Hoofdstuk XLVIII

Vele schippers hebben den Vliegenden Hollander ontmoet, zeilende over de hooge zee, en als zij de bemanning van het vreemde schip riepen, hoorden zij geen geluid—wat het vreeselijkste was—of wel schreeuwden er stemmen en rinkelden er flesschen. Het ging zonder kompas en koers, het voer en verdween. De zeilen waren fel-wit en strak-gespannen.

Wee! wee! wie den Vliegenden Hollander zag.

Doch een schipper uit Makkum heeft hem aanschouwd, en hij is met behouden reis teruggekomen. Dit wonder wordt als volgt verteld.

In de Spaansche zee kwam een storm, zóó wild als nooit een der bemanning had gekend. Doch de schipper bleef in zijn kajuit en rookte een pijp, als ware er geen wolkje aan de lucht. Een ieder dacht:

“We zullen vergaan”; menig man bad, en beval zijn ziel aan God. De stuurman liep heen en weer, en hij meende, dat men er nog een reef in moest steken. Hij riep het den schipper toe. Deze stak echter even zijn hoofd naar buiten, de pijp kalmpjes rookende, en hij zei vredig:

“Laat staan, wat staat.”

Toen kwam het duister, dicht en diep en star, de lucht was zwart en de zee was zwart, noch van verre, noch van dichtbij was er een grens aan den nacht. 't Eenigst geluid was de zoevende stormwind, en iedere stem werd verwaaid.

Toch kraakte er hout, en rammelde er een ketting, en plots kon men den stuurman verstaan, die uitriep:

“Te loevert is een schip.”

Wit waren de zeilen, een nevel gleed voorbij, wàs het een schip? De bootsman fluisterde, en ook zijn woorden werden vernomen:

“'t Is de Vliegende Hollander.”

De pijp des schippers was niet uitgegaan: de kapitein kwam rookende aan dek, en keek eens rond.

Bladzijde 339“Wat is er, mannen?” Geen antwoordde hem, tot eindelijk de stuurman schor riep:

“De Vliegende Hollander! Wat zou 't anders zijn?”

Klets! de pijp van den schipper vloog in zee. De Makkumer stond rechtop en zei toornig:

“Zoo! zoo! dan zijn we hem eer schuldig ook. De eer zal hij van den Fries hebben.”

Voor de stuurman begreep, wat de schipper in het zin had, was deze al in de kajuit, en hij kwam met een brandend hout terug. Hij laadde een draaibus, en liet het kruit ontploffen. Het schot knalde.

“'t Is onze dood,” dacht een ieder. Maar de Makkumer lachte.

“We geven hem alle eer, die hem toekomt.” Hij wees te loevert.

“Kijk! er is geen schip meer. Wat wou de Vliegende Hollander van ons?”

De nacht week terug, en men voer in een schemerend licht. Nu eerst durfde het scheepsvolk om zich te zien, en het was, zooals de kapitein had gezegd. De spookschuit was verdwenen. De schipper ging naar zijn kajuit, haalde een nieuwe pijp, en dampte een oogenblikje later weer, of er niets was gebeurd. De stuurman en bootsman keken zeer verwonderd naar lucht en zee: het volk kon wel naar kooi gaan. Wie dacht er nog aan gevaar?

Men hoorde den schipper lachen.

“Ik heb hem de eer gegeven; hij heeft niets op me aan te merken!”

Dit nu stemde menigeen bang, en men fluisterde, dat het eind der reis nog niet gekomen was. Men ging den ouwe uit den weg, die deed, of hij niets bemerkte. Even rustig en leutig bleef hij als vroeger, kalmpjes rookende. De stuurman zei tot den bootsman:

“De schipper is voor den Duivel nog niet bang.”

“Ik wou, dat ik niet gemonsterd had.”

“In de Middellandsche Zee zijn roovers—dáár zalBladzijde 340't gebeuren. We hebben niet voor niets den Vliegenden Hollander te loevert gezien.”

“O! mijn vrouw en kinderen te huis ….”

“Daar is de schipper ….”

Langzaam schreed de Makkumer over dek, de handen in de zakken, en de pijp natuurlijk in den mond. Ging dan de schipper soms met de pijp te kooi? De twee mannen zwegen, hoewel ze begrepen, dat de ouwe hun gedachten ried.

Er woei maar weinig wind, en over een effen baan gleed het schip. Toen ze in de Middellandsche Zee kwamen, werd het bijna windstil. Men kwam slecht voorruit, en een ander kapitein ware misschien boos geworden, en had het volk uitgescholden. De Fries echter bleef kalm, en hij keek, of hij dit alles wel verwachtte.

Des avonds in de rozig-getinte schemering—nog was de hemel ultramarijn, doch zee en lucht waren reeds door het duister bewogen—hoorde men 't zacht geplas van riemen, en men spande zijn oogen in, om te zien. Een boot naderde.

“Zoo—” zei de schipper, “zijn ze er al?” en hij verzamelde zijn manschap. Allen stonden om hem heen. Men wist, dathijalleen redden kon. Hij nam zijn pijp uit den mond, en wees naar de verte.

“Jongens—,” fluisterde hij, “'t hangt ervan af, ofdie daar ginds ook is!Wanneer de boot alleen komt, heb dan geen vrees. Maar jullie moeten me helpen.” De stuurman vroeg kreunend:

“Komen we er behouden door?” De Fries wierp zijn pijp op dek, zoodat de stukken uitspatten, en hij antwoordde bedaard.

“'t Zal wel gaan.”

“Wat moeten we dan doen?”

“Jongens! neem zeven leege flesschen en breng ze me. Kok! heb je nog een paar mooie stukken hout, van die half smeulende?”

Bladzijde 341“'t Zal wel gaan, schipper!”

Een paar van het volk waren reeds naar beneden gegaan, en ze brachten zeven flesschen, welgeteld. De schipper bezag ze meesmuilend, en hij likte zijn baard, of hij iets smakelijks had gegeten.

“Dat is in orde, maats. En nou de kok nog!”

Deze kwam al hijgend aanloopen, in rechter- en linkerhand een paar flambouwen. Onderwijl had de schipper de zeven flesschen met buskruit gevuld.

“Hallo! hallo! hij moet de groeten van den Vliegenden Hollander hebben.”

De mannen stonden zwijgend om hem geschaard. Plas! plas! poem! deden de riemen der naderende boot. Men hoorde, hoe de lieden hijgden, om maar gauw op zij van 't schip te zijn.

De schipper zwaaide de zeven flesschen met buskruit en hij smeet ze recht op de boot. De flambouwen, in hun vaart fel-vlammende, wierp hij de flesschen achterna.

“Buk je,” schreeuwde hij.

Een zwerm van glinsterende scherven sloeg de hoogte in, en de boot barstte uiteen. Men zag geen menschen drijven. Het schip voer verder.

“Men moet den Vliegenden Hollander de eer geven,” lachte de Makkumer nu luid, en hij ging naar beneden, om een pijp te rooken.

In zeer korten tijd kwam men behouden aan. Het weder was wonderschoon gebleven, en de zee rimpelloos. Alle nachten hadden de goede sterren geschitterd.Bladzijde 342

In het kleine kantoor der bankiersfirma Goldsmith in Londen was 't heel stil. De jongste bediende was bezig de ganzenveeren pennen te versnijden, en de oudste schreef onderwijl met zijn mooie handschrift—waarom hij algemeen benijd werd—een brief naar een kassier in Birmingham. Een paar vliegen zoemden rond.

Toen werd er zachtjes aan de deur geklopt, en de oudste bediende riep, zonder 't hoofd op te heffen:

“Binnen!”

Een lange, grijze man trad de kamer in, bleef even op den drempel staan, en vroeg:

“Mr. Goldsmith?” De bankier stond op.

“Dat ben ik.”

“Kan ik u spreken?”

Naast de kamer was een klein kantoortje. Mr. Goldsmith meende, dat het een vreemdeling was, die gaarne zaken met hem wilde behandelen, en hij ging hem voor. Hij bood hem een stoel aan en de grijsaard ging zitten.

“Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

“Sta mij toe, u mijn naam niet te noemen. Ik heb iets voor u medegebracht, wat van het hoogste gewicht is. Maar mijn naam heeft geen klank, en niet ik-zelf, doch wat ik u schenk, heeft waarde.”

