet met geld, dat Reinout beloofde, niet met geweld, waarmede Reinout dreigde, werden ze bevrijd; neen, door de toovenarij van hun oom Malagijs. Met list trachtte nu de keizer Beyaert en Reinout te vangen, en 't lukte niet. Hij beloofde koning Iewijn veel goud, en de koning minde het goud zeer. Om het goud zeide hij, dat hij Reinout en zijn broeders zou uitleveren, en hij wilde hen verkoopen voor twintigduizend kronen. Daarom ging koning Iewijn haastelijk naar Montalbaen, en hij zeide:

“Ik heb vrede gemaakt tusschen Karel en u.”

“Heer koning! blijde ben ik hierom, doch zeg mij, wat moet ik den keizer geven? Zal ik hem te voet vallen?”

“Gaat henen te Vaucoloen, om u met den keizer te verzoenen. Gaat henen barrevoets.”

Reinout wilde hem kussen, want dankbaar en gelukkig was hij. Maar al verkocht de koning hem voor twintigduizend kronen, den kus wilde hij niet ontvangen.

“Reinout, kus mij niet, want mijn hoofd smart mij.”

De vier ridderen reden op muilezelen naar Vaucoloen, en koning Iewijn meende, dat ze ongewapend waren.

Wat had Reinout's vrouw, Iewijn's dochter, gedaan? De schoone Clarisse …. Ze had Ritsaert vier zwaarden gegeven, die hij heimelijk onder zijn mantel borg.

Ze kwamen te Vaucoloen en ze zagen veel krijgsvolk.

Toen waren de broeders zeer bedroefd, en ze zeiden:

“Reinout, laten wij vluchten, want koning Iewijn heeft ons verraden.”

Bladzijde 272Ritsaert gaf Reinout het goede zwaard, dat Florenberg heette, en ze streden met veel moed. Doch een dienaar van Reinout zag in de sterren, welk gevaar de broederen leden, en hij zeide het Malagijs: deze reed op het ros Beyaert tot redding. En het trouwe paard hielp mede hen te bevrijden, gelijk een krijgsman.

Veel strijds was er nog tusschen den keizer en de broeders, tot vrouwe Aye in de legerplaats trad, en ze viel voor haar broeder op de knieën, smeekende om verzoening. En Karel zeide:

“Wil mij Reinout Beyaert leveren, dat ik daarmede handel naar mijn wil, Beyaert, die hen uit zoo groote gevaren heeft gered, zoo geef ik hem vergiffenis en anders niet.”

Toen ging de vrouw tot aan het slot Montelbaen, en ze klopte aan de poort, en men deed haar binnengaan. Zij kwam met een tijding van vreugde, en onder deze vreugde klonk doffe smart; zij kwam met een tijding van smart, en daaronder tinkte een belletje van vreugde. Ze zeide tot Reinout, wat keizer Karel had bevolen, en Adelaert riep toornig tot Reinout, die het weder vertelde aan zijn broederen:

“Hoe durft gij met zulk een ding voor ons te verschijnen? Zijt gij buiten uw zinnen? Liever duld ik onvrede met den keizer, mijn leven lang, voor ik dat deed.”

De broederen Ritsaert en Writsaert spraken in denzelfden klank.

Reinout zag hen aan en hij sprak:

“Ten goeden tijd, ter zaliger uur is het geweest, dat ik won het Beyaert ros; door Beyaert zal ik lossen onze schuld en ontgaan het groot gevaar. Ik zal Beyaert geven.” Hij ging naar zijn moeder, en niemand zag zijn leed. Hij zeide haar, dat hij volgaarne het paard den keizer gaf. Zij was blijde, en ze toog uit, om haar bodedienst voor den keizer te verrichten.

Karel beidde het ros Beyaert, en beidende sprak hij:

“Zij doen het tegen hun wil, want zij wachten zeer lang.”

Bladzijde 273Eindelijk kwamen Reinout en zijn broeders, hand in hand, en met hen voerden ze het paard.

Reinout zeide:

“Doet er mede naar uwen wil.”

De keizer leidde het ros naar de brug van de Oise en hij deed het twee molensteenen om zijn nek. Hij liet het in de rivier werpen. Hoog spatte het schuim, en Beyaert zonk; hij kwam dadelijk weder boven en ging zwemmen. Toen zag Beyaert zijn meester, en hij verbrak de steenen. Hij zwom naar het land, alwaar Reinout stond.

