Hoofdstuk XXV

In de dagen van Olim, toen Weert Weert nog niet was, woonden er tòch in het stedeke van Jan van der Croon reeds moedige mannen, die gaarne wilden laten zien, wat zij t' avonture vermochten. Zij lieten de spierballen hunner armen dikwijls opzwellen, en zij schudden de wapenen, als gingen zij den vijand tegemoet: ojammer echter! de vijand bleef uit, en de Weertenaren dienden hun dapperheid tot later gebruik in te pekelen.

Op een dag reed er door het stadje een vischkoopman, die de goede burgers eindelijk tot de befaamde helden zou maken, over wie nog in gansch Limburg en Noord-Brabant met stillen eerbied wordt gesproken.

De vischkoopman dan had een rog op zijn wagen, die, zonder dat hij 't merkte, van zijn kar op de straat glipte en in 't mulle zand der straat bleef liggen. Hij ging door, en de Weertenaren bleven met 't monster alleen. Ze wisten niet, wat het was, en met schuifelende schreden kwamen ze, de hoofden vooruit, dichterbij. Hoog sprong het in de lucht, en met geweld sloeg het, daar zijn krachten hem begaven, door de zwaartekracht weder naar beneden. Een wilde, wanordelijke vlucht der aanvallers volgde, en de rog had zich dus ten eersten male goed tegen de helden verdedigd.

Een der Weertenaren ging op het dak zitten, en keek vandaar naar het gruwelijk ondier. Een ander klom in een boom, en begon het met steenen te bombardeeren. Men zou het duivelsch gebroed, dat in 't rustig stadje uit de lucht was komen vallen, wel klein krijgen!

Gillende vrouwen hielden onderwijl haar mannen bij de jas. Kinderen schreiden om de algemeene angst, en iedereen was klaar, om nog verder weg te loopen, als de rog weder een van zijn slangelijfkunstenaars-grappen zou uithalen.

Gelukkig overlegde een burger, dat men in Weert nog een schout had. Doch waar was de schout? Als er niets gebeurde, zag men hem met strenge passen en met vreeswekkendeBladzijde 133rimpels in zijn voorhoofd over de straat gaan. Dan keek hij naar ieder onschuldig varken, dat in den grond wroette, als ware het dier een vermaarde roover, die onschadelijk gemaakt moest worden, en zoo nu en dan bleef hij plechtig staan, of hij de goede burgerij verzekeren wilde: “Zoolang ik schout ben, zal er in Weert niets buiten de welvoegelijkheid geschieden.”

Aan den anderen kant … áls er werkelijk eens wat voorviel! Dan waren nóch de schout nóch zijn rakkers ergens te vinden. Men klopte tevergeefs aan hun deuren. Ze waren spoorloos verdwenen, totdat zij weder zonder gevaar konden naderen, en de delinquent door de burgers zelf gevangen was genomen. Dan klonken hun krijgshaftige passen al dichter en dichterbij. Hun oogen waren klein en stekelig. Hun wenkbrauwen borsteliger dan ooit, en hun wapenen rink-rinkelden onder 't gaan. Als ze den misdadiger naar het kot sleepten, deden ze dit naar de eischen der hoogste kunst.

Ook op het oogenblik, dat de rog zoo'n vervaarlijken salto-mortale had gemaakt, was de schout niet aanwezig, maar de vrouw van den smid snapte hem net precies, toen hij zich wilde verstoppen. Zij jubelde:

“De schout! de schout!” en ze trok hem naar voren.

Wat moest hij beginnen, de arme kerel? Hij gevoelde de verantwoordelijkheid zijner betrekking, hij kuchte met een moed, die iedereen vertrouwen gaf, en hij stapte naar voren, teneinde een toespraak tot de mannen van Weert te houden, gelijk helaas zoo menig veldheer, die zeer goed zijntroepenmoed weet te verschaffen, doch die zelf op den achtergrond wenscht te blijven, waar 't gevaar hem niet bereiken kan.

“Burgers!” zoo sprak hij, “de eer onzer goede vaderstad eischt, ja eischt, dat wij gindschen draak verslaan. Gij allen hebt wel eens van Sint Joris gehoord.”

De rog sprong in de hoogte, en alle Weertenaren, de schout incluis, maakten, dat ze weg kwamen.

Bladzijde 134Op een afstand zette de schout zijn rede voort.

“Wat ik zeggen wil! als men oprukt voor het gemeenebest, dan dient men niet alleen te beschikken over den Weertschen moed, maar ook over Weertsche trouw en Weertsch beleid. Zoo de vijand binnen onze poorten is, kunnen wij hem niet tegemoet trekken in wanordelijkheid, zooals ik daareven uit mijn hinderlaag heb ontdekt, neen! burgers of leeuwen, wij moeten ons in vaste rijen scharen, en, zonder te wijken, ineens op den belager, die wreedheid aan lafheid paart, afstormen. Zeker kunt gij hierbij uw leven verliezen, maar weet! dat er voor een burger niets schooner is dan voor het vaderland te sterven. Daarginder ligt het vaalzwarte monster, zijn oogen loeren naar ons, en hij heeft den bek open, om ons allen tegelijk te verslinden. Op voor Weert! Uw wapenen vooruit, zooals zij in uw handen zijn, spiesen en lansen en messen en mestvorken en schoppen, en dan allen tegelijk voorwaarts. Één, twee, drie.”