Uit zijn kaftan haalde hij een enveloppe, en tegelijkertijd stond hij op.

“Zie nooit, wat deze enveloppe bevat. Berg ze weg, zooals ge uw schande zoudt verbergen—dat niemand ze vinden kan. Zoolang gij het couvert ongeopend laat, zult ge gelukkig zijn, en aan den anderen kant, wee uw huis! zoo ge de zegels verbreekt.”

Hij legde de enveloppe op tafel, en ging ijlings heen, Hij was reeds uit 't kantoortje, en de kamer, waar de twee bedienden zaten, vóór de bankier hem kon terugroepen. De tijd schreed voort.

Mr. Goldsmith sloot den brief van heil en onheil achterBladzijde 343slot en grendel, en hij wachtte. Want op het geluk heeft men te wachten, en niet als een vogel kan men het lokken.

Men wist niet hoe, en niet waarom. Men weet het nimmer, waarom de één goud vergaart en de ander niet. Men heeft te wachten op de ééne seconde, en de duizelingwekkende kansberekening. Mr. Goldsmith's kantoor werd uitgebreid, en het tintingen van goud en zilver hield des daags niet op in zijn woning. Hier was 't een lord, een graaf, een hertog, daar een koopman, een handwerksman, en geen hunner, die bij hem binnentrad, of hij bracht veel of weinig goud; elk hunner was een beekje of beek, voerend naar de groote rivier.

Mr. Goldsmith dacht niet over zijn geluk na, evenmin als alle Zondagskinderen, die meenen, dat zij rechtens door den overvloed worden bedeeld. Hij herinnerde zich slechts flauwtjes het vreemde geschenk, dat hem eens gegeven was. Zijn zoons werden grooter, en terwijl alle dagen eigenlijk op elkaar geleken—zij het, dat er telkens weer nieuwe gezichten van menschen kwamen in de wisselingen des tijds en vele bekende gezichten verdwenen werd hij ongemerkt ouder. Hij bemerkte tot zijn verwondering, dat zijn zoons langzamerhand evenveel wisten en kenden als hij, hoewel hij dit nooit zou toegeven. De tragiek van den ouderdom kwam plots in zijn geluk, en hij was niet meer noodig op deze wereld … maar vreemd! zelf gevoelde hij deze tragiek niet.

Een morgen zat hij op zijn kantoor, waar hij de bevoorrechte klanten ontving, toen zijn gedachten begonnen te zwerven naar de dagen zijner jeugd, ze blijde tegemoetgaande. Hij glimlachte en gedreven door zijn herinneringen, stond hij op. Was het werkelijk waar geweest? Hoe iemand toch zonderling droomen kan! Hij zag den ouden man weer vóór zich staan, gehuld in zijn langen kaftan, en zijn vingers! ja, zij voelden nogmaals over de enveloppe. Nog steeds glimlachend ging hij naar de kast. Wanneer het waar was, dat er eens een grijsaard bij hem getoefd had,Bladzijde 344die hem een couvert overreikte, moest dat tusschen de papieren liggen, welke hij van zijn vroeger kantoor had medegenomen. Hij stond voor de kast, en zocht.

Hij was niet verwonderd op het oogenblik, dat hij de enveloppe in zijn handen hield. Hij hernam zijn oude plaats bij de tafel en draaide ze in zijn handen.

Hij verbrak de zegels.

Waarom?

Hij verbrak de zegels.

Uit de enveloppe greep hij een stuk papier. Daar stonden een paar schriftteekens op, welke hij niet kende, en hij schudde 't hoofd. Vervolgens legde hij de geopende enveloppe en 't papier op tafel neer.

Hij was slaperig geworden. Hij hoorde de geluiden, welke hem zoo vertrouwd waren, en die een onmisbaar deel van zijn leven waren geworden: het gefluister der klanten, en dan het gerinkel van het zilveren geld geteld tegen zilveren geld, en de hooge, teedere stem van het goud, als het even-veerend op het hout neerkomt. Hij liet 't hoofd zinken, tot het tegen zijn borst rustte. En 't leven ging verder, zonder dat het tot hem doordrong. Het werd avond, en nog had hij zich niet bewogen. Men klopte zachtjes aan de deur. Men wilde heengaan—had mr. Goldsmith nog iets te bevelen?

“Is mr. Goldsmith al weg? Er komt geen antwoord.”

Op de tafel lag de geopende enveloppe. Daar dichtbij rustte de doode hand van den bankier. Hij had het zegel verbroken, en de zwijgende bedienden, die zijn kamer binnentraden, wisten, dat hij van 't leven niets meer kon verwachten.

Doch zijn naam behield den beproefden, zuiveren klank, en zijn zoons gingen in het kantoor zitten, waar hij gestorven was. Was de stroom van het goud, nu het eenmaal zijn weg naar dit huis had gevonden, ooit te stuiten? Ze lachten om den vloek, dien een grijsaard in een langen kaftan gehuld, hun wilde brengen. Ze lazen het “mene, mene teleel,” doch zij verstonden het niet. De tijden van den oorlogBladzijde 345kwamen. Engeland en Rusland streden tegen Frankrijk, dat de “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” in zijn vaandel voerde; en ook de Bataafsche Republiek was dronken van deze leus.

De Engelschen en de Russen vielen Noord-Holland binnen, en de troepen van den Groot-Brittannischen koning moesten betaald worden. Wie had 't geld?

De firma Goldsmith kon het wel leenen, zooveel de regeering beliefde … en wonderlijk toeval! ze had ook staven goud te zenden aan een bankier in Hamburg. De “Lutine”—aldus heette het schip, dat werd uitgerust zou eerst de soldij uitbetalen, en dan zijn koers naar de vrije Hanzestad vervolgen.

Wie dacht er aan vloek en aan gevaren?

Men zou aan de Noordkust der Bataafsche Republiek landen, en vroolijke gesprekken voeren met de officieren van 't Russische leger, en Hollandsche genever drinken. Waren de meisjes van Alkmaar, en den Helder preutsch? En later de Sankt Pauli-strasse in Hamburg, waarvan een blijde mare uitging. De danslust kittelde hun voeten al.

De zee was rustig, en vol licht, toen ze uitzeilden. Maar na den korten dag sloeg de nacht snel uit den hemel, en een bries woei op. De golven grepen het schip, de wind was woest, en de “Lutine” worstelde tegen macht van storm en zee.

De “Brandaris” aan de kust van West-Terschelling wierp zijn licht verre uit. Maar wie aan boord van het Engelsche schip kende den weg tusschen diepte en zandbank? De dag, dat de grijsaard in zijn kaftan mr. Goldsmith had bezocht, was lang geleden, en toch werd zijn vloek vervuld. Diep, dieper zonk het schip met goud.

Nog altijd ligt het onder de zee bedolven; duikers brachten reeds een der Spaansche matten, waarmede het gevuld was, naar boven.

Wat bleef er na de schipbreuk van de zonen van mr. Goldsmith? Het werden bankroetiers, en, naar de gewoonte dier dagen, werd hun naam met schande genoemd.Bladzijde 346

Op het slot Waerdenburg woonde eertijds niemand meer of minder dan doktor Faustus, en hij leerde en studeerde den ganschen dag, ja, dikwijls sloot hij 's nachts zijn boeken niet. Uit zijn schoorsteen kwam walm en stank, en niemand wist, wat doktor Faustus eigenlijk bedreef. Hij gooide velerlei poespas door elkander, en keek er dan met alle verstand naar, net of hij een wonder verwachtte, maar wat hij zocht, vond hij natuurlijk niet, en daarover was doktor Faustus heel bedroefd. Hij had overal vuren aan, en daarboven zette hij allemaal van die rare potten en pannen, en velerlei kleuren mengde hij dooreen, groen en paars en rood en blauw, totdat op een goeden dag—niemand weet op welke wijze—de Duivel in eigen persoon bij hem kwam. En deze vroeg dokter Faustus:

“Beste doktor Faustus, wat zoekt gij toch in uw potten en pannen? De heele Bommelerwaard is vol van den stank van uw schoorsteen, en gij bereikt niets. Zoudt gij u niet liever onder mijn hulp stellen?”

