Figuur 27.

Figuur 27.Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoetHij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet

Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet

Hij echter trok vroolijk van zijn huis het duistere leven tegemoet

“Lieve heeren—zeg mij—hoe kom ik het beste naar Cardoel, wijs mij den weg. Ik wil den koning dienen, en hem raden, wat hij doen moet.”

Één der roovers lachte en zeide ten antwoord:

“In duivels naam moet dat zijn! Uw vader en grootvader waren 't niet gewoon, Ferguut, om den koning te dienen. Zij kloofden hout, zij voerden den ploeg, ze laadden mest. 't Ware beter geweest, dat ge bij uw ploeg waart gebleven. Nu zal ik u doodslaan.”

Bladzijde 279Het was de eerste strijd van Ferguut, en hij streed dezen zeer dapperlijk, zoodat twee der roovers sneuvelden. De koppen sloeg hij af en hing ze aan zijn zadel. Zoo reed hij naar Cardoel, 's konings hof.

Ach, Ferguut! Daar waren vele spotters in Cardoel. Ze lachten, toen de knaap binnenreed, maar de koning was vriendelijk voor hem, en zeide hoofsch en ernstig:

“Vriend, welkom zijt gij hier. In welk land zijt gij geboren, waar wilt gij heen? Zeg mij, wat er met u is geschied en noem mij uwen naam.

“Heer—” sprak vroom de knaap—hij had niet op het gelach der spotters gelet—“ik heet Ferguut, en om uwentwil aanvaardde ik den tocht, al waren mijn vader en moeder boos, dat ik u zoo verre volgde. Ik wil u met mijn raad bijstaan.”

Toen stond mijnheer Keye op, en zijn hoon was scherper dan een snijdend zwaard. Hij bezag den armen jongen, schudde 't hoofd en smaalde:

“Ge ziet er wel naar uit, of ge den koning met uwen raad kunt dienen. Niemand wilde ons tot dusver immers raden? 't Is goed, datgijgekomen zijt—Er staat geschreven: ‘dien God wil helpen, heeft geen gebrek.’ Wanneer God u 't leven laat, zultgijons goeden raad geven.”

Even zweeg mijnheer Keye. Daarna stelde hij zich dicht bij den knaap.

“Vroed en goed van wapenen zijt gij, Ferguut. Hoe schoon staat u de helm, ik denk, dat gij een koningszoon zijt. Nooit zag ik een vorst, die beter de spiets hield, het schild droeg. Gij zult zeker wel willen rijden naar de zwarte rots, in het woud? Luister—Om den hals eener leeuwin hangt daar een sluier en een horen, die door een zwarten ridder worden bewaakt. Begeef u morgenvroeg op weg, om met den zwarten ridder te strijden, en om den sluier en den horen te halen. Breng ons den ridder, die zoo menigeen kwaad heeft gedaan, dan zult gij tot grooten roem komen, en in ieder hof zult ge worden ontvangen.”

Bladzijde 280Rustig stond Ferguut, en hij had zijn woorden klaar, waarmede hij zich tegen Keye verdedigde.

“Het is waar—” zoo antwoordde hij, “de mond spreekt, wat in 't hart is. Gij hebt nijd in uw hart.”

Toen durfde Keye niet veel meer te zeggen, want hij vreesde Gawein, die den moedigen jongeling wilde beschermen. Deze echter ging toornig voort:

“Ware de koning niet hier, uw leven ware ermede gemoeid. Ik zou de scherts wel hebben gewroken.”

De koning wendde zich tot hem, en zeide ernstig:

“Vriend, dat zou niet goed van u wezen. Sluit vrede met heer Keye.”

Nog ontsloot Ferguut zijne vuisten niet. Daarom wilde Arthur zijn gedachten wenden van den smaad, die hem was aangedaan.

“Waar naamt gij de hoofden, die aan uw zadel zijn?”

Forsch antwoordde de jongeling:

“Heer! van roovers, die mijn paard wilden stelen. Ik streed met vier hunner, en zij waren onmachtig tegen mij. Wilt gij mij nu behouden als uw raadsman?” Hij zag Keye aan. “Morgenwil ik rij den, en den sluier enden horen halen.”

“Vriend,” zeide de koning met milde stem, “ge waart verloren, zoo gij dit deed, en de eerste waart ge niet. Geen man kon tegen den zwarten ridder strijden. Niet wil ik u aannemen, knaap, op zulk een daad.”

Weder zag Ferguut den heer Keye aan, maar hij sprak tot den koning.

“Heer—,” zeide hij met vaste stem, “uw ridder spot met mij. Daarom wil ik strijden, al zal het mij den dood kosten.” Hij boog het jonge hoofd.

Ferguut wilde nachtverblijf zoeken in de stad, o de arme jongen! Wreed was de wereld, niemand sprak er tegen hem, niemand zeide:

“Kom bij mij. Bij mij vindt gij hedennacht rust.”

Stil reed hij, hoog-geheven de speer. Het begon te regenen, het water stroomde uit de donkere lucht, en natBladzijde 281werd Ferguut tot aan zijn huid. Loom zat hij te paard, het hoofd gebogen van zwaren slaap. Hij zocht onder een ouden boom een schuilplaats. Een jonkvrouw zag hem zoo, en vol medelijden trad ze hem tegemoet. Ze groette hem en vroeg:

“Wat zoekt gij—waarom staat ge daar?”

“Jonkvrouw—” zeide Ferguut bitter, “als iemand mij huisvesting had gegeven, zou ik niet nat geworden zijn. Geen mensch heeft mij genood, maar u vraag ik, schoone jonkvrouw, om een dak, het loon u God.”

De jonkvrouw lachte, want hoe kon zij den knaap dezen dienst bewijzen? Het stond niet aan haar, doch aan haar vader, 's konings kamerheer. De arme Ferguut wist nog niets van hoofsche manieren, en ze kreeg medelijden te meer, nu ze hem daar zoo zag staan, zonder vrienden, zonder hulpe.

“Dit huis is van mijn vader—” sprak ze zacht, “'s konings kamerheer. Ik ben maar zijn kind en ik mag u niet herbergen. Toch moogt gij blijven, tot mijn vader tehuis komt. Zegt hij dan, dat gij heen moet gaan, ga dan.”

Dit beloofde Ferguut gaarne, en ze gaf hem een mantel. Ze zetten zich bij het vuur, de jonkvrouw dacht bij zichzelf:

“Schooneren jongeren man dan dezen heb ik nog in geen land gezien. Had hij slechts 's ridders manieren.”

Zij bleven zitten bij het warme vuur tot het eten bereid was; toen tafelden ze tezamen, vele smakelijke gerechten bracht men hun, en men schonk hem wijn en claret, om zijn dorst te lesschen. Vroolijk waren zij beiden, etende en drinkende.

Zoo vond hen de kamerheer des konings: 't eerst zag hem zijn dochter, en ze stond op, het bloed steeg naar haar gelaat. Ook Ferguut rees van zijn zetel: zij beiden wachtten, wat de edele ridder zou bevelen. Met vriendelijke stem zeide deze:

“Ga weder zitten, gij mijn dochter en gij vreemde man.”

Hij zette zich nevens hen, en hij wendde zich tot Ferguut:

“Zijt gij met geweld hier binnengedrongen?”

Bladzijde 282Ferguut behoefde niet angstig te zijn, om te antwoorden. Nooit in zijn leven had hij eenig mensch kwaad gedaan, hij had den ploeg gevoerd in dienst van zijn vader. Rustig sprak hij dus, terwijl hij den kamerheer eerlijk aanzag:

“Ik bedreef nooit boosheid, ook thans niet. Ik heb 't beloofd, zoo gij mij niet wilt ontvangen, dat ik heen zal gaan.”

“Neen, vriend,” glimlachte de ridder, “ik ontzeg u mijn huis niet. Gij zijt mijn gast.”

Welgemoed bespraken zij vele dingen, zij dronken wijn en aten gekruide spijzen, al pratende. Eindelijk vroeg de kamerheer den knaap:

“Hoe zijt gij ten hove gekomen? Sloeg men u alreeds tot ridder?”

O! de arme, domme Ferguut! Wat wist hij van ridders en ridders' manieren? Eerlijk zag hij zijn gastheer aan, en zijn jonge stem droomde:

“Heer! ik meen wel, dat ik ridder ben, want de boer Somilet gaf mij wapenen en een paard, zooals er geen beter ter markt komt. Hij wapende mij met helm, met zwaard, met schild, en ik geloof, dat geen koning ooit zoo edel staal droeg. Ja, ja, ik meen, dat ik een ridder ben.”

