Hoofdstuk XLIV

1Graafschap Glocester?

1Graafschap Glocester?

2Toter Dunouwen.

2Toter Dunouwen.

Omstreeks het jaar zes en dertig honderd en zestig na het ontstaan der wereld dienden er onder Alexander den Groote drie broeders, Friso, Bruno en Saxo als oversten, die, nadat de koning was gestorven, zeer gehaat waren, en daarom vertrokken, nieuwe landen en avonturen tegemoet. Zij namen niet veel met zich mede, slechts twee wonderdoende sieraden, een ijzeren kroon en een rood vaandel, en na veel ondervindingen bereikten zij een woest land, waar geen steden en geen dorpen waren. Ze vonden er een rivier, het Vlie genaamd, en daar onderzochten zij den bodem, die goed en vruchtbaar bleek. Ze bouwden er tempelen, die zij wijdden aan den god Stavo, en de godin Tamfana: in den tempel der godin bewaarden zij kroon en vaandel.

In den beginne leefden zij als broeders tezamen, de dagen gingen stil voorbij, zon en regen waren op hun velden. Op de weiden graasden hun runderen, op hun velden groeide graan, en het scheen, of ze altijd wel zoo bij elkander zouden blijven, in vrede en eenzaam geluk. Maar er kwam een zomer, dat ze plotseling als vreemden tegenover elkander stonden, want de één verweet den ander, dat zijn runderen niet op den aangewezen grond weidden. Het duurde geruimen tijd, voor ze wisten, dat ze toch broeders waren, en Friso, de oudste, wilde Bruno en Saxo met hem doen loten, wie zou blijven en wie vertrekken: is immers de broederschap eens gekrenkt, dan kan ze niet weder gedijen. Zoowel Bruno en Saxo verzetten zich hiertegen, en ze riepen uit:

“Gij zijt de oudste, en gij hebt alle rechten.”

Hierna vertrokken zij, het onbekende Oosten tegemoet. Saxo bouwde zijn huis in het land aan de verre Elbe, Bruno timmerde, hem ten Westwaart, een stad, die hij Brunswijk noemde, uitroepende:

“Ik, Bruno, ben altijd voor mijn broeders geweken.Bladzijde 312Daarom voorwaar zal deze plaats Brunswijk heeten.”

Het land van Friso—Friesland—nu was zeer rijk, en er vestigde zich een ruw en machtig volk, breed van borst en blond van haar. Eer en moed golden bij hen, en Friso was gelukkig, daar hij hen regeerde. Toen hij zou sterven, deed hij zijn volk tot zich komen, en hij beval hen, de kroon en het vaandel, die in den tempel der godin Tamfana werden bewaard, goed te behoeden. Vele jaren daarna echter deed een roovende koning uit Denemarken de kroon uit den tempel lichten, en hij voerde deze met zich naar zijn land: tevergeefs had hij naar het vaandel gezocht, dat diep onder den grond was begraven. Het lag daar dus menige eeuw, en zij, die het hadden verborgen—en zij, die de plaats kenden—waren lang gestorven. 't Gansche volk van Friso wist, dat het bestond, al durfde niemand meer hopen, dat men 't ontdekken zoude.

Toen kwam er in 't land een heilig man, Willebrord was zijn naam, die het Christendom kwam prediken. Eens zag hij in zijn droom voor zich een engel, die hem de plaats wees, waar het vaandel begraven lag. Na zijn ontwaken, liet hij de voornaamsten van het volk tot zich komen, en hij vertelde hun het wonder. Op de plaats, die hem door den engel getoond was, deed hij diep graven, en men vond 't heilige vaandel. In dezen tijd regeerde over Friesland de dappere vorst Magnus Forteman. Hem werd 't vaandel gegeven. Eenige jaren later trok keizer Karel op naar Rome, en vooraan in zijn leger gingen de dappere Friezen. Het vaandel woei in den wind.

De mannen van Rome trokken Keizer Karel's helden tegemoet, om hen te verrassen. De Friezen hoorden hen komen, en voorop ging Magnus Forteman, het vaandel in de hand. Ze wonnen den slag, en ze plantten het ten zegeteeken op den Engelenburg. De stad kwam daarna aan den Keizer, die zich verheugde over den moed der Friezen. Hun schilden deed hij beslaan met goud en zilver. Het vaandel echter zal wel door een nieuw mirakel verdwenenBladzijde 313zijn, want nooit was er iemand, die er nog over hoorde spreken. Doch niet alleen hiermede zijn wonderen geschied—ook de god Stavo, wien door Friso en zijn broeders een tempel werd gewijd, heeft zijn kracht nog langen tijd bewezen.

In het jaar vier zag men plots veertig schreden van het Roode Klif een vlam schieten, die eerst na drie dagen weder in den grond verdween. Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante, en verhief zich pijlsnel naar de lucht, kringelende en spiedende hoog boven Friso's land. Zoo snel als hij was geheven, zoo snel daalde hij weder. Dit was het eerste wonder.

Figuur 29.Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaanteDen dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante

Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante

Den dag daarna vloog uit dezelfde plek een draak, vreeswekkend van gedaante

Honderdvijftig jaren later—het was in den tijd, dat Ascon, de zoon van Tabbo regeerde—een moedig vorst was deze, en gelukkige dagen kende Friesland onder zijn bewind—barstte de bodem weder open, en hoog-op, als water uit een bron, sloeg een wild vuur naar boven, acht dagen vlammende. Na deze acht dagen keerde het weder in den grond, en zelfs geen asch bleef er over. Toen vreesde men, dat er zware ziekte over 't land zou komen, en men vroeg Stavo, wat deze vlam met zich zou brengen. Het orakel was gunstig: na langen tijd zou koude stof komen, die het vuur zou dempen. Er geschiedde ook niets van groote sterfte, in die dagen.

Na langen tijd wilde eens een man—Iglo Tadema was zijn naam—op de plaats, waar de vlam was geschoten, een bron graven. Reeds had hij een diep gat geslagen, en nog ontdekte hij geen schuim van water. Daarover was hij zeer verwonderd, en hij keerde telkens naar den grond terug, denkende:

“Zou ik nog geen water zien?”

Terwijl hij zich over de put boog, hoorde hij een diepe stem, die riep:

“Vlied, vlied uit dit land.”

Het water steeg, en werd hooger. Hij liet zijn zoon in de bron dalen, om een weinig water te scheppen, en deBladzijde 314jongen bracht er iets van naar boven. Ze dronken ervan uit de palmen hunner handen, en ziet! het water was zout. Ze dachten hier langen tij d over na, tot ze zich herinnerden, wat de god Stavo had gezegd: dat er inplaats van het vuur een koude stof zou komen. Ze zwegen over deze zaak; nadat Iglo Tadema was gestorven, vlood zijn zoon naar Gaasterland, om de stem te gehoorzamen.

