Hoofdstuk XXXI

1Teenstra. Volksverhalen en Legenden.

1Teenstra. Volksverhalen en Legenden.

Dichtbij Echt, in het Limburgsch land, is een groote schat verborgen, en wie hem vinden kan, verlost de juffrouw zonder kop van den nood, om te moeten zwerven, waar aardsche menschen wonen.

In het schuchtere voorjaar, als nauwelijks nog de blaadjes durven te gluren, en de lucht van bedeesde blauwheid is, en het zonnelicht zich heel verlegen verschuilt, gelijk een jonge knaap, die zijn liefde niet vermag te uiten, lag bij de ruïne van het Sleutje een boerenjongen te slapen. Wellicht—wie zal het zeggen?—had hem het bier uit Susteren tegoed gesmaakt, en hij verdroomde den eersten lentedag. De verliefde zon vluchtte, zoodra de avond kwam, héél snel, en een gure wind verdrong meedoogenloos alles, wat er nog restte van de onvolkomen, teedere poëzie. Drikus, de boerenjongen, bleef snorken, eerst de milde warmte, daarna de barre kou ten spijt, ja, hij ontwaakte zelfs niet, toen er drie eikels op zijn neus vielen. Toch had hij wakend bewustzijn genoeg—een ondeelbaar deel eener seconde—om zich te verbazen, dat er eikels daalden in de vroege lente, een tijd, die meer is aangewezen op het moeizaamzetten, dan wel op hetrijpender vrucht. 't Bleef echter slechts bij deze haast-wezenlooze verwondering, en het snorken ging bijna geheel onverbroken verder, zonder dat hij lette op den tijd, die verging, en op de plaats, waar hij nederlag …. Het ware beter geweest, dat hij erover had nagedacht: want middernacht naderde, en op deze plek spookt de juffrouw zonder kop, die den bewoners van Echt wraak heeft gezworen. Eeuwen geleden is ze door de burgers dier stad aangevallen, en zonder absolutie gestorven. Wee hem, die haar op Woensdag of Vrijdag ontmoet!

Gelukkig was het een andere dag, dat Drikus bij de ruïne lag te slapen!

Nauwelijks was de klok van middernacht uitgeslagen, of hij ontwaakte door een allervreemdste hitte, dichtbij hem. Hij richtte zich op, en wreef zich over zijn oogen.

“Wat is dat?” vroeg hij bevend.

Bladzijde 179Wat beteekende dat? Een blauwe vlam spartelde en sprankelde, en ineens rammelde een ketel door de lucht, welke haast je rep je op het vuur aanvloog, en daar juist boven bleef hangen. Daar begon het in den ketel te broddelen en te pruttelen en te sissen en te zieden, en de damp kwam eraf, niet aangenaam-riekend als wanneer tante Trees pannekoeken bakte, doch het stonk zonder genade.

“Hatsji!” zei Drikus. “Hatsji! Hatsji!”

Boven tegen den hemel begon het te rommel-donderen. De wilde wind woei en teisterde de takken der boomen. Drikus durfde niet omhoog te zien, en toch kon hij er niets aan doen, dat zijn nekspieren zich kromden en hij zijn hoofd ophief. O ijselijkheid! Aan den hemel reed een gloeiende koets, getrokken door twee zwarte bokken met knoestige hoornen en in hun razende vlucht klapwiekten de vleermuis-vleugelen, die uit de zijden der spookdieren schoten. In den wagen zat een dame in witten mantel. Drikus had nog net den tij d, om zich achter een struik te verstoppen.

Reeds was de juffrouw zonder kop uitgestapt, en vlug liep ze op den ketel toe. Zij nam er het deksel af, maar eensklaps wendde zij zich om, en liep tot Drikus' schrik recht naar den struik. Ze wierp het witte gewaad van zich, en zoo zag de jongen haar bloedrood lichaam, dat eindigde inden afgesneden strot. Bloed droop in groote druppelen van haar keel naar beneden, en bloed droop van haar nederhangende linkerhand, en bloed droop van 't hoofd, dat zij in de rechter hield. Bloed mengde zich met bloed, het daalde naar de aarde, en scheen weder 't roode lichaam op te kruipen, als het gevallen was. Ze was een fontein des bloeds, en niets ging er verloren, het keerde tot de bron weder, waaruit het ten tweeden male, ten derden male, ten duizendsten male ontvlood.

Van haar wendde de ongelukkige man zijn blik naar den ketel, die op 't blauwe vuur stond, en welks stank een angstwekkend geheim verborg.