En daar schoten de Weertenaren naar voren, slechts gehinderd door de vrouwen en verloofden, die hen trachtten tegen te houden bij schouder of been, en die zich desnoods mede lieten sleuren, omhunman maar niet de eerste te doen zijn. De schout had geen eega van noode: hij bleef vanzelf wel achter, teneinde op een afstand de strategische kansen van voor- en tegenpartij te wikken en te wegen; booze tongen willen wel eens beweren, dat hij zich gaarne in zijn hinderlaag had teruggetrokken. Hoe dit zij, zijn zware stem gaf den anderen dapperheid genoeg, totdat de rog, misschien zelf verschrikt door al het kabaal, zich met zijn laatste kracht in de hoogte hief, en de burgers, losgelaten doorhun vrouwen, denzelfden wegterugsnelden, dien ze met zooveel voorzichtigheidheenhadden afgelegd.

De schout schudde 't hoofd, toen zij zich weder om hem verzamelden.

“Mannen van Weert!” zeide hij, “ge zult 't me niet euvel duiden, wanneer ik verklaar, dat ik meer van u hadBladzijde 135verwacht! Leer van mij, dat iedereen wel zeggen kan: ‘Ik heb moed.’ Maar moed, burgers van Weert, is moed, dien men toont.”

Dit waren allen met hem eens, en de schout ging voort.

“Ik geef toe, dat de overmacht te groot is, om met goed gevolg te worden bestreden, en daarom is versterking onzer troepen een gebiedende eisch. Laat ons dus de klokken luiden, teneinde onze trouwe bondgenooten in den omtrek te verwittigen, dat er groot gevaar is in Weert, en laten we ons zoolang hier op den achtergrond houden. Wanneer de vijand ondertusschen mocht naderen, kunnen wij nog de wijk nemen, want het is geen gebrek aan moed, burgers van Weert, als men vlucht, om later een aanval des te beter te doen slagen.”

De klokken werden geluid, verkondigend, wijd-uit, dat de burgers in groot perikel verkeerden; de boeren daarbuiten hoorden het, en ze maakten zich op, om te helpen, zooals het goede buren betaamt. Ze kwamen aanrijden op dikke paarden, of wel snelden ze toe met zeis en met sikkel, met schaar en met ploegijzer, en met dichte drommen drongen ze de stad binnen.

“Wat is er hier te doen?”

“Waarmede kunnen wij helpen?”

“We konden niet eerder komen!”

De schout knikte hen vriendelijk toe.

“Landlieden! het is ook uw belang, dat de vijand, die gij ziet, wordt verslagen. Want verneemt, dat de draak, die daar ligt, uit Rusland is komen aanvliegen, recht op Hamont toe, waar het drie menschen met huid en haar heeft verslonden. Dit was nog niet voldoende voor zijn onverzadiglijken honger.”

De stedelingen en boeren rilden.

“Van Hamont snelde het naar Budel, en daar viel het onverwacht een koopman aan. Met één slag behoorde deze tot het rijk des doods, en 't ondier opende den muil, om het lijk te verzwelgen. Nadat hij hiermede gereedBladzijde 136was, verlangde hij nog een kleine toespijs, en onder het vliegen naar Weert greep hij, ondanks het gejammer der moeder, een driejarig kind bij de beenen op, en met een hap en een snap was 't al in zijn keelgat verdwenen.”

Langen tijd zweeg men, met hijgenden adem naar den rog starende. Eindelijk riep één der boeren:

“'t Is geen dier, 't is de Duivel, welke zich in deze gedaante aan ons vertoont. Wat helpen ons deze wapenen tegen hèm?”

Maar de burgers mokten:

“Als hij zoo gevaarlijk is, kunnen wij hem hier niet laten. Want anders kunnen we nooit meer over de straat wandelen, zonder dat hij één onzer als zijn prooi uitkiest. Te wapen! te wapen! we zullen hem aan onze spietsen steken.”

Nu waarlijk trokken ze met man en macht vooruit, bereid, om te sterven. Doch nauwelijks waren ze het monster genaderd, of de koopman, die het had laten vallen, drong zich nog vlugger naar voren dan de Weertsche helden.

“Och heeren, och heeren, 't is de rog, dien ik verloren heb. Heeren, heeren, hij doet niemand kwaad, waarom zou u mijn rog steken? 't Is maar een visch!”

Hij nam, denk eens aan, het ondier in zijn handen en legde het weder op de kar. De Weertenaren zagen, dat hij er rustig mede weg-reed.

De boeren lachten om de stadslui, dat zij schudden.

“Jullie moeten eens weer de klok luiden, dommerogstekers!”

Sindsdien heeten de lui van Weert alom in het land van Brabant en Limburg: “de rogstekers,” en ze zullen dien naam behouden, zoolang Weert Weert blijft.Bladzijde 137

Ze konden bij malkander niet komen ….

Hilbert liep fluitend over 't Ellertsveld, en hij dacht aan niets. Van de andere zijde kwam Japikje, en ook zij dacht aan niets. Toen ontmoetten zij elkander, en beiden dachten ongeveer hetzelfde.

Hilbert peinsde:

“Dat is een aardig wicht, om een poossien mee te vrijen.”

En Japikje dacht:

“Dat is een aardige vent, en vroeg hij me maar, om een poossien te vrijen.”

Hilbert kwam uit het Zuiden van 't Ellertsveld, waar de manskerels niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, en Japikje uit 't Noorden, waar de wichten zich niet laten kennen.

