Hoofdstuk X

Lang geleden was Westerschouwen op Walcheren een groote visschershaven, welks schepen trotsch de Noordzee bevoeren; zij brachten rijke lading mede, iederen keer, dat ze de haven hadden verlaten, en de visschers werden overmoedig door hun welvaart, wreed en spotziek van nature. Zij meenden, dat geen haven aan de hunne gelijk was, en ze gevoelden zich als trotsche heerschers, die met harde voetstappen over de aarde schrijden.

“Wie is er gelijk aan de visschers van Westerschouwen?” dachten ze.

Eens waren ze er weder uitgegaan, en hun netten deden zij in zee zinken. Het duurde niet lang, of men haalde een der netten op, en men vond een mooie zeemeermin, die smeekte, dat men haar weer zou loslaten. Doch de hoogmoedige schippers lachten slechts en ze togen naar Westerschouwen terug, om hun vangst te toonen. Nimmer, naar hun heugenis, hadden visschers zulk een wonderlijke buit medegevoerd, en hun dronken hoogmoed deed hen lachen om de smart der blanke vrouw.

“Laat me gaan,” zoo riep zij in vertwijfeling, “visschers van Westerschouwen, en ge zult gezegend zijn.”

Een andere stem kwam uit de zee, en hoewel ze zwaarder was van toon, klonk ze als de echo van haar schaamte en haar leed. Men zag buiten boord, en weder lachte men, gelijk sterke mannen kunnen lachen, die zwakken mishandelen.

“Het is de zeemeerman,” riep men elkaar van de schepen toe, “hij zwemt met zijn kind in de armen.”

Groen zijn de haren van de zeemeerman, en gelijk golven, opgeslagen door den Westwind (als er geen zonlicht is over de zee), vloeien ze groen over zijn schuimwitten rug. Het gelaat is bruin van kleur, als een stuk hout, dat veel dagen in zee heeft gedreven, en de baard warrelt er in groene striemen omheen en over.

Bladzijde 68Het kindje, dat hij in zijn armen droeg, was blank van kopje, rug en beentjes, en het spartelde al aardig mede. Naar haar beide liefsten strekte de zeemeervrouw haar armen uit.

“O!” riep hij weenend, “geef me haar terug, want we waren gelukkig, booze visschers. Wat moet zij bij u doen? Ze zal zeker bij u sterven.”

Geen der wreede menschen antwoordde, en men zeilde de haven tegemoet. De zeemeerman vroeg niets meer, telkens dook hij naar boven, en hij zag alleen maar naar het wijfje, dat bijkans stervende was, en dat hem met haar oogen, reeds omfloerst door den nevel des Doods, trachtte te onderscheiden van zeeschuim en golven.

Dat was een groot gejuich, waarmede de Visschers aan wal sprongen! Een hunner tilde het net hoog, waarin het zeemeerwijfje gevangen was, en hij liet het beschouwen door de dwaas-gierende vrouwen en de verwonderde kinderen. De zeemeerman echter, die nu zeker wist, dat men haar niet uit kortswijl hield, zwom tot dicht bij het strand, en zijn armen strekte hij naar uit, verlangende en vertwijfelende.

“In 't riet is ons huis, van schelpen gebouwd, die wij hebben verzameld schelp voor schelp. Haar laatste gedachte zal aan 't huis zijn, en wilt gij haar doen sterven dichtbij uw donkere aarde? Hebt erbarmen.”

De vrouwen en de mannen lachten, en ze gevoelden hun macht. Voor teederheid was geen plaats in Westerschouwen, en men bond het net aan den watertoren.

Men zag, hoe de meerman tot vlak bij de haven kwam, en zich zoo hoog oprichtte, als hij kon. Men hoopte, dat hij nog eens zou smeeken om 't leven zijner vrouw. Doch hij zweeg en leed haar doodsstrijd mede, en 't was voor hem, wat voor een mensch het stroomen van bloed uit een slagader is. Voor haar werd de lucht nevel, en die nevel naderde snel. Ten laatste moest ze er de oogen gansch voor sluiten, en ze stierf met de gedachte aanBladzijde 69't schelpenhuis in het riet. Hij zag haar sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn, en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.

Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden hun lachlust aan zijn smart verzadigen.

Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen, golven om te verzwelgen? Zwaard om te houwen, spies om te schieten, bijl om te hakken?

Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers, en schaterden.

Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks macht en geweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen, keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.

De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:

“Westerschouwen, Westerschouwen,Het zal u berouwen,dat ge genomen hebt mijne vrouwe ….Westerschouwen zal daarom vergaan,de toren alleen zal blijven staan.”

Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje, en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.

Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof de woningen, het legde zich inBladzijde 70de straten terneder. Als door den storm een dak inviel, boog het zand zich hoog, en stortte door de opening naar beneden. Zoo een drempel vermolmde, een deur uit zijn scharnieren werd gedraaid, warrelde het in de kamers en keukens, en het dekte den vloer. Het werd hooger en hooger, het klom op tegen de wanden, het drong zich in de spleten, 't maakte hout en ijzer zwak. Als eindelijk een huis instortte, viel dit in een hoop mullen grond, en het verzonk als een lichte last.