“Menschenhoofden,” zeide zij. “Ik braad menschenhoofden uit Echt.”

Bladzijde 180In den ketel lag het vleesch ros te roosteren, de oogen der dooden (melk-wit opgezet met in het midden den appel van zielloos zwart) staarden onafgewend naar den jongen man, die met afschuw zag, hoe reeds het vuur de oogen naderde ….

“Stil!” beval de juffrouw zonder hoofd, “en luister naar mij.”

Drikus stond bevende voor haar.

“Het was in tijden van oorlog, dat ik gedood werd, maar vóór dien heb ik mijn goud en mijn juweelen in drie kisten geborgen, en ze onder de aarde begraven, hier op deze plek. Neem dit berkenrijsje en plant het, opdat gij niet vergeten kunt, waar het is! Het is voor mij ook van belang … want ik moet blijven zwerven, zoolang de schat nog niet door menschenhanden op een Dinsdag is opgedolven. Hoe moet gij graven? Met een nieuwe spade. Hoe diep moet gij graven? Zeven, zeven, zeven voeten. Wat moet gij spreken? Geen woord, geen woord …. Neem een helper mede.”

Één kist—één kistIs voor de armen,De tweede, geef de kerkUit uw erbarmenMet de derde, moogt gijUzelf verwarmen

Rrrrt! daarmede verdween ze, en Drikus bleef alleen achter, zich de ooren krabbende. Hij liep zoo haastig hij kon naar Echt, om een gezel te zoeken, die hem den volgenden Dinsdag zou willen helpen, en wie was daar beter geschikt voor dan Hannes, zijn vrouw's broer? Hij zeide tegen hem:

“Je mag geen woord spreken,” en Hannes antwoordde:

“Natuurlijk niet.”

Wonderlijk-langzaam gaan de uren voorbij, wanneer ge wacht. Het zonlicht weigert te verschijnen na den langen, lijzigen nacht en als het eindelijk komenmoet, op het allerlaatste oogenblik, dan klimt het zijn vaste baan aan den hemel treuzelig en traag, net of het zeggen wil:

“Kom ik er vandaag niet, dan kom ik er morgen,” en vóór het twaalf uur is, heeft het wel een etmaal geduurd.Bladzijde 181Zijn gang van het Zuiden naar het Westen geschiedt al even kreupel, doch als het ten leste besluit, de aarde maar weder te verlaten, dan bezint het zich plotseling, en doet, of het ik weet niet hoe aangenaam bij ons is. Weggaan?! Geen sprake van. Het denkt er niet aan. Het blijft op de banken van den horizon rusten, strekt zich daar welbehagelijk uit in zijn volle lengte, en werpt een laatsten, zéér langen, weemoedigen blik naar de tintelende vlakte. Het heeft ruim spel, want de avond weigert ondertusschen op zijn beurt te komen. Vóór er een ster aan de lucht is, schijnt er geen tijd meer te bestaan. Zon en maan willen niet komen, en niet verdwijnen, en ze gelijken in dit opzicht op het slag menschen, dat veel bezwaren maakt, om u te bezoeken, doch dat, als het eenmaal een visite maakt, niet weg is te krijgen.

Drikus en Hannes, zij beidden ongeduldig, en ook voor hen werd het ongeduld beloond: immers, de eeuwigheid lokt het heden in haar afgrond, en alle tijd valt hierin geruischloos terneder. De Dinsdag kwam, en de twee kornuiten begaven zich tezaam op weg, de lippen vast op-één geklemd, om zich in het zwijgen te oefenen. Ze droegen fonkelende spaden op den rug, en ze voelden zich gelukkig als menschen, die in de toekomst hun vertrouwen stellen.

Ze vonden alras het berkenrijsje, en Drikus trok het uit den grond.

Vroom begonnen ze te delven in de gewillige aarde. “Zeven, zeven, zeven voeten,” zong het in Drikus' ziel. Hij was er zeker van, dat hij de schat zou bereiken, en eensklaps hoorden zij, dat de schoppen stieten tegen een kist. Hannes sprong van vreugde in de hoogte.

“Drikus! daar zit de heks,” schreeuwde hij.

Klingeleklingekling! de geldstukken hadden haast, om weg te komen, diep, diep, dieper in den grond, al maar zinkende, zóó ver weg ten laatste, dat 't gerinkel niet meer te hooren was.