Ze gingen elkander voorbij, en Japikje zong:

“Moeder zet mien mussien teregt,t' Aovend kump mien vraoijer,Komp ie niet, ik hael um niet,Al komp ie van mien levent niet.”

Zingende antwoordde Hilbert:

“Spien mooi meissien spienSpienst du nietDan wienst du nietDan kriegst doe t' aovond oew vraoijer niet.”

Ze sloegen zich lollig tegen de dijen, keken om, en lachten tegen elkaar.

“Hoe heet je?” riep hij voortgaande.

“Alberts Japikje.”

“Ik kom Zaterdagavond, om 'n poossien te vrijen.”

“Dat mag om mien part wel wezen.”

Vervolgens liepen ze weder door, ieder de eigen richting.

Uit vreugde zong Hilbert 't lied van zijn kinderjaren:

“Rondom de ketel!Wat zullen wi t' aovend etenBroam, broam, sprikken,Leêr, leêr, lappien leêrDoe er uut en ik er weêr.”

Bladzijde 138Uit de verte schalde haar vroolijke stem:

“Haken en oogen,Tikke, takke, toogen,Wit pampierZwart pampierZoo komt Pouwel Jones hier.”

Toen tegelijkertijd:

“Lange, lange riegelTwintig is de stiegel,Dartig is de riegellang,Veertig is de ummegang.”

Ze keken om, en ieder zag een zwarte stip, dat was de ànder, die den volgenden Zaterdag zou vrijen.

De week was eindeloos lang. Waren dat gewone etmalen van vier en twintig uren, en was een uur niet méér dan zestig minuten? Dat was een plaagzieke zon, die in het Oosten niet wilde rijzen, naar het Zuiden niet wilde keeren, uit het Zuiden niet wilde dalen. De wijzers der klok kwamen nooit vooruit, en de koekoek kwam slechts schaarsch uit zijn huisje. Iedere dag had berouw, dat hij gekomen was.

Ten laatste echter ging de tijd zijn noodzakelijker gang. De Zaterdagavond verscheen, of hij nimmer geaarzeld had, en Hilbert liep over het Ellertsveld, naar Japikje toe. Ze wachtte hem reeds.

De avond was donker.

En ach, wat de uren in de afgeloopen week verzuimd hadden, haalden ze nu in. In een oogenblik vervloeide de donkere avond in den duisterder nacht. Vóór Hilbert eigenlijk goed begreep, dat Japikje in zijn armen had gerust, drong het fel-gewapende licht van den dag op tegen den zwarten burcht aan den horizon, en 't heir der zonnestralen deed er zijn glorieuse binnenkomste, terwijl zes hanen tegelijkertijd de blijde overwinning bazuinden.

Woorden had Hilbert niet veel. Hij keek Japikje aan, en vroeg:

“We mosten mit menner1wat eten.”

Bladzijde 139Hij wachtte gespannen op haar antwoord. Doch bij haar was het … wel vrijen in den avond, doch overdag geen vertrouwelijkheid. Hij zou 't moeten ervaren, hoe er bij een Drentsch meisje, dat haar manieren kent, een groot onderscheid is tusschen minnekoozen en de liefde; om van 't huwelijk nog heelemaal niet te spreken. Ze bezag hem wel minder minachtend dan zij 't haar andere vrijers deed, bij het licht, doch hij mocht er zich nog niet op beroemen, haar uitverkorene te zijn.

“Mi lust niet, 'k doe bedanken,” lachte zij.

“Japikje,” vervolgde hij smeekend, en hij streek haar over 't jak—onwillig liet ze het toe—“ik vind oe zoo'n himmel wicht2. Ik mag oe zoo geern. Och, mien wiggien, mien wiggien3. Ben ik geen knap jonk kerrel? Zullen wij trouwen?”

“Hold op met oew praeties. Ik wil oe niet, en zie, da'j een ander kriegt.”

“Mag ik dan Zaturdagavond weer een poossien met oe vrijen?”

“Nee!”

“Mag ik dan nooit weerom kommen?”

“'t Volgend jaar, niet eerder en niet later. Je mot op denzelfden dag kommen, en dan wi'k—dan wi'k—” ze schaterde, “met oe trouwen, allenig met oe.” Ze trok hem aan zijn neus, draaide in den ronde, en liep van hem weg, zonder nog om te zien. Met verwonderde domheid keek hij haar na, totdat 't laatste tipje verdwenen was.

Den volgenden Zaterdag ondernam hij denzelfden tocht als een week geleden. Zijn vriend Lammert was meegegaan, omdat hij in 't Noorden ook eens de wichten wilde zien, en hun gemeenschappelijk avontuur verbroederde hen. Ze liepen tot aan de boerderij. Alles was donker. Hilbert kuchte, floot, Lammert klopte tegen 't venster. 't Was zoo stil, als stonden ze voor een onbewoond huis.

Lammert krabde zich 't hoofd.

Bladzijde 140“Was ik maar in 't dorp gebleven,” peinsde hij wijsgeerig, “daar had ik met Trientien een puossien kunnen vrijen.”

“Waar zou ze wezen?” vroeg Hilbert.

“Dat komt er nou van, dat je mien mee wol hebben. D'r is op de stoel nog geen plaats voor een, en nou moeten wij er met ons beiden zitten.”