Het zand kwam niet, waar de toren stond. De toren werd gespaard, terwijl de stad dieper en dieper daalde. Wel woei het stof even om zijn steenen, doch deze schenen het terug te kaatsen tot daar, waar de huizen begonnen.Bladzijde 71

Nog regeerde hertog Albrecht van Beieren over Holland, toen de tijding kwam, dat in het Purmermeer een zeemeermin was gevangen. Zij had geleefd in de Zuiderzee, en ze had zich steeds verborgen, als de visschers kwamen. Zij haatte de menschen. Zij hield alleen van het spel tusschen golven en zonneglans, als ze zwemmende niet wist, of het schuim der zee was of warm licht, waartusschen haar blanke armen kliefden.

De storm kwam op, en de wilde zee brak de dijken. De vloed voerde haar mede, en zij dreef het Purmermeer binnen, willoos, als was ze een stuk hout. Ze kon den weg niet meer terug vinden, en ze dook, om voedsel te vinden. Met mos en zuiver wier was ze bekleed.

Men herstelde de dijken, en de Zuiderzee trad binnen haar gebied terug, onmachtig ten slotte tegen de menschen.

Telkens moest de zeemeermin boven komen; en ze zwom dan rustig voort, totdat menschen naderden. Dan dook ze, zoolang ze kon, en ze werd angstig, als de menschen—meest waren het vrouwen, die booten met vee voortroeiden—haar konden zien. Ze wist niet, dat ook de menschen bang voor haar waren, al was hun nieuwsgierigheid even groot als hun vrees. Telkens dichter kwamen de vrouwen en maagden met haar booten bij de plaats, waar zij zwom, en ze bemerkten, dat het slechts een arme, weerlooze zeemeermin was, en ze kon niets dan plassen en ploeteren in het water.

Eindelijk hadden ze moeds genoeg, om heel dichtbij haar te komen, en met sterke armen hieven ze haar, hoe ze zich ook verzette, binnenboord. Ze voeren met haar in de stad Edam, en iedereen verwonderde zich over haar wezen. Ze trachtte zich verstaanbaar te maken, en men deed moeite haar woorden te begrijpen: deze waren echter zoo vreemd, dat het geen taal van menschen kon zijn.

Men wiesch haar schoon van het wier en het mos, dat haar als een lange, golvende mantel dekte, en men trokBladzijde 72haar vrouwenkleederen aan. Ook leerde men haar het voedsel der menschen eten: zij verzadigde er zich aan.

Toch verlangde zij ernaar, om weer in het vrije water te leven, en met wind en golven, haar vrienden te spelen. Telkens liep ze naar buiten, om zich in het meer te werpen met groote moeite hield men haar tegen.

Veel volk kwam haar bezien, en men sprak allerwege van haar.

Ook de bewoners van Haarlem—een machtige stad—hoorden van het wonder vertellen en ze zonden burgers uit, om haar in levenden lijve te aanschouwen. Ze keerden terug en zeiden:

“Het is een mooie zeemeermin, die men ons in Edam getoond heeft.”

“Wanneer het een mooie zeemeermin is,” mompelde een burger, “dan komt ze Haarlem méér toe dan Edam.”

Toen keerden zij, die haar gezien hadden, naar het kleine stadje aan de Zuiderzee terug, en ze vroegen, of Haarlem de zeemeermin bezitten mocht.

De Edammers waren hierover zeer bedroefd. Zij gingen tot de burgers der trotsche stad en vroegen:

“Wilt ge haar hebben?”

“Ja.”

Er was geen keus. De Haarlemmers voerden de blanke buit met zich mede, en ze deed haar intocht in Sint Bavo's veste.

Daar leerde men haar spinnen op een spinnewiel … rrr! deden de raderen.

Ze leefde er vele jaren lang, en nadat ze was gestorven, begroef men haar op het kerkhof der menschen, want dikwijls had ze het teeken des Kruises gemaakt.Bladzijde 73

Gezongen hebben de zeemeerminnen met haar liefelijke stemmen, zegen en vloek. Ze zijn in veel plaatsen van ons land geweest, en ook naar Muiden zwom een zeemeermin, zingende:

“Muiden zal Muiden blijven,Muiden zal nooit beklijven.”

Toen verdween ze.

Vele dorpen en steden zijn tot bloei gekomen, doch Muiden is Muiden gebleven, en zonder verandering Muiden, en zal Muiden blijven, tot in eeuwigen dage.

Uit een kruis van ijzer is Erasmus beeld gegoten. Daarom wellicht heeft het een wonderlijke macht.

Een boek draagt hij in zijn hand.

Onbeweeglijk blijft het boek, zoolang Rotterdam gelukkig is. Vrees niet voor het gemeenebest, wanneer het boek niet door de vingers des standbeelds wordt aangeroerd.