En daarom spookt de juffrouw zonder kop nog altijd bij Echt; er is geen mogelijkheid, dat ze ooit verlost zal worden.Bladzijde 182

Men weet het, dat ons land vroeger door reuzen werd bewoond. Er waren reuzen in Drenthe, die hebben de Hunebedden gebouwd. Er waren reuzen op de Veluwe, die hebben daar de hooge bergen neergegooid. Er waren reuzen bij Hilligersberg; reuzen in Holland en Friesland.

Bij Haarlem leefde een reuzin, Walberech was haar naam. Ze was voor haar doen nogal groot. In één stap stak zij de Noordzee over, en eens, toen roovers haar vee hadden geroofd, en al een nacht zeilens verder waren, bereikte ze hun schip in één schrede, nam 't met één van haar vingers op, en wierp het in de lucht. Toen alle roovers dood waren, at ze hen met huid en haar, nam haar kudde mede, en kwam weer behouden aan land. De koeien had ze onder den linkerarm, de paarden onder den rechterarm en de schapen liet ze op haar hoofd weiden.

Niemand minder dan Picardt vertelt al verhalen van deze reuzen.

Hij zegt, dat er ongelijk meer reuzen in deze landen hebben gewoond, dan er steenhoopen gevonden worden. Want in sommige landen heeft men geen steenen, terwijl er evenwel reuzengebeentes met lang haar uit de aarde zijn gegraven. Bij Westerborg is dit geschied, te Sneek in Friesland. In 't jaar 1488 (het is aan geen twijfel onderhevig) spoelde er op het eiland Terschelling een reuzenlichaam aan, dat door den vloed uit zijn graf was gerukt. De reuzen waren bekleed met vellen van dieren en gewapend met knodsen. Wat ze aten? Beren, wolven, leeuwen, elanden, paarden, wilde zwijnen, herten, reeën, dassen, vossen, hazen, zwanen, raven, ganzen en visch! Hoe lang ze leefden? Het waren frissche en sterke lieden, en sommigen zijn driemaal zoo oud geworden als een mensch.

Ook in Limburg woonden de reuzen. Hun koning heette Halichem, en hij was ongetrouwd. Het was een ernstige kerel,Bladzijde 183die er weinig woorden op nahield. Als er iets moest gebeuren, sprak hij het kortaf, en wee hem! die zijn bevel niet gehoorzaamde.

Hij was zoo om en bij de vijftig jaar, toen vonden zijn onderdanen, dat het tijd voor hem was, om te trouwen. Niemand durfde 't hem recht te zeggen. Toch ging het op den duur niet langer. Het volk moest een vorst hebben, als Halichem eens iets menschelijks passeerde.

Eindelijk besloot een hunner met den koning te gaan spreken. Wat ze met elkander verhandeld hebben, weet niemand. Halichem bulderde zoo luid, dat 't huilen van den storm er een zefiertje bij is, en alle reuzen maakten zich uit de voeten. Daarbij zijn heel veel heuvelen en dalen ontstaan, te veel om op te noemen.

Halichem hield van zijn vrijgezellenleven! Waarom? De oude kronijken zwijgen hierover. Misschien had hij over eten en drinken niet te klagen. Het dierenvel, dat hij over de schouderen droeg, zag er zeker steeds keurig uit. Ook kon hij 't waarschijnlijk met zijn vrienden goed vinden. Bovendien kon hij wel wat verlegen geweest zijn tegenover de teedere sekse, want dat heb je tegenwoordig zelfs vaak met groote kerels.

't Doet er ook eigenlijk niets toe.

Halichem wilde niet trouwen, en de eerste poging, om hem van zijn plan af te brengen, mislukte geheel en al. Eerst na dagen durfden zijn onderdanen terug te komen.

Met zijn weigering was het immers nog niet geheel afgeloopen.

Op een zomerdag kwam zijn volk in een geheime vergadering tezamen. Wat daar besproken is, weet niemand. Het besluit echter is algemeen bekend. Men zou een deputatie van sterke reuzen naar Halichem afvaardigen, en hem tot rede brengen.

Aldus geschiedde. Zeven van de sterkste reuzen organiseerden zich, en de petitie werd overgereikt. De vorst had zich naar den wensch zijner natie te schikken. Hij ontvingBladzijde 184de gedeputeerden allergenadigst, en beloofde hun verlangen in overweging te nemen.

Maar … wie was er waardig, om koninginne te worden?

