Hoofdstuk XXVIII

Eens stond er in het Noorden van ons land een groot kasteel, dat heette Stenhuisheerd. Het waren trotsche, driftige ridderen, die er heerschten, willoos tegen hun woede, die meer verderf over de streek hadden gebracht dan honger, ziekte of overstrooming.

Het driftigst van alle ridders was hij, die in het begin der 14⊇ eeuw Stenhuisheerd regeerde.

Hij had een jong, adellijk meisje lief, en hij vroeg haar, of ze zijn vrouw wilde worden.

“Ja,” zeide ze, “als ge uw grootsten vijand overwint!”

“Dat zal ik,” zwoer hij.

“Weet ge, wie het is?”

“Ik zal hem vinden.”

“Wilt ge van mij zijn naam niet hooren?”

“Ik verlang dit niet.”

Hij reed heen, en ze zag, hoe hij zijn paard aanzette. Nog eens riep hij haar toe:

“Wacht nog eenige dagen, en ge zult zijn naam van mij hooren.”

Vele vijanden had de ridder, want hier had hij in drift een mensch gekrenkt, daar iemand in drift gedood. Terwijl hij reed, bedacht hij, wie zijn grootste vijand kon zijn, en hij meende, dat het een ridder was, wiens broeder hij had verslagen. Tallooze malen had hij gehoord, dat deze op wraak zon.

Zijn paard deed hij wenden naar de richting van des vijand's slot.

Wat deed hem echter plots weder de vaart van het dier inhouden?

Hij sloeg zichzelven tegen het voorhoofd.

Wat zou 't hem baten, als hij dezen versloeg. Zou het jonge meisje niet zeggen:

“Ge hebt u door 't dooden van dezen man weder een nieuwen tegenstander geschapen, een nog grooter vijand dan den vorigen. Bloed eischt bloed?”

Bladzijde 155Het duizelde hem.

Wie was zijn grootste vijand?

Hij keerde naar zijn eigen kasteel terug. In den nacht was alle rust hem verre. Gekweld door zichzelven, liep hij de zaal heen en weer, altijd nadenkend:

“Wie is mijn grootste vijand?”

De morgen was geen troost voor hem. Voor zijn oogen bleef een donker floers, gespannen als het duister in den nacht, en zonder ophouden pijnigde hem de angstige vraag. Hij trachtte rustig te bedenken, wien zij wel meenen kon. Nooit zou hij het haar kunnen vragen. Hij gevoelde 't als een vernedering, om weder bij haar te komen, zonder haar wensch te hebben gehoorzaamd. Een nog dieper schande ware het, haar nu te vragen, wien zij bedoelde. Had hij haar niet gezegd, dat hij den vijand wel kende?

Tien nachten en dagen hield hij 't uit. Daarna maakte hem de eeuwig-vragende vraag tot een willoos mensch. Hij reed tot haar, en zonder begroeting riep hij rauw:

“Wie is het, dien ge hebt gemeend! Mensch of duivel … ik zal hem overwinnen.”

Zacht antwoordde ze hem:

“Het is geen mensch en het is geen duivel, die uw grootste vijand mag heeten. Het is uw drift, edele ridder! Geen grooter vijand hebt ge dan dezen.”

Hij deinsde terug, en riep angstig:

“Hoe zal ik dien overwinnen?”

“Gaat ter kerke, en luister geduldig naar de mis. Bid tot God.”

Hij boog zijn hoofd, gelijk een vroom man, en zeide plechtig:

“Om uwentwil zal ik het zwaarste volbrengen.”

“Ik zal u wachten.”

Den volgenden dag wilde hij ter kerke gaan, en hij reed vroegtijdig uit. Hij had 't eene vaste voornemen te doen, wat ze bevolen had.

Bladzijde 156Hij nam den kortsten weg, en dat juist bracht hem ongeluk. Want, nadat hij het boschpad, welk onmiddellijk naar 't bedehuis voerde, had gekozen, zag hij een hert voor zich, dat even den kop met 't zwaar-vertakt gewei naar hem keerde, en vervolgens vluchtte. Toen vergat de ridder van Stenhuisheerd, waarom hij gegaan was. Zijn ziel wist slechts van één verlangen: te jagen.

't Hert vluchtte in dicht bosschage, en met moeite volgde hij het. Dan was 't licht geritsel van den vluggen hoef, strijkend tegen den grond, verre, tot 't dier weder kwam op een open plek, waar 't paard opnieuw won. De ridder herinnerde zich zelfs zijn liefde niet meer. Met driftige stem, met driftige voet en hand zette hij zijn ros aan tot vervolging. In 't kerkje werd de mis al gelezen. Hij had, zonder het te beseffen, zijn geluk verspeeld. En zelfs 't hert zou hij nog niet krijgen. Het lokte hem steeds verder van zijn doel.

Eindelijk was er een beek, waarover het vervolgde dier, even aarzelend, zwom. Daar tegenover werd de grond moerassiger. Licht-zwevend, zonder dat de hoeven den grond even drukten, meer glijdend dan loopend, drong het door het riet, en verdween. Wel kwam de ridder aan den anderen oever—zijn paard daarentegen, al vermoeid van den snellen rit, wist niet te ijlen over den weeken bodem, en, nadat hij vloekend op den grond gesprongen was, vond hij het spoor niet terug. Zooals een waanzinnige, uit onnaspeurlijke oorzaak, weder de dingen bemerkt, zooals hij ze vroeger heeft gezien—wat is er in den tijd geschied, dat hij zichzelven niet kende?—zoo was hij zich ook bewust van de werkelijkheid, en hij ging terug, met woeste gebaren zijn vermoeid paard aandrijvend.