Hieruit hoorde de kamerheer, hoe onnoozel Ferguut was. Hij vond behagen in den knaap, die nog zoo weinig van het leven af wist en wien daarom nog zoovele gevaren wachtten. Zou hij niet alleen om enkele uitdagende woorden van Keye, den zwarten ridder gaan bevechten, van wien nog nooit iemand levend was wedergekeerd? Arme Ferguut!

“Morgen zult gij ridder zijn—” sprak de kamerheer vriendelijk, “men zal u uw kleeren afnemen, en u betere geven; dan zullen wij voor den koning gaan, en hij zal u tot ridder slaan, u uw zwaard aangordende. Zoo is het hier de zede. Ik-zelve zal u de sporen aan uw voet spannen, ten aanschouwe van alle ridderen.”

Bedroefd was Ferguut, dat men hem de kleederen, dieBladzijde 283zijn vader hem gegeven had, ontnemen wilde. Hoe gaarne wilde hij ze behouden.

“Somilet, de boer—riep hij geërgerd uit, “heeft mij al ridder gemaakt—heer! als ik doe, zooals gij me raadt, zal ik tweemaal ridder zijn.”

Met rustige woorden en rustig gebaar wist de kamerheer troost te vinden. Ferguut leerde dien avond al veel, dat tot het leven behoort, doch nadat twee knapen hem naar zijn vertrek hadden gevoerd, om te rusten, sliep hij spoedig in, zonder dat droomen hem kwelden. In den vroegen morgen werden hem de kleederen gebracht, en vol blijdschap stond hij op, want dezen zonlichten dag zou hij door den koning tot ridder worden geslagen.

Koning Arthur kwam van de mis en hij beval, om het schaakbord te brengen, daar hij wilde gaan spelen. Maar de kamerheer en Ferguut wachtten al op hem, en ze gingen voor den koning staan. Ferguut groette, en deed zijn mantel uit. Hij knielde neder, en smeekte, om tot ridder geslagen te worden.

Gawein naderde.

“Het is niet goed—” zeide hij ernstig, “dat Keye de vreemde ridders bespot. Dezen hier koos ik gaarne tot mijn vriend.”

“Uw naam,” riep Ferguut uit, en hij voelde zich vol stille blijdschap, dat hij een vriend had gevonden, “weet ik niet, maar goedertieren zijt gij. Ik wil voor u zijn, wat ge van mij verlangt, doch eerst moet ik den horen hebben en den sluier. Ik moet vechten met den zwarten ridder, of hij zal mij overwinnen! Mocht ik echter ongedeerd terugkeeren, dan kom ik tot u als een vriend.”

Met smarte vernamen het nu Gawein en de andere ridders, dat Ferguut den zwarten ridder wilde bestrijden. Zij allen vervloekten Keye, die door zijn spot den edelen jongeling naar het avontuur had gedreven. Ferguut kon echter niet langer wachten, en hij smeekte den koning, om hem 's ridders wapenen te geven. Noch door goed, nochBladzijde 284door smeeken was hij terug te houden. Men bracht hem harnas, lederen broek, en een helm van staal, hoe fraai kleedden ze hem. Gawein voerde tot hem zijn ros, Perchevael reikte den koning een zwaard, opdat hij het den knaap zou aangorden. De kamerheer spande hem een spoor aan den rechter- en Lanceloot aan den linkervoet. IJwein hield den stijgbeugel, toen hij zich op het paard wierp, en nog gaf men hem een schild en een sterke speer. Was er ooit eenig ridder, wien men meer eer bewees, dan den armen Ferguut?

De nar zat bij het vuur, en warmde zich de handen. Even wendde hij zich om, zag Keye aan met honenden blik, en riep toen met luide stem tot den koning:

“Binnen korten tijd zult gij den ridder zien van de zwarte rots, aan den hals het gebroken schild, om u den sluier en den horen te brengen, en voor u neer te, knielen.”

Keye begreep het wel, dat de nar dit zeide, om hem te ergeren, en hij barstte bijkans van toorn. Zoo men het hem niet euvel had geduid, had hij den nar gaarne gegrepen en levend verbrand. Nu deed hij, of hij niets kon verstaan, en hij lachte, terwijl hij voor den koning stond.

Ferguut nam afscheid, van Arthur en zijn ridderen. Tot Gawein ging hij en met hem sprak hij nog, voor hij vertrok. Gawein beval hem aan in de hoede der Moeder Gods, en Ferguut reed heen, terwijl allen, behalve Keye, in rouwe achterbleven, maar krachtig en vroolijk was Ferguut, want op alle wegen was zonnelicht.

Den ganschen dag had Ferguut gereden, toen hij eindelijk kwam aan een groot kasteel; op de brug zag hij een ridder, die een valk in de hand hield, en naast hem stond diens nicht, de schoone Galiëne, schoonere jonkvrouw kende men niet in het land van Alney.1Ze had grijze, klare oogen, een glad en hoog voorhoofd; haar gelaat was lang, recht en blank; rood waren de lippen, en ze hadBladzijde 285een kleinen mond. Smal was ze van schouder, de armen waren lang, en de handen klein en wit. Toen zij geboren werd, bedacht de natuur, om haar alle schoonheid te geven, en volmaakt werd zij. Ferguut nam haar, toen hij van zijn paard sprong, bij de hand. Een dienaar ontdeed hem van zijn wapenen, en de jonkvrouw zag den ridder in liefde aan, want ze vond hem schoon en wel van wezen. Ze dacht stil in zichzelf:

“Moge mijn oom het niet bemerken, dat ik den vreemden ridder min.”

Men bracht het paard naar de kribbe vol haver, en toen togen zij tezamen, de oude ridder, Ferguut en Galiëne, naar de zaal, waar zij zich nederzetten. Doch Galiëne sprak niet tot Ferguut, den ganschen avond niet, zoolang haar oom bij hen zat. Ze had te wachten, tot haar oom sliep, en alles stil was. Toch, voor zij Ferguut haar smart beleed, spraken veel stemmen in haar, met driftig-verwijtenden, met loktienden, met spottenden, met twijfelenden klank.

“Lieve vriend Ferguut,” zeide een stem, “dat ik lijd, hoe luttel weet ge 't—”

Een andere stem, binnen-in haar hart, hoonde:

“Wat spreekt gij van vriend, zottin, nooit hebt ge hem vroeger gezien! Erger ben ik dan een dief, omdat ik van hèm houd, dien ik niet ken.”

“Morgen zal hij heengaan,” fluisterde een andere, vleiende stem, “en spoedig zal hij mij vergeten zijn. Hoe zal hij weten, dat ik om hem lijd?”

“Wist hij—wist hij—hij zou mij zijn liefde niet ontzeggen—”

“Zeg ik 't hem niet, nooit zal hij 't weten. Zeg ik 't hem ik zou mijn geslacht in oneer brengen. Liever legde ik mijzelf in de doodkist, dan dat mijn mond 't hem zou vertellen.”

“Wat zal ik doen? Ja, ik zal heengaan—en zien, of er iemand anders—Mijn vader wil mij altijd een rijk vorst geven, schooner dan dezen jongeling.”

Bladzijde 286“Schooner? Wat heb ik gezegd—Geen schooner jongeling vind ik—”

“Wist hij—wist hij—Hij zat bij mij—en zeide geen woord tot mij—Had hij niet met mij gesproken, als hij me minde?”

Zachtkens fluisterde de liefde haar in de ooren, dat ze hem alles zou zeggen. Toen kon ze geen weerstand meer bieden aan de lokkende stemmen in haar hart, en in den duisteren nacht beleed ze hem luide, wat zij leed.

“Niemand troost mij,” zeide zij tot hem, “en ik gevoel pijn om uwentwil. Mijn hart heb ik verloren—geef mij mijn hart, Ferguut.”

“Jonkvrouw—antwoordde de domme ridder—wat wist hij nog van leed?—“ik zag uw hart niet. Had ik uw hart, ik gaf 't niet. Ik zag 't niet …. Ga van mij heen.”

“Ach, heer ridder, wel hebt gij mijn hart, gij doet mij pijn. Mijn hart is ten uwen dienst, luid en stil, ik behoor u toe. Geen geluk is er voor mij zonder u. Gij hebt mijn leven en mijn dood.”

Toen begon Ferguut te lachen. Meende de jonkvrouw, dat hij zich door haar zou laten tegenhouden?