Wee! wee u! duizendmaal wee echter, gij trotsche Maasstad, als Erasmus een bladzijde uit zijn boek omdraait, want dan wacht u onheil.

Telkens, als er ongeluk zou komen, las het standbeeld verder.Bladzijde 74

Nog is Waleram's bloed ongewroken. In het land van Limburg klinkt zijn stem, ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten, doch geen echo laat ze na.

Waleram en Reginald van Valkenberg waren twee broeders, en beiden beminden ze met gelijke liefde de dochters des graven van Kleef, Alixe. Zij hadden er nog niet met elkander over gesproken, hoewel zij van oudsher gewoon waren, elkaar hun geheimen te belijden. Zij reden uit, en praatten over jacht en tournooi, over heldendaden en soms over een minstreel, die op het kasteel van Valkenberg had gespeeld, nimmer echter over Alixe van Kleef en hunne liefde.

Een waren zij tezamen zonder doel uitgereden. Er was in beiden een geheime begeerte: dat zij het slot van Kleef mochten bereiken. Zij lachten met elkander om onverschillige dingen. Eindelijk zeide Reginald:

“Het is jammer, dat het slot van Kleef zoo ver verwijderd is. We zouden anders kunnen trachten, er nog vóór den avond te komen.”

Stil besloot Waleram, de wonde niet te toonen, welke hem pijnigde. Hij betoomde zijn verlangen en antwoordde:

“Wat zouden wij in het slot van Kleef moeten vinden, Reginald?”

Zijn broeder haalde diep adem.

“Niets. Ik peinsde alleen over den grooten afstand.”

Het was Waleram's beurt, om meer te zeggen dan hij wilde:

“Zullen wij een wedstrijd houden, wie 't eerst aan 't slot van Kleef is?”

Reginald aarzelde. Zou zijn broeder het geheim bemerken, wanneer hij toegaf? Beter ware het onverschilligheid te huichelen.

“Waleram! heden ben ik te moede.”

“Moede—gij moede, Reginald? Als gij niet met me gaat, rijd ik alleen.”

Bladzijde 75De wedloop begon. Ze zetten hun edele paarden aan, nu eens was Reginald de eerste, dan weder Waleram. Zeker zouden ze tegelijkertijd nog vóór den avond het slot hebben bereikt, zoo Waleram's paard niet was gestruikeld, en dus Reginald eerder dan hij Kleef binnenreed. Nadat hij zijn naam had geroepen, liet de wachter de slotbrug neer, en de graaf met zijn dochter wachtten hem.

Het was niet met een blijden lach, dat ze hem begroette. Even slechts zag ze hem aan, daarna staarde ze langs hem heen, over den weg, en vroeg:

“Waar is Waleram, uw broeder?”

Liever had hij gewenscht, dat ze hem een dolk in 't hart had gestoken. Bekommerde zij zich meer om zijn broeder dan om hem? Drift deed zijn brein duizelen, en eerst met bovenmenschelijke moeite wist hij zich te bedwingen, om arglistig te lachen:

“Ge weet misschien niet, Alixe, dat mijn broeder een slecht ruiter is, zooals hij zich onbekwaam voelt in alle dingen, die eens ridders zijn. Daarom heb ik hem verre achter mij gelaten, temeer, daar mijn verlangen, om hier te zijn, mij aandreef.”

“En hebt ge dan niet op uw broeder gewacht?”

“Mijn verlangen was sterker dan mijn broederliefde.”

“Ge zult wel vermoeid en hongerig zijn van den langen tocht,” sprak de graaf hoffelijk, “volg ons naar de zaal.”

Nauwelijks waren zij gezeten, of de wachter voegde zich bij hen, en meldde, dat een tweede ruiter naderde. Toen schitterde Alixe's oogen, en vroolijk riep ze:

“Dat is Waleram.”

Hij trad binnen, met stof bedekt, en hinkende. Zij liep hem tegemoet, en heette hem met juichende stem welkom. Reginald wendde zijn blik van hem af; onwillekeurig zette zich Alixe naast Waleram.

“Ik was zeker tegelijkertijd met mijn broeder Reginald gekomen,” zoo sprak hij, “zoo niet mijn paard gestruikeld was. Vandaar ben ik met stof overdekt.”

Bladzijde 76Alixe zeide:

“Ge zijt ons welkom, hoe ge ook zijt.”

Waleram ging voort:

“Ik was verwonderd, dat mijn broeder mij niet wachtte, en verder reed, zonder zich om mij te bekommeren. Zeker heeft hij niet gezien, dat mijn paard struikelde.”

Reginald hief 't hoofd op, en lachte schamper:

“Ik meende, dat hij weder zulk een slechte ruiter was, zooals ik het Alixe heb verhaald. Gewoonlijk laat ik hem ver achter mij, daar ik bedrevener dan hij ben.”