Het vuur is ten derde male nog gestegen, in het jaar 207, toen Titus, Adelholt's broeder, over Friesland regeerde. Het drong uit den grond, achttien schreden meer westelijk dan den tweeden keer, en thans vlamde het elf dagen. Titus beval, dat men den god Stavo zou offeren, om hem te vragen, wat er moest geschieden. Toen antwoordde Stavo, dat men drie kruiken zout water uit de Noordzee zou putten, die door een gewapend ridder in den brand moesten worden geworpen. Nadat dit was geschied, verdween de vlam, en nooit is het vuur meer gestegen bij het Roode Klif.

Nog een ander wonder volbracht de god Stavo, want deze bleef langen tijd zeer machtig bij het volk der Friezen. In het jaar 164 vloeide een half uur gaans van de stad Stavoren, een put over van zout water, en allen, die in het land woonden, waren verschrikt, omdat men meende, dat na het vuur 't water was gekomen, ten verderve van de stad. Zij offerden Stavo, en deze vroeg om 't bloed van een driejarigen jongen, dat zij in het water moesten werpen. Zij plengden het bloed van een klein knaapje in den vloed, die onmiddellijk zakte, en niets van het water bleef.

Later verloren de goden in Friesland hun macht, en dit is al begonnen in de dagen van den machtigen koning Radboud, die zich niet wilde laten doopen: want hij hoorde, dat zijn voorvaderen in de hel waren. Hij echter zou, wanneer hij Christen werd, in den hemel komen. Niet wilde hij van zijn voorvaderen gescheiden zijn, en daarom trok hij den voet uit de doopvont.

Hij was weder in zijn land teruggekeerd, toen men aan de goden van Friesland een mensch moest offeren, dieBladzijde 315door het lot werd aangewezen. Er was een schoon jongeling, Ovo genaamd, die 't lot trok. Toen smeekte de heilige bisschop Wolfram den koning der Friezen:

“Heer Radboud! wil mij dezen jongeling geven.”

Maar de koning der Friezen antwoordde en sprak:

“Voorwaar niet! het lot is op hem gevallen, en hij zal aan een galg hangen. Is uw God zóó machtig, dat hij hem van den dood kan redden, dan zal ik u den jongeling geven.”

Dit zeide hij, denkend, dat niets Ovo zou kunnen redden. De jongeling werd opgehangen, maar de bisschop stond bij de galg, biddend tot God, dat Ovo niet zou sterven. Terwijl hij alzoo smeekte, barstte de bast met de banden, en de schoone knaap viel ter aarde, zonder dat hij werd gedeerd. Wolfram hief hem op, en Ovo werd naar Rouaan gebracht, waar bisschop Regislant hem tot priester wijdde.

Daar Radboud het mirakel had aanschouwd, verlangde hij, Christen te worden. Maar Wolfram geloofde de woorden, die hij sprak, niet, en hij schreef een brief aan den Heiligen Willebrord, om hem te vragen, wat hij hem raden zou. Hierop ontving hij van den Heiligen Willebrord een brief terug, om hem voor Radboud te waarschuwen.

“Ik heb gezien—” aldus schreef Willebrord, “dat Radboud aan een vurige keten was gebonden, en voor eeuwig is hij veroordeeld en verdoemd.”

Wolfram las dezen brief, en hij deed den koning weten, dat hij geen geloof hechtte aan zijn woorden. Voor eeuwig, zoo berichtte hij—was Radboud veroordeelden verdoemd.

De koning hoorde dit en spotte:

“Het is niet alzoo, dezen nacht had ik een droom, die niet anders kan worden geduid, dan ik vertellen zal. Een engel kwam tot me, in gewaad van goud, dragend een kroon van goud op het hoofd. En de engel zeide tot mij:

“Koning Radboud, held der helden, wie heeft u bedrogen? Waarom wilt gij scheiden van den dienst der goden? Het zij niet aldus, zoo beveel ik u. Verlaat het geloof niet, dat ge van uw voorouders hebt ontvangen, en dat in uwBladzijde 316handen is gelegd. Dan voorwaar zult ge treden in het gouden paleis, dat voor u is bereid, in der eeuwigheid. Ontbied dus bij u morgen den bisschop en den leeraar der kerk, Wolfram met name, opdat hij u wijze de woningen der reinheid, die hij u heeft beloofd. Zoo hij u deze niet toonen kan, zal ik ze u toonen: dit zeg ik u, om u in uw geloof te behouden.”

Wolfram, de bisschop, antwoordde hem ernstig:

“Geloof het niet, dat het een engel was, die u dit gezicht heeft gegeven. Het is de Duivel, die zich in de gestalte van een engel heeft voorgedaan.”

De koning lachte bij 't hooren dezer woorden, en hij riep uit

“Zekerlijk zal ik Christen worden, zoo mijn God mij de paleizenniettoont.”

De bisschop zweeg, en zond één zijner diakenen met 's konings bode, een Fries, naar Medemblik, om den engel te ontmoeten. Ze zagen hem op den weg, en hij naderde hen beiden, met deze woorden:

“Haast u, haast u toch, opdat ik u wijze de heerlijke woning, het paleis van goud en edelsteenen, dat voor koning Radboud is bereid.”

Ze volgden den leidsman en ze kwamen op een breeden weg, dien ze vroeger nooit hadden gezien, geheel van gladde marmersteenen. In de verte stond een paleis, kostbaar, gebouwd van goud en edelgesteenten. Ze traden het paleis binnen, en daar aanschouwden ze een koninklijken troon, wonderlijk-schoon en schitterend. Met een enkel gebaar wees hun de leidsman dit alles.

“Dit nu is de woning, bereid voor koning Radboud.”

De diaken, die namens den bisschop was gezonden, richtte zich toen hoog op, en met felle stem riep hij uit:

“Zijn alle deze dingen van God, dat zij blijven; zijn zij des Duivels, dat zij vergaan.”

Hij maakte het teeken des kruises.

Toen veranderde hun gids in de gedaante eens duivels,Bladzijde 317en het paleis viel daarna uiteen tot stof en vuil. Zij beiden waren verzonken in een moeras, en drie dagen duurde het, voor zij bevrijd werden. Ze gingen tot Medemblik, en daar hoorden zij, dat koning Radboud was gestorven.

Allen herinnerden zich, wat Willebrord had geschreven aan den bisschop Wolfram: dat de koning was gebonden aan een vurigen ketting en veroordeeld en verdoemd was in der eeuwigheid. De diaken vertelde naar waarheid, al wat zijn oogen hadden gezien, en het was velen tot een goed exempel.