“Niet om deze dingen ben ik uitgegaan,” sprak hij, “maar om te strijden. Daarna zal ik tot u wederkeeren, jonkvrouw, maar gij moet mij uitstel geven. Voorwaar! er is zelfs geen keizerin, die ik zou vergunnen, om mij te minnen, voor ik den ridder bij de zwarte rots heb overwonnen.”

Nadat de jonkvrouw dit had gehoord, ging ze naar haar kamer, zich schamende, dat zij den jongeling haar liefde had beleden. Zij bleef wakker, en weder vingen alle stemmen in haar te spreken aan. Toen besloot ze, om in den morgen, aleer iemand was ontwaakt, het kasteel te verlaten. Zóó ging zij heen, voor Ferguut te paard was gestegen. Hij vroeg niet, waar zij was. Hij liet zich den weg wijzen naar de zwarte rots.

“Komt gij na uw strijd tot ons terug?” zoo vroeg hem zijn gastheer.

Bladzijde 287“Ik kom terug,” antwoordde Ferguut, “zoo ik den horen en sluier heb.”

Een wolk van stof was er aan het eind van den weg. De oude ridder tuurde er nog lang naar, angstig om der wille van Ferguut. Doch hij wist nog niet, dat Galiëne het kasteel had verlaten en door een paar spottende woorden van Keye, zocht Ferguut het avontuur, terwijl hij de liefde had kunnen vinden.

O! een avontuur, dat hem langen tijd zou heugen.

Want naar den top der rots ging maar een kleine weg, die niet breed genoeg was voor man en paard. Hij bond het dier aan een olijfboom en met veel moeite klom hij naar boven. Dikwijls bij het opwaarts-gaan gleed hij naar beneden, en zijn hand werd wreed aan de doornen gewond. Hij scheen niet verder te komen, en waar was de leeuw met horen en sluier? Waar de ridder, die met hem zou strijden? Had men hem dan ten hove niet de waarheid gezegd?

Toen vond hij eindelijk een kapel, waar hij binnen wilde treden. Daarvoor stond een metalen beeld, een hamer in zijn hand, dreigend van houding, maar Ferguut was niet angstig, en wierp hem den hamer uit de vingeren. Nu bemerkte hij, dat er geen leven in het beeld was, en hij schaamde zich, dat hij gestreden had met een man, die zich niet kon verweren. In de kapel zag hij den leeuw, die van ivoor was gemaakt. Hij rende erheen, hij ontnam hem horen en sluier. Hoog richtte hij zich op. Driemaal stiet hij den horen, dat het geluid verre in de ronde klonk. Trotsch daalde hij van de rots—zou hij zonder gevecht bij koning Arthur komen? Hij ging naar den olijfboom, hij sprong op zijn paard, hij nam schild en speer en riep:

“Waar is de ridder, die mij dooden zou. Hij kome hier! Al waren het vijf ridderen, ik zou hen niet ontvluchten!”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of er was een donderend geluid in het woud. Een zwarte ridder naderde Ferguut, zwart was hij van hoofd tot voet, alleen zijn tanden waren wit. Zwart als de nacht was zijn paard. Hij riep uit:

Bladzijde 288“Dief—wie ben je—jij, die mijn horen hebt—je bent verloren. Ben je uit Allemanje, of uit Engeland? Heeft de koning je gestuurd? De zwakken zendt hij mij toe, maar niet mannen als Gawein, als Lanceloot, als IJwein, als Sagremort, als Perchevael. Waarom kwam Arthur zelf niet, dat galgenaas, met twintig ridderen of geheel zijn leger? Morgen zal ik hem jouw hoofd sturen, boven op een stok—te zijner schande zal ik dit doen.”

Zeker waren er nimmer twee ridders strijdende, zoo na elkander in moed, kracht en lenigheid. Ferguut was zeer vertoornd, dat de zwarte ridder met den koning had gespot, en in de eerste drift stak hij hem met zijn lans door schild en harnas, en nauw gleed het scherpe ijzer het vleesch voorbij, maar zijn vijand hieuw hem het schild aan tweeën, en ook door Ferguut's harnas stak hij. Ten tweeden male aanvallend drong de speer van den jongen knaap in het lichaam van den zwarten ridder, wel een el diep, doch met een geweldigen slag stootte de zwarte ridder Ferguut met de groote lans in de hand, zóó forsch, dat het ijzer in tweeën spleet.

Met zwaarden vochten zij beiden, en van elkander's helm sloegen zij groote stukken. Zwaard raakte zwaard en schild, de strijd duurde voort. Toen brak het zwaard van den zwarten ridder, en hij moest nederknielen, teneinde Ferguut om genade te smeeken.

“Geef u gevangen den koning Arthur,” beval hem Ferguut, “en breng hem den sluier en den horen. Dan wordt uw leven gespaard.”

“Dood mij liever dan mij tot den koning te doen gaan, want vele zijner mannen heb ik hem met dit zwaard, dat hier gebroken ligt, ontroofd.”

“Zeg, dat ik u gezonden heb. Ik ken den koning, die u zijn genade zal betoonen. Ga tot hem in de zaal, en breng al zijn heeren mijn groet, behalve Keye, die met mij heeft gespot.”

“Ik zal gaan—” antwoordde de zwarte ridder, “danBladzijde 289zal ik mij aan hem gevangen geven. God verleene mij hulpe.” Hij zwoer, dat hij tot den koning zou gaan. Ferguut vroeg den ridder, dat hij eerst zich van zijn wonden zou doen genezen, vóór hij vertrok, en hij besteeg zijn paard. Hij reed dien dag door een woest land, zonder avonturen te vinden. Daarna wendde hij zich terug naar zijn vroegeren gastheer, den oom van Galiëne, en in schemerenden avond naderde hij het kasteel. Onder de poort stond de oude ridder, een valk in zijn hand. In de zaal waren vele ridders en vrouwen verzameld, die weenden om Galiëne. Ferguut zag den goeden, grijzen man aan, die daar stond met zooveel angst en smart op zijn gelaat, en hij riep uit:

“Zeg mij, waarom gij zoozeer lijdt—”

“Al mijn vreugde—,” zeide de oude ridder met doffe, uitgeleefde stem, “die ik vroeger had, is heen, want Galiëne is gevlucht. Nooit kwam het in mijn gedachte, dat zij vlieden zoude. Heb ik haar iets misdaan?—”

Zij zwegen, en met moeite bedwong zich de edelman. Hij wees met hoofsch gebaar naar zijn slot.

“Blijf heden bij mij, heer ridder, de nacht komt al nader, spreken wij over andere dingen. Uw wapenen wegen zwaar, gij hebt met den zwarten ridder gestreden. Uw harnas is vol deuken, uw schild is gebroken. Vertel mij, hoe de wedkamp was.”

Thans ook leed Ferguut, hij wist niet waarom. Een nevel was er voor zijn oogen, en hij had het gevoel, dat zijn strijd vergeefsch was geweest. Zijn strijd? Zijn strijd was achter hem, en wat vóór hem lag, was zijn liefde. Hij wilde niet meer hooren van zijn strijd en vol angst vroeg hij:

“Heer—zeg mij—waar is Galiëne?”

“Ik weet het niet—waar zij is heengegaan, doch deel mij mede, wat er met u is geschied.”

“Ach—waarom is ze heengegaan? Dat zij weg is … verstaat gij mij—? doet me pijn—”

Ze stonden tegenover elkander, twee mijlen had men kunnen gaan, zóó langen tijd, elkaar vragend, zonderBladzijde 290elkaar te beantwoorden. Had Ferguut slechts geluisterd naar de schoone jonkvrouw Galiëne, die hem haar minne beleed, doch hij verkoos avontuur en strijd om Keye's hoon. Hij wist niet, waar Galiëne was, zoo hij 't geweten had, hij ware haar gevolgd.

Het duurde langen tijd, voor de oude ridder bemerkte, dat Ferguut droeve was. Hij schrok.

“Waarom lijdt gij, heer?”

“Ik heb verworpen, wat in mijn hand lag,” kreet Ferguut, “wee mij! dat ik gaan moest naast hen, die de liefde kennen, en dat ik daarom schreien moet. Heel mijn leven dien ik haar te zoeken—dag en nacht—tot ik haar vind. Kwam er een ridder, om mij 't harte uit te rijten—kwam er een ridder, die mij dooden zou, om mij van mijn smart te bevrijden.”