Eensklaps zagen ze, dat op den weg twee gestalten stonden. Er was een afrimpeling van hun wezen in het duister, of bij hun beiden even de nacht ophield, en achter hen de nacht weder begon. Zóó ook ziet ge des avonds twee boomen aan het stille pad, het donker brekende, en toch op zichzelf niet lichter dan de lucht.

“Wie zouden 't wezen”? fluisterde Hilbert.

“Ik ken ze in 't Noorden niet, en als 't donker is, zijn alle katten grauw.”

“Mij dunkt, dat 't Japikje is ….”

“Met een vrijer.”

“Was maar wat vroeger gekomen, dan had jij haar eerder gezien.”

“Stil! stil! ze hoort ons.”

“Ze zijn daar menaer aan 't smokken.”

“Mien dunkt dat ook.”

Ze slopen weg, als twee vossen, die niet bij een kippenhok kunnen komen. Ze liepen met groote passen over het Ellertsveld, den genadenloozen lach van het minnend paar achter hen. Hilbert begreep, dat hij een vol jaar had te wachten, vóór en aleer hij naar het Noorden van het veld terug behoefde te keeren.

Gelijk de week voorbijgegaan was, zich rekkende als elastiek, net of er telkens nog weer een dag aan toegevoegd werd, zóó verliep dit jaar, week aan week, en terwijl 't verleden altijd kort scheen, werden heden en toekomst eindeloos lang. Er zat geen schot in Hilbert's werk, want als een magneetnaald wendde hij zich steeds naar 't Noorden, en tuurde, of Japikje toch niet zou komen. Hij, die vroeger altijd een voorbeeld was geweest vanBladzijde 141een struischen, jongen kerel, werd nu zoo mieserig als een stadsmensch. Zingen en fluiten was eruit bij hem. 't Klonk niets anders in zijn geest dan “Japikje, Japikje” en “wat duurt een jaar toch lang.”

Één jaar?

Vijf jaar, zes jaar waren er in dat ééne jaar besloten. Maar gelukkig! ook vijf, zes jaar volgen elkander en gaan voorbij. Als van het vuur de asch, zoo blijft steeds van den tijd het verleden over, en er kwam een dag—hei! 't was in de Mei—dat Hilbert zich weder op weg begaf, naar Japikje toe, in het Noorden van het veld.

Hoe Hilbert gekleed was?

Niet op zijn piekfijnst! In zijn daagsche plunje. Zijn Zondagsche pak droeg hij over den arm, want dat wilde hij eerst aantrekken, als hij Japikje's huis zou naderen, want 't stoof leelijk op het witte land, en zóó kwam hij er des te beter aan. In zijn linker-broekzak had hij een flesch jenever gestoken, en in zijn rechter een stuk schinken4, om den honger te stillen, en den dorst te wekken. Telkens nam hij een beet en een slok, en halverwege op 't Ellertsveld was 't vleesch op en de flesch al flink aangesproken.

Hij kwam aan een kuil en stond stil.

Van de ruige hoogte zag hij naar beneden, en op den grond, wriemelend door elkander, waren honderden kaboutertjes tezamen. Zij hadden het druk! Tientallen deden niets anders dan hun handen in de hoogte steken, tientallen stampten met hun voetjes op den grond, anderen gingen af en aan, 't was een gewirwar, een schuddebotsen, een op en neer getril, dat je oogen je pijn deden. Ze waren allen eender gekleed: allemaal in een groen pak en met een groene broek, en witte klompen aan de voeten. Ze hadden allen grijze baarden, en een heel klein pijpje in den mond. Dunne rookwolkjes bliezen ze in de lucht.

Ineens zag een hunner Hilbert, hij stiet een ander aan,Bladzijde 142deze ander weer een ander, en eindelijk wisten zij het allen, dat er een mensch bij hen stond. Fluisterend beraadslaagden zij onder elkander. Nu had een mensch hun geheime vergaderplaats ontdekt! Jarenlang hadden zij er zich in vrede verzameld, ongestoord, en thans stond er iemand voor de kuil, en had precies gezien, wat ze deden. En ware het geweten bij allen maar zuiver geweest …. Liepen er niet onder, die de boeren op velerlei wijzen hadden geplaagd? Sommigen hadden allerlei nuttig werk verricht, de vloer in de huizen geveegd, het linnen gewasschen, de koffie gezet, het vuur aangelegd, doch anderen hadden de boter bedorven, de melk van de koeien gedronken, het touw van de geit losgemaakt, de klompen weggezet, en duizend schelmsche streken uitgehaald. 't Meest van allen vreesde een heel klein dwergje met een langen baard. Hij kroop gauw achter de anderen weg.

Hilbert van zijn kant was ook niet op zijn gemak. Al waren die honderden kaboutertje ook nog zoo klein, vereend konden ze hem heel wat moeilijkheden veroorzaken. Hij had lust terug te keeren …. Hij zou geen oogwenk hebben geaarzeld, wanneer Japikje hem niet zou gewacht hebben. Dat het juist op dezen dag geschiedde ….

De twee partijen bleven zwijgend tegenover elkander staan. Toch moest er iets gebeuren, dat toenadering bracht of afstooting.

Plotseling dacht Hilbert aan de flesch jenever, die hij bij zich had gestoken. Hij haalde ze te voorschijn, bekeek ze tegen 't licht, en lachte. De oudste der kabouters, die den langsten baard droeg, en 't grootste pijpje in den mond geklemd hield, grijnsde zoo, dat de pijp hem bijna uit den mond viel, en klapte in de handen. De overigen volgden zijn voorbeeld, en aangemoedigd door zijn vriendelijkheid, ging Hilbert bij hen in de kuil zitten. Alle kabouters verdrongen zich om hem, behalve het kleine dwergje, dat de menschen altijd zoo geplaagd had.