Doch ook moet ge nog weten van Hengist en Horsa, de twee zonen van Udolph Haron, in 't jaar 360 hertog van Friesland. Toen zij knapen waren, zond hun vader hen naar keizer Valentianus, opdat zij alle dingen zouden leeren, die een ridder betamen. Ze kwamen terug in het jaar 383, en Udolph Haron verheugde zich, dat zij zoo krachtig en manhaftig waren. Hij wilde ze bij, zich houden, zoolang hij nog op aarde was, doch het verlangen van oude menschen kan het leven niet regeéren. Twee jaren woonden ze in zijn huis, toen er luid geklaag klonk in Friesland's dorpen, want de grond was niet zoo rijk, dat hij allen kon voeden. Men vroeg, dat de oude wet zou gelden, die luidde, dat, zoo op den akker geen graan genoeg groeide, een deel van 't volk het land zou verlaten. Bij loting zou het worden aangewezen.

De oude hertog deed, wat de plicht hem gebood, en hij stelde zijn zonen niet van het lot vrij. Zij beiden, Hengist en Hora, moesten vertrekken. Zij stelden zich aan 't hoofd der Friezen, en op schepen zeilden ze naar onbekende streek. Ze kwamen in Brittannië aan, waar koning Vortigern regeerde. Dezen boodschapte men, dat er vreemdelingen in zijn rijk waren geland, en hij begaf zich tot hen, om te vragen, wat zij verlangden. Hengist, de oudste, antwoordde:

“Wij zijn onder geleide van Wodan op bevel onzer oversten uit ons land gegaan, zoekend andere akkers enBladzijde 318velden. Wij willen onder u dienen, zoo het u gelieven zal.”

“Niet is mijn God uw God,” sprak de koning, “doch ik ben verblijd, dat gij gekomen zijt, want ik heb vele vijanden, tegen wie gij mij kunt helpen. Als gij me in mijn nood bijstaat, zal het u aan loon niet ontbreken.”

De Friezen zwoeren den vorst hierop trouw, en ze streden met hem tegen de Schotten, die zijn land waren binnengetrokken. Door den moed van Hengist en de zijnen werden zij verslagen, en de koning dankte het overwinnend leger. Ieder ontving schoone geschenken. Daar Hengist echter zag, dat de vorst niet bemind was bij zijn volk, vroeg hij hem, of hij nog meer Friezen zou brengen.

“Doe dit—” riep de koning uit, “ik zal verheugd zijn uw dappere mannen in mijn land te zien.”

Hengist kwam terug met vele helden uit zijn volk, daarna zeide hij, dat Vortigern hem niet had beloond, gelijk 't betaamde.

“Ik ben de zoon van Friesland's hertog, Udolph Haron,” waren zijn woorden, “en ik zeg u, dat gij mij een stad zult geven, met muren omringd, waar ik temidden van mijn volk kan leven. Dit komt mij, Hengist, Udolph Haron's zoon toe.”

“De wetten mijner voorouderen,” sprak de koning, “verbieden mij, vreemdelingen land te geven. Zoo ik dit toch zou doen, zou mijn volk mij veroordeelen. Wil toch niet zien naar mijn hand, die zonder de stem van mijn hart kan geven; zie echter naar mijn hart, dat van vriendschap voor u is vervuld.”

“Maar een man wil zijn eigen grond hebben,” riep de held uit, “en waar hij dit niet heeft, is hij droeve en eenzaam. Geef mij een stukje van uw land, al is het maar zoo klein, dat het met een ossenhuid kan worden omspannen.”

Dit beloofde hem Vortigern, en Hengist nam een ossenhuid, die hij in kleine stukjes sneed; hij legde deze wijdBladzijde 319uit, en zoo kreeg hij een groot gebied, dat hij van sterke muren voorzag. De stad bood niet alleen ruimte voor het volk, dat er toentertijde was, doch zelfs voor vele Friezen, die nog bij Hengist en Horsa kwamen: onder dezen was ook Roxina, de dochter zijner zuster. Toen nu eens de koning naar de stad der Friezen kwam—Lancaster is deze thans genaamd—zag hij Roxina, en hij was blijde om haar schoonheid.

“Laat zij mijn vrouw zijn,” zoo smeekte hij Hengist.

Toen beraadslaagde deze met zijn broeder en zijn heeren, en ze vroegen in ruil voor Roxina een stuk land, opdat daar volk kon wonen. Dit dan geschiedde.

Maar nadat 's konings edellieden hadden gezien, hoe de Friezen bij Vortigern geëerd waren, en hoe zij akkers sloten aan akkers, huizen aan huizen, werden zij bevreesd om hun eigen macht, en ze vroegen den koning, dat hij het volk der vreemdelingen weder zou verdrijven.

't Hart van den koning was echter voor hun stemmen gesloten, en hij liet de Friezen binnen hun landpalen blijven. Daarom riepen zijn ridderen een zijner zonen tot koning uit, en met een sterk leger trok men Hengist en de zijnen tegemoet, vreemdelingen op dezen grond. In het hevig gevecht, dat volgde, sneuvelde Horsa, en de Friezen werden verslagen en verdreven. Het duurde echter niet lang, of zij keerden weder. De zoon des konings, die als vorst was uitgeroepen, werd vermoord; toen zond Roxina een bode naar Hengist, om hem te zeggen, dat zij hem weder wachtte.

Met veel schepen zeilend naderde de held Brittannië. De koning en zijn heeren waren hierover zeer vertoornd, en ze wilden hem weren. Dit berichtte Roxina opnieuw aan haar volk. Hengist zond daarom boden naar Vortigern, die hem zeide:

“Niet om grond te winnen, treden de Friezen weder in uw land, noch om te vernielen, wat u toebehoort. Zij willen u beschermen tegen uw vijanden. Geef ons volkBladzijde 320toch een stad, waar wij kunnen wonen. Hierover kunnen wij beraadslagen.”

De koning bepaalde, dat zij tezamen zouden komen bij Ambren: met al zijn heeren zou hij tegenwoordig zijn. Nadat dit Hengist gemeld was, beval hij zijn ridders, dat zij ieder een zwaard in de kleeding zouden verbergen. Wanneer hij zou roepen:

“Trekt uw wapen,” zou ieder zijn man dooden. Zij traden in de zaal, elk had zijn zwaard verborgen. Ieder dacht aan Horsa's dood. Wel werd Horsa dien dag gewroken.