“Ja,” antwoordde de geleerde doktor, en hij krabde zich op 't voorhoofd, “maar ik heb geleerd voor wat hoort wat, en wat zijn uw voorwaarden?”

De Duivel glimlachte en volgens gewoonte noemde hij eerst de voordeelen der tegenpartij op.

“Kijk eens, ik kom bij u in dienst, en zeven jaar lang kunt ge van me krijgen, wat ge wilt.” Doktor Faust dacht langen tijd na.

“En als de zeven jaar om zijn?”

“Ja,” antwoordde de Booze, “dat is nu eenmaal niet anders. De gewone belooning, nietwaar, die ik altijd eisch.”

“Dus mijn ziel?”

“Niet meer en niet minder—Wat doet het er welbeschouwd toe? Denk eens aan, doktor Faustus, wat er in die zeven jaar gebeuren kan! Niets dan vreugde zij uw deel, vreugde, die vreugde volgt, en onbekommerd staatBladzijde 347ge op, en onbekommerd gaat ge te bed. Zoo'n leventje zou het heele menschdom bekoren, wat ik je zeg.”

“Nu, dat is dan afgesproken.”

“Voorzichtigheid,” zei de Duivel, “is de moeder van de porseleinkast. Ik voor mij heb altijd zoo'n beetje … wantrouwen. Dat leer je helaas op de wereld. U weet niet, hoe duivelsch-slim de menschen zijn, en daarom moet ik u voorstellen, dat wij er een klein contractje van opstellen, en nou u!”

“Ja—wat moet, dat moet en wat niet anders kan, dat kan niet anders.”

De Duivel haalde een stuk perkament te voorschijn, en daar stond reeds alles zwart op wit. Hij is een goed rechtsgeleerde, de Duivel, en hij maakt het de zondaars niet al te moeielijk!

“Zoo ge dit even met uw bloed wilt teekenen, is de zaak in orde.”

“Wie a zegt; moet ook b zeggen,” zuchtte de arme doktor Faust, en hij zette zijn handteekening. Doch nu moest zijn nieuwe knecht nog een naam hebben. Als hij hem te roepen had, kon hij toch niet zeggen: “Duivel! kom eens hier?” Of: “Satan! haal me wat meel in Bommel?” Ze waren het al gauw over den naam eens. “Joost,” zou de nieuwe knecht van den doktor heeten. Hij behield dus aan den eenen kant een titel van Beëlzebub, die immers ook wel met Joost wordt toegesproken, aan den anderen kant zijn er ook wel menschen Joost genaamd. Joost kon alles, en Joost deed alles. Tegenwoordig is het dienstpersoneel, zooals de algemeene klacht is, in de verste verte niet, wat het vroeger was, en Joost was—denk eens aan—in dien tijd al de puikste der puiken.

Doktor Faustus had maar te zeggen:

“Graag wil ik dit of dat,” en de knecht was reeds weg, veel gauwer dan een paard kan loopen. Hij deed zijn inkoopen niet in Bommel (hoewel daar de winkeliers van alles wel voorzien zijn, en duur kan men ze ook niet noemen),Bladzijde 348maar in Amsterdam, ja zelfs in Parijs. Wat verlangde doktor Faustus ook niet al!

Denk u eens een snikheeten zomerdag, waarin de vogels te moe zijn, om te zingen. De warmte zinkt, zinkt neer uit de lucht tot op de aarde, voortdurend nieuwe warmte, die den grond doet springen. Als ge den schoenen op den weg zet, lijkt het of er vlammen om uw voet slaan. Uw hoofd kan geen hoed verdragen, en zonder hoed kunt ge 't ook niet uithouden. Ge verlangt naar een frisschen dronk water, en als ge drinkt, is uw dorst onleschbaar, ja, het drinken zelve wekt den dorst op. Uw hoofd is zóó opgezet, dat uw beste vriend u niet wederkent, en als ge de schaduw van het bosch binnenkomt, gaat ge zwemmen ineen vurigen oven.

Op zulk een zomerdag commandeerde de geleerde doktor zijn knecht:

“Joost! haal me even een beetje ijs en sneeuw.”

En dan moest de duivel door de smorende hitte, erger dan de hel.

Of wel, wanneer 't winter was, wanneer de rivieren bevroren waren, en de felle, vinnige kou drong door de beremuts heen, net precies, om de bovenste puntjes der ooren zóó ondragelijk te doen lijden, dat men zijn ooren erom zou willen verliezen, en ook den neus deed hij krimpen en kreukelen en kraken, dat je 't gevoel had, of er niets van overbleef en je nooit meer zou niezen en snuiten (maar den volgenden dag was je zóó verkouden, dat alleen een warm bed en kamillenthee je er weer bovenop konden helpen). En overal zag je bonte kraaien, als teeken, dat het nog lang niet uit was, en 't beste kon je thuis-blijven met je handen en beenen vlak bij den haard …

Op zóó'n dag placht doktor Faustus zijn dienaar te roepen, en hij beval hem:

“Haal me eens een paar flinke trossen druiven.”

Sneeuw en ijs in den zomer, druiven in den winter, dat was al bijna niet te doen! Maar nog was de geleerde manBladzijde 349niet tevreden! Op een dag liet hij Joost bij zich komen. “Hoor eens! ik moet een rijtuig hebben met vier paarden, die nooit moe worden.”

Dat bracht de knecht ook in orde! Je kon doktor Faustus vaak zien uitrijden, en dan ging hij, hu! als de wind naar Konstantinopel, heen en terug.

Het gebeurde ook wel eens, dat hij naar Bommel wilde.

“Inspannen, Joost! Maak eventjes een brug over de Waal!”

Dan liep de goede Duivel naar de rivier en bouwde in een ademtocht een stevige brug, waarover de doktor het prachtige rijtuig voeren kon. Nauwelijks echter was hij aan de overzijde, of hij floot.

“Joost! je weet, ik kan de lui van Bommel niet uitstaan. Zorg gauw, dat de brug weer afgebroken wordt, anders maken ze er gebruik van.”

Nog eerder dan de pont gereed was, werd zij weer gesloopt.

Wat er niet al van doktor Faust wordt verteld. Ja, ja, de wonderen zijn de wereld nog niet uit, en 't staat gedrukt ook, dus is 't even waar als de krant. Eens kwam de geleerde man een herberg binnen, en riep om een vat Tielsch bier.

De waard sjorde en rolde met veel gezucht en geklaag de zware vracht voor zijn voornamen gast: tot verwondering van allen ging deze erop zitten, en daar reed hij de kroeg uit, net of hij op een Arabischen hengst zat. Huppelend en steigerend en zich voorover neigend en dan weer achteruit werpend, voer hem het vat Tielsch bier tot aan het kasteel, waar doktor Faustus afsteeg, en Joost riep. Hij had hem natuurlijk weer wat te ordonneeren, en elken dag prakkizeerde hij wat nieuws. Als zoo'n geleerde bol eenmaal daarmee begint, kan er alevel wat gebeuren.

Om een voorbeeld te geven!:

Eens, dat hij meel had gekocht, liet hij 't naar de gracht rijden, en hij beval, dat men de kostelijke waarBladzijde 350('t was zonde!) in het water zou gooien. Toen dit geschied was, riep hij Heintje Pik.

“Joost! haal me 't er weer uit, en zorg, dat het goed gezuiverd wordt, anders krijg je met mij te doen. Allo! niet getalmd.”

Dan ging de Duivel aan het scheppen, schoppen vol vuil en meel dooreen: 't riekte wel een half uur in den omtrek zuur! Vóór hij er mee klaar was, het vuil en het meel te scheiden (hoewel in een mengsel de stoffen onveranderd haar eigenschappen behouden) snelde er heel wat tijd voorbij, en de rug van Beëlzebub deed hem pijn, of hij gegeeseld ware. Soms veroorloofde zich de doktor een bijzonder aardig grapje tegenover zijn knecht. Als deze overdag den heelen dag zóó had gewerkt, dat hij er met permissie van zweette, nam zijn heer wat koren en smeet 't in de doornenheggen.

“Joost! vóór morgenvroeg moet je zorgen, dat ik 't terug heb.”