De oudste vroeg hem, wat hij op 't veld kwam doen.Bladzijde 143Hilbert vertelde de gansche historie, en de deutels5knikten allen met hun grijze kopkes, het hoofdmans-guurkevooraan, behalve dat ééne, booze aardmannetje weder, dat zich zoo gauw mogelijk ging verstoppen.

“Blijf vanmiddag bij ons,” stelde 't oudste kabouterke voor, “dan heb je nog tijd genoeg, om bij het wicht te komen.”

“Jawel,” zei Hilbert, “'t is ook wel heel mooi bij jullie, maar ik moet me nog verkleeden, want ik heb mijn daagsche pak aan.”

“Kom, kom—je zult er geen berouw van hebben.”

Hilbert vond 't aardig goedje, en hij wou 't tot goed vriend houden. Want als hij met Japikje ging trouwen, zou hij toch allicht een eigen boerderij bouwen, en dan kon je eigenlijk niets dan nut van de kleuters hebben. Ongemerkt zouden ze heel wat werk voor hem kunnen verrichten. Ze konden alles, de kabouterkes. Niet alleen in smidswerk waren zij bedreven, doch bakken, boenen, strijken, wasschen, melken, slachten, ploegen, maaien, zaaien, timmeren, metselen, koken, beestenvoeren, al, wat in een boerengedoente te pas kwam, verrichtten zij.

Hij haalde de jeneverflesch voor den dag, en nog dichter kwamen de guurkes bij hem. Ze klommen bij tientallen op zijn knieën en keken begeerig naar den kostelijken drank.

“Da's klare jenever,” zeide Hilbert, “en nou wil ik dat onder jullie allemaal verdeelen. Daar hoeft niets van over te blijven. Elk krijgt zijn deel, de een niet meer dan de ander, en nu opgepast!”

Hij reikte de flesch 't eerst aan den hoofdman, die, de zware vracht handig tillend, zoodat de kleine vingertjes ze niet konden laten vallen, ze hoog boven zijn hoofd hield, en behendig een vallenden druppel in zijn mond ving. De anderen keken nauwlettend toe—en ziet! ieder kreeg precies een druppel en niets meer.

Ze smakten met de lippen, en hun tongen zochten inBladzijde 144de mondhoeken, of er soms nog een spritseltje was overgebleven. Ze werden allen vroolijk, dansten hand in hand, en allen waren ze vergeten, dat er nog een klein kaboutertje bestond, dat nog niets had gekregen. Het had zijn kopje boven den kuil gestoken, waarin het zich verstopt had—eerst kwam 't voorhoofd met diepe rimpels, toen de glinsterende, graag-kijkende oogen, toen de snuffelende neus, en eindelijk de mond. Ook hij stak zijn tong uit, echter niet, omdat hij nog wat wilde likkebaarden, doch omdat hij van de kostelijke gave verstoken werd. Hij zag, dat de flesch bij Hilbert lag. Voorzichtig, op zijn handen en voeten kroop hij erheen. Telkens lag hij even stil, gelijk een rups doet, die een hinderend takje of boomblad op haar weg vindt. Dan gluurde hij naar Hilbert, want hij vreesde, dat het mensch hem bij nadering zou grijpen en aframmelen. Eindelijk was hij bij de flesch.

Hilbert had tot nu toe gedaan, of hij hem niet zag. Toen 't kleine kaboutertje dichtbij hem stond, en de flesch aan de lippen wilde brengen, keek hij hem aan en zeide:

“Er is niets meer in.”

Meteen begon hij te lachen.

“Dat valt ook niet mee, kabouter.”

Het guurke zette een boos gezicht. De rimpels van zijn voorhoofd trok hij in de hoogte, zijn oogen vernauwde hij, zijn mond zette hij vooruit. Zijn kleine handjes balde hij tot vuisten, en dreigend schudde hij ze.

“Dat zal ik je betaald zetten, boer,” zeide hij ten laatste.

Hilbert schaterde het uit.

“Probeer 't maar, kleine kleuter, als je kunt.”

Niemand van de overige kabouters, die 't veel te druk hadden met zang en dans, bemerkte, wat er was geschied. Anders hadden ze hem zeker gewaarschuwd, want het was een gevaarlijk guurke, dat het anderen terdege lastig wist te maken. Een kwaadaardig en eigengereid ventje, even listig als hij klein was, de eerste bij plagerijen, de laatste als een moedige daad moest worden verricht. EnBladzijde 145bang voor zijn hachje …! Een echte slechte kabouter was hij. Dien had Hilbert nu tot vijand! Ware hij maar niet bij het kleine volkje gebleven.

Hij keek glimlachend toe, hoe de kabouters rondom hem sprongen en dansten, en, toen het eindelijk tijd voor hem werd—hij moest nog vóór middernacht bij Japikje zijn—drukte hij bij het oudste guurke zijn spijt uit, dat hij niet langer kon blijven.

“Kom maar gauw bij ons terug,” noodigde deze.

“Zeker, zeker, dat beloof ik je.”

“En als je ons noodig hebt, kom dan maar héél gauw bij ons. We zullen je overal mee helpen.”