“Trekt uw wapen,” kreet Hengist, en allen deden, wat hij bevolen had. De edelste ridders van Vortigern, zij, die opgetrokken waren tegen Hengist en Horsa, sneuvelden dien dag, ten getale van vierhonderd vijftig. Zoo herwonnen de Friezen hun stad, en ze waren tot een geesel over het land, om Horsa's dood.Bladzijde 321

In de dagen, dat eindelijk Dordrecht en 't land daarom tot het Christendom waren bekeerd, woonde in de stad een vrome maagd, Zuwaert genaamd. Zij was arm, want in haar beurs waren slechts drie penningen, doch ze was rijk, want de drie penningen in haar beurs bleven, wat zij ook kocht. Om dit wonder was ze zeer blijde, niet wegens het geld, dat zij altijd bij zich droeg—doch omdat zij een kerk wilde stichten van haar drie penningen. Zij nam werklieden in haar dienst, die zij de kerk liet bouwen, en ze betaalde hun eerlijk loon uit, al waren het steeds drie penningen, die zij gaf—drie penningen en drie penningen en drie penningen, tot de berg van koperen munt hoog werd, en zij wel een kerk had kunnen bouwen niet alleen van steenen, maar van geld. De werklieden zeiden tegen elkander, dat Zuwaert wel zeer rijk moest zijn, daar zij alléén het grootsche werk volbracht, en zij besloten, om haar te vermoorden en haar van haar geld te berooven. Eens vonden ze haar op een eenzamen weg. Ze aarzelden niet lang, en ze doodden haar. Vervolgens doorzochten zij haar beurs, doch ze vonden slechts drie penningen, drie koperen penningen, en daarom was de moord geschied. Op de plaats, waar zij gestorven was, zagen zij helder water, dat een uitweg zocht van den donkeren grond naar den lichten hemel—een bron ontsprong. Toen werden de werklieden angstig, omdat zij niet meer dan drie penningen hadden gevonden in de altijdrijke beurs der vrouw, en omdat zij de bron zagen, die er vroeger niet was geweest. Ze werden gevat, en men veroordeelde hen ter dood. Zij nu hadden veel berouw om de zonde, die zij bedreven hadden. Tot hun bevrijding rees Zuwaert levend uit haar graf, en ze verloste hen van hun zware boeien. Ze voerde hen naar Rome, waar zij den paus hun misdaad beleden. Zuwaert toonde hem haar hals, waar diep het litteeken in was, dat wel een roode draad geleek, in snoer om den nek gewonden. Zij verteldeBladzijde 322hem van de drie penningen, die geen drie penningen waren, altijd voortdurende, zoolang zij het had gewild.

Figuur 30.Zuwaert, de martelares van DordrechtZuwaert, de martelares van Dordrecht

Zuwaert, de martelares van Dordrecht

Zuwaert, de martelares van Dordrecht

Drie koperen penningen waren het, en daarvan bouwde zij de kerk: drie penningen werden zes en zes werden negen en negen werden twaalf; zonder ophouden gingen de penningen door, en zij telden zichzelf. Daarom was ze vermoord, om een rijkdom, die er niet was, en 't litteeken sprak van de drie penningen. Maar toen de drie penningen waren geroofd, bleven zij drie penningen, en ze werden niet meer vermeerderd. Hoe moest nu de kerkvan Dordrecht worden gebouwd?

Toen zegende de paus haar, en gaf haar groote aflaten, even machtig als de drie penningen. Want uit 't geld werden vrome steenen en opene deuren. En het volk in de oude stad was blijde om de kerk, uit het wonder geboren.

Zuwaert is zalig gestorven, niemand weet hoe en waar. Maar haar ter eere sprong de bron, en 't water vlood, drie dreupelen bij drie dreupelen tot een hoogen straal. Want uit de kleine dingen worden de groote geboren, en drie dreupelen worden zes, zes worden negen, negen twaalf, en 't wil niet eindigen in het zichzelf-vermeerderen.Bladzijde 323

Omstreeks het jaar 850 na Christus heerschte er over het land van Heusden de heer Robert, gehuwd met Ida, de dochter van den Cuykschen graaf. Zij hadden een zoon Boudewijn, een jonge, moedige knaap: maar toen het noodlot kwam over zijn vader's rijk, de roovende Denen en Noren, was hij niet oud genoeg, om hen te keeren. De heer Robert was een grijsaard, bevend van handen, en hij vluchtte naar Brabant, om den dood te ontgaan. Boudewijn volgde hem niet, maar hij ging naar Engeland, waar in deze dagen koning Elderik regeerde, die een dochter had, Sophia geheeten, niet veel jonger dan Boudewijn. Hoe wist zij, dat ze hem liefhad? Nooit toch had ze naar hem gezien, noch als hij in de zaal was, bij haar vader, noch als hij ter jacht uitreed; zij scheen niet te luisteren naar zijn stem, die oud klonk in den raad, jong in het spel. Hoe wist ze, dat hij bestond? Hoe wist ze, dat hij haar liefhad? Ze sprak een zoet geheim tot zichzelf, wanneer hij in haar nabijheid was. Doch ook … hoe begreephij, dat ze hem gaarne mocht? Zag ze dan toch naar hem? Hief ze haar hoofd iets op, als hij wat zeide—en bemerkte hij dit? O! 't wonderlijke spel van gelieven, die begrijpen, zonder te weten. Er kwam een dag, dat hij met haar sprak—even—zijn stem gleed langs haar heen, zelfs geen echo bleef, en toch was het haar, of de blijde klank om haar was, allerwege, zooals vogelenzang om u is in de eenzaamheid van een zomerdag. De wegen, die ze ging, waren anders voor haar geworden, de blauwe lucht dieper, en 't scheen haar, of ze de kleinste dingen des levens liefhad. Meermalen hoorde ze de jonge ridderen aan haar vader's hof met elkander lachen en praten … dan hoorde ze zijn stem, wanneer hij sprak, hoe zacht ze ook klonk … en ze was gelukkig. Dat ze Boudewijn niet mocht liefhebben—hij, die slechts haar vader's dienaar was—bedacht ze nooit. Elke dag werd haar tot een bedwelming, iedere nacht een fluisterendBladzijde 324geheim. Hij van zijn kant, nadat hij had gehoord, hoe haar stem trilde, was angstig om hun beider jonge liefde. Wat zou koning Elderik, zijn heer, zeggen, als men 't hem vertelde? Boudewijn besloot, om niet meer zijn stem te doen spreken, wanneer zij nabij hem was. Hij deed, of zij niet bestond, en hij wendde zijn blik naar anderen kant. Maar ook in het zwijgen heeft de liefde een klank … en zij vernamen dien beiden, als het ruischen van stroomend water in de verte. Toen zij dien klank hadden gehoord, werd 't leven duisternis, en zij luisterden naar den nacht, begrijpend, wat hen scheidde. Zoo geschiedde het, dat ze elkander eens op een eenzamen weg ontmoetten—het was tijdens de jacht, en zij beiden waren afgedwaald—en toch spraken ze niet. Angstig waren ze. Een ander maal stonden ze—hoe 't geviel, konden ze nooit verklaren op een veld alleen, en weder wilde hij zwijgend langs haar gaan. Dit keer gelukte 't hem niet. Hij moest zijn schreden in-houden, haar aanzien, en hij legde zijn hand aan 't hart. Zij stond stil en zag hem aan, haar oogen vergroot.