Dan sjokte de arme duivel met zijn moede beenen naar de heg, en hij stak zijn vingers in de doornen, om al die korrels bij elkaar te zamelen. Den volgenden morgen wachtte hem nogmaals moeilijke arbeid, en vele malen mompelde hij:

“Ik wou, dat Joost hem haalde.”

Zoover was het ondertusschen nog lang niet. Hij had al die zeven jaren door te worstelen, en een einde scheen er niet te komen.

Ten laatste—vier jaren waren er voorbij gegaan, en als vier pakken van tweehonderd pond elk, lagen ze op 's duivels rug gestapeld—gaarde Beëlzebub allen moed bijeen, en hij klopte nederig aan de deur zijns meesters.

“Binnen!” riep doktor Faustus, en de drommel van zijn knecht stond op den drempel.

“Mijnheer! als het niet te astrant is ….”

Doktor Faustus kende genoeg van de wereld, om niet te weten, dat er thans een onbeschaamde vraag zouBladzijde 351volgen. Want ach! brutaal was soms 't vroegere dienstpersoneel óók al, hoewel je er tegenwoordig onder hebt … doch hierover basta. Ongeduldig zei hij dus:

“Nu?!”

“Mijnheer … ik heb u vierjaar goed en trouw gediend.”

“Nu?!”

“Als mijnheer er niet op tegen heeft, zou ik mijnheer's dienst nu wel graag willen verlaten.”

“Verlaten? Dat begrijp ik niet. Zeven jaar moet je toch bij me blijven? ….”

“Mijnheer moet me goed vatten. Ik bedoel niet, dat mijnheer me loon heeft uit te betalen. Ik wil mijnheer zonder loon vier jaar gediend hebben.”

“Daar komt niets van in! Aan je werk, Joost. Als jij moe bent, ik ben 't niet.”

Nog drie jaar arbeidde Joost bij doktor Faustus. Er was niet dàt op hem te zeggen. Zoo'n in-netten, degelijken knecht hadden er niet veel. En zoo trouw! En zoo eerlijk! En zoo kraak-kraak-kraakzindelijk.

Doch toen de zeven jaren om waren … ja toen … was de knecht de meester geworden en de meester de knecht. 't Contract had de duivel goed in orde gemaakt. 't Was middernacht, precies twaalf uur (de klok van Bommel loopt zuiver), en daar greep de duivel zijn vroegeren heer bij de haren, en sprong met hem 't hooge venster van den toren uit, vlak naar de hel, nadat hij hem fel door de tralies van 't raam had getrokken. 't Bloed spoot den verdoemde het lichaam uit en spatte tegen den muur, om 't nageslacht van de waarheid dezer vertelling te overtuigen.Bladzijde 352

Van alle beroepen, die er op de wereld bestaan, valt dat van barbier het minste mee. Want om barbier te zijn, moet men niet alleen goed kunnen inzeepen, en goed 't mes op wang en keel van den klant kunnen zetten, doch bovenal moet men uitstekend menschenkenner zijn.

Een barbier in Leeuwarden was beroemd om zijn inzeepen, en het eigenlijke scheren verstond hij op een haar, doch een goed menschenkenner was hij niet, hetgeen uit het volgend verhaal moge blijken.

Op een kwaden dag stapte er een deftig heer bij hem binnen, die hem kort beval:

“Scheren!”

De barbier begreep onmiddellijk, dat hij zijn kunst moest toonen. Hij zeepte stevig in—de meeste coiffeurs van tegenwoordig weten niet, wat een kunst 't inzeepen al is—, en toen 't schuim hoog vlokte op het gelaat van den klant, zette de scheerder er 't mes op. Hij schrapte aan de kin en werkelijk, 't haar ging er af. Daarom begon hij aan den anderen kant, maar toen bemerkte hij tot zijn misnoegen, dat aan de zijde, waar hij had geschoren, de baard weder aanving te groeien Dat mocht niet gebeuren…. Hij stapte fluks naar de plek des gevaars, en hij schrapte en schraapte naar den aard, maar juist, terwijl hij zichhiervooroverboog, om te zien, of 't vel wel blank was, schootgindsmet geweld het haar weder uit; de barbier gevoelde zich als een amateur-tuinman, die het kweekgras van zijn grond wil uitroeien en die na een middag moeitevol werk nog net zoo ver is als voor dien.

“Ja mijnheer—” zei hij benepen, “'t gaat moeielijk.”

“Wat gaat moeielijk? 't Scheren?! O, dan zal ik mezelf wel helpen.”

Tegelijkertijd nam de klant het mes, en sneed zich het hoofd af, dat hij met vaste hand vlak voor zich neer zette.Bladzijde 353Daarna zeepte hij—de barbier was er verwonderd over, en dat zijn de barbiers anders niet licht, want ze zien en hooren meer dan een ontdekkingsreiziger—de wangen in, en in een ommezientje bleef er geen schaduw van dons op 't vel. Toen hij gereed was, zette hij 't hoofd op den romp, en zei, dat hij nu zijn schuld wilde voldoen.

Voor de baas een woord had kunnen uiten, drukte hem de deftige heer een gouden dukaat in zijn hand, en riep uit:

“Dat zal wel genoeg zijn, denk ik.”

Nu overkomt het een Leeuwardensch barbier niet elken dag (al scheert hij niet slechter dan een collega in Amsterdam of 's Gravenhage), dat hij met een gouden dukaat wordt betaald. Hij wilde zijn vrouw in zijn geluk doen deelen. Hij was al bij haar, vóór hij 't wist: wat bewijst, dat hij net en soliede was in zijn levenswandel.

“Vrouw! Kijk eens, wat ik gekregen heb.”

Ze tuurde naar de palm zijner rechterhand en haalde minachtend haar schouders op.

“Een duit! Wat is dáár voor bijzonders aan?”

Ja, het was een duit en geen dukaat, waarmede de rekening was gequiteerd, en dáárvoor kon hij 't niet doen. Zeker een vergissing van den voornamen heer. Waar zou deze logeeren? Natuurlijk in het Hooghuis. Hij er naar toe!

“Wat is dat?” riep Faust, want niemand anders was het, “wat is dat? Zeker een vergissing …. Wacht! hier heb je een nieuwen dukaat. Zie je goed, dat 't een dukaat is?”

“Ja,” zei de scheerder.

Thuis keek hij er nog even naar, vóór hij zijn vrouw de munt toonde. Gelukkig, want ook nu hield hij in zijn hand een koperen duit. Hij riep woedend:

“Zoo waar ik een barbier ben, gaat 't hier niet zuiver toe.”

Doktor Faustus bleef dus in de stad, en iedereen hoorde, wat hij met den dukaat had uitgetooverd. Eens kwam hij 's avonds in het Hooghuis, en hij riep zijn knecht.

“Trek me de laarzen uit.”

De knecht knielde en trok de laars van doktor Faustus'Bladzijde 354linkervoet. Daarna begon hij met de rechter—Dat ging niet zoo gemakkelijk.

“Och jongen—je kunt niet trekken.”

De knecht had zijn ponteneur en hij rukte nu met alle macht, zóó hard, dat hij het been uit doktor Faust's lichaam trok. Dit vond doktor Faust niet aangenaam, hij schreeuwde, dat 't een aard had. De waard kwam toegeloopen.

“Wacht,” peinsde deze (de Leeuwardensche hoteliers zijn niet van gisteren), “dat is een mooie manier, om het sinjeur eens te laten betalen. Weet je, wat ik doe? Ik berg 't been in de kast, en als hij weg gaat, heb ik een waarborg.”

Zoo gezegd, zoo gedaan.

Hij had echter een ander voor zich, dan hij meende. Wij, u en ik, zouden alles doen, om ons been terug te ontvangen, maar doktor Faustus verliet het logement hinkende, en gaf geen duit. Toch scheen hem dit na eenigen tijd te berouwen, althans hij keerde terug, om zijn rekening te vereffenen. Doch de waard was dom geweest: hij had 't been in 't water gegooid ….

“Dan is de zaak in orde,” zei doktor Faust. “Jij 't been en ik 't geld.”

“Ja,” antwoordde de herbergier. “Ja, dan is 't in orde.”