De slechte kabouter stak weer zijn tong uit, en vloog gauw in 't holletje, om te bespieden, welken kant Hilbert gaan zou.

Zoodra hij het had gezien, sprong hij uit zijn schuilplaats te voorschijn, en hij hem na! Hij dook als Hilbert zijn gang matigde, in een groef of spleet, achter een struikje, in een wagenspoor, en dan draafde hij weer, om den verloren afstand te herwinnen.

Hilbert bleef even voor de Gietensche herberg staan, ging naar binnen, en deed zijn flesch weer vullen. Hierna kwam hij buiten, keek naar de flesch, nam een stevigen slok, en trok verder.

Telkens keek hij op zijn horloge, en zuchtte dan. Hij was veel te lang bij de kabouters gebleven. Hij zou zich moeten haasten. Hij had zich ook nog te verkleeden. Waarom had hij dat niet in de Gietensche herberg gedaan? Hij repte zich, wat hij kon. De kabouter had moeite hem bij te houden: voortdurend moest hij kleine sprongetjes maken, om geen terrein te verspelen. Hij ook hoopte, dat 't avontuur spoedig geëindigd zou zijn … want na twaalf uur 's nachts hebben kwade geesten geen toovermacht meer … en 't was al bij tienen.

Wat die mensch ook voor vreemdigheid uithaalde. Hij liep weer een herberg binnen. 't Kaboutertje keek doorBladzijde 146de ruiten, wat hij daar in 't schild voerde. 't Zag … 't Zag, dat Hilbert zijn daagsche pak uittrok, en 't Zondagsche wilde aanschieten. Op dat oogenblik liep het haastig de gelagkamer in—door niemand bemerkt en voor Hilbert begrijpen kon, wat er gebeurde, sprak het een spreuk, en jas, broek en vest vlogen de deur uit, of ze vleugelen hadden ….

Hilbert liep de vluchtelingen na, niet anders denkende, dan dat een rukwind ze had medegesleurd, en dat hij ze wel pakken zou, vóór hij vijf minuten verder was. Ze fladderden hooger dan hij-zelf, en hij had dus te springen, om ze te bereiken. Het was een storm, zooals hij er nog nooit een gekend had; alleen, waar de kleeren waren, woei de rukwind, en met zóó tergende behendigheid, dat jas, broek en vest, wanneer Hilbert's handen juist lot grijpen stonden, weder opvlogen, vlugge vogels gelijk.

Hij was eenigszins gerustgesteld, dat ze den kant gingen van Japikje's huis. Wanneer zij een andere richting hadden gekozen, ware hij zeker te laat gekomen. Nu was er nog kans, dat hij vóór twaalf uur bij Japikje zou zijn, en dan! het zou een vroolijke bruiloft worden.

Doch terwijl hij dit peinsde, schoot een andere, vreeselijke gedachte kriskras door zijn brein, en hieuw zijn hoop aan stukken.

Hij kon toch niet zóó bij Japikje komen. Hij had zijn daagsche pak in de herberg gelaten, en zijn Zondagsche was aan den haal. Het mocht kosten, wat het wilde, hij zou en moest zijn beste kleeren terughebben.

De woeste jacht begon.

't Kleine kaboutertje klom hem tegen de beenen op, en klemde zich met allebei zijn handjes vast. Anders zou het hem niet hebben kunnen bijhouden. 't Ging over gebaande en ongebaande wegen, over slooten, greppels, heggen, kuilen, en gelijk in een droom—maar 't was de spottende werkelijkheid, helaas—liep Hilbert achter zijn kleeren aan. 't Vreemde van de zaak was, dat ze somsBladzijde 147op hem schenen te wachten, daar zij vlugger waren dan hij. Als hij ze dan pakken wilde, vlogen ze weg, en dan hoorde Hilbert ergens dichtbij hem een honenden lach … van den kleinen kabouter, die tegen zijn beenen leunde.

Figuur 12.'t Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op

't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op

't Klein Kaboutertje klom hem tegen de beenen op

Bij Japikje's huis hielden zij stil.

Hijgende rende Hilbert erheen. Het was zijn laatste kans.

De kleeren konden niet verder, meende hij. Haastig keek hij op zijn horloge. Het was op slag van twaalven. Hij zag door 't venster. In de kamer zat Japikje met drie vrijers. Hij had zich te haasten.

Woest snelde hij naar de kleeren.

Ze ijlden in de hoogte, ze bleven zweven in de lucht, ze doken in den schoorsteen, en, nadat hij weder naar het venster was geloopen, bemerkte hij, dat ze zich kalm tegen de schouw hadden gevleid, en dat Japikje met de vrijers vol verwondering het vreemde schouwspel bestaarden.

Op dit oogenblik sloeg het twaalf uren.

Hilbert zag, dat het kaboutertje van zijn beenen sprong, een langen neus maakte, en weg-ijlde. Hij begreep, wie hem zoo leelijke poets had gebakken.

Toen riep hij naar binnen, dat men 't pak zou reiken, en hij kleedde zich aan, om zijn vonnis te vernemen.

Dat was lang niet malsch!

Waarom hij zoo laat kwam?

Dan had hij zich maar niet bij de kabouters moeten ophouden!

Waarom zijn pak zoo stoffig was?

Dan had hij maar beter uit zijn oogen moeten kijken.

Of ze nog met hem zou trouwen?

Ja, maar dit jaar niet! Hij moest het volgend jaar op denzelfden dag terugkomen. Want ze vond hem wel een aardige vent ….