Zoodra het zijn vaart minderde, sloeg hij het, en woest lachte hij, als het steigerend sprong. Hij zwoer en vloekte, dat hij nog op tijd zou komen. Met vreeselijke woorden verdoemde hij het hert, dat hem van de kerk gelokt had. Zeker was de mis al gelezen …

Bladzijde 157Hij naderde het dorpje.

Uit de kerk zag hij de menschen reeds komen, in vrome aandacht nog 't hoofd gebogen. Hij reed midden door de schaar, riep één hunner kort toe, dat hij 't paard zou vasthouden, sprong op den grond, en holde 't bedehuis binnen.

De priester was alleen in de kerk. Hij had zich reeds naar de poort gekeerd, om heen te gaan, en verwonderd zag hij den ridder komen.

Diens stem riep hem reeds van de deur luid tegemoet:

“Zeg voor de tweede maal de mis! Zeg voor de tweede maal de mis.”

Zonder angst luisterde de priester. Goed en rustig antwoordde hij:

“Ge vergist u, mijn zoon! Hoe kunt gij van mij verlangen, dat ik de mis ten tweeden male leze?”

Toen toonde hem de ridder zijn zwaard, en hoonde:

“Ik zal u dooden met dit zwaard, zoo gij mij niet gehoorzaamt.”

“Mijn leven is in uw macht, doch niet mijn wil. Ik vrees den dood niet.”

Weder was het den heer van Stenhuisheerd, of hij het zwarte floers voor zich zag, en het scheen hem toe, dat hij nederstortte. Het zwarte floers werd rood, het week terug voor het daglicht. Hij zag den priester ruggelings op den grond terneder liggen, hemzelf omstuwd van het volk; hij had 't bloedende zwaard in zijn hand, en hij zwaaide ermede, dat iedereen ter zijde liep.

“Moeten er nog meer gedood worden dan deze ellendige priester?” zoo dreigde bij.

Buiten sprong hij op zijn paard. Nogmaals dreef hij 't met wild dreigen aan.

't Was in den laten middag, dat hij 't slot van zijn meisje bereikte. Zij wachtte hem.

“Hebt gij de mis gehoord?” zoo vroeg ze glimlachend.

“Neen.”

Bladzijde 158Niet een vage rimpel van den glimlach bleef op haar gelaat. Hoog richtte zij zich op.

“Dus hebt ge niet gedaan, wat ik u heb gevraagd?”

Hij hernam met doffe stem:

“Ik kwam te laat.”

Ze zag naar zijn harnas, met bloed bevlekt, en naar de punt van zijn zwaard, welk geen blankheid meer had.

“Wien hebt ge gedood?”

“Den priester.”

“Waarom?”

“Omdat hij de mis niet ten tweede male las.”

“Ga heen, gij, die een priester hebt gedood. Ik zal vergeten, dat ge mij hebt liefgehad. Vloek over u.”

Tegen haar kon hij niet driftig zijn. Haar kon hij slechts smeeken, hem lief te hebben. Hij zeide in vertwijfeling:

“Niemand kan u zoo groote liefde geven als ik. Wanneer gij mij bevaalt, den priester ten tweede male te dooden, zou ik 't doen.”

“Ge hebt niets meer van mij te hopen. Ik vloek het uur, dat ik u heb ontmoet.”

“Verdoemd,” fluisterde hij. Hij sprak geen enkel vaarwel, hij ijlde naar buiten, sprong weder te paard, en reed ditmaal naar zijn eigen kasteel.

Hij had geen berouw.

De priester had zijn bevel niet gehoorzaamd, daarom was hij gestorven. Wel gevoelde de ridder, als een band om zijn borst knellend, een vreemde onrust, of hij op de wereld niet thuis ware. Niemand had hem lief. Vijanden waren er aan alle zijden, en de grootste vijand was hijzelf. Wanneer hij dezen zou kunnen dooden ….

Thans zette hij zijn paard niet aan. Nu kon hij rustig bedenken.

Hij zou dus als eenzaam man in 't leven staan?

Er was nog een andere onrust in hem, een vrees, of er iets gebeuren ging, dat hij niet kende. Neen, berouw had hij niet, doch een verlangen, om zich met zichzelven te verzoenen.

Bladzijde 159Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante. Niet op een paard—op een bok. Hij zat achterstevoren, zoodat de heer van Stenhuisheerd het gezicht kon onderkennen. Het was de duivel, met zijn grijnzend gelaat, en hij wenkte hem.

Figuur 14.Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaanteToen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante

Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante

Toen hij zijn kasteel naderde, reed er voor hem een donkere gedaante

Achter elkander reden ze over de slotbrug, hun beide dieren gingen stapvoets, het een onmiddellijk bij 't andere.

“Wat wilt ge van mij?” riep de ridder.

De duivel schaterde.

In den grond zonk het rijke slot, honderden vademen diep, en mèt zijn steenen zonk de heer van Stenhuisheerd, zittend boven op 't paard. De vlakke, kale bodem dekte alles, en wat er overbleef van den trotschen ridder, die over honderden had geheerscht, was niets dan zwavelstank.Bladzijde 160

In den nacht lag het doodenschip voor 't eiland Walcheren. Op het dek stond de zwijgende schipper. Geluidloos werkte de bemanning, en de stuurman bij het roer zag peinzend vóór zich. Op alle gezichten was 't licht der maan—maar buiten hen viel geen licht.