“Ik ga Engeland verlaten, jonkvrouw,” zeide hij dof.

“Waarom wilt gij Engeland verlaten?”

“Om een vrouw, die ik min en die ik niet minnen mag. De liefde is een arend: ongebonden streeft hij naar't zonlicht, gebonden buigt hij den kop van 't zonlicht af. Zoo ik hier langer blijf, zal mijn arend gebonden worden, en den kop buigen. Ga ik heen, dan misschien, leef ik in de verte, om wat ik dichtbij niet kan bereiken.”

“Waarom hebt gij 't hier niet kunnen bereiken?”

“Omdat ik geen edele prins ben, regeerend over wijde landen. Men heeft mij uit mijn rijk verdreven, en niets heb ik dan mijn trouwe handen. Neen, zeker zou 't niet wijs zijn, om mij de vrouw te geven, die ik min.”

“Zoo zij u dan lief heeft, Boudewijn?”

“Zoo zij mij lief heeft, wil ik voor haar liefde vluchten als voor een kwaden duivel. Zij moet koningin worden, niet de vrouw van een zwerveling.”

Bladzijde 325“Vraagt liefde naar rede? Zoo zij u lief had, zouden al haar dagen tot nachten worden, wanneer gij waart heengegaan. Heeft zij u dan niet noodig? Wil zij koningin zijn, en heeft zij den zwerveling niet lief? Luister naar uw hart, Boudewijn.”

Hij vluchtte. Waar hij ging, hoorde hij haar woorden:

“Luister naar uw hart, Boudewijn.”

Hij luisterde. Hij hoorde zijn hart spreken. Het zeide hem, dat hij haar vragen zou, om zijn lot tot 't hare te maken. Kon hij buiten haar—zij buiten hem—leven? Hij luisterde naar zijn hart, en 't duizelde hem. Hij behoefde niet meer te vragen, wat koning Elderik hem beval. Hij gunde Sophia niet aan een ander, of hij koning of keizer ware. Zijn vrouw moest ze worden, en elke harteslag beval hem, haar lief te hebben, en haar mede te nemen, al werd hij later ook arm en verlaten. Dit zeide hij haar, nadat hij haar ten derde male had ontmoet, en zij hoorde naar zijn woorden.

“Hebt gij dan toch naar uw hart geluisterd?” riep ze eindelijk, duizelend van geluk. “Ik heb niet gevraagd, mijn lief, om koningin te worden van een koninkrijk. Alleen voor u wil ik zijn: leven en lachen en lijdende sterven, zoo dit moet wezen.”

Zij kusten elkander, want al waren haar woorden ernstig, zij beiden dachten niet na over het wachtende lijden.

“Laten we vluchten,” riep hij blijde, “over de zee naar het land, waar ik geboren ben. Daar zal ik u weten te verbergen, zoodat uw vader, de koning, ons niet zal vinden. Nooit zult ge hem wederzien, maar bij mij zult gij gelukkig zijn.”

Ze gingen met gunstigen wind over zee. Slechts een kamerdienaar en een knecht waren bij de edele koningsdochter—dit waren allen, die haar trouw waren. Het milde maanlicht was over het water. Zij zagen naar de glans-spelende golven, en dankbaarheid was er in hun hart om dezen wonderlijken nacht, waarin alles licht was.

Niet te zuidelijk voer hun schip. Ze kwamen in ZeelandBladzijde 326aan, en vandaar reden ze naar het slot Megen; hier bleven ze langen tijd.

De koning van Engeland, Elderik, zond boden naar alle deelen der wereld, naar Schotland, Ierland, Frankrijk, Brabant en Denemarken, doch ze keerden zonder tijding weerom, al hadden zich velen vermomd, om beter te kunnen vorschen. Zoo waren ook dikwijls marskramers het slot van Megen voorbijgegaan. Ze hadden gespeurd naar brug, muur en torens, zonder Sophia te ontdekken.

De Noren en de Denen waren uit het land van Heusden weder verdwenen, doch het kasteel lag in puin. Robert, de heer, herbouwde het niet. Hij was een heel oud man geworden, steunend op zijn stok, en zijn gedachten leefden altijd in het verleden. Iederen steen bezag hij, en het scheen wel met vreugde; het was hem onmogelijk te denken aan den herbouw van 't kasteel. Toen hij stierf, dacht men, dat de ruïne zou blijven, want niemand vermoedde, dat Boudewijn ooit zou terugkeeren. Maar nauwelijks was zijn vader dood, of de jonge edelman kwam in het land van Heusden, met zijn vrouw, en hun twee zonen, Edmond en Robert. Nu immers—dachten zij—zou koning Elderik niet meer zoeken, waar zijn dochter was: daarom bouwden zij het kasteel weder op, en van het puin bleef niets over.

Doch daarna was het geluk voor hen, die arme zwervelingen waren geweest, te groot, om lang te kunnen wachten. Het waren slechts enkele jaren, in duur gelijk aan de kortheid enkeler dagen, die voor hen overbleven; de Dood loerde op iederen lach, en als zij tezamen waren, schudde Hij zijn vuist. Gevoelden zij Zijn killen adem, als zij na den lach weer met elkander spraken? Dan waren hun beide stemmen dof, en ze zagen elkaar aan met een blik, die zeide:

“Het kan niet lang duren. Zijn leven en dood, die nu buiten ons kasteel staan, niet wreed? Als zij bij ons binnen-treden, zullen ze ons van elkander slaan—”

Ze durfden ten laatste niet meer te lachen. De angstBladzijde 327was in hen verborgen, dat de lach hun noodlot zou lokken. Ze lieten hun gedachten drijven naar de oude dagen, dat zij elkander hadden ontmoet, en dan was 't hun, of eerst lange jaren van geluk hen zouden kunnen beloonen voor al het leed, dat het eenzame zwerven had gebracht. Plotseling ontdekten ze tegelijkertijd, dat ze ook voor hun stille gepeinzen begonnen te vreezen, en daarom zaten ze voortaan tezamen, zonder te spreken en zonder te denken. De uren, de dagen, de maanden, ze stroomden voorbij als 't water van een rivier in den herfst. Ze wisten niet, dat de tijd verdwenen was, en dat leven en dood, buiten hun kasteel wachtend, zich eindelijk om hun liefde zouden wreken.

Op het oogenblik, dat hij ziek werd, wisten zij beiden, dat hun geluk zou eindigen. Ze klaagden niet om den dood zelve: ze klaagden om de liefde, die hun zooveel had beloofd. Ze hoorden wederhun eigen jonge stemmen. Waarom hadden ze gelachen en niet geweend? Ze leerden het in deze dagen, om den dood niet te vloeken en Hem noemden ze in hun gedachten niet meer wreed.