Zoodra de geleerde man op straat liep, groeide hem 't rechterbeen weer aan, en hij wandelde nu net als de gewone menschen.

Nog meer wandaden haalde doktor Faustus uit. Hij stelde voor, om op de Langepijp te gaan staan, met stroo onder zijn arm. Er waren in dien tijd veel heksen in Friesland: overal kon je die leelijke tsjoensters aantreffen.

“Jullie hebt moeite, om ze te kennen?” vroeg doktor Faustus. “Als ik op de Langepijp sta, zal iedere heks naar mijn stroo worden getrokken en ze zal er mij een halmpje van uitritsen. Daaraan kunt ge zien, wie tooveren kan en wie niet.”

Natuurlijk stond men het hem nooit toe, want de vrouwBladzijde 355van den burgemeester was een heks, en dat dus het bestuur der stad den vreemdeling lieverbuitendanbinnenLeeuwarden zag, is wel te begrijpen. Eens heeft hij 't heele Waagsplein met bloed overstroomd (zooals een fatsoenlijk mensch zijn tuin in een heeten zomer met water begiet), en daarmede had hij zijn banvonnis verdiend.

Faust moest Leeuwarden verlaten.

Aan alle vier de stadspoorten zette men een bode, die had toe te zien, of Faust de stad uitging. De burgemeester ging in 't raadhuis zitten, en wachtte. A1 heel gauw kwam een bode aanrennen, die hijgde:

“Doktor Faust is doormijnpoort vertrokken.” Nauwelijks had hij dit gezegd, of een tweede bode stormde binnen met de mare:

“Dokter Faust is doormijnpoort vertrokken,” en hij werd verdrongen door een derden bode, die jubelde:

“Dokter Faust is doormijnpoort vertrokken. Daar kwam de vierde bode aanzetten, die al uit de verte riep:

“Doktor Faust is doormijnpoort vertrokken.”

Tot op den huidigen dag is dit een raadsel gebleven, doch gelukkig is doktor Faustus nooit in Leeuwarden teruggekomen. De barbiers, hoteliers en heksen kunnen er thans rustig slapen.

Bladzijde 356

Bladzijde 357

HET VROUWTJE VAN STAVOREN(blz. 1–11). In een “Boekje voor den Straatzanger” vind ik het volgend vers, dat thans nog algemeen wordt gezongen.

Hoort, vrienden, hoort een lied,Dat duidelijk zal verklaren,Wat eenmaal is geschied,Voor meer dan duizend jaren.Toen oud en grijs StavoreNog bloeide op Frieslands grondEn van zijn macht deed hooren,Door heel het wereldrond.

Daar in die rijke stad,Die jaarlijks duizend schepen,Belaân met 's wereld schatHaar haven in zag slepen,Daar leefde in roem en eer,Een rijke weduwvrouw,Wiens voorbeeld ons zal leeren.Hoe hoogmoed voert tot rouw.

Geen koper, neen, maar goud,Zoo sprak zij, siert mijn woning,En 't huis voor haar gebouwdScheen 't woonhuis van een koning.'t Was al wat oogen zagenVol vorstelijke praalEn hoeft men meer te vragenDe stoep was van metaal.

De leuning was zeer schoonUit louter goud gedreven,De deurknop scheen een kroonMet paarlen als omgevenEn breede, zilvren platenGeklonken aan den grond,Bedekten al de stratenZoover haar woning stond.

Daar treedt een zeekaptein,Haar bij de haven tegen,Wat, sprak ze, zal het zijn,Wat schoons hebt gij verkregen,Wat heerlijks brengt gij medeUit overzeesch gebied,Uw schip ligt op de reedeMaar hoe gij antwoordt niet?

Bladzijde 358

'k Heb immers u belastHet kostelijkst in te ladenWat rondom de Oostzee was,En 't oog hier kan verzaden.Wie zich aan prijs mocht storen,'k Vraag nimmer naar het geld.De weduw van Stavoren,Wordt niet teleurgesteld.

'k Bracht tarwe naar uw zin,Al edelst wat wij vonden,Aan stuurboord kwam het in,Zooveel wij laden konden.Hoe gilt zij dol van zinnen,Hoe, tarwe? lage guit!Bracht gij ze aan stuurboord binnen,Zoo werp ze aan bakboord uit.

Helaas, het kostlijk graanWerd in den vloed geworpen.Een grijsaard die het zagUit een der naaste dorpen,Beef, sprak hij, o vrouwe,Wellicht lijdt ge eens gebrek,Dat nooit dit stuk u rouwe,Zwijg, sprak ze, grijze gek.

Ze lachte en greep haar ringEn wierp met luid geschater,Terwijl ze henenging,Hem weg in 't woelig water.Kijk, riep ze, dwaze kerel,Eer geeft de zee weerom,Deez' schoone ring en parel1Eer ik tot armoe kom.

Het duurde een dag of acht,Toen werd op haar verlangenEen groote visch gebracht,Zoo pas in zee gevangen.Maar sidderend zonk ze neer,Want reeds met de eerste snee,Vond zij haar ring toen weder2Laatst geworpen in de zee.

Daar treedt een dienstknecht in,Uw schepen zijn verloren,De zee zwelgt alles inGods wraak rust op Stavoren,Een andere knecht snelt binnenEn biedt een brief haar aan.God, gilt ze woest van zinnen,Mijn glorie is vergaan.”

Bladzijde 359Vele andere berijmde lezingen, dikwijls zeer van elkander verschillend, zijn van het vrouwtje van Stavoren bekend: hier meende ik de sage van “het vrouwtje” te moeten scheiden van die van het Vrouwenzand, waarvan reeds dóór Johann Wilhelm Wolf in 1843 twee lezingen zijn medegedeeld.3Zie “Het Vrouwenzand” blz. 149 in dit werk.

Trouwens, alleen reeds met sagen en legenden van Stavoren ware een aardig boekje te vullen. Dat haar bloei en verval zulk een levendige fantasie bij 't volk opwekten, is geen wonder. We vinden den naam Stavoren al vermeld in de legenden van Friso, die met zijn broeders Saxo en Bruno naar de lage landen was gekomen, en een tempel bouwden ter eere van hun god Stavo. Om den tempel stichtten ze een stad, welke ze Stavoren noemden. Dan hebt ge de legende van het “Roode Klif,” de roode vlam, welke op Stavo's bevel door drie kruiken zeewater werd gebluscht; van de “stem uit de bron,” een vervolg van het “Roode Klif,” van de “overstroomende bron,” volgens Stavo slechts te stuiten door het bloed van een driejarig kind; van “de wanschapen wolf, met menigerlei hoofden, meer dan de hond Cerberus er had” …. Er zijn er nog meerdere, doch in ons volk leven ze helaas niet meer voort, en wat er van de rijke legenden-schat is overgebleven, geeft weer een denkbeeld, hoe de roem van Stavoren is vergaan—Zie ook blz. 311 van dit boek.

Het visch- en ring-motief is waarschijnlijk ontleend aan de Duizend en Één Nacht.

STRAFFE GODS(blz. 11–17). De kroniekschrijver François le Petit vermeldt, dat men een der brooden, welke in steen veranderd waren, in de Sint-Pieterskerk heeft vertoond (zie ook Nederlandsche Legenden met 32 Platen, naar het Fransch!! uitg. 1842).

Tusschenhaakjes … is het niet meer dan bedroevend, dat de Nederlandsche Sagen en Legenden eerst hedenBladzijde 360door mijn hier gegeven poging onmiddellijk in een oorspronkelijken bundel zijn opgenomen? Deze verhalen van zoo aangrijpenden eenvoud, dat men ze lief moet hebben als het leven. En wat is er voor folklore in Nederland tot dusver gedaan? Naast de Nederlandsche Driemaandelijksche Bladen bestond het Vlaamsche tijdschrift “Volkskunde,” en verder waren en zijn er verschillende gewestelijke boeken, periodiekjes en almanakken; maar dit heeft bijvoorbeeld niet kunnen beletten, dat er van de sagen in de Peel zoo goed als niets is overgebleven, en dat van verschillende Groningsche overleveringen … slechts de laatste zinnen bekend zijn!