Er was een onzichtbare hand, die, wanneer iemand dood zou gaan, aan het venster klopte. Dan weder gleed de gedaante, wien de hand behoorde, verder, één met den nacht, zonder een trilling, zonder een nevel. Overal, waar een mensch moest sterven, klopte zij, zoo zacht, dat 't stiller was dan het ritselen van een blad. Wie kan zeggen, wat het voor geluid was? Een klanklooze klank, onweerstaanbaar voor hem, die van 't leven scheidde. Zooals in den avond een uil wiekt door de stilte, of gelijk een luwte ondeelbaar-even vaagt en vervaagt, zoo moet 't zijn geweest, dat het voor den stervende klonk—klonk?

Er was een jonge knaap, die lang ziek geweest was, en de hand aarzelde nog even. Toen gleed ze langs 't venster, en zooals een ander kind droomerig volgt 't blij geluid van trommel en fluit, wanneer 't zonnelicht schijnt, zoo stond de jonge knaap op, en volgde de geluidloosheid, die hem voorafging. Het vreemde was, dat hij zijn weg wist. Telkens stond hij even stil, als de hand der schrijdende gestalte een venster beroerde—om dan weder te volgen, wat een vormlooze, kleurlooze, alleen maar voortgaande gedaante was.

Voor een huis had hij langer te wachten dan anders.

Het was een man, iets ouder dan hij, die tot den dood werd gewekt. Altijd was deze gewoon geweest de dingen des levens te beheerschen, en hij was over de wereld gegaan, of ze een danszaal ware. Nu moest hij sterven, en hij wilde zich tegen den dood verzetten. Het wordt verteld, dat hij een meisje liefhad, en daarom niet met het doodenschip wilde varen. Toen de hand aan het raamBladzijde 161tikte, verzette hij zich met al zijn macht tegen de verlokking, en stil wachtte hij.

De knaap buiten gevoelde een hevige pijn. Om zich heen hoorde hij overal zacht gekerm, en 't was, als klaagden en riepen duizenden stemmen van dooden. Hij zag alles door den nacht, behalve de eene gestalte, en hij zag ook den man, door de gedaante geroepen, op zijn legerstede nederliggen. Ook hij klaagde van hevige pijn. De knaap hoorde, dat hij smeekte, om nog te blijven leven.

“Een enkel jaar!” zoo riep hij. “Laat mij nog een jaar van de wereld genieten.”

Nadat hij dit had gesmeekt, schreed de gestalte verder, en de knaap volgde. Wat was het vonnis geweest? Het gekerm der dooden was opgehouden, en als de gedaante aan een venster klopte, volgde de geroepene.

Eindelijk kwamen ze allen bij het schip, en hun namen werden gefluisterd. De naam van den man was er niet bij. Ze stegen in het schip, en licht voer het over de zee, zonder dat de golven den romp raakten. Het was, als vlogen ze op de vleugelen van een vogel door de ijle lucht. Soms kwamen zij een ander schip tegen: dan zwenkte hun vaartuig niet, doch het ging recht-door, en weder kraakte geen hout.

De knaap vroeg den schipper—hij kende zijn stem niet weder—en hij meende, dat nooit meer een levend mensch ze zou kunnen hooren:

“Waarheen varen wij?”

Zacht antwoordde de schipper:

“Naar 't land van den nevel aan de overzijde der zee. Engelland noemen het de menschen. Daar zult gij in nevelen opgaan.”

“Voor hoelang?”

“Weet gij wat zeven millioen jaren zijn? Weet gij wat zeven honderd millioen jaren zijn?”

“En dan—?”

“Aan 't einde der eeuwigheid is het begin der nieuwe eeuwigheid!”

Bladzijde 162“Zal ik nooit meer naar 't levende leven terugkeeren?”

“Verlangt gij?”

“Ik hoor mijn moeder schreien.”

“Eens zult gij terugkeeren—maar niet om bij uw moeder te zijn!”

“Waarom dan?”

“Ge zult 't weten.”

In de nevelen van Engelland voer het schip. Schimmen van schemering wachtte hen, en leidden hen in 't geheimzinnig rijk. Werden ze één met den nevel, bleven zij toch bestaan binnen den nevel? Eeuwig was het stil, en er woei geen klank meer over van Zeeland, waar de levenden wonen. Als in een bosch, wanneer de nacht nabij is—iedere klank zou bevreemding wekken waren zij tezamen. Hoelang? Wie meet den tijd in de eeuwigheid?

Het was den jongen knaap, als had hij even slechts in den nevel getoefd, toen hij de gedaante weder op hem zag toeschrijden, die hem wenkte. Hij volgde haar. Het schip lag zeilree, het was met dezelfden bemand. De schipper stond op het dek, de stuurman aan het roer. Weder gleed hij over de zee.

“Hoelang is het geleden, dat ik gegaan ben?”

“Zij, die leven, noemen het een jaar.”

“Waarheen voert men mij?”

“Gij zult 't weten.”

Als een jaar geleden, zeilden zij over de zee, geen golven raakten het schip, geen ander vaartuig ontweken zij. Zelfs door de branding, in bruisend, brekend water, gleden ze ijl, en zonder schok kwamen zij aan land.

“Volg uw weg,” sprak de schipper.

Teerder dan een damp, die bij het overvloeien van den ochtend in den vollen dag het laatst op den akker blijft (even voor 't zonnelicht ze gelijk stemt met de gansche atmosfeer) sluierde zijn nevel langs de dingen des levens. Hij wist niet, of het dag was of nacht. Hij ging verder,Bladzijde 163totdat hij voor 't huis van den man stond, die vorig jaar niet sterven wilde.

Weder ging de gedaante langs de huizen. Soms bleef ze wachten, en haar, hand raakte de ruiten aan, zonder te kloppen. Toen kwam ze aan de hoeve, waar de doode hem beidde, en tezamen zagen ze naar binnen.