Halichem ging zelf op den zoek. Hij vond een aardig meisje, zoowat vier voeten kleiner dan hij. Alle bestanddeelen van een goed huwelijk waren dus aanwezig, want voor een nette, fatsoenlijke bruiloft behoort 't meisje niet zoo groot te zijn als de jongen. 't Andere staat niet.

Het volk was dronken van vreugde.

Inderhaast werd het paleis gebouwd. Daar de trouwplechtigheid spoedig zou plaats vinden, werd er niet veel zorg aan de architectuur besteed. Dit behoefde ook niet. In 't nederigste hutje immers kan geluk wonen?

Maar ….

't Volk was tevreden—maar …. Maar Halichem, de vorst, vond zijn poging, gedaan in het belang van zijn volk een groote teleurstelling. 't Was wel een aardig meisje, om te zien, doch hetgeen eraan ontbrak, was eigenlijk, wat ze te veel had.

Ze kon alleronmenschelijkst, allerongedanigst, allerverduiverkaterst veel praten. Ze praatte van den vroegen morgen tot den laten avond.

“Ratteretalleratatteratattertatatatterteta,” ging het den heelen dag, dat het den armen Halichem duizelde in zijn ooren. Waar ze over praatte? Over de reuzin die en over de reuzin zoo; over den armband van de reuzin zus, en de oorbellen van reuzin gindsche. Over den ouden reus, dien ze niet had willen hebben, en over den jongen, dien ze had geweigerd. Over de nicht van reuzin X, die de oud-tante van reuzin IJ had beleedigd, en wat de reus Z daarover had gezegd, wat de reus Dubbel X daarover zou zeggen, en wat Halichem meende van de nicht van reuzin IJ, die altijd anderen zoo bekladde. Ook had de reuzin dubbel IJ haar eens zoo gekrenkt, door haar met een mensch te vergelijken. Daarom wilde ze de reuzin dubbel IJ niet op de bruiloft vragen; zóó ze haar toch op de bruiloft vroeg, koel bejegenen.Bladzijde 185

“Ratadeplantadeplan—allodadadadada—”

Den ganschen dag.

Nu was Halichem in het begin verwonderd geweest, dat iemand zoolang achtereen kon redeneeren. Hij had ademloos gewacht, wanneer ze zou ophouden. Zoon wezen had hij nog nooit ontmoet. 't Eten liet ze ervoor staan, om met hem te babbelen. 't Merkwaardigst was, dat ze nimmer naar zijn antwoord verlangde. Ze vroeg hem wel, wat hij over een of ander onderwerp dacht, maar op het oogenblik, dat hij zijn meening zou zeggen, riep ze uit:

“Stil! jij praat den heelen dag—laat mij nu ook eens wat zeggen,”

en dan begon 't van voren af aan, over alle dingen der wereld, van de paplepel tot aan de liefde toe. Eerst de nacht bracht rust.

Wanneer dan de afgetobde reus probeerde te slapen, drong hem de echo van haar stem weer in zijn bewustzijn, en dan herkauwde zijn brein al het geestelijk voedsel van den dag, zonder ophouden. Als de morgen kwam, bemerkte het meisje in het geheel niet, dat Halichem moede was, en, daar zij een uitmuntenden slaap had genoten, begon zij frisch, van voren af aan.

Halichem werd nog stiller dan vroeger. Doch zijn verloofde lette daar niet op. Het waren eenige oude reuzen van zijn volk, die 't eerst bemerkten, dat hun vorst er slecht uitzag. Ze vorschten naar de reden. Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden, dat zelfs hun wijsheid haar niet begreep. Langzaam, 't hoofd schuddend, gingen ze terug. De jongste zeide:

Figuur 17.Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woordenZe vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden

Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden

Ze vroegen het de aanstaande koningin, maar deze overstelpte hen zóó met woorden

“Ik heb op de wereld geleerd, dat alles zijn grond heeft.”

Die op hem in jaren volgde, voegde hieraan toe:

“'t Is beter ten heele gekeerd, dan ten halve gedraaid.”

Toen eindigde de oudste ernstig:

“Er is veel kwaad ontstaan, doordat men te weinig heeft gesproken. Maar te veel is nog gevaarlijker. We moeten den vorst waarschuwen.”

Bladzijde 186In den nacht, toen hij alleen was, gingen ze naar hem toe. Ze kwamen in zijn vorstelijk slaapvertrek, waar hij nederlag, de oogen brandend en wijd-open. Hij sprong overeind, op het oogenblik, dat hij voetstappen hoorde. Arme man! hij meende, dat het zijn verloofde was, die met hem nog wat wilde babbelen.