“O! moet ik leven zonder u, Boudewijn,” weende ze. “Beter is het nog, dat kinderen hun moeder verliezen dan hun vader, want ik kan niet leeren, om in het leven te speuren. Ik kan alleen voor hen werken en hen troosten in klein verdriet. En ik-zelf dan? Ben ik niet mede een kind, dat gij in 't leven achterlaat?”

“Schrei niet,” schreide hij. “Vertrouw op God, die alle dingen ten goede leidt. Als uw vader, die even machtig is als het leven, u niet ontdekt, zijt ge hier veilig met onze twee zonen, Edmond en Robert. Vergeet mij nimmer, want geloof me, slechts eenmaal hebben menschen lief, een tweede liefde is verloren geluk. Vaarwel, en bid voor mijn arme ziel.”

Zoo stierf hij, gelijk zoovelen, die niet kunnen worden gemist, en toch gaat de tredmolen des levens voort. Niets verandert er. De bloemen geuren, de vogels zingen, deBladzijde 328lucht is blauw of grijs, het graan buigt. Zij, die achterblijven, gaan verwonderd over deze aarde, en ze begrijpen niet, waarom de wereld dezelfde bleef.

Sophia woonde met haar twee kinderen op het slot van Heusden, en zij lieten de dagen langs zich heen-gaan. Nooit kwamen er menschen in het kasteel: langzamerhand werden voor de drie eenzame menschen alle dingen buiten het slot verre en nevelig. Ja, soms dacht de vrouwe, dat Engeland niet bestond, en om de dagen, dat ze met Boudewijn door 't glanzend veld was gegaan, glimlachte ze. Maar eens bemerkte ze, dat het niet alleen droomen waren, waarin ze hadden geleefd.

Op een dag trad een marskramer de zaal binnen. Hij was gehuld in vellen van uitheemsche dieren, en men zag aan zijn voorkomen, zijn kleeding, de waar, die hij te koop bood, dat hij een langen tocht had gemaakt. Het scheen, dat de vrouwe van Heusden een oogwenk terugweek, terwijl zij hem en de dingen uit zijn mars zag, maar toen hij haar in het Duitsch had toegesproken, boog zij rustig het hoofd, om zijn koopwaar te keuren: het was dus geen Engelschman, die in de zaal stond. Zij zocht uit, wat ze noodig had. Toen glimlachte hij.

“Ik ken u wel, koningsdochter,” zeide hij in het Engelsch, “ik ben uw landgenoot, en dikwijls heb ik u gezien.”

“Verraad me niet,” smeekte ze, “bij koning Elderik. Laat mij hier in eenzaamheid wonen, en laat mijn vader vergeten, wie zijn dochter is.”

“Waarom zal ik zwijgen?”

“Mijn vader verwijt me, dat ik met zijn dienaar ben getrouwd, en ik hem heb liefgehad. Daarom wil ik mijn vader niet weer zien, en hij behoeft niet te weten, waar ik ben. Belooft ge mij, dat gij 't hem niet zeggen zult?”

“Ik beloof 't u.”

Hij ging heen, de mars op zijn rug. Nadat hij was vertrokken, vroegen Robert en Edmond hun moeder, wat hij had gezegd, en ze luisterden met verwondering naarBladzijde 329haar antwoord. Waren zij koningskinderen? Toen werden zij blijde om het leven. Zij smeekten, dat ze niet in het stille kasteel zouden blijven. Ridderen waren zij, die aan 't hof behoorden.

“Blijft hier—” klaagde de moeder.

“Laat ons gaan—,” riep Edmond, de oudste, uit. “Koning Elderik zal ons goed ontvangen, en we beloven u, trouw en moedig te zijn.”

“Luister niet alleen naar de stem van uw hart—o! denkt ook aan mij.”

“We zijn jong. Wil iemand, die ouder is, ons tegenhouden?”

“Ik wil niet, dat gij gaat. Hoe weet ge, dat koning Elderik u goed zal ontvangen? Begrijpt, dat ik wel een koningsdochter ben, doch uw vader was slechts de dienaar van mijn vader.”

Hierna zwegen ze, en zagen ze vóór zich; en Sophia vergat, dat de marskramer bij haar was geweest, want nooit meer spraken haar zonen over hun geboorte. Ze wist niet, dat de koopman een bode was, die door koning Elderik was afgezonden. Ze vertrouwde op zijn woord, dat hij zwijgen zou. Daar de dagen werden, wat ze vroeger waren geweest, geloofde de vrouwe van Heusden, dat ze nooit weder zouden veranderen.

De marskramer had niet lang vertoefd in de lage landen. Nergens had hij zijn koopwaar meer aangeboden, immers dacht hij:

“Ik draag een tijding bij me, die duizend goudstukken waard is. Laat ik gaan naar koning Elderik, en hem zeggen, dat zijn dochter leeft, en dat haar man, die dienaar was aan zijn hof, is gestorven. Duizend goudstukken zal hij me daarvoor betalen, en hoeveel voor de andere tijding, dat er nog twee jonge knapen van koninklijk bloed zijn? Zoo de eerste tijding duizend waard is, hoeveel dan de tweede?”

Aan zijn belofte dacht hij niet meer. Zoo spoedig hij kon, ging hij naar Engeland, naar koning Elderik's hof. Hij wasBladzijde 330niet als andere boden, die na hun tocht met gebogen hoofd de zaal binnen-traden. Recht was hij, en zijn stem was luide.

“Koning Elderik! heil! Ik heb uw dochter gevonden. Boudewijn is dood. Ik heb de kinderen van de prinses gezien, stoere knapen zijn het.”

Toen weende de koning van vreugde. Hij spaarde zijn schatkamer niet, om het goede nieuws te beloonen. Hij zond een luisterrijken stoet van edellieden naar Nederland, teneinde zijn dochter en haar zonen te geleiden.

Het was op een stillen herfstmorgen, dat zij in Heusden aankwamen. De koningsdochter zat voor het roode spinnewiel, en lette slechts op haar werk. Het rad snorde. Toen was er een groot rumoer buiten, en ze schrok op. Ze zag dan stoet van Engelsche edellieden, en ze bemerkte, dat verscheidene hunner glimlachten om het werk, dat zij verrichtte. Was het de dochter van koning Elderik, die zich zoo verlaagde? Maar nadat zij was opgestaan, werden allen angstig. Ja, het was een koningskind, dat tegenover hen stond, vol machtigen trots.

“Wat zoekt gij hier?”

Men reikte haar een brief van koning Elderik. Ze scheurde het zegel open, en zwijgend las ze. Haar vader vergaf haar, en riep haar tot zich. Niet langer meer behoefde ze in Heusden te blijven. Aan het vorstelijk hof was haar plaats.