Figuur 15.Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beiddeToen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde

Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde

Toen kwamen ze aan de hoeve waar de doode hen beidde

De man en een vrouw zaten bij de wieg van een kind, en de vrouw neuriede een lied. Hij had zich voorovergebogen, om 't gezicht beter te zien. Daarna klopte de gedaante, onbewogen, als trof ze den man in ongeluk aan: deze stond op.

“Wat is er?” vroeg de vrouw verschrikt:

“Niet dit jaar—niet dit jaar. Ik kan dit jaar nog niet gemist worden. Ik ben gelukkig, neem een ongelukkige voor mij in de plaats.”

Weder gevoelde de doode een hevige pijn, en van alle zijden hoorden hij de klagende stemmen der gestorvenen:

“Neem weg die smart. Breng hem bij ons.”

“Spreek!” beval nu de gestalte den knaap.

Toen hoorde hij zichzelf spreken. Hij noemde den man bij zijn voornaam.

“Ga mee met ons. Je bent den dood vervallen.”

“Neen—neem” kreet de man in angst, “kom het volgend jaar weerom. Dan zeker zal ik u volgen.”

“Wat is er toch?” riep de vrouw. “Tegen wien praat je?”

“Stil … stil … 't gaat voorbij. Dit jaar niet. 't Volgend jaar.”

De doode en de gedaante schreden voort. Bij hen voegden zich de schimmen van dezen nacht. 't Schip lag klaar. Het was als altijd.

Weder werd de knaap in de nevelen opgenomen, en hij herinnerde zich niets van wat er was geschied. Het leven was niet voor en niet achter hem. Er was geen tijd geweest, en er zou geen tijd komen. Als in een diepen droom was zijn geest gezonken, doch nog peilloozer. Zoo 't leven een droom is, welk een droom is dan de dood?

Bladzijde 164Maar eensklaps, als schrok hij wakker, en met hem alle nevelen, hoorde hij duidelijk 't geluid van een menschelijke stem:

“Laat mij nog één jaar leven,” en tegelijkertijd gevoelde hij een hevige pijn, en hij hoorde zijn eigen stem en de stem der andere dooden weeklagen:

“Breng hem hier. Laat hem niet leven.”

Het ging voorbij, en de schemering herbegon. Hoevele malen dit zich herhaalde? Hoevele malen zij hoorden, dit?!:

“Ik ben gelukkig! Laat mij niet in 't geluk sterven.”

Na wat menschen jaren noemen, werd de nevel weder losgemaakt, en nogmaals voer hij van Engelland, het rijk der dooden, over de zee. De schipper zeide hem niets, nadat zij aan land waren gekomen. In onbewustheid wist hij, wat hij moest doen, en hij gleed tot aan 't huis, waar de man woonde.

De doode kon de gedachten van den levende hooren, als waren zij stemmen. Zij spraken:

“Dit jaar zal ik evenals vorig jaar weer geroepen worden. Het zal nu ook mijn tijd niet zijn …. Ik zal wel het medelijden weten op te wekken. Het is nu, dat ik in zorg verkeer, want mijn jongen moet een ambacht leeren, en voor dien mag ik niet sterven. Wie zou voor den jongen zorgen, als hij zonder vader was?”

De doode hoorde dit zoo duidelijk, of de levende met hem praatte. Hij wist, dat 't onmogelijk was, den man te waarschuwen, die de orde der wereld had verstoord. Toch trachtte hij hem te zeggen, wat hij peinsde. Hij begon weder met den voornaam.

“Je weet niet, watje wacht. Het was reeds de laatste maal, dat je het leven kon houden. Er zijn al zooveel anderen voor jou in de plaats gedood. Jij behoort niet meer in het licht, in den nevel is je woning.”

De man wist niet, dat er iets tegenover hem stond, en hij ging voort te denken:

“Ik durf niet te denken, wat er gebeurd zou zijn, wanneerBladzijde 165ik voor dezen tijd was gestorven. Dan waren mijn vrouw en kind alleen in zorgen achtergebleven, en niemand hier was zoo barmhartig geweest, om hen te helpen. Nog veel jaren moet ik leven—misschien over twintig, dertig jaar kan ik hier gemist worden. En dan nog—Neen! ik wil wachten, tot ik oud ben, en het leven me een last is. Voor dien tijd niet—voor dien tijd niet.”

Zijn zoon trad aan de deur en ging vervolgens naar zijn vader toe. Ze spraken over de onverschillige dingen, welke van het leven zijn. Het zonlicht blonk over de wegen en het land, met blijdschap wezen zij elkander op de rijke oogsten, welke te wachten vielen, van graan en vruchten.

“Wanneer het vannacht regenen zal,” zeide de vader, “mogen wij wel 't allerbeste hopen.”

“Er is daarop geen kans,” meende de zoon. “Er zweeft geen wolkje aan de lucht.”

“Het gebeurt meer, dat er dan toch onweer komt men zegt wel eens uit een onbewolkten hemel.”

“Kom vader! dat zal wel nooit gebeuren.”

De man antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit.

Toen zag de doode, dat in de verte de avond kwam. Het zonlicht aan den horizon werd mat-rood gesluierd, een huivering beefde door het graan, en het groen der boomen werd donkerder, ervoor was een violette tint.

“Onweer zal er niet komen,” zeide de jongen.

Ze zwegen beiden.

Langzamerhand begon de avond lucht en aarde te omvatten. Was er ginder een weg geweest, waaraan boomen stonden? Even nog geleden was de zon een vuurbol—thans was er slechts nagloeien van den ontzaglijken gloed, en overigens was 't al grauw aan den horizon. Ook het graan, ook de bongerd, ook de slooten, ook de molen werden door warrelingen van schemer omhuld, het geleek, of alles verder werd gezet dan het in den dag had gestaan, verdwijnende.