“Wij zijn 't,” sprak de oudste grijsaard, “om met u de zaken des lands te bespreken.”

Woest schudde Halichem zijn vuist, zoodat ze bijna den neus van den ouden reus raakte.

“Bespreken?” zoo schreeuwde hij. “Bespreken?” En toen afgemat: “bespreken.” Wat moet er nu nog besproken worden?”

“Ge moogt niet trouwen.”

Halichem viel hem, snikkend van vreugde, om den hals.

“Dat zijn de eerste wijze woorden, die ik sinds lang heb gehoord. O! wijze raadslieden, zoo gij wist de smart, die ik om der wille van mijn volk heb geleden. Maar nu! hoort mij aan! Nu wil ik mijn volk gelukkig maken. Van deze stonde aan, roepen wij de mannen toe: “als gij uw wijsheid wilt bewaren, zoo gij wilt werken naar uwen aard, trouw dan niet.” Het zal morgen bij het krieken van den dag door mijne herauten alom worden bekendgemaakt.”

Aldus is geschied, dat de reuzen in Limburg niet meer trouwden, en daarom is hun geslacht uitgestorven. Het zijn nu de eens zoo verachte menschen, die in het land van Maastricht, van Roermond en Venloo heerschen.

Doch ter eeuwiger gedachtenis aan het mislukte huwelijk staat nog de half-voltooide woning der reuzen bij het plaatsje Echt, als een stille waarschuwing voor de Limburgers, die er zich echter niet aan storen!Bladzijde 187

Een graf houdt beider asch vereend;Maar 's ouden geest vindt rust noch vredeIn d' ijsbren nacht van 't lijkgesteent',En vaak ontsluipt hij aan die stedeTe middernacht als 't stormt en tiert,En regent, als men de uilenHun grafgezang hoort huilenDe weerhaan knersend giert.

Het klinkt in den stillen nacht. Leeft de sage dan nog? Verhaalt men ze, wanneer het lamplicht uit is, en geen vreemde kan luisteren? In het duister vagen stemmen. Nu wordt verteld de historie van den plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom, bijgenaamd de Duivel. Eensklaps is er een oude stem, hortend en angstig ….

“Ik heb 't dikwijls gehoord. Heel dikwijls hebben ze 't mij verteld.”

Een streng militair was de Duivel. Wanneer hij door de stad reed, door de Steenbergsche straat, de Blauwe Handstraat, of over de Groote Markt, zagen de burgers hem vreezende na, en menigeen dacht bij zichzelven:

“Liever zou ik willen sterven dan onder den Duivel te staan.”

In zijn hand droeg hij een kleine karwats, die één scheen te zijn met zijn hand. Graag drukte hij 't paard de sporen in de zijden, dat het steigerde, en vonken uit de steenen sloegen. Wanneer dan de voorbijgangers angstig wegstoven, lachte hij schor, en schudde de karwats, of hij zeggen wilde:

“Ik wou, dat ik ze allemaal kon ranselen, en dat ik de bloedige striemen zag over hun gezicht en hun handen. Of dat ze onder de hoeve van 't paard raakten, en dat ik ze van pijn zag kruipen.”

Hij had een zoon, die als vaandrig bij het regiment diende: Alfons was zijn naam. Het was een vroolijke kornuit, die geen enkele vreugde versmaadde, en die de meisjes van Bergen-op-Zoom liever had dan de krijgstucht.Bladzijde 188Hoezee en hier ginder! de Brabantsche meisjes, die anders zoo kieskeurig zijn, noemden hem den schoonen Alfons, ziedegij!

“Een schooneren jongen dan Alfons vindt gij in Brabant niet,” zoo zeiden ze.

Wie kon begrijpen, dat hij de zoon was van den stuurschen plaatsmajoor, die in geheime lust niets liever deed dan pijn te doen, en die eerst genoot, wanneer hij een levend lichaam kwellen kon?

Een morgen waren de officieren op de binnenplaats der kazerne tezamen, toen zij dof tromgeroffel hoorden. Zij staakten hun gesprek, en luisterden.

“Zou er weer iets met den Duivel zijn gebeurd?” vroeg een jong luitenant.

Nooit noemde men den plaatsmajoor anders, zelfs niet in tegenwoordigheid van den zoon. 't Was een Duivel, dat wist ieder. Ja, velen zeiden, dat hij erger dan de Duivel was, slimmer in zijn streken en onmenschelijker in zijn wreedheid.