Dit is de historie van Hilbert en Japikje die niet konden trouwen, daar hij een kabouter tot vijand had. Houd allen de kabouters tot vriend, want nuttige kereltjes zijnBladzijde 148het, als ze willen, in huis en hof, en schuur en stal, bekwaam vooral met ijzerwerk. Daarom ook zijn ze als de smeden, blijde om een lied. Doch waar zij huns gelijke niet in hebben, dat is in 't bedenken van een plagerij. Wees dus voorzichtiger dan Hilbert, als ge uw Japikje op tijd wilt krijgen; en trek uw Zondagsche pak aan.

Het is de moraal van deze historie, en een andere moraal is er niet te vinden.Bladzijde 149

1Elkaar.

1Elkaar.

2Proper meisje.

2Proper meisje.

3Meisje.

3Meisje.

4Ham.

4Ham.

5Beide namen voor kabouters.

5Beide namen voor kabouters.

Een paleis van prinsen, hertogen en koningen is geweest in de stad Stavoren, en de deuren der burgerhuizen waren van zuiver goud. Gelegen was het op den oever van het Flevus-meer, waarin vele rijke rivieren hun water stortten, de Cuyner, de Vecht, de IJsel, en een stroom van het Rijnwater, komende uit het sticht Utrecht. Geen schooner haven dan die van Stavoren, en de burgers van Holland spraken met afgunst van de fraaie stede, welker schepen talloos waren op de Noordzee.

Er woonde in Stavoren een weduwe, de rijkste van alle menschen. Ook was zij de hoogmoedigste, en iedereen vreesde haar.

Eens, dat een harer vaartuigen zeilree lag, liet zij den schipper bij zich komen, en zij beval hem te gaan, waar hij nog niet geweest was, en het kostbaarste voor haar mede te brengen, wat hij vinden kon. Den prijs, dien men vroeg, mocht hij betalen. “Het zij het schoonste, wat ooit menschenoogen aanschouwd hebben. Het zij heerlijker om te bezitten dan goud en zilver, en ieder in de stad zal er van moeten spreken, mij benijdend en huldigend tegelijkertijd om dat bezit! Ga!”

Figuur 13.Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komenEens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen

Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen

Eens, dat een harer vaartuigen zeilreê lag, liet zij den schipper bij zich komen

“Maar edele vrouw!” zeide de schipper angstig, “hoe zal ik weten, wat het schoonste is? Nooit heb ik iets gezien heerlijker om te bezitten dan goud en zilver. Is er geen ander, dien ge met deze taak kunt belasten?”

“Gij zijt de oudste van mijn schippers, gij hebt de verste reizen gemaakt, en daarom draag ik u op het voor mij te zoeken. Zoo gij iets vindt, dat gij zegt: ‘voorwaar! voorwaar! het is edeler dan menschenhanden ooit schiepen, zie deze kleur en vorm,’ dan zult ge weten, dat gij voor mij hebt gevonden. Zoo niet, weet dan, dat gij nooit behoeft weder te keeren.”

“Ik zal mijn plicht volvoeren,” sprak de man, “en het rijkste, wat ik ooit heb gezien, zal ik voor u medebrengen.”

Den volgenden dag voer zijn schip af.

Bladzijde 150In het onderruim had hij niets dan goudgeld geborgen, dat was van de rijke weduwe. Hij kwam in vele steden, waar hij kostbare dingen zag, alles heerlijk, om te bezitten. Doch overdacht hij dan, of hij nog nooit wat schooners had ontmoet, dan viel hem iets altijd in, dat nog kostbaarder was. Hij zag edel gouden drijfwerk, schitterende diamanten, geborduurde gewaden, Byzantijnsche tapijten, vreemd-gevormde ringen en bracelets, goudbrocaat, doch het was alles van menschenhanden, en huns gelijke trof hij telkens weder. Waren ook niet zelfs de deuren der Stavorensche huizen van zuiver goud, en zou men niet met de vrouw spotten, die een schipper uitzond, om haar 't kostbaarste te halen, terwijl deze slechts met iets terugkwam, dat bijna ieder in de stad kon koopen? Menigen koopman en kramer vroeg hij:

“Toon mij 't schoonste, wat gij hebt,” maar als 't hem getoond was, schudde hij zijn hoofd en zeide droeve:

“Dat zoek ik niet.”

Eindelijk op zijn zwerftocht, kwam hij in een rijke stad, waar hij nog nooit geweest was, Danzig is haar naam. Hij begon er te vragen, wat hij overal gevraagd had, bij goudsmeden vooral was zijn tocht. En weder vond hij niet.

Toen besloot hij, ook deze stad te verlaten, en nog verder Noordwaarts te varen. Hij had gehoord, dat er in verre streken dierenhuiden verkocht werden, kostbaarder en zeldzamer dan hermelijn. Die wilde hij koopen.

Het was de laatste middag, dat hij nog in Danzig was.

Hij kwam langs een onaanzienlijk gebouw, en zag naar binnen.

De deur was geopend, en aldus zag hij het kostbaarste, wat hij ooit gezien had, oneindig veel rijker dan goud en zilver, en schooner dan ooit menschenhanden hadden gewrocht.

Blijde dacht hij:

“Nu heb ik gevonden, wat mijn meesteres begeert. Welken prijs men ook zal vragen, dit kan ik rustig koopen,Bladzijde 151want 't heeft grooter waarde dan 't goud, dat in mijn schip geborgen is, ja dan alle goud ter wereld.”