Het oogenblik kwam, dat de doode de gedaante zagBladzijde 166schrijden, schrijdend door het koren, met rustige schreden, als iemand, die zijn plicht vervult. Ze kwam rechtstreeks naar den man, die niet sterven wilde. Ze liep niet naar het venster, om daar te kloppen. Ze bleef staan, waar de man stond, en ze sprak in menschentaal, en met menschenstem, zoodat vader en zoon haar beide verstonden.

“Jijt gij bereid?” vroeg ze zacht en mild.

“Nog één jaar.”

“Jijt gij bereid?”

“Ik moet voor mijn zoon zorgen.”

“Dat behoeft ge niet meer,” zeide ze streng.

Een bliksemstraal laaide langs den hemel, schoot naar de aarde, en doodde den jongen. De vader was ongedeerd. Twee dooden volgden de gedaante.

Achter hen klonk de wanhopige klacht van den man. “Laat mij nu ook sterven. Neem mij nu ook mede.”

“Kom,” fluisterde de gedaante. “Het schip wacht ons weder. Over dertig jaar kom ik bij den man terug. Dertig jaar heeft hij nog te leven.”Bladzijde 167

Velen hebben de geschiedenis al verteld, die smartelijk is van het begin tot het einde, van Mooi-Ann van Velp en den jonker bij Biljoen.

In den zomer, als de boschbessen vol en zwart zijn, trekken de vrouwen en meisjes erop uit, om deze te plukken, en ze vergaren de rijpe vrucht in karren, waarmede ze naar de steden rijden. Dan roepen ze en 't klinkt droefgeestig, daar zij zich niet thuis gevoelen binnen deze vijandige wereld:

“Mooie boschbessén. Prachtige boschbessén,” heel langgerekt, in eentonigen deun.

Wie het eens heeft gehoord, vergeet het niet.

Sommigen zeggen, dat mooi-Ann de dochter was van den heer van Velp1, en dezen vertellen, dat het lange jaren geleden is geschied. Maar dit is nietwaar. Zij hoorde tot de boschbessenpluksters, en de heer bij Biljoen zag haar voor 't eerst, toen zij aan het werk was.

Het zonlicht speelde in het bosch—de vogels zongen. Haar jong figuur had zich over de struiken gebogen, en haar fijne handen plukten. Zoo moogt ge hen zien, een eenvoudig meisje uit het volk, en de trotsche, slechte heer, die lachte.

Ze keek om, en was verschrikt. Hij naderde haar.

“Wie ben je?” vroeg hij.

Ze durfde hem niet te antwoorden.

“Ik zal je niet opeten,” lachte hij. “Wist je wel, mijn kind, dat je mooi bent?”

Wat zou ze moeten zeggen? Ze bedacht, om weder aan 't werk te gaan, maar ze moest naar hem zien, zooals hij daar stond, zelfbewust en zeker van zijn onweerstaanbaarheid.

“Weet je wel, hoe ik heet?” Nauwelijks hoorbaar zeide ze:

“Ja—ge zijt de heer bij Biljoen.”

“Goed—maar nu moet ik jouw naam ook weten.”

Bladzijde 168“Men noemt me Ann van Velp.”

“Mooi-Ann van Velp zal ik je noemen. Mooi-Ann! wil je met me meegaan, en op mijn kasteel wonen?”

“'t Past mij niet, om met u mee te gaan. Ben ik niet maar een arm meisje?”

De heer bij Biljoen richtte zich rechtop, en schuw bezag ze hem. Heeft niet ieder meisje hare gedachten over den man, dien ze zal liefhebben? Hij stond forsch voor haar, 't blonde haar golfde onder-uit zijn blauwe baret, zijn voorhoofd was hoog, zijn neus gekromd, zijn lippen rood. Reeds lang had zij, zonder het te weten, van zijn grijze oogen gedroomd, welke scherp waren, als zag hij in de verte een dier, dat hij dooden wilde. Hoe angstig en rustig moest het wezen, om aan zijn borst te liggen, door dien sterken, dikken bovenarm te worden omvat. Hij wist, dat hij haar bekoorde. Hij glimlachte. Door dien glimlach werd hij nog machtiger voor haar.

Er zijn er velen, die zich aan de beschrijving van haar schoonheid hebben gewaagd, en een spreekt van “biddend albast.” Ze was misschien kleiner dan hij, al scheen ze met hem schouder aan schouder te staan. Heur blond haar droeg ze los, en het schoot bandeloos neer, in wijden boog langs den ronden arm tot aan de kloeke heup. Dit was haar grootste bekoring, dat haar gelaat kinderlijk was en haar wezen een meedoogenlooze lijn van schoonheid. Haar glimlach was vertrouwend—ach! waarom had ze den jonker bij Biljoen lief van het eerste oogenblik, dat ze hem ontmoette?

De dobbelsteenen worden geschud en geworpen geen menschenhand heeft meer macht, om het getal der oogen te bepalen. Onzichtbare krachten werken aan hun wending, hun val, hun even-kantelen, hun liggen. Tel de punten. Drie zessen of drie eenen—ge hebt het te wachten.

“Wat doe je dan den heelen dag, mooi-Ann?”

“Ik werk voor mijn moeder.”Bladzijde 169

“Voor mijn moeder werk ik, in schuur en stal,In 't huis en op den akker, overal.”

En hij:

“Maar arbeid geeft maar zorgen, en geeft maar angst en pijn,Wanneer gij mij wilt volgen, zult gij zonder zorgen zijn!”