In “Straffe Gods” vindt men hetzelfde wraak-gegeven als in “Het Vrouwtje van Stavoren.” Hij, die niet barmhartig is, moet het boeten. Vreemd, dat het vrouwefiguren zijn: misschien is dit wel, om de tegenstelling nog scherper te maken.

Een soortgelijk verhaal is te vinden bij Wolf S 254. Hier speelt het echter in Gent. Het steenen brood wordt vertoond in de Pharaildiskerk. Het jaar, dat de historie in Gent voorvalt, is 1557.

HOE MONTFORT ORDELOOS LIGT(blz. 18–20). Zie ook Limburg XX 3⊇ aflevering blz. 186. Welters en van Beurden zijn voor de Limburgsche folklore de menschen waren er in de andere provinciën telkens maar twee met zulke liefde voor de schoonheid der sage, ik ware tevreden. Vele der Limburgsche sagen zijn natuurlijk door Welters bekend geworden.

HOE EENRUM, MENSINGEWEER, OBERGUM EN WINSUM EEN NAAM KREGEN(blz. 20–22). Hier zijn twee mij mondeling medegedeelde overleveringen tot één geheel vereenigd.

DE SLAPER IN HET VOORHOUT(blz. 22–32). Verschillende deelen ontleende ik, meer of minder woordelijk,Bladzijde 361aan de hier reeds vermelde “Nederlandsche Legenden.” Op verscheiden punten koos ik echter een “waarschijnlijker” lezing, en vooral heb ik het geval minder braaf gesteld, en Willem van Nieuwen's moeder, die den dronkaard vermaant, uit het spel gelaten. Ook vervult in dit boek Isabella van Portugal de rol van de vrouw des vroolijken Willems; in de “Nederlandsche Legenden” wordt hiervoor een kamenier uitgekozen, bij Shakespeare in “The Taming of the Shrew” een mannelijke page, wat het geval nog humoristischer maakt.

Sirrah, go you to Bartholomew my pageAnd sec him dress'd in all suits like a lady:That done, conduct him to the drunkard's chamber,And call him madam, do him obeisance,Tell him from me (as he will win my love)He bear himself with honourable action,Such as he hath observ'd in noble ladiesUnto their lords, by them accomplished:Such duty to the drunkard let him do,With soft, low tongue and lowly courtesy;And say,—What is 't your honour will command,Wherein your lady, and your humble wife,May show her duty, and make known her love?And then—with kind embracements, tempting kisses,And with declining head into his bosomBid him shed tears, as being overjoy'dTo see her noble lord restor'd to health,Who, for this seven years bath esteem'd himNo better than a poor and loathsome beggar:And is the boy have not a woman's gift,To rain a shower of commanded tears,An onion will do well for such a shift;Which in a napkin being close convey'd,Shall in despite enforce a watery eye.Sec this dispatch'd with all the haste thou canstAnon I'll give thee more instructions ….

Het ontwaken wordt door Shakespeare als volgt geschetst

SLY. For God's sake, a pot of small ale.

1 Sew. Will' t please your lordship drink a cup of sack?

2 Sew. Will' t please your honour taste of these conserves?

3 Sew. What raiment will your honour wear to-day?

Sly. I am Christophero Sly; call not me—honor lordship; I never drank sack in my life; and if you give me any conserves, give me conserves of beef: Ne'er ask me what raiment I'll wear: for I have no more doublets than backs, no more stockings than legs, nor no more shoes than feet; nay, sometimes, more feet than shoes, or such shoes as my toes look through the overleather” enz.

Bladzijde 362Talrijke verhalen en stukken dragen de geestige intrige als basis. Noemen we de Duizend en één Nacht weder in de eerste plaats, de historie van Harun en den herder AbuHassan. Soortgelijke geschiedenissen worden trouwens niet alleen in Den Haag voorgesteld, doch ook in Brugge en Dyon. Nu eens is 't Philips de Goede, dan weer Karel IV, die den dronkelap vindt. Bij Shakespeare is 't een willekeurige “lord,” en de vindplaats is “before an alehouse on a heath.”

Zoowel in Shakespeare's voorspel en de door mij medegedeelde lezing vinden wij een schuld van den armen schobbejak aan een waardin of waard voorgesteld. Bij Shakespeare:

SLY. No, not a denier: Go by, Jeronimy ….” etc.

HOSTESS. You will not pay for the glasses you have burst?

Ook Segismundo in Calderon's La Vida Es Sueno doorleeft een droom, als hij bij het ontwaken zich in een vorstelijk bed bevindt. Hier klinkt hem, gelijk in mijn bewerking, muziek tegemoet

SEG.:Válgame el cielo, qué veo!Válgame el cielo! qué miro!Con poco espanto lo admiro,Con mucha duda lo creo.Yo en palacios suntuosos? enz.

(Hemel, wat zie ik, wat ontdek ik, ik zie 't met weinig schrik, doch ik geloof het met veel twijfel, ik in rijk-versierde kameren, ik tusschen zijde en brocaat, ik, omringd door dienaren enz.—).

Vele tooneelstukken en novellen zijn op het mooie sprookje gebouwd.

GERARD, DE SLECHTE HEER(blz. 32–52). Hier zijn mij acht lezingen van gegeven: de lezing, hier gevolgd, stamt uit Tiel. Zoo ik me niet sterk vergis, heeft Marie Ramondt een soortgelijk verhaal. Deze lezing koos ik, om het verdwijnen van den weerwolf, die in de lucht oploste, en de overeenkomst met de Brabantsche Kludde (Niederländische Sagen blz. 313) “Ein anderes Mal behängt er sichBladzijde 363mit der Haut eines groszen schwarzen Hundes, läuft also auf seinen Hinterpfoten, rasselt dabei mit einer Kette am Halse und springt den ersten, der ihm begegnet, unversehens auf den Nacken, und wenn er ihn dann zur Erde geworfen hat,verschwindet er ohne Spur.”

Dit op den rug springen van den weerwolf, is iets heel gewoons, maar 't komt hier in geen der lezingen voor. We vinden het wel bij de Wall Perné “Veluwsche Sagen” bij den boozen geest Osschaert (blz. 102), die den spotter volgt op zijn rijm:

“Griepke, griepke grauw a'j me griepen wilt, griep me dan gauw.”

In Dendermonde

“Grijpke, grijpke grauw, Wilt ge mij grijpen, Grijpt mij nou.”

Overeenkomst met den weerwolf, heeft de Friesche en Overijselsche Evert (De Evert zal hem halen), en de Schiermonnikoogsche Roode Haan, benevens het plaagbeest of het pestdier (dit bracht de pest aan, zie ook de in dit boek behandelde sage “De Zwarte Dood”). Den ketting vinden we bij vele spook- en duivelsverhalen terug. Wanneer een paar gehuwde lieden zeven zoons krijgt, zonder eene dochter er tusschen in, dan is één der zeven een weerwolf. Meermalen heb ik hooren vertellen, dat de jongste der broeders die het zevental vol maakt, de weerwolf is. Anderen zeggen, dat de duivel de geschiktste uit de zeven kiest (Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven). Zóó weinig worden dergelijke begrippen soms vastgehouden, dat men mij te Groningen heeft verteld: “één van zeven zonen is met den helm geboren,” (Notabene die met den helm geboren is, heeft een voorspellenden geest). In Elst deelde men mij mede, dat de weerwolf de ziel was, door den Duivel bezeten, en die daarom de gedaante van een hond had aangenomen. Ook kon hij goedBladzijde 364kaartspelen! Een sage kende men echter niet, of wilde men mij niet vertellen.

Staat het Overijselsche lied:

“Wolle wee, wee, wee Wolle wee, wee wee” enz.

met den weerwolf in verband?

Volgens een onzer grootste hedendaagsche Nederlandsche folkloristen, dr. Jos. Schrijnen, vertoont de weerwolf een animistisch karakter (Nederlandsche Volkskunde, dl I, blz. 73). “De weerwolf-mythen,” schrijft hij, “hebben alle Indogermaansche volken gemeen.”