Waleram liet de vuist op tafel zinken, en riep:

“Zoo Reginald mijn broeder niet ware, zou het zwaard tusschen ons beslissen.”

“Vertelt gij het sprookje, dat gij machtiger zijt dan ik, Waleram? De wedstrijd moet nog gestreden worden, waarin gij overwint.”

“Neen!” riep de graaf van Kleef, “zoo moogt gij beiden niet voortgaan. Het is niet goed, als broeders kampen. Beiden zijt ge dappere ridders, en dat moet u genoeg zijn.”

Alixe was opgestaan. Haar stem klonk toornig, terwijl zij uitriep:

“Het is Reginald, die dit begon. Waleram moest antwoorden, daar hij uitgedaagd werd. Het is Reginald, die Waleram den roem niet gunt. Nooit heb ik van hèm gehoord, dat hij Reginald belasterde.” Ze zette zich weder naast Waleram. Zij zwegen allen daarna. Hun gedachten sloten ze op. De broeders aten. Het duister van buiten legde een troebele schaduw door 't licht der zaal.

Alixe stond op, en liet de drie mannen tezamen. Aan den drempel wenschte ze hun een goeden nacht. Het was Waleram, dien ze daarbij aanzag.

Nadat zij alleen gelaten waren, duurde het zwijgen voort. Het scheen, of er, toen de nacht genaderd was, geen menschen meer waren, zóó stil bleven zij in hun zwijgen. Eindelijk—met moeite—zacht klonk zijn stem—was het de graaf van Kleef, die sprak.

Bladzijde 77“Broeders! Waleram en Reginald—bij alles, wat u heilig is en mij, gaarne gaf ik u beiden mijn dochter, Alixe, als dit mogelijk was. Daar Gods bestuur niet veranderd kan worden, zeg ik u, dat mijn dochter hem kan kiezen, dien ze mint. Zweer het mij, dat gij elkander als broeders zult liefhebben, welken man zij ook nemen wil. Want zoowaar als de vriendschap van vele mannen door de liefde verdwijnt, zoo zeg ik u als oud man: verwerp de vriendschap nooit lichtvaardig.”

De twee broeders zwegen, en de graaf ging voort als een smeekeling:

“Zweer het mij, Waleram en Reginald, dat gij elkander—”

“Waarom noemt ge den naam van Waleram het eerst?” riep Reginald rauw. “Hebt gij hem evenals Alixe meer lief dan mij? Ge denkt het eerst over hem.”

Waleram liet zijn vuist op tafel zinken.

“Ik duld uw beleedigingen niet meer, en ik noem u geen broeder. Zoo gij mij Alixe niet gunt, zij er vijandschap tusschen ons.”

“Ik neem uw uitdaging aan, wanneer Alixe heeft verklaard, wie ze liefheeft, mij of u! Van dat oogenblik zijn wij vijanden van elkander.”

“Niet zoo,” smeekte, de graaf van Kleef, “liever heb ik, dat geen van beiden mijn dochter verwerven zal.”

Zij drieën wisten, dat het onheil niet te keeren viel. Den volgenden morgen reden de beide broeders heen, en Alixe's stem zong achter hen:

“Waleram! keer spoedig bij ons weder. Waleram! keer spoedig bij ons weder. Reginald … Waleram! Waleram! Waleram.”

Het was kort daarna, dat Alixe Waleram beloofde, zijn vrouw te worden. Reginald vluchtte uit het land, en men was daarom gelukkig. “Want”—zoo meende men—“nu zal hij zichzelf tegen een booze daad willen beschermen. Over eenige jaren zal hij op den Valkenberg terugkeeren, enBladzijde 78de twee broeders zullen weder tezamen uitrijden, gelijk 't hun gewoonte was.” Sommigen zeiden, dat hij als boeteling ter bedevaart was getrokken, en zeker is het, dat Waleram en Alixe op hun huwelijksdag niets wisten dan hun geluk, en zich niet om het loerende gevaar bekommerden.

In den nacht reden ze naar het slot van Valkenberg. Zij zetten hun paarden tot meerderen spoed aan, en heel hun geluk lag besloten in 't ééne verlangen: dat ze uit de verte de tinnen en torens mochten zien rijzen uit het duister van den maanlicht-nevel. Woorden kenden zij niet meer.

Stapvoets deden ze hun paarden over de brug rijden. Alles was stil. Tastend in den donker, vast-omsloten, naderden zij het slaapvertrek.

Toen ontviel zij zijn armen. Hij zocht in den diepen nacht naar haar, waar zij gevallen was.

“Alixe!” riep hij.

Hij hoorde haar stem, verre—

“Vaarwel Waleram! Uw broeder—Zijn dolk was scherp—Waleram … vaarwel!”

Hij voelde, dat hij bij den keel werd gevat. Hij wilde zich verweren. Hij tuimelde over 't lichaam van Alixe, achterover … de linkerhand van zijn broeder omknelde zijn keel … de rechter, met het mes gewapend, zocht en vond zijn hart. Even nog snikte hij ….