“Neen! neen!” riep zij in vertwijfeling, “ik wil u niet volgen, ik ben bang voor u.”

“Waarom dan? Zie ik er zoo naar uit, om bang voor mij te zijn?” Hij kwam naderbij, en nam haar hand. Zij sloeg haar oogen neer. Toen begreep hij, dat zijn wil de hare was, en woest sloot hij haar in zijn armen.

Van dit oogenblik was zij hem onderdanig. Zij vergat, dat zij een moeder had. Hij gaf haar kostbare kleeren, want wreed wilde hij, dat zij schoon was. Wat bleef er over van het meisje, dat boschbessen had geplukt, om haar brood eerlijk te verdienen?

Er woonde op het kasteel bij Biljoen een oude meid, die ijverzuchtig was, dat mooi-Ann een dame werd, en haar bevelen mocht. Vroeger had zij het meisje wel gekend als een arme deerne, gelijk aan de anderen in het dorp. Moest ze haar nu bedienen, als was ze van adel?

Ze was een listig karonje, de oude meid.

Ze wachtte 't oogenblik af, dat de jonker minder van mooi-Ann hield dan vroeger. Mooi-Ann? Mooi-Ann?

Het was niet lang geleden, dat ze mooi-Ann werd genoemd. Toch, wat was er van haar schoonheid gebleven?

Als de jonker een dag uitgereden was; zat zij alleen te schreien. Er was niet even geluk geweest, sinds zij den heer had ontmoet. Had zij gemeend, dat zij rust zou kennen? Was liefde dan ongeluk? En ze had den jonker lief, die haar in mooie kleeren kleedde, doch die nooit anders dan slecht voor haar was. Hij had nog niet gezien, dat zij schreide: de eerste tranen hadden geen sporen gelaten. Hoe zou het zijn, als eindelijk de groeven scherper werden, en de jonker dan zeker de oorzaak van haar smart zou weten? Ze huiverde. Als zij van het kasteelBladzijde 170werd gejaagd, waarheen zou ze dan moeten gaan? De schande ….

Ze wist, dat de oude meid haar haatte.

Dikwijls had zij dien haat gevoeld, altijd-gezwegen, als een scherp woord. Ze moest ervoor zorgen, dat de oude meid haar geheim niet ontdekte. Mooi-Ann deed altijd vroolijk, opdat de ander niets zou merken. Ze trachtte te lachen, ze deed of ze gelukkig was, het arme, verlatene kind. Lang kon dit niet duren.

Want eens, toen de jonker verveeld en moede en knorrig tehuis gekomen was, en eenzaam bij het haardvuur zat, klopte de meid zachtjes aan de deur. Ze trad binnen. Ze vertelde hem, dat mooi-Ann gehuild had, dien middag, en ze wist wel waarom. Ze fluisterde. Hij vloekte. Toornig riep hij, dat zij de deerne bij hem zou brengen.

't Was anders dan eenige maanden geleden, nadat hij haar in het bosch had gezien, een mooi kind uit het volk, dat haar brood verdiende. Het was een schreiend wicht, dat angstig bij hem stond. Op al zijn vorschende vragen antwoordde ze “ja.”

Hij vroeg:

“En als ik je uit 't kasteel jaag, zul je mijn naam te schande maken?”

“Neen heer!”

“Je bent leelijk geworden! Dat ik het nu eerst zie.”

Ze wist geen antwoord te geven. Ze had kunnen zeggen: “door uw schuld”—wat kan men echter van zoo'n meisje verwachten?

Dreigend verhief hij zich.

“Dat zal niet gebeuren,” zoo zwoer hij.

“Wat zult ge met me doen?” wilde ze angstig vragen. Ze zweeg. Minachtend bezag hij haar.

“Het is nog tijd.”

Toen sprak ze het uit, wat zij gevoelde.

“Doe alles, wat ge met me wilt—Dood me, dat is beter.”

Nooit had hij haar liefgehad. Wie kon zoo sprekenBladzijde 171tegen een vrouw, als hij ook maar één oogwenk in zijn leven van haar had gehouden? Alles was beter dan te blijven leven. In den dood zou ze niet meer schreien.In den dood zou zij zich wreken.

Het was avond, en de vijver van het slot Biljoen was roerloos. Niet één rimpel bleef. Onbewegelijk was ook de schemer boven het water.

Toen klonk er een schrei. 't Kon van een vogel geweest zijn, die in zijn nest werd verschrikt, of van een hulpeloos dier, dat door een vos werd gegrepen. Waarom van een mensch?

't Werd even stil, de stilte, als een levend wezen luistert, of er ergens geluid is.

't Water van den vijver spatte hoog.

Het zou wel een groote steen zijn, die in de kolk werd geworpen. Soms deden dat de jongens uit het dorp, hoewel het eigenlijk al te laat was, om dat te denken. De stilte kwam terug. Het was niets geweest.

Den volgenden ochtend vond men het lijk van mooi-Ann tusschen de biezen. Zeker had zij zichzelf gedood. Wie durfde den jonker bij Biljoen te verdenken!

Twee jaren waren voorbijgegaan.

Toen kwam, een avond, een jonge man uit Velp, langs het slot. In 't bosch, waar hij doorging stond een hooge eikeboom. Terwijl hij bedaard doorstapte, zag hij eensklaps tegen den stam geleund, een hooge, witte gedaante. Eerst was hij verwonderd, en hij naderde iets. De gestalte wenkte hem. Hij deinsde terug, en sprak de aloude, goede spreuk:

“Zoo gij van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij.”