In 't buitenland vindt men wel, dat de weerwolf een vrouw is (b.v. dr Ulrich Jahn; “Volkssagen aus Pommern und Rügen”, blz. 38) op andere plaatsen wordt hij een weerwolf, die 't vel van een gehangene of een wolfsvel om zijn lichaam bindt; soms ook de misdadiger, die geen straf heeft ondergaan. Ook vrouwen, die op heksachtige wijze op een bezemsteel gaan zitten, kunnen weerwolven worden.

Nergens uit zich de volksfantasie zóózeer, dan in gedaante en verhalen van den weerwolf, onder welke gestalte hij (zij) zich ook beweegt. Zelfs de heksen moeten het in dat opzicht tegen hem afleggen.

Langzamerhand zijn de weerwolfsagen aan het verdwijnen, en binnen eenige jaren zal er niets van over zijn gebleven. In Limburg heb ik nog een fragment eener weerwolfsage gehoord, welke mij zoo onsamenhangend voorkwam, dat ik ze met den besten wil der wereld niet meer kon bewerken. Van hooren zeggen heb ik, dat er bij Rolde in Drenthe nog een weerwolf-achtig verhaal moet leven. Onderzoekingen in dezen zin hebben echter niets opgeleverd. Of men er zich voor schaamde?

DE BASILISCUS VAN UTRECHT(blz. 53–57). Opmerkingen over deze sage zijn weinig te maken, daar zij alreeds in 't verhaal zelf zijn verwerkt. Dat uit haneneieren vervaarlijke monsters konden worden uitgebroed, was eenBladzijde 365allerwege verspreid verhaal in de middeleeuwen en later (men leze bijvoorbeeld Der Hahn von Quakenbrück van Ricarda Huch). Dat er in de 15⊇ eeuw nog een haan werd opgehangen in Bazel, beschuldigd, dat hij een ei had gelegd, behoeft zeker geen verwondering te baren.

Er bestond maar één middel, om dezen basiliscus te bestrijden, en dit werd door den Utrechtschen jongeling toegepast. Wat men in Dokkum en Oldeboorne heeft gedaan, waar telkens achttien menschen werden gedood (de overeenstemming der twee getallen is typisch-toevallig) is niet bekend.

HET POPJE DER HEKS(blz. 57–64). Een zeer merkwaardige sage! Al speelt ze honderd jaar geleden, toch heb ik ze (evenals Waling Dijkstra) gepubliceerd. 't Heksengeloof is er nog niet heelemaal uit en zeker niet 't geloof aan allerlei duivelsche machten. Zóó lees ik bijvoorbeeld in het “Nieuwsblad van Emmen” van Juni 1915 't verhaal ontleend aan de A. Ct.: “Het geloof aan heksen en spoken, aan witte ‘wiev,’ ‘glunigen kèrels’ en dito honden of hoe die trawanten van den vorst der duisternis meer mogen heeten, het geloof daaraan mag zoo goed als verdwenen zijn,4de vrees voor Zijn Helsche Majesteit zit er hier en daar toch nog in. Dat bleek ons dezer dagen op een afgelegen gehucht op het Ellertsveld. Een paar avonden achtereen hoorde daar een echtpaar telkens tegen het middernachtelijk uur een geheimzinnig geklop en dof gehamer op de deel. Dat was natuurlijk het werk van den Booze of te wel van den ‘boksvoot,’ die daarmee natuurlijk niet veel goeds in den zin had en naar alle zekerheid het een of ander groot ongeluk over het huisBladzijde 366zou brengen. Om dat dreigend onheil af te wenden werd den volgenden dag tegen het vallen van den avond dicht bij den paardenstal, vanwaar men het angstaanjagend geluid meende te hooren, de Bijbel neergelegd, geopend bij het 4⊇ hoofdstuk van Mattheus, alwaar wij lezen, hoe Jezus in de woestijn door den duivel werd verzocht. En na dien is het weer rustig op de deel als voorheen. De gehoonde verleider heeft stellig den aftocht geblazen. Mattheus 4 werd hem te machtig.

Nochtans blijft het geopende bijbelboek alsduivelbanner5daar nog eenige dagen liggen, want zoo verklaarde ons het vrouwtje in allen ernst: ‘hij wil nog wel eens terugkomen. Dat er eenig verband kan bestaan tusschen het eindigen van het vreeswekkend geklop en den verkoop van 't paard op de Norgermarkt j.l. Dinsdag, dat kwam natuurlijk niet op in de hoofden van 't ongenoemd echtpaar.’”

Tot zoover het Nieuwsblad van Emmen, dat ook in Borger veel wordt gelezen. Ik weet, dat daar een oude vrouw woont, die wel wonderlijker verhalen kent dan deze, en die hier weinig om zal lachen.

De heksenvervolging in ons land heeft nooit de vormen aangenomen, welke zij bijvoorbeeld in Frankrijk (Vauderie), Italië en Duitschland heeft gekend. De heksenwaag in Oudewater heeft menig verdachte van den dood gered. Voor hen, die er belang in stellen, geef ik hier een paar aardige vonnissen en bescheiden.

Utrecht 1417: “Want Isyo, die vroedemoeder, onredelijk saken, alse toverie ende andere onstantelijke dinghen bedreven ende gedaen heeft, daarom verbiet men haar de stat 50 jaer lanc naeste comende ende een mile van der stat te wesen op hoer lijf.”

Putten op de Veluwe 1423: “des paepen maagd van Putten, die beruchtiget was, dat sy heren Aelbert den papen betovert wolde hebben en hoer kunsten dairtoe besichde, dat gebeterd met 20 rijnsche gulden.”

Bladzijde 367Vonnis van het Hof van Holland 1467: “tegen een oud wijf, die 23 jaren lang na gestolene en verlorene goederen gelesen had, hetwelk wijchelarij was en tegen het cristelijk geloof, tot pronken op het schavot en ban.”

En hier hebt ge een juweel, van den Zutphenschen burgemeester Henric here thoe Gehmen uit 't jaar 1491, een schrijven gericht tot burgemeester en raad van Keulen …. Ja, hier is 't wel tempora mutantur.

“Eirbare vroeme inde vursichtige, gemynde, lieve vriende. Hyr in deur lande van Sutphen is eyn tyt van jaren herwertz zere groet ongnade, verdriet inde schaide geschiet van onweder6inde enheben niet waell rait dair to krijgen moigen, sulkes gestraffet inde uytgerait mochte werden. Inde altehantz heb ick drossait drie wijffe eyn tyt lanck in gefencknuss sittende gehat inde noch sitten binnen der stat van Lochem, die mijn onderdrossait vaste mennigerley heeft laten versuecken mitten scarprichter, inde doch niet ther lyluge gebrengen en kan, woewaill die selve wijve dat ganse gemeyn gerucht heben, inde die nabueren baven inde beneden hen des niet en verlaiten, sy en konnen weder maickenind oich seggen sy van veele stonden, dair sy die selven wijve, die eyn onder syn korn, die ander in seynem stall by syn haive, inde voert der gelycken, dair sy tovery in vermoeden, befonden heben7. Inde ass men die wijve ter pijnen stelt mit trecken, averhaelen ind barnen an die hacken8ind voert anders, dat geyn harde manspersonen sonder te lij gen lijden en solden, ind als dat gedain is, so synt sy oer leeden so mechtig als voer der pijnen. Inde nementlic hefft die eyn vrou baven in eyn pan mit heyter torffkaelen die eyn reyseBladzijde 368voir ind die ander nae mitten bloeten voeten gain stain9, inde sacht dat men dat voir oir onscholt nemen wolde, inde dat en schaiden oir mit allem niet, dat men sien konde. Men hadde se laeten bescheeren all omme heer van hair inde deede oir drijncken van den wijwaeter, des sonnendaiges gewijth was, ind oich aver oir bloete lijff eyn misgewait an, dair die hoemyss des sonnendages in gedain wass inde sat sy van der eerden, eer men sy ter pijnen stelde.10Inde dit wass van baven gekomen uit anderer amptlueden versueck, inde hedden gemeynt dat men dairmede den duvel syn macht benomen ind sye ter lijginge gebracht solde heben, dan 't en baiten all te maell niet. Inde went wij dan verstain, dat allduslicker toverijen gelijcken bijnnen off umbtrynt uwer lieffden stat inde voirt meer baven geschiet is, dair men die toevenarss inde toeverschen aver ten rechten gestalt inde gebrant hefft, so were onse zere fruntlicke bede inde begerte, dat uwe erbarn lyefften onssdair van onderrichtinge bij desen brenger s'brieff so voell uwen lyeffden wijtlick inde mogelick is, doin scrijven willen, woe inde in wat manieren men sij ter pijnen stellen sall, ons dair na in den besten te richten, ind soe dat men sulke ongelove, tovery inde oveldait verhaiten inde uytraiden mochte. Dair uwe liefften sich ter eeren gaidz in de waelfairt gueder luede guetwillich in bewijsen willen, als wij getruwen inde t' anderen tijden gerne, dar wij konnen, verschulden enz.”