De plaatsmajoor trad op hen toe. Op dertig el afstands schreeuwde hij al:

“Dat moest uit zijn. Als ik een schildwacht in slaap zie, schiet ik hem dood. Hoe kan ik op mijn soldaten vertrouwen, wanneer ze in slaap vallen?”

In de verte werd een baar gedragen, waaraan een zwart kleed hing. Dof rommelde de trom.

“Nu zal 't ze duidelijk zijn,” grijnsde de Duivel. “Ik heb er vannacht een gesnapt, die stond net als een paard te slapen. Hij kan er in den Hemel of hel over nadenken.”

De officieren zwegen steeds. Wie durfde een woord te spreken? De Duivel zag hen aan en gromde:

“Ik ben blij, dat ge 't mij eens zijt, en, versta me wel, ik verwacht van u hetzelfde. Geen genade voor den schildwacht, die niet waakt. Ik dank u!”

Hij groette met kort, dreigend gebaar. Heel in de verte bromde de trom. Niemand zag den zoon aan.Bladzijde 189Men gevoelde lust, om buiten hem de zaak te bespreken.

Toen zeide Alfons rauw:

“Mijn vader is een goed militair.”

Misschien hoorden zij allen, dat er angst en schaamte in hem was. Zij wisten het allen, dat de man zijn straf had verdiend, doch er was wroeging in hun ziel, omdat de Duivel hem had gedood. Een huivering voer langs hen heen. Hun gezichten werden strak, en menigeen bemerkte, dat hij onwillekeurig de hand aan den degen had geslagen.

Alfons vooral bestreed zijn jeugd. Hij hoopte, dat een der anderen iets beleedigends over zijn vader zou zeggen, opdat hij dezen zou kunnen aangrijpen. Toch was hij zichzelven niet meester, en voortdurend hoorde hij een stem spreken:

“Duivel! duivel! jij bent een duivel's zoon.”

Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor, om heen te gaan.

“Wij hebben niet te oordeelen ….”

Langzamerhand scheen het, dat zij vergeten zouden. Nooit spraken zij er met elkander over. Het waren meerendeels jonge menschen, die 't leven liefhadden, en de ouden hadden reeds te veel ondervonden. Binnen eenige dagen was het weder tusschen hen als steeds.

Wanneer zij echter nog eens een schildwacht zagen, die op zijn post was ingeslapen, was 't een geheime overeenkomst, dat ze hem wekten.

Had de Duivel dit bemerkt?

Hij liet een order bekend maken, die ineens weder de oude, geleden geschiedenis in herinnering bracht. Nog strenger dan vroeger luidde het bevel.

Alwie een schildwacht slapende zou aantreffen, had 't recht hem te dooden. Wanneer een soldaat het bemerkte, rustte op hem de plicht—zoo hij deze plicht niet volvoerde, zou hij zelf moeten sterven.

Angstig luisterde Alfons naar deze woorden. Nu bemerkte hij, dat de wrok langer bleef in de oogen zijnerBladzijde 190kameraden, en dat ze hem ontweken. Dikwijls zag hij, dat ze onder elkander fluisterden, maar als hij hen naderde, was 't altijd over onbeduidende dingen, dat zij spraken.

Zijn vader hield van hem.

Dat het een vreemde liefde was, van Duivel, kunt gij wel begrijpen. Toen de knaap jong was, had hem de vader naar Den Haag gestuurd—de moeder was jong gestorven—en daar was hij bij een tante opgevoed. De Duivel reed tot Dordrecht, om hem te halen. Op den huisweg had hij geen enkel woord gesproken. Eerst op het oogenblik, dat zij Bergen-op-Zoom in 't zicht kregen, zeide hij enkele woorden:

“Voortaan sta je onder mijn commando. Over zaken van dienst wil ik niet met je praten.”

Zoo was 't gebleven.

Thans weder wist Alfons, dat hij gehoorzamen moest, al gevoelde hij, dat men een deel van den haat ook aan hem gaf. Zou hij niet als spion dienen? Men vertrouwde hem niet meer. Hoe wist de Duivel alles zoo nauwkeurig, wat er in dienst geschiedde? Wie kon een betere handlanger zijn dan Alfons?

De jonge vaandrig wist, dat hij gemeden werd. Waar hij vroeger algemeen kameraden had gekend, waren thans zijn vijanden. Hij was vogelvrij verklaard. 't Gerucht sloop door in de stad Bergen-op-Zoom. De meisjes gingen hem voortaan zonder lach of groet voorbij.