De nevel week. In de verte hoorde hij een milde stem, zeggend:

“Ken je me dan niet weer? Ik ben mooi-Ann! Morgen wacht ik nogmaals.”

Den volgenden avond keerde hij terug. Door den dagBladzijde 172had hij geworsteld als door een breeden stroom, welks vaart tegen hem was gewend. Ieder uur was een vijandige stortgolf, en al strijdende had hij slechts één gedachte:

“Hoe zal het eindigen?”

De avond was een weefsel van nevel. Hij had zijn oogen half-gesloten, en nu zag hij haar duidelijk voor zich. Ze was in het witte kleed, dat de jonker van Biljoen haar had geschonken, en in 't goud-blonde haar, dat ze had gekapt als een dame, blonken de edelsteenen. Ze had zijden schoenen aan met zilveren gespen, of ze ten dans ging. Om haar blanken hals droeg ze een ketting van paarlen.

Hoe wist hij, dat haar oogen blauw waren? Het was toch een avond schemerend en onwezenlijk, waarin geen kleuren standhielden. Wat was mooi-Ann anders dan een nevel?

Hij stond stil.

Zij was na zijn woorden geweken. Ze was niet van God. Van den duivel was ze. Het zou 't beste zijn, dat hij terugkeerde. Waarom toefde hij?

Aan 't eind van het bosch wachtte hem mooi-Ann. Ze hield haar armen naar hem uitgebreid, en diep haalde hij adem, voor hij zijn weg naar haar vervolgde. Nadat hij haar dichterbij was gekomen, zweeg hij; hij vond de woorden niet, welke hij den avond te voren had gezegd:

“Zoo ge van God zijt, kom nader. Zijt ge van den duivel, wijk van mij.”

Het was, of zijn bloed hem anders drong. Hij moest tot zichzelven zeggen:

“Zoo ge van God zijt, wijk. Zijt ge van den Duivel, nader dan.”

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid. Een zware bloemengeur woei uit haar kleeren. Haar oogen, die hem star aanzagen, waren de lokkende zonde. Welke man zou niet eeuwig verdoemd willen zijn, om haar blanke armen te kussen. Haar roode lippen waren het verderf der ziel. Haar voeten stonden op 't gras, en vertrapten de madelieven.

Figuur 16.Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheidZe stond voor hem, in haar rijke schoonheid

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid

Ze stond voor hem, in haar rijke schoonheid

Bladzijde 173Hij kon niet meer vluchten.

Was dit mooi-Ann, die eens door den wreeden jonker verrast werd bij het plukken der boschbessen, en die zich angstig gevoelde, om met den heer mede te gaan?

Ze trad naderbij, en sloeg haar armen om hem heen.

“'t Is goed, dat je gekomen bent,” zeide ze met matte stem, “ik heb naar je verlangd, maar ik wist, dat je komen zou, anders had ik niet gewacht.”

“Hoe wist je dan, dat ik komen zou?”

Ze lachte.

“Ik kan tegenwoordig in de sterren lezen.”

Toen werd haar stem ernstig. Ze vroeg:

“Je hebt zeker een meisje lief?”

“Neen,” antwoordde hij zuchtend, “sinds gisteravond niet meer. Ik was verloofd—nu ken ik er maar één, en dat ben jij, mooi-Ann.”

“Dat is beter dan een ander,” lachte ze. “Ben ik niet mooi?”

Ze nam een roos, die ze op haar kleed had gedragen. Die gaf ze hem.

“Ruik aan deze roos, als je niet meer aan me denkt.”

Hij kuste haar. De nacht sloot zich over hen beiden, en een muur was de stilte van het bosch. De tijd gleed langs heen. Hij hoorde het ruischen van den tijd niet, zóó verre was het. Vol medelijden wachtte het licht van den morgen, waarschuwend met een schemer, dat de dag moest komen.

De jonge man stond haastig op. Er was niets naast hem. Hij had gedroomd ….

Toch, hij hield in zijn hand een bleek-roze roos. Hij rook er aan, en hij dacht aan de mooie neveling, die hij gansch den nacht had liefgehad. Met loome schreden liep hij huiswaarts: Wat zou er geschieden, wanneer hij zijn meisje weder ontmoette? Wat zou hij zeggen? Als hij haar eens moest verklaren, hoe hij aan de roos kwam. Wanneer ze hem dezen avond bij de berken wachtte, opdat ze samen zouden gaan, zooals 't vroeger hun gewoonte was.Bladzijde 174Een hevige pijn was zijn angst, want thans zou 't alles anders worden. Hij hoopte, dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.

Ze kwam reeds voor den middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij schamper, hoe ze van mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleeding. Haar stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden?

“Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?”

“Nee—” zeide hij somber, “ziek was ik niet. Waarom dacht je dat?”

“Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?”

“Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?”

Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken, en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat was haar liefde en haar geluk.

“Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten,” sprak ze lachend. Ze meende, dat hij mede zou lachen. Zijn gelaat bleef ernstig.

“Je hoeft niet op me te wachten,” zeide hij, “ik kom nooit weer.”

Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand.

“Ben je gisteravond naar de herberg geweest?”

“Nee.”

“Waar was je dan?”

“Daar heb je niets mee te maken.”

Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen, maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en deBladzijde 175koeien. Een donkere laan lag voor haar. Ze was bang, om erin te gaan, zóó alleen.

“Je hoeft me nooit meer te wachten,” zeide hij norsch. O! de eerste schrede in de donkere laan. Er was niets van haar hoop gebleven. Haar eenvoudige ziel wist, dat er een ander meisje voor haar in de plaats was gekomen, en, haar schort stijf tegen de oogen geperst, overdacht ze gauw, wie 't wezen kon. Martha was 't niet en Mina niet en Aaltje niet en Geusje niet en Fine niet en Sine niet. Wie kon 't wezen? Ze gluurde over den boezelaar.