Geadresseerd aan: Den eirbaren vroemen inde voirsichtigen borgemeistern, scepen inde raide der stait Colne, unsen gemijnden lieven frunden.11

Terwijl in ons land het volksgeloof taai het begrip “heks” heeft vastgehouden—zoodat het nog niet als uitgestorven is te beschouwen (Drente, Friesland), kan men erBladzijde 369hen, die de massa leiden, geen verwijt van maken,in 't algemeen, dat ze op ruwe wijze tegen de ongelukkigen te keer zijn gegaan. Niet, dat Bekker's “Betooverde Wereld,” welke op krachtdadige wijze het bijgeloof bestreed, geen tegenkanting ondervond—doch in niet vele landen vindt men lichtelijk zoo weinig vervolging van overheidswege. Er zijn er, die dit aan den invloed van het Protestantisme toeschrijven, maar dit schijnt mij minder juist toe, om redenen, die mij te ver buiten mijn beknopte “Aanteekeningen” zouden voeren, doch die het verband zouden aantoonen, welke de Katholieke Kerk in de Middeleeuwen legde tusschen ketterij en toovenarij. In 't kort zij gezegd, dat de verhouding van het Katholicisme tegenover de hekserij in de middeleeuwen anders was dan van het Protestantisme tegenover de hekserij in de 17⊇ en 18⊇ eeuw, zoodat deze beide niet met elkander zijn te vergelijken. Bovendien heeft men nog het treurig proces tegen de heks van Glarus (Zwitserland) in 1781,12waardoor men tot de overtuiging komt, dat ook een Protestansche overheid niet vrij van bloedschuld is.

In Engeland was 't o.a. Reinald Scot, die tegen de heksenvervolgingen schreef, en zijn werk werd tot “ghemein oorbaar” in 't Nederlandsch vertaald door Thomas Basson.13Deze voegde hier ook bij o.a.

“T' Gevoelen van de Heeren Professooren der Universiteyt tot Leyden, nopende de proeve der Toveressen in 't waeter.”

De hooggeleerde heeren deden, d.w.z. zoover zij behoorden tot de faculteiten der Medicijnen en Philosophie, ten verzoeke van het Hof van Holland uitspraak in een twijfelachtige zaak ….

Aanwezig waren:

Bladzijde 370Doktor Johannes Heurnius, Rector Academiae en Professor Medicinae.

Doktor Gerardus Bontius, Professor Medicinae.

Doktor Petrus Pauw, Professor Medicinae.

Antonius Trutius, Professor Philosophae.

Petrus Molenaeus, Professor Philosophae.

Wat was deze twijfelachtige zaak, die de Professoren den negenden dach january des jaers 1594 tezamen bracht?

Of de toovenaressen,14waersegsters etc. door haar swerte kunst ofte schandelijcke oeffeninghe sulck een bijsonder kracht hebben, dat wanneer zij crucelinckx aen handen ende in het waeter geworpen zijnde, de selvighe niet ondergaen ende sincken, maer op het waeter drijven: Dan off hier onder eenighe natuerlijcke oorsaeck verborghen is.”

Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een nuchtere uitspraak hebben gegeven, en zich zoo objectief tegenover 't vraagstuk hebben gesteld. Ik voor mij zie in de “nuchterheid” der autoriteiten en publicisten van oudsher, een nuchterheid, welke zelfs in den brief des Zutphenschen burgemeesters tot uitdrukking komt, eigenlijk de reden, waarom hier van buitensporigheden geen sprake kan zijn. Hebben wij al in de 16⊇ eeuw deze nuchterheid te constateeren, in de 17⊇ wordt de strijd voortgezet en in 't midden der 19⊇ eeuw voert M. D. Teenstra in zijn “Volksverhalen en Legenden” de nuchterheid tot het uiterste, door met alle mystiek te spotten en al het bovenzinnelijke te betwijfelen.Zijnenuchterheid echter, die bijvoorbeeld tot onnoemelijk naBladzijde 371deel van de Kunst in ons land heeft gestrekt, is de arme, ongelukkige vrouwen15ten goede gekomen. Een nadeel echter der nuchterheid is, gelijk ik op mijn tochten heb ondervonden, dat allerlei betweters langzamerhand de volkspoëzie hebben vermoord. Deze Hollandsche geest heeft altijd eenigszins vijandig tegenover kunst en kunstenaar gestaan.

Er moet ten opzichte der sage “Het Popje der Heks” nog iets anders worden opgemerkt. Men zal op bladzijde 59 onderaan, lezen:

“Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te jammeren ….”

Dat deze katten in het verhaal voorkomen, is geen wonder. In een belangrijk percentage der heksensagen speelt de kat een groote rol. Ook hier is de plaats niet, om degeschiedenisder folklore na te gaan, teneinde aan te toonen, welke plaats de verandering van mensch in dier van oudsher in 't volksgeloof heeft ingenomen.16Dit hadden we trouwens reeds eerder bij den weerwolf (manwolf) kunnen doen. Bij vele heksensagen overheerschte het geloof, dat de heks zich in een kat verandert; wordt dan de kat bijvoorbeeld door een steen aan den kop gewond, dan vertoont den volgenden dag het hoofd der heks kwetsuren: ja, hieraan ziet men dikwijls, dat de vrouw een heks is. Zij kan zich ook in levenlooze voorwerpen tooveren: een of ander schip wil niet vertrekken, de knecht wordt woedend, en slaat met den bijl in het hout … den volgenden dag blijkt het weder, dat een vrouw verwondingen heeft opgeloopen, welke niet op natuurlijke wijze zijn te verklaren.

In “Het Popje der Heks” leest ge, datop een afstandBladzijde 372een kind wordt betooverd, en wel geschiedt dit, doordat de tsjoenster in een popje prikt. Dit staat weder met een eeuwenoud geloof in verband. Kon men iemand niet rechtstreeks vermoorden, dan pleegde men toovenarij met een afbeeldsel zijns vijands. Hier vindt men een eigenaardige onlogica, welke niet dikwijls in dergelijke volksverhalen (die meermalen naïef zijn, doch volgens strenge logische begrippen worden opgebouwd) aan te treffen zijn: het popje dient aan den eenen kant, om het kind (dus een vreemde) te pijnigen, maar als het verbrand wordt, sterft het kind niet … doch de heks.

Summa summarum: er zit in deze sage méér dan men oorspronkelijk zou vermoeden.

DE ROODE HEMDROK(blz. 64–67). Talloos zijn in het Noorden des lands, de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen deze “voorloop”-sagen, minder in aantal de “naloop.” (Wanneer iemand iets ziet, dat nog gebeuren zal, bijvoorbeeld een brand of een begrafenis, wordt 't “voorloop” genaamd; komt de een of andere persoon naspoken, zooals b.v. in de “Plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom” of “Mooi-Ann” dan heet 't “naloop.”) Het meest zijn zij op den “voorloop” aangewezen, die met den helm geboren zijn. 't Beste is, wanneer een kind hiermede geboren is, den helm tot asch te verbranden, anders behoudt dit zijn leven lang de gave, steeds ongeluk vooruit te zien, gelijk Cassandra. Sommige schippers echter probeeren zich van een ongeschonden helm meester te maken, waarvoor zij een groote som gelds over hebben, daar deze hun een gelukkige vaart verzekert. Aldus is het geen wonder, dat volgens 't volksgeloof vele ouders ertoe overgaan den helm van de hand te doen, waardoor menigeen tot zijn eeuwig ongeluk de gave der “voorloop” krijgt.


Back to IndexNext