De goede man greep hem vast.

“Het dunkt mij, dat het oneer voor u is, om uw smart te toonen. Het is niet ridderlijk, om een vrouw te treuren. Ridder! ga met mij—ik zal u geven, wat gij behoeft—spijzen—en rust.”

“Nimmer meer wil ik wonen onder een dak, noch in dorpen, noch in steden, noch onder eenige poort, tot ik weet, waar uw nicht is. Houd mij niet tegen, zoo smeek ik u. Allen, die tot aan de Donau2wonen, kunnen mij niet beletten te gaan.”

De oude ridder deed geen moeite meer, om den jongen man tegen te houden. Milde berusting was er in zijn gebaar.

“Vriend—,” zeide hij, “God moge u beschermen. Het doet mij leed, dat gij niet wilt blijven.”

Ferguut antwoordde hem niet. Hij reed heen, het schild aan zijn hals, de speer in de hand. Alomme was het nacht, doch in het duister was een nevelende sluier van maanlicht.Bladzijde 291

Niet lang had hij gereden, of hij zag een tent, opgeslagen in een Bosch. Voor den ingang stond een dwerg, niet grooter dan vier voet, hij hield, er de wacht. Zijn neusgaten waren wijd en plat, de lippen zwart, de tanden wit, de mond was gespleten tot aan de ooren. Diepe rimpels lagen er om zijn pikzwart lijf, een bult had hij op rug en borst.

Toen de ridder naderbij kwam, hief hij den stok, en sloeg fel 't paard. Ferguut gaf het de sporen, dat het hoog-op steigerde en den dwerg omver reed. Luid kreet de dienaar en de ridder binnen in de tent ontwaakte. Hij schreeuwde:

“Wie is de man, die, terwijl ik sliep, mijn knecht sloeg?”

Hij was aldra ten bedde uit. Zonder wapenen trad hij naar buiten. Daar hij zag, dat zijn dienaar lang-uit op den grond gestrekt lag, werd hij toornig.

“Ware ik gewapend,” zoo riep hij, “ik zou den dwerg wel weten te wreken.”

“Hebt gij wapenen in uw tent,” zeide Ferguut rustig, “neem ze dan op, en strijd tegen mij.”

De ridder ging heen. Ferguut wachtte hem.

Bij de tent riep de ridder tot zijn geliefde:

“Haal mijn wapenen, ik moet strijden.”

De jonkvrouw wist, welke wapenen hij verkoos. Zij bracht hem zijn harnas, zijn stalen schild en zijn zwaard. Het ros voerde ze voor hem, zij hield den stijgbeugel. Snel reikte ze hem nog de scherpe lans, en hij reed woest Ferguut tegemoet.

“Wacht u, heer ridder! die mijn dwerg sloegt … wacht u voorwaar! het gaat om uw leven.”

Ferguut, die hem zag komen, glimlachte om deze woorden. Hij gaf zijn paard de sporen, en de ridders reden elkander tegemoet. De rossen bogen de knieën en met zulk een kracht stiet Ferguut zijn vijand tegen het schild, dat de vreemde ridder uit den zadel sloeg. De stijgbeugels bogen beide.

Bladzijde 292De ridder sprong op, en trok het zwaard uit de scheede. Ook Ferguut trok zijn zwaard. De jonkvrouw zag toe.

Zwaar van slag was iedere houw, en als met bijlen geslagen dreunde het woud. Nu eens was het Ferguut, dan weder de ridder, die scheen te overwinnen. Hun schilden waren gebroken.

Ferguut hief 't zwaard hoog, en gelijk een dalende hamer zoo fel, deed hij het snijdend staal komen op zijn's vijands helm, die spleet en in één ruk gleed 't zwaard door in den harden schedel.

Tot Ferguut kwam nu de ridder, om hem te smeeken:

“Ridder! genade, laat mij leven. Ik ben overwonnen, nooit zal ik tegen u kunnen strijden. Wilt gij mij dooden het is in uw macht.”

“Ga morgenvroeg naar koning Arthur,” zeide Ferguut mild, “met den dwerg, en uw vriendin—geef hem ulieden gevangen.”

's Daags, dat hij verder-reed, was hij den strijd al weder vergeten, en zoo ging het hem na ieder avontuur. Want hij was niet uitgegaan, om te strijden, doch om Galiëne te vinden, en als zich roovers of ridders op zijn weg stelden, strafte hij hen voor hun euvelmoed, doch dan reed hij weder verder, denkende aan Galiëne, en aan zijn liefde. De ridderen, die hij overwon, togen naar 's konings Arthur's hof, en ze zeiden, dat Ferguut hen gezonden had. Ze groetten den koning en zijn heeren, behalve Keye, die met Ferguut den spot had gedreven. Toen werden boden gezonden, om Ferguut te zoeken, doch ze vonden hem niet.

Want Ferguut reed uit om het witte schild.

Een dag, dat hij meer had geleden dan ooit te voren, kwam hij aan een fontein, en daar hij in twaalf dagen niet had gedronken, bukte hij zich naar het water, en gretig leschte hij zijn dorst. Wonder! nauwelijks had hij zich weder opgericht, of alle pijn was hem verre; niet was hem Galiëne's naam meer een wonde, diep gesneden, in zijn vleesch, tot in zijn bloed brandend, maar zoet wasBladzijde 293het te denken aan verleden en toekomst. Zijn ziel was blijde, als zongen er leeuwerikken. Hij meende al wel, dat hij hier Galiëne zou vinden, zoo blijde was 't om hem.

Bij de fontein stond een marmeren kapel; daarvoor zat een kleine dwerg, die tot Ferguut riep:

“Ridder! wat zoekt gij hier? Meent ge, dat ge hier Galiëne vinden zult? Een zot zijt gij. Eeuwig kunt ge hier weenen, aleer ge Galiëne hier zoudt zien.”

“Lieve dwerg,” aldus antwoordde Ferguut, “hoe kent gij de schoone vrouw, van wie ge spreekt?”

“In een ander rijk, voor gij waart geboren. Nooit zult ge haar vinden, Ferguut, gij moet 't witte schild hebben, dat van ivoor is gemaakt. In donkren nacht geeft het drie mijlen in den ronde licht. Hij, die 't draagt, zal niet worden overwonnen, is hij ten doode toe gewond, hij wordt genezen. Die het schild draagt, hij wordt nooit oud, hem is het wel te moede, des avonds en des morgens is hij blijde. Hij wordt overal geëerd, zulk een man. De vrouwen minnen hem. Vaar wel, ridder.”

In de kapel stond thans de dwerg, hij sloot de deur, en grendelde ze. Luid smeekte Ferguut:

“Lieve dwerg, hoor mij, zeg mij, waar ik het schild kan vinden. Doe de deur open en laat mij bij u komen. Ik heb Galiëne lief—dwerg—”

Er kwam uit de kapel geen antwoord, en Ferguut, die eerst aan de fontein zijn kracht had herwonnen, zag nu, dat de dag voor hem terugweek. Nevelen daalden van den hemel, stegen uit de aarde. Galiëne was verder van hem dan ooit te voren. Het witte schild stond hoog en onbereikbaar tusschen hen.

Weder ving zijn eindelooze zwerftocht aan. Velen stelden zich op zijn weg, dan bevocht hen Ferguut met alle kracht, doch ook hier was hij niet gegaan, om te dooden. Nergens hoorde hij van het witte schild, tot hij kwam in een land, waar het stil was, en waar in de verte een jongen schapen hoedde. Hij reed tot hem, en vroeg met moede stem,Bladzijde 294daar hij hetzelfde reeds talloos-velen had gevraagd, twijfelend, of hij wel antwoord zou ontvangen:

“Hebt ge wel ooit ergens van het witte schild gehoord?”

“Ja—” zeide de herdersknaap verwonderd over een zoo eenvoudige vraag, “ik heb 't vele malen gezien.”

Ferguut viel op de knieën en dankte God. Daarna wendde hij zich tot den jongen.

“Vriend—” zoo sprak hij, “het witte schild wil ik hebben.”

De knaap zag hem angstig aan. Was de ridder waanzinnig geworden?

“Ge spot met mij,” riep hij uit. “Kent gij het witte schild wel? Ga heden met mij mee, en leg u ter ruste.”

“Lieve vriend … zeg me … waar ik het witte schild kan vinden …. Ik heb het lang gezocht, ik kan zonder het schild niet meer leven.”