“Wie is 't?” vroeg ze.

Hij staarde haar verwonderd aan.

“Wat meen je?”

De oogen kwamen nu geheel boven de schort uit.

“Met wie heb je nou verkeering?”

Hij schaterde van het lachen.

“Met mooi-Ann.”

Ze liet den boezelaar van pure bevreemding vallen. Haar oogen werden zoo groot, of er tusschen jukbeen en wenkbrauw geen plaats meer voor ze was. Thans keerde de hoop terug. Hij hield haar voor den mal, de dwaze jongen! De boerderij bestond weder. Ze zag zichzelve met de melkemmers naar de weide gaan. Hij deed niets dan lachen.

“Wat ben je d'r eentje,” zeide ze.

“Kom vanavond bij den vijver en je zult het zien.”

Hij liep zijn huis binnen. Ze bleef nog even wachten. Aarzelend ging ze heen.

Aldus heeft een menschenziel aanschouwd, wat er met hem dien avond geschiedde. Ze stond in 't bosch, en zag haar jongen, die haar voorbijliep, zonder op haar te letten. Uit den vijver steeg een nevel, die naar den man toeschreed, met licht-glijdende passen. Het meisje stiet een kreet uit, maar haar verloofde hoorde 't niet. Hij en de nevel naderden elkander.

Ja, het was mooi-Ann. Hoe had ze kunnen gelooven, dat 't een nevel was?

Bladzijde 176“Mooi-Ann,” gilde ze.

Mooi-Ann was nu vlak bij den jongen. Ze wenkte hem, hij volgde. Het meisje riep zijn naam. Hij zag niet om. Hij liep rustig zijn noodlot tegemoet.

Aan den vijver beidde mooi-Ann hem.

“Kom,” fluisterde ze, “ik heb je lief.”

Thans weder werd ze een nevel, sluierend over het water. Langzaam boog hij zich voorover.

“Kom.”

Hij liet zich in den vijver vallen. Toen hoorde 't meisje een schaterenden lach. Het was mooi-Ann, die zich had gewroken. Het was het eerste slachtoffer, dat ze gemaakt had. Er zouden er meerderen volgen.

Zoo was er een jong gezel, die naar Arnhem kwam, om een ambacht te leeren. De wereld was nog voor hem als een diep bosch, en hij kende nog slechts den eersten angst en het eerste verlangen, om het leven te kennen. Zijn vader had gezegd, toen hij heenging:

“Kom als een man terug.”

Zijn moeder had geschreid:

“Blijf altijd dezelfde, die je nu bent.”

Zoo was hij heengegaan. Welken raad had hij te volgen?

Op een avond naderde hij Velp. Bij den vijver van't kasteel van Biljoen bleef hij even staan, en toen gevoelde hij, dat hij moede was. Hij besloot, om te gaan rusten. Hij legde zich op den weeken grond, en spoedig sliep hij.

Hij wist niet, hoelang hij had geslapen, nadat hij in een blijden, onwezenlijken droom ontwaakt was. 't Was al nacht. Het maanlicht en 't sterrelicht legden een witten sluier over alle dingen, een zelfden glans over grond en water. Er waren geen geheimen, dien nacht! De jonge gezel vond het een weelde, om alles te bezien.

Eensklaps werd hij op zijn schouder getikt. Hij richtte zich op. Hij was verlegen, dat er een meisje stond, en zij glimlachte om zijn verwarring.

“Wie ben je?” zoo vroeg zij.

Bladzijde 177Hij noemde zijn naam.

“Dan ben je niet uit Velp?”

“Nee,” zeide hij.

Even wachtte ze. Vervolgens nam zij zijn hand.

“'t Is goed, dat je bij me bent gekomen, als je hier vreemd bent. Heb je nog nooit in je leven van een meisje gehouden?”

“Nee—nog nooit.”

“Heb je nooit van me gehoord?” vroeg ze weder.

“Nee nooit!”

“Ik ben mooi-Ann van Velp. Er is niemand in 't dorp, die me niet kent.”

Haar liefelijke glimlach verkwikte hem. Hij gevoelde, hoelang hij gezworven had, en hoe mat hij was. Hij wilde in haar armen droomen, terwijl zij hem aanzag. Al het leed en geluk dezer wereld zouden haar kussen hem kunnen geven. Voor 't eerst strekte hij zijn armen naar een vrouw uit.

“Kom aan den vijver zitten,” noodigde hem mooi-Ann.

Hij volgde haar. Was hij anders dan een dronkaard in zijn liefde? Met wankelende passen ging hij, blind-starende. Als mooi-Ann eens, toen ze den jonker van Biljoen had gezien, was hij. Den naam zijner moeder had hij vergeten. Zijn ziel was door de liefde bevlekt, ja, zoo hij was blijven leven, voor altijd besmet. Van den eersten, teederen droom, vóór ze hem gevraagd had, met haar mede te gaan, bleef zelfs de herinnering niet over. Het was gelukkig, dat hij stierf.

Het maanlicht was over land en water gelijk. Hij wist het niet, dat hij met haar in den vijver schreed. Hij zonk in de diepte neder, en smetteloos, vol van glans, sloot zich het water over hem. De nacht verloor niets van den gloed. Mooi-Ann lachte niet, want ze dacht aan haar eigen ondergang terug.

Dit is de sage van mooi-Ann. Zij gaf dezelfde smart, welke zij ontvangen had, eerlijk terug, en ze was een schakel uit den ketting des verderfs.Bladzijde 178


Back to IndexNext