“Broeder! gij hebt ons vermoord. Wraak over u!”

Reginald rende heen. Bij den maanlichten weg was een kleine beek. Hij boog zich voorover, en waschte zijn bebloede handen.

O wonder! toen hij de handen ophief, zag hij, dat het bloed niet verdwenen was. Nogmaals neigde hij zich; en legde de handen neer in de wild-stroomende beek. Het water sloeg over zijn vingers, langs zijn vingers—

Hij trok nu weder zijn handen naar zich toe. Het bloed stroomde op den grond. Het bloed bleef op de huid, en geen enkel waterdropje mengde er zich door.

Dichtbij de plaats, waar hij stond, woonde een kluizenaar.Bladzijde 79Tot hem ging Reginald, en wankelend trad hij de eenzame cel binnen. Hij toonde hem de bebloede hand.

“Vader!” zoo weende hij, “ziet mijne handen, rood van bloed. Ik heb mijn broeder vermoord—red mijn ziel. Bid, dat mijn handen weder worden als weleer. Bid voor mij, en geef mij uitkomst.”

“Zulk een zonde,” huiverde de kluizenaar, “is niet in mijn macht, om te vergeven. Ik zal echter voor u bidden, van dezen avond tot aan den morgen, en misschien, dat God uitkomst geeft.”

Hij zonk op zijn knieën neder, zijn handen hemelwaarts vouwend. Hij smeekte voor den armen zondaar om God's ontferming. Doch God antwoordde hem niet, tot den morgen, nadat hij den geheelen nacht niets had gedaan dan bidden.

Het was licht, toen hij opstond.

“Hoe vreeselijk telt uwe zonde bij God, die Kaïn niet heeft vergeven. Één antwoord is er gekomen, ridder—moge zij tot uw heil strekken. Reis Noordwaarts, steeds naar het Noorden—het is 't eenige, dat ik u zeggen kan.”

Figuur 6.“Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden”“Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden”

“Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden”

“Reis noordwaarts, steeds naar het Noorden”

Ze scheidden.

Hij trok Noordwaarts.

Hij kwam door kleine dorpen en door groote steden. Landen, waarvan hij nooit had gehoord, zwierf hij door. Hij at niet en rustte niet. Wanneer hij honger had, of slaap zwaar over zijn oogleden lag, zijn ziel met nevelen vullend, rook hij aan zijn handen, en de geur van het bloed dreef hem. Menigmaal was er een schaduw in het bosch, welke hij voorbijging—en dan had hij een duizeling, die dreigde hem neder te storten. Dan keek hij naar zijn roode hand.

Soms, in een stad, hoorde hij den lach van een vrouw, en hij wilde stil-staan, om haar te bezien. Zoo schoon was die lach—

Eens sprak een meisje tot hem. Haar stem klonk als die van Alixe.

Bladzijde 80“Waar wilt gij heen-gaan, ridder? Blijf bij mij.”

Hij zag naar zijn hand.

“Waarom zwijgt gij, ridder? Als ge me aanziet, hebt gij me lief.”

Hij wendde zijn schuwen blik naar haar. Hij had het willen zweren, dat het Alixe was, die naast hem schreed. Hij bedwong zich met alle kracht.

“Ga heen, Alixe, of wie gij zijt. Mijn ziel moet rust vinden, mijnhanden moeten van het bloed bevrijd worden.”

Als een nevel week ze.

Vele andere verzoekingen kwamen tot hem.

In een uur van wreeden honger, kwam hij een bakkerswinkel voorbij. Een milde geur vulde de straat. Hij gevoelde met schrik, dat hij alles voor één bete broods zou kunnen vergeten. Hij sloeg zijn handen aan den mond, en likte het bloed. Toen moest hij Noordwaarts trekken, en als een damp, die door zwaren wind wordt bewogen, vervloog de geur van het brood.

Voor den ingang van een bosch, wachtte hem eens een ridder. De punt van zijn zwaard was naar hem gericht, en hij riep met luide stem:

“Reginald van Valkenberg! ge zult moeten strijden, vóór ge hier binnentreedt.”

Vertoornd over zulk een beleediging, wilde ook hij zijn wapen vatten, en met den vreemden ridder strijden. Op hetzelfde oogenblik, bedacht hij, dat het bloed van zijn broeder aan zijn hand kleefde, en hij peinsde in zichzelf:

“Beter is het te sterven dan te leven. Misschien is dit wel God's wil, dat hij mij dooden zal. Doch mij is bevolen, Noordwaarts te trekken.”

Hij ging verder en zonder aarzelen liep hij den vreemden ridder tegemoet. Hij verwachtte, dat het zwaard hem door 't hart zou gaan. Dit gebeurde niet. Het paard en de dreigende ruiter aan den ingang van het bosch gleden weg als een klein wolkje aan de blauwe lucht—Geen hinderpaal bestond er voor hem.