“De zon is al ondergegaan, het schild is vijf mijlen ver. Ik raad u, heer, terug te keeren, vanwaar ge zijt gekomen, want vele mannen hebben bij dit avontuur hun leven verloren. Wilt gij echter den weg weten, ik zal u hem wijzen. Volg dit pad.”

Ferguut reed tot den morgen, en hij naderde toen den toren, waar het witte schild was. Hij zong een lied, zoo blijde was hij. Want het witte schild zou hij winnen en door het witte schild Galiëne.

Op de brug van het kasteel zat een reuzin, wel achttien voeten lang. Op de wereld was geen leelijker vrouw dan zij, ze had ooren als een hond, uit haar mond schoten haar tanden, haar wenkbrauwen hingen haar een halve voet over de oogen. Ze stond op bij Ferguut's nadering. Ze nam haar wapen, een vlijmscherpe zeis, en wachtte hem.

“Schoone vrouw—” zeide Ferguut hoffelijk, “haal mij het schild, dat ik begeer.”

“Galgenaas—” lachte de reuzin grimmig, “ge krijgt het niet van mij, doch ik zal u het lijf in stukken houwen.”

De ridder reed op haar in, de lans geveld. Zij hief de zeis, om Ferguut in tweeën te slaan, maar hij ontwrongBladzijde 295zich haastig, en een groot stuk kloofde zij uit een pilaar, zoodat de zeis doormidden brak. Ferguut trok zijn zwaard, en sloeg het de vrouw op 't hoofd, met zulk een slag, dat hij meende haar doormidden te hebben, gebroken. Haar echter deerde het niet, zij opende den muil en beet hem door 't harnas in den schouder. Ruggelings viel hij. Zij dacht, dat ze hem al overwonnen had. Snel sprong hij, en hij sneed haar met 't zwaard de hand af. Thans stortte zij terneder, en hij was op hetzelfde oogenblik bij haar, om haar te dooden.

Nog was hij niet in het slot, want voor den toren lag een slapende slang. Zacht gleed hij het vreeselijke dier voorbij, en greep het witte schild. Niet vluchtte hij, hoewel hij dit had kunnen doen. Hij streed met den slang, tot hij hem overwonnen had. Nog was er de man der reuzin, die hem tegenhouden wilde, Lokefeer was zijn naam, vervaarlijk van gestalte. Maar Ferguut was niet angstig, hij vocht met Lokefeer, steeds denkend aan Galiëne. Zijn arm was krachtig, zijn voeten vlug. Lokefeer greep hem stevig vast, om hem in 't water te dringen, ook thans deed Ferguut's trouwe zwaard zijn plicht. In de hand hield hij 't witte schild.

Figuur 28.In de hand hield hij het witte schildIn de hand hield hij het witte schild

In de hand hield hij het witte schild

In de hand hield hij het witte schild

In het kasteel woonden twee jonkvrouwen, die door den reus geroofd waren. Zingende blijde liederen waren zij eens met hare gelieven door het woud gegaan, toen de reus kwam, en de ridders doodde. Twee jaar hadden zij op haar bevrijding gewacht, die zoo plots was gekomen. Hoe ze Ferguut begroetten, en hoe ze blijde waren! Zij aten en dronken tezamen, de vrouwen waren welgemoed, Ferguut somber, want in den strijd met den reus had hij zijn paard verloren. Was dan alles vergeefsch geweest, zoo bedacht hij! Nooit zou hij bij Galiëne kunnen komen, als hij geen paard had.

Één der jonkvrouwen vroeg hem:

“Heer! ge schijnt wel treurig, kunnen wij u niet helpen in uw nood?”

Bladzijde 296“Om mijn paard ben ik droeve—te voet kan ik niet gaan.”

“Wees blijde, ik zal u een ros toonen. Zoo gij het kunt temmen, het zou zeven dagen zonder rusten met u rijden. Pennevare is zijn naam. Voor geen geld had de reus, zijn meester, het willen missen.”

“Wijs mij 't paard—” riep Ferguut blijde uit, “ik wil het gaarne zien.”

Hij kwam in den stal, en bedwong het woeste dier. Zoodra hij reed, werd de lust tot avontuur machtig in hem. Hij had nu alles, 't witte schild, en Pennevare, het moedig ros, en eensklaps scheen 't hem, of Galiëne hem was ontweken, nu hij haar nader was gekomen. Een gloed spreidde zich langs spieren, tintelende over armen en handen. O! het heerlijke, vrije avontuur.

“Weet gij—” vroeg hij, “waar ik lof en prijs kan behalen?”

“Hier niet—Toch—niet ver hier vandaan—is een stad, welke door een koning wordt belegerd om een vrouw, die hij tot koningin wil kronen. Zij heeft hem niet lief, en met geweld wil hij haar winnen. Reeds menigeen van haar dienaren is gedood.”

Ferguut was nog op niets bedacht. “Het strekt den koning tot oneer,” zeide hij bedachtzaam, “dat hij geweld pleegt. Hoe is de naam der koningin?”

“Zij is vrouwe van Rikenstene. Galiëne is haar naam.”

Zonder nog iets te vragen, stond Ferguut op, en hij haalde zijn paard. Al zijn wapenen nam hij mede. Als 't zonlicht straalde het witte schild.

“Gaat gij heen?” zeide één der jonkvrouwen. “Wat is uw doel?”

“Ik wil ten Rikenstene. Gaarne wil ik den koning zien, die met zijn leger trekt tegen Galiëne's stad.”

De ridder reed op het ros Pennevare, en hij aanschouwde van een heuvel de tenten voor den Rikenstene. Hij zag de banieren wapperen in den wind, wimpelen, schitterendeBladzijde 297harnassen, schilden, kurassen. Dienaren, de lederen broeken strak om de heup, een lans in de hand, trokken op, koene ridderen reden. Als een woud van boomen waren de speren, de helmen der ruiters waren open. 't Leger drong zich naar de stad.

Pennevare steigerde, en Ferguut hield de lans stijf in zijn hand. Wie hem tegemoet kwam van Galiëne's vijanden, was verloren. De burgers der stad verkeerden in gevaar, maar Ferguut was hun redder. Wat was tegen hem bestand?

Toen hij zag, dat ze veilig waren, verdween hij uit het gewoel. Langzaam reed hij naar de beide jonkvrouwen terug, en voor 't eerst was er angst in zijn hart. Wel werd hij door koning Arthur tot ridder geslagen, maar hij was de zoon van den boer Somilet, en zijn hand was slechts voor den strijd gevormd. Hoe zou hij kunnen spreken met Galiëne? Beter ware 't, haar te beschermen, en zich verre van haar te houden, opdat zij nooit zou weten, hoe hij haar hielp. Bij de twee jonkvrouwen was hij tehuis. Moede ging hij zitten. Zijn gelaat was vol van bloed. Zij wieschen het af, en ze zeiden hem, dat hij bij het vuur zou gaan zitten. Zij dankten God, dat hij niet gedood was.

Hij staarde in het vuur. Hij dacht niet aanzijn wonden, slechts met Galiëne's naam was hij bekend. Haastig at hij 't eten, dat hem de jonkvrouwen brachten. Toen liet hij Galiëne's naam in zich zingen, en hij verwonderde er zich over, of hij gelukkig was of niet. Hij had voor haar gestreden, al wist zij niet, wie hij was. Zijn zwaard had haar gered, en geen belooning had hij haar gevraagd. Als hij weder genezen was van zijn wonden, zou hij weder ten Rikenstene tijgen—nu was hij machteloos. Het was nacht, en de slaap wilde zijn ziel niet sluiten. Hij lag op zijn bed, hij zag, dat in den haard de vlammen slopen om 't droge hout, maar droomen kon hij niet.

Ook Galiëne kon geen rust vinden. Ze riep één harer dienaars tot zich, die zeer veel ridders kende, en vroeg hem:

“Wie was de ruiter met het witte schild, die den koningBladzijde 298van zijn paard stiet, en alleen meer deed dan alle anderen tezamen? God bescherme hem! Goede hulp heeft hij ons bewezen, want ik ware gevangen en mijn stad genomen, zoo hij ons niet had beschermd. Zeg mij, hoe hij heet.”

De dienaar antwoordde:

“Vrouwe, hij is niet uit deze landen, doch vromer ridder zag ik nooit. Den helm hield hij op 't hoofd, vele ridders, vele dienaren doodde hij. Allen vloden voor hem. Wáár hij kwam, het was ten onzen gunste.”