Hij ging naar binnen, en was het spoedig met den koopman eens. Men laadde de kostbare waar in zijn schip, en eenige uren later zeilde hij van Danzig weder naar Stavoren.

De rijke vrouw had daar allang op zijn terugkomst gewacht. Ze was reeds hoovaardig op haar schat, en ze glimlachte in haar fel verlangen. Wat zou 't wezen?

Ze bezag peinzend haar blanke pols. Haar handen vleiden heur blonde haar. Ze lachte tegen haarzelve om haar schoonheid, die nog machtiger zou worden door wat de schipper medebrengen zou. Ze vertelde het alom, en ze spotte met alle vrouwen. Thans evenaarden ze haar bijna, doch als het schip er zou zijn, zou zij zich boven ieder mogen verheffen.

Zij hield haar gedachten niet geheim. Openlijk sprak ze van het naderend geluk.

“Zooals een ander een schip geladen heeft met houtwerk of met visch, zóó deed ik het laden met goudgeld. Ik weet wel, dat gij allen rijk zijt, maar zooveel hebt gij nog nooit tezamen gezien, en wat ervoor, gekocht zal worden, zal van mij zijn. O! niet zal het lang meer duren.”

Het was reeds eenige morgens daarna, dat ze gewekt werd door een luid geroep op straat. Ze hoorde den naam van den schipper, en ijlings kleedde zij zich, om naar de haven te gaan. Er was niemand in Stavoren, die tehuis bleef. Kinderen drongen in dichte menigte op, nieuwsgierig naar de kostbare schat.

Men waagde al gissingen, wat ze wezen kon. Men zag het aan des schippers gelaat, dat hij verheugd was.

De edele vrouw trad naar voren, en riep met een stem, trillend van verwachting:

“Zeg, wat gij hebt medegevoerd.”

Niet lang wachtte hij met zijn antwoord, dat juichend luidde:

Bladzijde 152“O edele vrouw! zulke schoone tarwe als gij nooit hebt gezien.”

Toen gevoelde zij, hoe men met haar spotte. Instee, dat zij anderen minachten kon, minachtte men haar. Wat zou haar kunnen redden van den hoon, dat zij een kostbare schat verwachtte en slechts tarwe ontving?

Hij beidde haar geluk. Zijn eenvoudig, oprecht gelaat moet wel zorgeloos geweest zijn. Wat was er voor hem inderdaad schooner dan deze zware tarwe, heerlijk voedsel! Hij had veel graan gezien op zijne reizen—doch bij den eersten blik in de onaanzienlijke Danzigsche schuur had zijn volkshart geweten, dat er niets beters dan deze tarwe kon bestaan. Hij had zich van zijn opdracht gekweten. Het was het schoonste, dat ooit menschenoogen hadden aanschouwd. Het was heerlijker om te bezitten dan goud en zilver, en wie in de stad zou er niet van moeten spreken, de vrouw benijdend en huldigend tegelijkertijd? Konden menschenhanden dit vervaardigen? Het was een goddelijke gave, die in zijn schip geladen was.

Ach! hoe slecht kende hij de rijke weduwe, die hem had uitgezonden, en wier ijdelheid had willen pronken. Wat wist hij weinig van 't hart der Stavorensche burgers, die stoepen hadden gebouwd van louter goud, alleen om meer te schijnen dan de Hollanders! Zij hadden slechts achting voor voos vertoon, en ze lachten wat om de Danzigsche tarwe.

De rijke vrouw wist, dat zij den spot, den grootsten vijand der ijdelheid, had te bestrijden, en ze riep den schipper toe:

“Tarwe hebt ge? En aan welken kant hebt gij ze geladen?”

“Aan bakboord.”

“Welnu,” hoonde ze, en ze wendde zich tot het volk, “werp ze dan over stuurboord weer in zee.”

Zonder verweer voldeed hij aan haar bevel. Het graan, dat hij geladen had, loste hij in de golven. Lachende kekenBladzijde 153zij toe, de burgers van Stavoren. Zou er ooit aan hun rijkdom een einde komen?

Die lach voerde hen ten verderve.

Want op de plaats, waar de tarwe gevallen was, drong zand op temidden der zee. Uit iedere korrel graan scheen een korrel zand te komen, en nieuw zand dreef weder aan tegen 't vastgezette. Vroeger was de haven van Stavoren open geweest voor ieder schip—nu bedwongen door den tyran was haar vrijheid geknot.

De armoede kwam in de trotsche stad, en menige burger dacht met weemoed aan de rijke tarwe, roekeloos in zee geworpen.

't Armoedigst van allen werd de vrouw, die de schuld in haar geweten had te dragen. Dat echter niet alleen was haar straf.

Op het zand—'t heette het Vrouwenzand—begon den volgenden zomer graan te groeien. 't Volk was verheugd. Een rijkdom was hun ontnomen, een nieuwe rijkdom ontstond weder. Men zou het deelen, wat er groeide, en er behoefde dus geen zorg meer in Stavoren te zijn!

Nadat men erheen was gegaan, om te maaien, zag men, dat het koren was, hoog van halm.

Doch het had geen aren—en men noemde het “wonderkoren.”—Er was geen korrel voedsel in.

Het diende voor niets, dit graan. Het groeide hoog en verging doelloos gelijk schijn en ijdelheid.Bladzijde 154


Back to IndexNext