Bladzijde 81Nadat vele dagen weder waren voorbij gegaan, zag hij aan den weg een schoone jonkvrouw liggen, wier handen en voeten gebonden waren.

“Red me”—aldus smeekte ze, “een draak bewaakt mij, en eeuwig zal ik geboeid blijven, als ik niet verlost word.”

Het was hem, of hij uit een droom ontwaakte. Reeds wilde hij zijn stem doen klinken, en haar vragen, waar zich de draak ophield. Hij gevoelde met blijdschap, dat hij moedig was. Hij zou in staat zijn, den draak te overwinnen. Vóórdat hij echter zijn zwaard trok, zag hij zijn handen, en 't bloed stroomde op den grond. Hij sprak geen woord, en volgde zijn noodlot. Haar stem klonk thans achter hem:

“Lafaard! uw moeder zal zich schamen, dat gij haar zoon zijt.”

Zonder om te zien, liep hij verder. Eensklaps hield de stem op, en hij wist ook, dat deze vrouw niet had bestaan, en dat hij weder zichzelf had overwonnen.

Hij trok Noordwaarts.

Eindelijk zag hij in de verte een blauwe streep, lager dan de weg, waarop hij ging. Verwonderd bemerkte hij, dat de blauwheid niet hoog was, zoodat het geen woud of berg kon zijn, die hem tegen wilden houden, en ook was het niet de horizon, daar de lijn te strak was gespannen en er geen nevel aan rustte.

Wat was het daar vóór hem?

Hij hoorde een geruisch, dat aan den stormwind deed denken. Doch zelfs bij den hevigen stormwind zijn er seconden, dat het gerucht luwt. Hier was het een geluid, dat staag aanhield, en zichzelven gelijk bleef.

Plots doordrong het zijn bewustzijn, dat het de zee was, vóór hem. Het was de wijde zee en de klank der zee. Het verbaasde hem, dat er geen schip op dreef. Zou het zijn dood zijn, Noordwaarts trekkend, te verdrinken? Of zou al dit water het bloed van zijne handen kunnen wasschen? Al dit water …?

Bladzijde 82Toen zag hij, dat er aan het strand een boot lag. Hoe ze daar zoo plots was gekomen, wist hij niet. Op het vaartuig stond een man.

Hij naderde.

De man riep:

“Ben je daar eindelijk, Reginald van Valkenberg? Ik heb lang op je gewacht.”

“Wie zijt gij?” vroeg de ridder.

“Kom bij mij.”

Zóó gebiedend werd dit gezegd, dat Reginald gehoorzaamde.

“Ga mede.”

Reginald volgde hem. De boot schommelde—en voer weg naar de wijde zee.

In de verte was een groot schip. De wind sloeg bol door de zeilen.

De man noodigde hem met een stil gebaar, dat hij op het schip zou overgaan, en hij liep hem voor naar't onderste ruim. Daar verdween hij.

Er stond een tafel en stoelen. Twee gedaanten, een witte en een zwarte, zaten aan de tafel en wezen hem zijn plaats.

De zwarte gedaante haalde een paar beenen dobbelsteenen voor den dag, en zij en de ridder begonnen te spelen om Reginald's ziel.

Zonder stuurman en roer vaart het schip, nu al bijna zevenhonderdjaren. Zevenhonderdjaren wordt er gespeeld om Reginald's ziel, en eerst op den jongsten dag zal het spel eindigen.

In Limburg klinkt Waleram's stem, en ze roept ten Noorden en ten Westen, ten Zuiden en ten Oosten:

“Moord! moord!”

Twee lichten dwalen, als de stem, die geen echo heeft, klinkt.

En dit zal duren tot den jongsten dag.Bladzijde 83

Weet, alle Christenmenschen, dat op de wijze, hierna verteld, in Dordrecht is gebracht het waarachtig Heilig Hout, ofte een stuk van het Heilige Kruis.

Lang geleden woonde er in Dordrecht een eerlijk jongeling, Claes Scoutet was zijn naam; en hij diende zijn meester vele jaren lang, onderdanig en getrouw.

Van zijn onovertref bare deugd vertelde men veel goeds, zoodat ook een machtig Lombardijnsch koopman over hem hoorde spreken; bij hem trad Claes Scoutet in dienst als knecht en klerk. De koopman vertrouwde hem na korten tijd volkomen, en had hem lief, of het een zoon van hem ware. Zij beiden dan dreven handel in Lombardije, ver weg gelegen.

Na eenigen tijd vertrokken de Lombard en Claes, naar een land van heidenen, en daar verkochten zij juweelen aan allen, die deze zaken begeerden. Ze leerden de taal der heidenen, en werden met hen bevriend. Zij dreven eerlijken handel, zoodat de groote Soudaan of Vorst van Babylonië met zijn vrouw en zijn dochter over hen hoorden spreken. De vrouwen hebben de schittering lief, en de vrouw en de dochter des Soudaans bedachten vele listen, om de juweelen te verkrijgen, die de koopman bij zich had. Ze fluisterden en monkelden onder elkaar, en wat de twee sluwe vorstinnen bedachten, is waard om te vermelden.