Niemand vermoedde, dat hij met zijn vader gesproken had. Hij was te trotsch, om dit te vertellen.

Een avond had hij den Duivel buiten de Steenbergsche poort ontmoet. Even had hij geaarzeld … toen besloot hij hem te zeggen, wat er in hem omging. De Duivel hield zijn schreden niet in. Met lange passen liep hij over den weg. Hij had den kraag tegen 't hoofd geschoven, en hij ging iets gebogen, zijn sporen kletterden. Dat gaf zijn geheele figuur iets afwerends, maar flink streefde hem de vaandrig terzijde.

Bladzijde 191“Vader!” riep hij.

De plaatsmajoor matigde zijn rhytmisch-snellen tred niet.

“Vader! een verzoek ….”

Nog altijd zweeg de Duivel.

“Vader! ik verzoek … om mijn overplaatsing.”

“Overplaatsing?” gromde de oude militair. “Waarom?”

“Omdat ik hier niet op mijn plaats ben.”

“Niet op je plaats?”

“Vader! ik wil overal zijn, behalve hier. 't Is een hel voor mij, hier!”

“Meen je—dat ik—je zal—overplaatsen?”

“Als u me niet overplaatst—”

“Bewaar—den afstand—jonge kemphaan. Jij wordt niet—overgeplaatst. En daarmee—zeg ik je—ingerukt—marsch! Val mij niet weer—lastig!”

Als een echo van zijn vader's scherpen tred was de smart voortaan in zijn jonge ziel. Kon hij zich verweren tegen de gedachte zijner kameraden? En hoelang zou het duren, dat hij nog in Bergen-op-Zoom moest blijven?

Eerst een jaar later bewees hij zijn makkers, wie hij inderdaad was, trouw tot in den dood. Hij, de blonde, jonge vaandrig, een spion van den Duivel? Alles mocht men van hem zeggen, dit niet.

Het was tijdens een feest. Overal klonk muziek, tot diep in den nacht. Men kon niet begrijpen, dat er ooit eenige smart in Bergen-op-Zoom was geleden. De beenen werden niet moe van het dansen, de ouden van dagen waagden nog eens een horlepiep, en waar was al het bier gebrouwen? Er waren vreemde dingen te zien—een Vlaamsche reuzin en een grijnzende neger, de dikste vrouw ter wereld was ook in Bergen-op-Zoom. Op de Markt blies en stampte een doedelzak-man, een beer sprong duizend sprongen, een heidin zeide de toekomst. Marskramers klopten aan de huizen, en ze lieten de schoonste kralen in de zon schitteren. Want het waren dagen van zonlicht, waarin men leefde! 't Kan in Brabant niet regenen,Bladzijde 192als er feest is. 't Zonlicht werd niet moede tot laat in den avond, en het was een festijn, waarin de heele wereld schik had, van 't kleinste kind tot de gerimpeldste bes. De soldaten en officieren waren vooraan.

Niet de Duivel, en niet de jonge vaandrig.

Wee den soldaat, die op het appèl ontbrak! Iederen avond hield de plaatsmajoor zijn stille ronde. Het pistool hield hij stevig in zijn vuist.

Niemand bemoeide zich met den zoon. Stil ging hij zijn weg. Er was op zijn jong, roerloos gelaat geen leed. Het leed was binnen hem besloten.

Den derden avond van het feest passeerde een troep jonge officieren, luid-lachend, een schildwacht. Hij riep geen “werda,” toen ze hem voorbij gingen.

“De Duivel zal hem halen,” lachte een luitenant, “de kerel is in slaap gevallen. Hij mag blij zijn, dat de plaatsmajoor de ronde niet heeft gedaan.” Goedhartig wekte hij hem.

“Vooruit kerel! uit den dut. 't Is goed dat jou de Duivel niet gesnapt heeft.”

Verschrikt was de soldaat opgesprongen. Hij was niet in staat, om een woord te zeggen, want de angstige werkelijkheid, dat hij ternauwernood den dood ontgaan was, deed hem den roes vergeten. Zij hadden hem getracteerd, en de slaap had gemakkelijk ingang gevonden in zijn beneveld brein.

De officieren lachten.

“Arme kerel! die vandaag niet kan feestvieren.”

“Vooruit!” riep een jong luitenant, die nooit genoeg van het leven kon krijgen, “daarginder wacht ons Bergen-op-Zoom. We hebben de Vlaamsche reuzin nog niet gezien. En avant!”