“Mij verwondert het—” peinsde Galiëne, “uit welk land de ridder is—” Ze hief haar schoon gelaat op. “En waarom kwam hij niet tot mij? Waarom … het was nacht al.”

De volgende dagen klonk al weder rumoer van den strijd, en weder was het Ferguut, die de stad verloste. Hij vroeg ook ditmaal geen dank. Stil reed hij naar 't kasteel in het woud, zijn ziel angstig en verlangend tevens, om Galiëne weer te zien.

Den volgenden dag hield koning Galarant, die de stad belegerde, krijgsraad, want hij had menigen ridder verloren, menigen dienaar. Hoe zou hij zich kunnen wreken?

De groote heeren van zijn raad zeiden:

“Laten wij de stad aan alle kanten aanvallen, met geheel het leger. Dan zullen wij u in uw macht Galiëne leveren, en hen, die binnen in de stad zijn, verslaan.”

Hoornen bliezen ten aanval. Er bleef niemand in het kamp, tezamen trokken zij ten Rikenstene. Nauwelijks hoorde Galiëne 't geluid van wapenen, of zij riep haar lieden tezamen, en liet ze post vatten voor de poort. Zij smeekte:

“Behoud heden dezen dag mijn eer, want ik vrees den koning.”

Op ten gevecht trokken ook zij, met strijdbijl, met piek, met lans.

Zoo traden zij elkander tegemoet.

Met groote scharen drong 's konings leger naar de stad, en dicht schoten de verdedigers hun pijlen op hen af. VolBladzijde 299geweld stuwden de belegeraars tot aan den muur, stootende en houwende tegen den steen. Ladders zwaaiden zwiepend in de lucht, sloegen neer op den muur, en in een korten tijd volgden de ridders en knechten elkander. In hoogen nood was Galiëne. Ze riep een dienaar van den koning.

“Waar is Galarant, uw heer? Doe hem tot mij komen.”

De koning kwam, verblijd. Hij riep:

“Zult gij mij nemen tot uw man, of moet ik u met geweld winnen?”

“Een ànderen raad heb ik gevonden,” zeide Galiëne, “gord u ten strijde met één uwer ridderen, en begeef u ten kamp met mijn kampioen, hij alleen. Mocht hij u beiden overwinnen, dan zult gij dezen weg verlaten. Maar mocht het zijn, dat ge mijn ridder verwondt, dan geef ik u mijn stad en mijzelve. Binnen veertig dagen zal ik mijn kampioen moeten vinden.”

“Het is goed—” antwoordde de koning, “ik kies mijn neef Macedone, met hem wil ik sterven en leven.”

De koning reed heen, en vertelde Macedone, wat Galiëne had geëischt. Deze was zeer verheugd, immers hij was een moedig en jong ridder. Zij wachtten, tot Galiëne haar kampioen had gevonden.

Galiëne zat eenzaam in haar kamer, en ze sprak tot zichzelve:

“Eer ik 's konings vrouw word, dood ik mijzelve.”

Galiëne had een dienares, die haar trouw was, en die het leed van haar meesteres dag en nacht mede-leed. Zij zeide dus tot Galiëne:

“Vrouwe! ik zal u raad geven. Laat mij gaan tot koning Arthur, die zoovele vrome ridderen in zijn dienst heeft, Gawein, IJwein, Perchevael, Sagremort, Lanceloot, Bohort, Agravein en Gariec, Mereagis en Erec, Keye, Leyvale, Laquis van Portegale en Walewein. Ik zal koning Arthur en Genovere smeeken, dat zij een hunner vraagt, om u te helpen.”

Bladzijde 300“Ga, Lunette”—glimlachte Galiëne droeve, het meisje omarmend. Daarna reed Lunette naar 's konings hof. In de zaal zat de koning eenzaam, want zijne ridderen waren er niet.

“Heer—” zeide 't meisje “is hier eenig heer, die met mij zou willen rijden ten Rikenstene, waar mijn meesteres belegerd wordt door een koning, alleen omdat hij haar tot vrouw begeert? Thans zoekt zij een kampioen, die met hèm zal strijden en met Macedone, zijn neef, een moedig ridder.”

Troosteloos was koning Arthur's stem:

“Hier is niemand, die voor u vechten kan. De ridders van de tafelronde, de besten, die met mij waren, zijn een ridder gaan zoeken, dien ze gaarne ten hove brachten. Kwam er iemand weder, ik zou hem gaarne vragen uw kampioen te zijn.”

Meer dan dertig dagen wachtte Lunette aan Arthur's hof, of er geen ridder weder-kwam, doch de heeren bleven uit. Eindelijk moest ze wel terugkeeren.

Met een zweep dreef 't meisje haar muilezel aan, en 't dier liep, zoo hard 't kon. Dag en nacht reed zij, tot ze kwam in het woud, waar de witte ridder was. Hij zag haar en naderde haar.

“Jonkvrouw! waarom deze spoed?” aldus vroeg hij verwonderd, “kom af van uw muilezel. Ge hebt geen knaap bij u, om u te beschermen. Het is nacht.”

“Ridder—laat mij gaan—want ik ben treurig,” schreide Lunette.

“Heeft iemand u geslagen, heeft iemand u gekrenkt?”

Lunette hieuw op den ezel, opdat hij verder zou gaan. Ferguut greep den teugel.

“Jonkvrouw! ik moet weten, wat er is geschied, voor gij verder moogt trekken. Zeg mij, waarom ge schreit.”

“Heer! uw naam weet ik niet—” kreet Lunette angstig, “maar ik smeek u, om me te laten gaan. Het is meer dan tijd. Aan den hemel zie ik de sterren, al lang is de zon ondergegaan. Ik moet verder, zeg ik u.”

Bladzijde 301Ferguut sprak rustig:

“Ik moet alles van u weten.”

Daarna vertelde Lunette, waarom zij was uitgereden. De ridder zeide:

“Zeg uw meesteres, dat zij niet behoeft te vreezen. Haar liefste zal haar beschermen.”

“O! ge drijft den spot met mij,” riep 't meisje, “laat mij toch vertrekken.”

Hij liet haar heengaan. Lunette geeselde 't muildier, dat liep met al zijn kracht. Voor den dageraad was zij al ten Rikenstene, en onmiddellijk begaf ze zich naar Galiëne's kamer. Ootmoedig viel zij op haar knieën:

“Jonkvrouw—jonkvrouw—bedenk, wat ge morgen moet doen. Ik vind geen kampioen voor u. Spreek recht over mij, en laat mij verbranden—het is mijn verdiende straf.”

“Lunette—Lunette—” klaagde Galiëne, “ik zal u geen kwaad doen. Weet ik niet, dat gij om mij lijdt? Ware ik dood, o! te moeten leven in zulk een pijn, te leven, Lunette! Er is geen graaf en geen koning, dien ik kan minnen. Hem, dien ik liefheb, kan ik niet van me verdrijven. Is hij dood? Ik moet aan hem denken. Leeft hij, leeft hij?! Hij zou niet naar me vragen, en toch heb ik hem lief. Lunette—God geve hem, wat hij verlangt. Ik min hem, die mij veracht. Lunette!—”

Verwonderd zag Lunette haar aan:

“Een ridder niet ver van hier—in een woud—deed mij u zeggen, dat uw liefste u beschermen zoude. Ge zoudt niet bevreesd zijn.”

Galiëne schudde haar hoofd. Haar diepe stem—meer kwam ze uit 't hart dan van de lippen—was verder dan een echo, terwijl zij sprak:

“Dit, Lunette, kan niet waar zijn. De ridder, dien ik min, zal mij niet beschermen. De ridder in 't woud zeide het, daar hij u troosten wilde van uw leed.” Lunette wist geen antwoord te vinden, en daarom zeide haar meesteres:

Bladzijde 302“Ik zal mijn gebed zeggen. Onze Heer zij onze kampioen, Hij zal ons van onze smart verlossen. Wat Hij doet, is welgedaan.”

Zij zonken op haar knieën en smeekten om redding.

Dienzelfden morgen al vroeg had Galarant, de machtige koning, een boodschap naar zijn neef gezonden, dat hij zou komen. Hem was het vroolijk te moede. Hij liet zich zijne wapens brengen, en alle blijde liederen, die hij kende, begon hij te zingen. Heden was het de dag, dat Galiëne zijn vrouw zou worden. Vol vreugde liep hij zijn neef tegemoet, toen deze kwam, en met eigen handen wapende hij hem. Hun rossen sprongen als ten dans. Het zonlicht was op hun harnassen. Stralende ridderen waren zij voor de muren van den Rikenstene—vonken en vlammen schenen van hen af te schieten. Hoog richtten zij zich op.