“Ik ga niet meer naar mijn vader, den koning van Engeland. Zeg hem, dat ik met eerbied aan hem denk, maar nooit meer wil ik hem ontmoeten. Laat mij in het land wonen, waar Boudewijn gestorven is.”

“En uw kinderen?” vroeg de oudste der gezanten.

“Mijn kinderen? Ik smeek u, edele heeren, dat ze hier mogen blijven.”

“De plaats der mannen is niet bij hun moeder. De Engelsche koning eischt hen op, en ge zult hen met ons zenden.”

De knapen voegden zich bij de gezanten, en Sophia van Heusden stond alleen. Het scheen haar, of ze slechts de eenzaamheid had gekend, nadat Boudewijn gestorven was.Bladzijde 331Wat had de wereld haar beloofd, en wat gegeven? Ze was moede … Hoe kon ze denken, dat zij alleen tegen al de machten des levens kon strijden?

“Het is goed, dat mijn zonen met u medegaan,” zeide ze met matte stem, “beter is het, dat zij heden vertrekken dan morgen, beter op dit uur dan het volgend. Zij willen immers niet bij me blijven? Ik zal niet meer verlaten zijn dan vroeger.” Haar handen steunden op het spinnewiel, want het was haar, of ze niet meer rechtop zou kunnen staan. Ze was een oude vrouw geworden in dit korte oogenblik, en het was alles, wat overbleef van de mooie Sophia, dochter van koning Elderik. Haar zonen gingen met de ridderen, en Edmond zag ze nooit weer. Robert echter kwam een dag bij haar, met een brief van haar vader; en, als vele jaren geleden, verbrak ze zwijgend het zegel.

Figuur 31.“Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan.”“Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan.”

“Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan.”

“Het is goed dat mijn zonen met u mede gaan.”

“Ik zal in dit land blijven,” sprak ze, “waar Boudewijn is gestorven. Geen ander land zal mijn graf zijn.”

Haar stem was nu een verre, vreemde, als van iemand, die alleen in zichzelf leeft, en nooit iets anders heeft gehoord dan haar eigen gedachten. Vol blijdschap vertelde hij haar van het wapen der heeren van Heusden, dat hun koning Elderik had geschonken: een rood wiel op een gouden veld, omdat de ridderen hun moeder hadden gezien, spinnend aan een rood spinnerad. Ze luisterde naar zijn jonge stem, klinkend, of hij het leven had overwonnen. Peinsde ze over haar eigenjeugd? Ook haar en Boudewijn's stem hadden zóó geklonken.

“Ga naar het hof van den koning. Hij verwacht u met liefde,” zeide Robert, die niet begreep, hoe iemand dit zou kunnen weigeren. Aan een koning's hof.

“Ik wil sterven in dit land,” riep ze toornig, met al den wil, die het geheele leven en lijden in haar had opgeborgen. “In dit land is mijn liefste, Boudewijn, gestorven. Hij was de dienaar van mijn vader, maar ik heb hem lief, verder dan de grenzen dezer aarde.” Toen werd haar stem weder moede. “Zeg dit den koning.”Bladzijde 332

Een hulpeloos schip in den woedenden storm, en het land nabij. De golven sloegen tegen het zwakke hout, en de wind floot langs de zeilen. De storm eindigde niet, en dreefhet schip Westwaarts en Oostwaarts, Noordwaarts en Zuidwaarts; geen stuurmanskunst kon het leiden. De storm was meester.

De kapitein van der Decken stond bij de mast, en had zijn handen tot vuisten gebald.

“De duivel! ik zal het land bereiken, al zou ik tot den jongsten dag moeten varen.”

“Hahaha,” joelde de storm. “Hahaha,” lachte de duivel. Aan dek van het schip sprak niemand meer een woord. De wind floot. De golven zwiepten en zweepten. Het land was nabij, en bleef verre. De storm duurde voort, van eeuwigheid tot eeuwigheid, geen seconde ging voorbij, zonder den wind.

Figuur 32.De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheidDe storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid

De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid

De storm duurde voort van eeuwigheid tot eeuwigheid

“Laat mij sterven,” bad van der Decken. “Hahaha,” joelde de storm.

De wind dreef hem naar een rots. Te pletter zou 't schip nu loopen. Dit was het einde. Maar de wind dreef hen weder terug. Een kaper naderde. Was er niet een schip in nood? Zeker zou het rijke schatten aan boord dragen. Het was van een Hollander. De storm lachte. Recht-aan zeilden de roovers op de buit toe. Hahahaha—als zij dichtbij waren, sloeg de wind de twee vaartuigen vaneen, en nooit kwamen ze weder tezamen.

“Hahaha,” schreeuwde de duivel, “tot den jongsten dag zult ge varen, als ge niet door de trouw van een meisje wordt verlost. Maar trouw bestaat niet op deze wereld. Haha! Zeil—nooit zult ge rust vinden.”

“Laat mij eens in de zeven jaren aan land gaan—vind ik geen trouw, dan zal ik weer mijn schip bestijgen en zeilen, waar de storm mij slaat.”

“Eens in de zeven jaren—een enkelen nacht—Lach, alle duivelen!”

Bladzijde 333Alle booze geesten lachten; maar boven dezen lach klonk de lach des storms.

“Haha—zeven jaren geslagen aan zeven jaren worden de eeuwigheid. Op! wolken met bliksem, en gierende wind en regen, drijf mij aan tot den jongsten dag. Vloek den Vliegenden Hollander. Op, eeuwig lachen.”

En van alle kanten spotte de lach.

Brieven waren er aan boord, die aan gestorven menschen waren geschreven. Als de brieven maar bezorgd werden. Was er niet in de verte een ander schip? De Hollander praaide. “Neem brieven voor me mee!” riep hij, en hij gooide in den gierenden storm alles over, wat hij kon. Dan werden ze gescheiden. Wee het schip! als de brieven niet aan den mast werden gespijkerd, of wanneer er geer bijbel aan boord was. Het stiet dan tegen een rif en verging.

Om de zeven jaren was er een stille nacht. De sterren blonken. Stil lagen de golven. De Hollander met zijn mannen stapten aan wal. De wegen waren vredig, er was geen gerucht, geritsel en niemand kwamen ze tegen. Des morgens begon de storm weder, met duizelingwekkenden, alles-meeslepender lach. Ze moesten aan boord, de ongelukkigen. Ze werden geslingerd van golf tot golf, en het duurde weder zeven jaren, zeven jaren na zeven jaren.