De keizer beval:

“Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen.”

Reinout gaf Beyaert, en de keizer deed aan iederen hoef van Beyaert een molensteen binden, en met twee bezwaarde hij diens nek. Hij deed het werpen in de rivier. Hoog spatte het schuim en Beyaert zonk; hij kwam weder boven en ging zwemmen. Adelaert sloeg zijn armen om Beyaert en kuste hem.

De keizer beval:

“Reinout, geef mij Beyaert weer, of ik zal u doen vangen en hangen.”

Adelaert zeide:

“Vloek u Reinout, zoo gij Beyaert weg-schenkt.”

Doch Reinout:

“Niet wil ik hebben den toorn des keizers om een paard.”

En Adelaert weder:

“Beyaert! Beyaert! een valschen heer hebt gij gediend en met slecht loon wordt gij betaald.”

Reinout gaf den keizer Beyaert.

“Dit is de derde maal, dat ik u Beyaert geef, het is de laatste maal, want mijn hart kan het niet lijden.”

De keizer zeide:

“Reinout, wend u niet om, opdat het ros u niet zien kan, want zoolang het u ziet, zal het niet sterven.”

Reinout zwoer een eed, dat hij zich niet zou omwenden.

Toen deed de keizer Beyaert aan elken hoef bindenBladzijde 274twee groote molensteenen, en aan den nek twee, en aldus deed hij hem werpen in de rivier.

Nog eenmaal kwam Beyaert boven, en den kop hief hij hoog, en boog tot zijn heer, als ware hij een mensch, die had geschreid om zijn lieven vriend.

Ten laatste zonk hij, en hij verdronk. En Reinout weende, en hij trok naar het woeste woud, en hij werd een pelgrim.Bladzijde 275

Personen voorkomende in de Ferguut.

Ferguut's paard, dat hij Lokefeer ontnam, heet Pennevare.

Het was in den Pinkstertijd, en het blijde zonlicht was overal. Dit was geen dag voor koning Arthur en zijne ridders, om stil te zitten in de burcht Caradigaan, het was een dag, om te jagen. Koning Arthur kwam tot zijn heeren, tot Gawein en IJwein, tot Perchevael en Lanceloot, tot Keye en Sagremort.

“Niet wil ik zitten,” sprak hij, “want het weder is schoon en klaar. Jagen wil ik in 't woud van Goriënde het witte hert, dat zal hooren het geblaf mijner honden. Mijn wil is, dat gij mijn wil doet.”

“Wij zijn wel bereid,” zeide Gawein.

De edelknapen sprongen op, en ieder zadelde het paard van zijn heer. Koning Arthur nam zijnen horen, en hij reed voor zijn baronnen, het woud tegemoet. Dit was een dag voor koene ridderen, die niet kunnen blijven in eenBladzijde 276donkere steê, als 't zonlicht schijnt. Ja, het bosch lokte den koning snel reed hij vóór de anderen, en hij speurde overal naar 't hert. Hij riep IJwein, en men ontkoppelde de honden, alle ridderen bliezen den horen. Toen sprong 't hert op, en vlood langs de rivier, de honden basten, de jagers schoten met hun pijlen, maar 't hert ontvluchtte door het diepe water, en verborg zich in het hooge gras. Ze volgden het weder, blaffende brakken, rijdende ridders, doch 't dier, dat zij joegen, ontvlood. Toen zwoer de koning, dat hij door bosch en haag, dag en nacht, wilde rijden, om het hert te dooden, en hij beloofde een gouden beker aan hem, die het vangen zou.

Hoog zat Perchevael te paard, en volgde 't hert met zijn hond, langs berg en dal, maar 't wist hem te ontwijken. Moede werd Perchevael's brak, en de ridder sprak hem met troostende woorden toe. De hond werd krachtig door zijn stem, sprong op, en sloeg 't hert de tanden in 't vleesch. Hert en hond vlogen tezamen voort, als één dier. De ridder volgde onvermoeid.

Niet af te schudden was de brak, als de Dood zelve was hij voor 't hert, dat trotsch dook in de diepe rivier, zijn noodlot tegemoet. 't Water sloeg het met felle golven in de keel, en het dier verdronk. De hond trok hem, toen het bovendreef, aan land.

De koning kende Perchevael's horen, die luid over 't land klonk. Hij zette zijn paard aan, roepende:

“'t Hert is gevangen, ik hoor 't wel, wij willen Perchevael helpen, die het witte hert gedood heeft, de moedige held.”