De koning sprak:

“Vrouwe Galiëne—kom, vertoon ons uw kampioen. Wij zijn hier, de ochtend is reeds verre. Waar is uw ridder, die strijden zou? Ik zie hem niet. Ik zal hebben stad en land en uzelve. Spoed, ontsluit de poort, want te lang wachtten wij. Kom tot ons.”

Galiëne antwoordde, en ze wist haar stem te bedwingen, in wier diepste diepte geen trilling was:

“Het is nog geen avond, nog kan mijn ridder komen, en mijn eer bewaren.”

Ze keerde in haar kamer terug, en weende zeer, hulpeloos en eenzaam. Daarna deed ze haar lieden bij zich komen, en vroeg hun raad:

“Heeren! ik heb geen kampioen, zeg mij, wat is er, dat mijn lot kan keeren?”

Ze verschilden niet van meening. De oudste hunner stond op.

“Vrouwe! we moeten u den koning geven, of hij zou ons dooden. Hij is onze heer. Wij zwoeren 't bij onze trouw, en ook gij zwoert hetzelfde, koningin.”

“Gij heeren, daar hij hier moet komen, en gij hem uwBladzijde 303leeneed wilt zweren, houdt hem nog een luttelen tijd bij u—”

“Vrouwe, uw raad willen wij volgen.”

Ze wist niet, dat de witte ridder al was uitgereden. Het was al laat op den dag, dat hij den Rikenstene naderde. Hij hoorde, dat de koning tegen de poort klopte, roepende:

“Ontsluit de poort, ontsluit, ontsluit, en geef mij have en goed! Ik hang u op, voorwaar, zoo ge mijn wil niet doet. Wat laat gij mij wachten en roepen—”

Ferguut trad hem in den weg. Pennevare's schaduw was ver over 't land.

“Heer—ge bedrijft kwaad,” zeide hij met ontroerde stem, “dat gij deze vrouw, die u niet mint, met geweld wilt nemen. Laat haar met vrede, dan doet gij wel. Keer weder in uw land.”

Galarant riep schamper uit:

“Ridder, wat wilt ge van ons? Rijd heen, zoover u uw paard kan dragen, of ik zal u met mijn zwaard doorsteken.” Macedone was een driftig man.

“Als gij haar kampioen wilt zijn, laat ons strijden.”

“Dit zal geschieden,” beloofde Ferguut.

Zij zetten hun paarden aan, Macedone en de koning te eener zijde, Ferguut te anderer. Zij hieuwen tezamen op den ridder in, die het witte schild droeg, zóó krachtig, dat hem wel achthonderd ringen uit zijn pantser braken. Doch Ferguut bleef in den zadel, en glimlachte om de booze woorden, die zijn vijanden riepen. Zag niet Galiëne naar hem? Wat deerde hem pijn? Hij mocht haar beschutten.

Op Macedone keerde hij zijn volle kracht, en met zijn lans stiet hij hem van zijn paard. Dood bleef de ridder liggen.

De koning greep naar zijn zwaard, toen hij Macedone zag vallen. Smartelijk riep hij uit:

“Gij waart mijn troost, mijn schild en mijn speer. Nu zijt ge dood. Wanneer ik geen wraak om u mag nemen, zal mij 't hart breken.”

Hij greep Ferguut bij den hals, en sloeg hem tusschen de opening van den helm. De wereld zonk van den wittenBladzijde 304ridder weg, ternauwernood had hij kracht, om te ontvluchten. De lieden van de stad werden angstig. De koning volgde hem. Maar in 't vlieden herwon Ferguut zijn tintelende leven. Hij deed Pennevare wenden, en het witte schild nam hij van den arm. Hij hieuw naar Galarant. De slag miste den koning, doch 't staal sloeg den kop van 't paard af. Onmiddellijk sprong Galarant van den grond, het zwaard in de vuist. Ferguut gleed uit den zadel, en te voet streden de helden, tot de zon onderging. Niet verre meer was de nacht. Daarom vreesde Ferguut, dat hem de koning zou ontsnappen, en hij greep Galarant om 't middel, met hem worstelende. De koning viel, en Ferguut hield 't zwaard gereed. Galarant smeekte om genade. Vorstelijk zeide de witte ridder:

“Heer koning! wil dan gaan ter koningin van den Rikenstene.” Hij aarzelde met het uitspreken van den naam. “Galiëne is haar naam, zoo geloof ik. Wees haar onderdanig, en vaar henen ten koning Arthur. Zeg hem, dat u een ridder met een wit schild overwon, die eens door Keye werd bespot. Groet alle heeren, die ge ziet, maar vermijd het Keye te groeten. Zeg hem, dat ik hem niet vergeten ben.”

Toen zag hij naar de muren der stad, en 't was hem, of Galiëne hem riep:

“Kom tot mij, Ferguut, gij die mij gered hebt.”

Hij zag hare gedaante, en met moeite luisterde hij naar zijn schuchterheid. Was hij niet zoon van den boer Somilet, de arme, arme Ferguut? Wat had hij haar te geven in ruil voor haar schoonheid? Spoorslags reed hij heen, zonder nog naar den Rikenstene te zien. Galiëne liet hij eenzaam achter; in haar hart was zijn naam gevangen. Dacht ze aan iemand anders dan aan hem, toen ze haar raad tezamen riep? Ze had een sterken arm noodig, om haar te beschermen. O! ook haar land had een koning van noode. Daarom verzamelde ze haar heeren. Zij zaten stil om haar, en luisterden naar haar diepe, ernstige stem, doorBladzijde 305veel vrouweleed verdroefd. Zoo klinkt de stem des herfsts in een bosch.

“Gij heeren—hier tezamen—ik mag mijn land niet zonder vorst laten. Raadt mij. Kent gij niet in eenig land een ridder, wien ik zoo genegen zijn kon, dat ik hem tot mijn man koos? Zoo hij arm ware—” het was als stond Ferguut bij haar, terwijl zij deze woorden zeide, “zoo hij arm ware—ik ben rijk genoeg, en ik zou hem tot heer maken van mijn land. Die naar goed en rijkdom ziet, God geve hem schande.”

Allen antwoorden ze haar. Één antwoord gaven zij altegader.

“Jonkvrouw! we zouden u raden, om den ridder te nemen, die u in uw nood heeft geholpen. Al ware 't, dat hij niet rijk is, zulk een man mogen vrouwen minnen. Wisten wij slechts, vanwaar hij kwam—wie 't is—werwaarts hij ging.”

Galiëne glimlachte.

“Had ik hem maar hier—maar hij is heengegaan.” Ernstig ging ze voort:

“Heeren, morgen wil ik ten hove gaan, en koning Arthur vragen, of hij geen man kent, die koning over mijn land kan zijn.”

Al de heeren loofden haar om dit besluit. Het was diep in den nacht, dat de raad uiteenging. 's Anderen daags bij het opgaan der zon reed men echter al uit, Galiëne en haar gevolg, en ze togen naar koning Arthur's hof.

De jonkvrouw trad voor 's konings troon, en allen in de zaal werden stil. Men hoorde het, dat haar stem de zuivere echo was harer ziel. Wie er naar luisterde, kon een jaar langer leven.

“Heer—zoo het uw wil is,” sprak ze …. “ik zou u dank zeggen, als gij mij een man gaaft. Want ziek zijn wij, vrouwen, die noch kunnen strijden, noch kunnen rechtspreken in ons land. Geef mij een voogd, die mijn rijk zal regeeren.”

Bladzijde 306Arthur zag haar aan, en zeide vriendelijk:

“Zoo ware helpe mij God. Zoo Genovere dood ware, nam ik u tot vrouw. Ik ken geen ridder, die u betaamt. Hoor mij daarom aan, wat ik te raden heb. Ik zal boden zenden naar alle landen, en een tournooi uitroepen, waarin mijn ridderen zullen strijden tegen hen, die van buiten komen. Een maand lang zal het tournooi duren, en wie hierin overwint, zal waardig zijn voor uw liefde.”

“Heer, ge bewijst mij vriendschap en groote eer. Wat gij wilt doen, is mij goed.”

De koning deed brieven zenden naar alle landen, om in het strijdperk te komen, doch Ferguut hoorde niets van het tournooi, tot hij in het woud een dwerg tegenkwam, die er henen reed.