Aan de kust van Schotland woonde een schipper op een eenzamen berg. In zijn woning hing de schilderij van een jongen, bleeken man, en nooit had de dochter van den schipper verlangd naar zang en dans. Des avonds, als alle jonge menschen op de wijde wegen waren, zat zij in haar huis, en bij 't flikkerend kaarselicht staarde zij naar het schilderij, zichzelf afvragend met angst en geluk, wie die jonge man kon zijn. Soms scheen het haar, of de bleeke lippen zich bewogen, en of er levende smart in zijn oogen was. Dan hoorde ze hem spreken.

“Kom ten dans op de altijd-schuimende golven, als de storm de bruiloftsmuziek speelt. De zee is onze zaal, deBladzijde 334bliksem ons licht, de wind blaast met duizend doedelzakken. Vereenig u met mij in leven en dood, vraag niet naar zegen of vloek, als gij mij liefhebt.”

“Ik heb u lief,” klaagde zij.

Het was in een vreeselijken nacht, dat een schip haar vader's huis naderde. Alle zeilen waren gespannen, één doel had het zwarte schip: de rots.

“Te pletter zal hij stooten,” riep de schipper.

Hij ging met zijn kleine boot den Hollander tegemoet. Hij riep hem uit de verte toe, dat hij in gevaarlijke branding was.

“Kom aan boord,” riep van der Decken. “Er zal u noch mij leed geschieden. Zeven jaren zijn voorbij. De zee zal roerloos worden.”

De golven werden stil, nadat zijn stem had gesproken. De stormwind zweeg. De Schot kon rustig het zwarte schip bestijgen.

“Bij u moet ik zijn,” zeide de kapitein. “Laat mij één nacht in uw huis wonen, en alle schatten aan boord zijn van u. Ga mee naar de kajuit, ik zal u kostbaarheden toonen, zooals gij ze nog nooit hebt gezien.”

Hij opende de kasten en laden, en zooals zonnelicht, dat de duisternis opent, stroomden de edelsteenen naar alle zijden. De schragen der kasten waren van goud. De laden waren met zilver beslagen. De tafelen waren van rozenhout, met ivoor belegd.

“Dit alles is aan u voor één nacht onderdak,” zei de Hollander.

“Ga met mij mede,” riep de schipper.

“Hebt gij een dochter?”

“Ja, heer.”

“Ik zal met haar trouwen.”

“Een zoo rijk man als gij?”

“Is zij trouw? Geld en goed zijn van den Duivel, de trouw is van God. Kunnen haar woorden liegen?”

“Zij is eerlijk, heer, en den leugen haat ze als den Satan der menschheid.”

Bladzijde 335“Ik ga mede.” Hij trad 't huis binnen, en 't meisje kwam hem tegemoet, als een lang-verwacht gast. Zonder een woord te zeggen, wees ze naar het schilderij. Hij zette zich naast haar, en hij vroeg haar met diepe stem, of zij hem had verwacht.

“Ja.”

“Ook ik heb u gezocht, vele eeuwen zocht mijn ziel de uwe. Want wij behooren bij elkander. Om de zeven jaren ging ik aan land, om u te treffen, doch dit geschiedde nooit. Ik moest terugkeeren in den wachtenden storm.”

“Ik zat bij uw beeld, omdat ik u al vroeger had gezien. Waar? Waar? Ik kon 't antwoord niet vinden. Ik zag naar uw lippen, eens had ik ze eerder gezien bij een levend mensch. Waar? Waar? Uw oogen, met al het leed, dat ik niet kende, en dat ik toch al had ondervonden. Waar? Waar? Hoe? Ook mijn ziel heeft de uwe gezocht, en zonder uw ziel was mijn ziel verlaten.”

“Stil! is er geen storm?”

“Wat spreekt gij van storm? De avond is vredig.”

“Zijn er geen wolken aan de lucht, donker en dreigend?” “Alle sterren schitteren.”

“Roepen mijn mannen mij niet, dat ik weer aan boord zal gaan?”

“Het is stil op zee.”

“Hebt gij me lief?”

“Ja.”

“Ge kent me. Weet ge, wie ik ben.”

“Noem uw naam.”

“Als ik mijn naam noem, zijt ge mij niet meer trouw. Als gij me niet meer trouw zijt, wordt gij verdoemd. Dat is de wet.”

“Ik vrees de wet niet. Ik ben u trouw.”

“Hebt gij mijn naam ooit gehoord?”

“Niet den naam, dien gij nu draagt. Wel den naam, dien ik liefhad.”

“De Vliegende Hollander heet ik. Ik heb den DuivelBladzijde 336verzocht, en er bestaat geen verlossing voor me, anders dan door u. Als ik verlost word, moet ik sterven. Niet een levend man hebt gij lief.”

“Lief heb ik de eeuwige ziel. Mijn ziel zoekt de uwe.”

“De storm steekt op in de verte.”

“Het is een ver gerucht, dat menschen maken.”

“Het is de storm. Luister!”

“Ik vrees niet—”

“De golven slaan tegen mijn schip. De mannen roepen mij.”

“Ik ben bereid met u te gaan.”

“Niet met mij. Blijf!”

“Ik ga met u.”

“Ik wil niet, dat ge met mij gaat. Liever wil ik rusteloos zwerven, nu eeuwig rusteloos, want na dezen dag vind ik u niet weder. De golven zullen slaan, de storm zal huilen, en ik zal nooit meer aan land gaan, want ik heb er niets meer te zoeken. Vaarwel.”

“Niet vaarwel.” Ze legde haar armen om zijn hals. “De morgen is nog verre. Blijf bij mij. Nog eenige uren leven, tezamen leven.”

“Dieper is dan 't ongeluk na zooveel geluk. Geen herinnering meer mag uw ziel, mijn ziel zoekend, bezitten. Ik zeg u, dat ik verdoemd wil zijn.”

“Ik ben trouw. Uw noodlot is, dat ik trouw ben, en daarom zal ik moeten sterven, gelijk zoovelen.”

“Duizenden levens zijn in uw eene leven besloten. Bedenk, dat het beter is, niet veel geluk te kennen. Laat me dus gaan.”

“Ben ik niet een ziel aan u gelijk, zwervend in eeuwigheid, gaande van tijd op tijd aan rustig land? Trouw wil ik zijn.”

“Gij zult 't niet zijn. Blijf leven.”

“Ik zeg geen vaarwel.”

“Ik verlaat u.”

“Ik ga met u.”

Bladzijde 337Zij gingen tezamen. De zee lag wijd voor hen. Bliksemsnel schreed hij over de golven naar 't wachtend schip. De storm werd luider: al aan den horizon was zijn lach, dien de schuimende golven mededroegen.

“Vaarwel—”, antwoordde ze van de hooge rots. “Ik wil bij u zijn. Ik ben u trouw tot in den dood.”

Zij stortte zich in zee.

Toen kraakte het schip in zijn gebinten, en de Vliegende Hollander zonk in de zee, verlost van den vloek.Bladzijde 338


Back to IndexNext