Zij reden tot waar de ridder stond, en Arthur groette hem als een vriend, terwijl hij hem den beker deed reiken. De ridderen aten en dronken, het was nacht, doch de maan scheen klaar en schoon. Zij rustten dezen nacht op die plaats, en vroeg maakte men zich den volgenden dag weder op. Een edelknaap legde het witte, doode hert over een paard. Men wachtte niet lang, om naar Cardoel, 's konings stad, terug te rijden. Al rijdende kwamen zeBladzijde 277een versterkte plaats voorbij, waar een boer woonde, die Somilet heette. Drie zonen had hij, die hij liet werken en zwoegen op het veld: twee dreven het vee, de derde ging achter den ploeg en was schamel gekleed. Toch was de boer rijk, en zijn vrouw van edelen bloede. Ferguut heette de jongen, die den ploeg dreef, en hij zag den koning met zijn ridderen rijden. O! de arme Ferguut. Hij was gewoon aan het moeilijke werk, en niet geleek hij de zoon van een rijk man. Toen de ridderen langs den akker kwamen, kwam al het leed en heimwee, dat hij zijn leven lang had gekend, in zijn hart, en angstig zag hij naar den edelen vorst, die hem voorbijreed, met alle zijn heeren. Toch wist hij niet, wie het waren, en hij vroeg het daarom een edelknaap, den laatsten van den stoet.

“Zeg me—wie de heeren zijn—die ik daar zie.”

“Het zijn de koning en de ridderen van de tafelronde,” antwoordde de knaap, “het zijn de heeren van 's konings raad.”

Droomerig zeide Ferguut, de arme jongen achter den ploeg:

“Ik zal gaan naar 's konings hof, om te wezen van zijn gevolg, en van zijn raad. De boozen zal ik van hem verjagen.”

Weg reed de dienaar. Ferguut echter spande de paarden van den ploeg, en liep snel naar zijn's vader's huis. Zonder te groeten wierp hij Somilet, den boer, het ploegijzer voor de voeten.

Zijn vader zag hem aan, en vroeg verwonderd:

“Waarom hebt gij uw werk verlaten?”

“Heer”—zoo zeide Ferguut, “ge spot met mij. Geeft mij wapens, laat mij ten hove gaan.”

De boer greep een stok, en wilde hem slaan, maar de moeder hield zijn arm tegen, hem smeekende:

“Lieve heer—och! och! gij doet kwaad, dat gij uw zoon wilt slaan.”

Toornig schreeuwde Somilet zijn zoon toe:

“Jij wilt zijn een vriend van ridderen? Ga heen en pasBladzijde 278op het vee, dat uw zorg behoeft. Wilt ge niet achter den ploeg? Ik weet wel werk voor u. Strooi mest op het land.”

“Heer—” zoo hernam de vrouw, “verwonder u niet, dat uw zoon begeerte heeft naar wapenen; in mijn geslacht zijn vele ridderen, en mij dunkt, dat gij goed doet, om hem ten hove te laten rijden. Zijn twee broeders blijven hier, hij is de oudste, geef hem wapenen ….”

Zacht zeide ze, doch de boer verstond het wel:

“Hij kon wel eens komen tot roem en macht, want hij is een schoon en sterk man.”

Nog even praatten ze zoo tezamen, in eensgezindheid; daarna riep Somilet een jongen, opdat hij hem het harnas zou brengen, dat vele jaren ongebruikt was en bloedrood van roest, doch sterker en beter dan menige smid kon smeden; de helm was van fijn staal. Daarbij wierp Somilet een witte broek, die de knaap aandeed. Was het Ferguut, de arme boerenjongen, dapper en koen te paard gezeten, gewapend met schild en speer, met spiets en bijl? De arme Ferguut! Hij kende de wereld nog niet, met allen strijd, want achter den ploeg was hij gegaan, zijn leven lang.

Zijn moeder schreide. Hij echter trok vroolijk van zijn huis, het duistere leven tegemoet; op den eersten weg, dien hij ging, verdwaalde hij. Hij kwam in een donker bosch, en het waren roovers, die hij 't eerst zag. Ze wilden hebben zijn paard, zijn wapenen, en dan nog zijn leven. Onbeschroomd trad hij ze tegen, en hij vroeg hen, met zijn jonge stem, vol vertrouwen:


Back to IndexNext