“Heer ridder! als gij er wilt zijn, moet gij u haasten.”

Ferguut wapende zich.

“Nu zal ik Keye ontmoeten.”

Op Pennevare reed hij. Het tournooi zou beginnen. Des konings standaard stond in het veld. Luide riepen de herauten:

“Ridders! het is tijd. Wapent u! Wapent u!”

Allerwege waren stellages, waar vrouwen op zaten, die blijde naar de stemmen luisterden, welke de ridders ten tournooie riepen. Op de hoogste stellage waren de koning Arthur, Genovere, Galiëne, de koningin van Avalons, Aglentine, Alemandine, Sibilie, alle schoone en voorname vrouwen. Keye kwam vóór koning Arthur. Alle ridderen van de tafelronde hadden de helmen gebonden. Keye riep uit:

“Koning! mij lokt 't eerste gevecht. Ginder zie ik een ridder, diens paard wil ik de koningin van Rikenstene geven.”

Ferguut zag Keye, die met hem had gespot, en nooit had hij zich zoo krachtig gevoeld. Niemand kende hem. Keye meende al wel gemakkelijk spel te spelen. Hij stiet met zijn lans tegen 's ridders schild, en de schicht brak. Los, spottend, kwam Ferguut's slag terug. Keye tuimeldeBladzijde 307achterover, en hij viel in een beek, die door de vlakte stroomde.

“Help mij—” riep hij, “help mij, of ik verdrink. Mijn been is gebroken.”

Men haalde Keye uit het water en droeg hem op een schild weg. Ferguut had zich wel gewroken. Het tournooi ging voort.

Goed streden Lanceloot, Gawein, Sagremort, Perchevael, Erec, Bohort, Lyonel, Mereagis, IJwein, Laquis, de koning van Spanje, de koning van Roemenië, ridderen van Anjou, van Provence, maar die 't beste vocht, was hij, die het witte schild droeg.

Allen prezen hem, en de vrouwen vroegen:

“Wie is die jonkheer? Zulk een zou men gaarne minnen.” Koning Arthur zelf riep uit: “Voor heden geef ik den witten ridder den prijs. Het is nacht. Morgen zal men voortgaan.”

Koning Arthur, zijn vrouwen, zijn ridderen trokken weg, ieder naar paleis of huis. Alleen Ferguut bleef eenzaam achter. Nadat men in de hofzaal had gegeten, zag de koning de tafel rond. Hij riep uit:

“Laat ons den ridder eeren, die Keye en mijn ridders heeft overwonnen. Is het niet recht, dat wij hem den prijs gunnen?”

Ze zochten hem ten allen kant, maar zij vonden hem niet, er waren graven en koningen, ridderen uit vreemde landen, doch de held der helden was niet aan den disch. Er was niemand, die hem kende, en vol droefenis ging koning Arthur slapen. Den volgenden ochtend vroeg ging hij ter misse, hij reed uit. Weder volgden hem vele ridders, doch nergens zagen zij Ferguut. De heeren van de tafelronde zeiden tegen elkander, dat ze zich schaamden, daar een vreemde ridder hen had overwonnen. Ieder sprak:

“Als ik hem ontmoet, heden, die gisteren zoo goed streed, ik zal hem overwinnen.”

Bladzijde 308De wapenkoningen trommelden. Trommelslag op trommelslag klonk:

“Kom ten tournooi, kom ten tournooi.”

Perchevael reed uit. Geen in den kring, die niet naar hem zag. Was het niet Perchevael, die menige heldendaad had volbracht? Hem reed Ferguut rustig tegemoet. Nadat hij hem genaderd was, gaf hij Pennevare de sporen, en in een wervelwind drongen de twee dapperen op elkander in. Wie was er tegen den witten ridder bestand? Perchevael sloeg van zijn paard, en reeds had Ferguut hem verlaten. Menigeen velde hij. Vele paarden en zadels maakte hij buit.

“Die witte ridder,” fluisterden de vrouwen onder elkander, “bedrijft groote wonderen, al de heeren van 's konings hof overwint hij—” Menige vrouw zag alleen naar hem, hoe hij streed en vooraan in het gewoel was.

“Nooit,” zeide koning Arthur, “zag ik een ridder, die moediger vocht. Wie zal mij zeggen, wie hij is?”

Maar niemand wist zijn naam. Toen zwoer de koning, dat hij wilde wachten, tot hij den ridder beter kende: dan eerst zou hij hem Galiëne schenken. Zoo ging het tournooi vele dagen voort, en de meeste ridderen van de tafelronde werden achter elkander uit den zadel gestooten, Boört, Sagramort, Laquis, Mereagis, Erec, IJwein, Agravein, Gosengoot en Lanceloot, allen mannen van beroemden naam.

Gawein vroeg den koning, of hij strijden mocht. Klagend was zijn stem. Al zijn vrienden waren overwonnen.

“Niet geef ik u het recht, om te strijden,” zeide koning Arthur ernstig. “Liever, Gawein, verloor ik de helft van mijn goed, dan dat een ridder van uw naam zou worden geveld.”

“Al mijn lieden zijn geveld,” antwoordde Gawein somber, “zoo ik niet ten kampe tijg, heb ik mijn eer verloren.”

Al vroegen hem de vrouwen, dat hij niet zou gaan, zij en de koning wisten hem niet meer te weerhouden. Gawein reed heen, en de ridderen weken van hem.

“Daar komt Gawein,” fluisterden zij, “de beste, die er leeft. Nooit vond men zijn gelijke.”

Bladzijde 309Niemand durfde hem te ontmoeten. Wonder! ook de witte ridder wendde zich van hem af. Gawein zond hem een bode toe.

“Wilt gij niet met Gawein in het tournooi komen? Gij wacht te lang.”

“Ik zal niet tegen hem strijden,” zeide de witte ridder met droeve stem, “hij kan mijn paard krijgen, ik bied 't hem aan.”

Verwonderd hoorde Gawein, wat de held had gezegd. Hij ging op den witten ridder toe.

“Kon ik u overhalen ten kamp, tegen u strijd ik gaarne. Zeker hebt ge geschertst, toen ge mij uw paard hebt aangeboden zonder strijd. Al mijn vrienden hebt gij overwonnen.

“Niet wil ik strijden met u—neen! met u niet. Maar ik wil u dienen.”

Hij zette den helm af, en vertoonde zijn gelaat aan Gawein. Vol blijdschap en verrukking zag hem de oude ridder aan. Dit was Ferguut, de jonge held. Hij voerde hem tot den koning:

“Dit is de jongeling –” riep hij, “die Keye het scheenbeen heeft gebroken, omdat hij met hem kortswijl heeft gedreven, in uw hof. Wel heeft hij zich gewroken.”

De koning glimlachte vriendelijk.

“Ridder! gij zijt een moedig held. Er was vrouw noch maagd, die u niet geroemd heeft.”

Hij bewees Ferguut groote eer: de banieren werden opgerold, het tournooi was gedaan. De koning hield hof, en de ridder met het witte schild zat naast hem. De koning deed Galiëne tot zich komen, en vele andere schoone vrouwen.

“Lieve Galiëne,” zeide Arthur, de vorst, “ik zal u dezen ridder geven, die al mijn heeren heeft overwonnen. Ferguut is de naam des ridders, die altijd het witte schild voert, dat de reuzin en de slang hebben bewaakt. Menige moedige daad heeft hij volbracht.”

Bladzijde 310Galiëne zag den ridder aan, en zuchtte. Dat was de man, die haar zijn liefde had ontzegd. Ze werd bleek en rood, ze kon niet denken en spreken, zoo schaamde zij zich. Eindelijk wist ze te stamelen:

“Heer koning—ik moet het gedoogen—wat gij wilt … is mij lief.”

Toen trouwde een bisschop de schoone Galiëne en den edelen Ferguut. Het was een feest, als nooit eerder in een land werd gegeven. Veertig dagen duurde het gelag.

“Heer—ik moet Galiëne volgen,” zoo sprak Ferguut tot den koning, nadat het feest voorbij was, “ik ben echter één uwer ridderen, wanneer gij me roept.”

“Vaartwel,” sprak Arthur, de vorst, droeve, “allen moeten wij van elkander gaan. Onze Heere God moge u begeleiden.”

Zij reden heen. Gawein en Gosengoot, Perchevael en Lanceloot brachten hen tot den Rikenstene. En Ferguut en Galiëne waren gelukkig, hun geheele leven lang.Bladzijde 311


Back to IndexNext