Ze lieten den koopman komen, en lachten hem toe, en voerden het met vleiende woorden in zijn geest, dat hij met den Soudaan van Babylonië zou spreken.

“Wek op den Soudaan,” zoo zeiden zij, “dat hij zijn schepter zal doen vermaken. Fij! hoe plomp is hij voor zulk een heerscher.”

Toen nu de Soudaan had toegestemd—want welke man is tegen de list van vrouwen bestand?—dat hij zijn schepter zou doen vermaken, liet zijn dochter den jongen Claes bij zich komen, en ze zeide:

Bladzijde 84“Onder het goud en de diamanten en paarlen van den schepter is een groot stuk van 't hout verborgen, waaraan de God der Christenen is gestorven.”

Waarom sprak dit de dochter des Soudaans? Opdat ze enkele juweelen van Claes te goedkooper zou krijgen, want ze wist wel, dat hij begeerig naar het hout was, en ook zeide ze het, daar haar ziel gewend was naar het zalige Christen-geloof.

Aldus was het, dat de koopman zijn juweelen gaf in pand voor den schepter, en dat ze afscheid van den Soudaan namen, die hun mede gaf twee trouwe heidensche knechten en een brief van vrijgeleide, om te reizen door het land der Arabieren, die zeer wreed zijn; zeven kameelen schonk de Soudaan hun bovendien.

Toen de koopman en Claes halverwege Alkarië en Jeruzalem waren gekomen, wat geschiedde er? De koopman werd ziek aan den menisoen, en stierf, na zijn ziel te hebben gegeven in de handen Gods.

Mogen allen, die God vreezen, sterven, als hij.

Ze waren nog twaalf dagreizen van Jeruzalem, en ook een der trouwe heidensche knechten werd ziek, en stierf aan den menisoen. Nu was Claes bijna alleen in 't land der Arabieren; in den nacht brak hij het heilige hout, God smeekende om genade, want anders wist hij niet te doen. De stukken verborg hij onder zijn kleeren.

Den dag daarop maakte hij zich gereed om naar Jeruzalem te trekken, waar hij zonder veel avonturen aankwam, en vandaar reisde hij naar Jaffa, waar hij een schip vond.

Hij vroeg de bootslieden:

“Waarheen gaat dit schip?” En ze antwoordden hem:

“Naar Venetië.”

Nauwelijks had hij plaats genomen, of de wind werd goed, en waaiende, waaiende, dreef de wind 't schip in zoo korten tijd naar Venetië, dat het zeer mirakelijk was, een mirakel Gods.

In Venetië ontmoette hij alras een goed man, die metBladzijde 85een groot schip naar Londen wilde varen. Londen is een stad in Engeland.

Claes ging dan scheepwaart, en de wind woei. Zij kwamen in zoo korten tijd in Engeland, dat iedereen, die 't hoorde, zich verbaasde. En Claes ging naar Dover, en vandaar naar Vlaanderen, en hij kwam in Brugge aan. Daar borg hij 't hout in een gesloten kist, en hij trok naar Armegië en naar andere landen, drijvende koopmanschap, totdat de tijd was gekomen, om te huwen: want hij had gelds genoeg. Zijn oogen zochten, en ze vonden een jong meisje, Margaretha Tristram was haar naam, en na Claes' dood is zij getrouwd met Uutenhoven.

Toen Claes twee jaren met haar in den echt had geleefd, toonde hij haar het kistje, waarin geborgen was het heilige hout, en hij zeide tot haar:

“Ik ga naar Dordrecht, omdat ik daar geboren ben, en ik neem mee een stuk van het kruis.”

Hij ging voor het kapittel der Groote Kerk, en hij deed de kerkmeesters beloven, dat zij voor hem en zijn gezin zouden bidden en doen bidden, eeuwiglijk. En zij beloofden het hem. Op deze voorwaarden gaf Claes de kerk een stuk van 't kruis onzes Heeren, Jesu Christi.

De kerkmeesters lieten maken een kruis van fijn goud, waarin zij het heilig hout legden, en ze zetten het kruis op een altaar, het altaar van den Heiligen Hout, aan de noordzijde.

Dus alle geloovigen wilt aanbidden het Heilige Hout, waarin onze zaligheid is gewrocht.

En in 't jaar één duizend vierhonderd zeven en vijftig verbrandde de Groote Kerk met alle andere huizen, groote en kleine, staande aan de poortzijde, en de huizen van de Vuylpoort tot aan het Minnebroedersklooster.

En alles wat in de Groote Kerk was, verbrandde, behalve steen en ijzer. Zilver, goud, koper, lood, en de klokken smolten en alles, wat het Heilig hout bevatte, ja het verbrandde of smolt. Alleen 't Heilig hout spaarde God.

Bladzijde 86Toen de brand over was, trok de deken der kerk, meester Jan van Egmond Aalbertsz—een zeer vroom man—met vele Heeren en burgers, en kerkmeesters, Willem Duyck, den zoon van Arend Duyck en vrouwe van Naarssen, en Jan van Muylwijck, die later de banier heeft gedragen voor Utrecht en Deventer, en met ontelbaar volk, wereldlijk en geestelijk, en ze zochten 't in de asch voor het verbrande altaar.

En toen ze 't vonden, was 't week, of 't van was geweest ware, maar daarna werd het hard en stijf als hout. Men toonde het aan het volk, en daarna elken Goeden Vrijdag en op den Paaschdag.

Het heilig hout heeft Claes Scoutet de kerk gegeven, en hij was vroeger een burger van Dordrecht, en hij toog naar Brugge. Brugge is een stad in Vlaanderen.

Aldaar werd hij burger en hij stierf aldaar.

God zij zijn ziel genadig. Deo gratias.Bladzijde 87

Er was een geleerd man, rijk van goed, maar onrein van leven. Al zijn geld verspilde hij in zonde. En toen hij niets meer had, was hij bedroefd en ver van der menschen huizen ging hij in eenzaamheid. Niet wist hij, wat te beginnen zonder rijkdom, en alles wilde hij bedrijven, om het geld weder te winnen. De Duivel kwam tot hem, zeggend:

“Waarom ben je zoo droeve?”

De geleerde man vertelde hem, wat er was geschied. De duivel sprak:

“Wil je doen, wat ik, raad—ik zal je geven aan rijkdom genoeg.”

De man beloofde, dat hij den raad wilde opvolgen, wat het ook wezen mocht.

“Dan moet je God verzaken en Zijne moeder Maria,” zeide de Duivel.

Op dezen raad verzaakte hij zijn God, maar met zware moeite kwam hij ertoe, om Maria, de moeder Gods, te verzaken. Maar hij verzaakte Haar om der wille van den rijkdom. Daarom gaf de Duivel hem veel goud, en hij leefde een langen tijd in groote zonde. Ten laatste keerde hij tot zichzelven in:

“O! onzalig mensch, wat heb je gedaan? Je hebt God verzaakt en Zijn moeder Maria. Sterf je in deze zonden, zoo ben je eeuwig verdoemd.”

Hij ging in een kerk en viel op zijn knieën voor het beeld van Maria en smeekte zeer innig, dat Zij zich zijner zou ontfermen en voor hem bidden zoude. Hij liet niet af, bad altijd en bedreef grooten rouw vanwege zijn zonde. Ten laatste sprak de barmhartige moeder Gods tot den armen zondaar:

“Ik kan u niet helpen, want gij hebt uw God en uw Schepper en mij verzaakt.”

“O waarde moeder Gods, gij moet mij helpen, want anders ben ik verdoemd voor eeuwig.”

Figuur 7.“O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen”“O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen”

“O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen”

“O, waarde moeder Gods, gij moet mij helpen”

Bladzijde 88“Ik kan u niet helpen, want gij hebt het niet verdiend, dat men u helpen zal.”

“O Maria, hoe is Uw naam en hoe pleegt men U te noemen?”

“Sommigen noemen mij de moeder Gods, anderen de vrouwe der engelen of de koningin van het Hemelrijk of een ster der zee of de lieve moeder Gods Maria.”

“O! waarde moeder Gods Maria—Gij hebt nog een anderen naam, zooals het staat in salve regina.”

“Men noemt mij ook de barmhartige moeder Gods.”

“O lieve Maria en moeder der barmhartigheid, dien naam meen ik en ik hoop, dat Gij dien door mij niet zult verliezen. En zoo Gij mij niet helpt, verliest Gij Uwen goeden naam.”

Toen sprak Maria, de moeder Gods, tot haar lief kind Jezus:

“O! lief kind, ontferm U over dezen zondaar.”

“Lieve moeder, hij heeft mij verzaakt, ik keur hem geen genade waardig.”

Toen nam het beeld van Maria haar lieve kind Jezus en zette het op het Altaar, en knielde neder voor het Altaar, biddend zonder einde, en zeggend:

“Lieve kind! ontferm U over den zondaar.”

“Lieve moeder, de deur des hemels is hem ontzegd.”

“Lieve kind, is hem de deur ontzegd, laat mij dan het venster wezen, opdat hij door Mij mag komen in het eeuwige leven. Want ik ben het venster des Hemels.”

“Lieve moeder! ik zal Uwen wil doen.”

Maria, de barmhartige moeder Gods, zeide tot den zondaar:

“Ga heen en wil niet meer zonde bedrijven. Maar biecht uw boosheid en beter uw leven.”

De man dankte en loofde Maria, de moeder Gods en ging blijde en vertroost heen. Hij ontdeed zich van al het goed des Duivels, en hij ging in een klooster, waar hij God en Maria diende en zijn zondig leven beterde.Bladzijde 89


Back to IndexNext