Zingend en jubelend verliet de vroolijke schare de eenzame post. In de verte klonk de duizendstemmige muziek der stad. Wat is ieder feest ter wereld tegen de echte Hollandsche kermis? Een week per jaar is de Hollander uitbundig—leve de vreugde!

Bladzijde 193De soldaat luisterde naar 't gejoel en geraas. Zijn handen beefden …. Als de officieren niet toevallig voorbij waren gekorven, zou hij dood geweest zijn.

Nu kon hij luisteren naar de geluiden van het verre geluk.

Een half uur later kwam de Duivel de post voorbij.

Hij zag, dat de schildwacht was ingeslapen. Zonder een oogenblik te aarzelen, trok hij zijn pistool, en schoot. Hij ging verder in zijn stille ronde.

Den volgenden dag vond men Alfons dood terneder liggen bij het schildwachthuisje.

Toen de officieren hun weg waren gegaan, kwam Alfons te voorschijn, en met rustige schreden liep hij naar de schildwacht.

“Je wilt zeker wel graag feestvieren?” De arme kerel wist niet, wat hem geschiedde. Zou 's Duivels zoon geen listen willen gebruiken, om hem in 't verderf te storten? En toch … hoe lokte de kermis. Alle stemmen van jeugd en blijdschap lokten hem.

“Kom,”—zeide Alfons, en zijn eerlijke woorden hadden den trillenden klank der geheime smart, “ga maar gerust heen, vriend. Ik zal waken, als de Duivel komt. Het is donker weer.”

De schildwacht geloofde hem. Hij moest hem gelooven. Hij bedankte hem met geen woord. Hij groette zwijgend en ging heen. Zijn stem zou een golf zijn van het bruisende feest, zijn vreugde zou teloor gaan en toch een deel zijn van deze ontzaglijke vreugde, welke geen grenzen kende.

Alfons stond op zijn verlaten post.

Het zou niet lang meer duren, of de Duivel zou zijn ronde gaan. Dan zou hij vinden, dat alles in orde was. Hij loerde er natuurlijk op, om weder iemand te snappen!

Thans bedacht de jonge vaandrig, dat hij moede was. Niet moede van lichaam, doch moede van ziel. Meden niet alle kameraden hem? Vroeger was hij de eerste geweest bij ieder feest, elk jaar weder. Men minachtte hem.Bladzijde 194Men beschouwde hem als een spion. Niemand gaf hem gelegenheid, zich te verdedigen.

De vreugde in de stad, welke hij in zijn verlatenheid hoorde, lokte hem in geen enkel opzicht. Ze voerde stroomen van droefgeestigheid door zijn bloed. Hij weende niet. Hij gevoelde zijn leed, zooals men angst gevoelt: in heel zijn wezen.

Voetstappen naderden.

Door al het gedruisch hoorde hij den klank der naderende voetstappen, ja zelfs hun echo trilde in zijn geest en zijn ziel. Dat was de stille ronde, sluipende, gereed om te springen. Dat was de vloek van zijn jeugd.

Zijn smart was als een vuist, die zijn keel dicht knelde, en hem ruggelings ter aarde wierp. Wilde hij opzettelijk doen, of hij sliep? Was het buiten zijn wil om, dat hij zijn adem inhield, terwijl de dreigende voetstappen naderden?

Hij lag stil. Uit de stad kwamen de klanken van het feest, doch al zwakker en zwakker werden ze, en ze verstomden tegen den regelmatigen tred van zijn vader, den strengen plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom. Het was niet waar, dat er een andere klank bestond.

Hij kende geen vrees. Hij was een held gelijk, stervend voor zijn plicht.

't Heeft niet één seconde geduurd, dat de Duivel zich over hem heen-boog.

“Dat is de derde maal,” mompelde hij, toen hij zijn pistool had afgevuurd.

Eensklaps, fel-uit, klonk het blijde feest weder door. Niemand had 't gehoord, dat er een schot was gevallen. 't Geluid is er nooit anders geweest dan als een echo van verre, en ongehinderd ging alles verder.

Men was verwonderd, toen men den volgenden morgen Alfons vond. Men berichtte den plaatsmajoor, dat zijn zoon door een pistoolschot was gedood, op de plaats, waar de schildwacht was geweest. Recht-op hoorde de Duivel het bericht aan.

“Ik zal mijn eigen zoon dooden, als hij zijn plicht nietBladzijde 195doet.” Zijn handen bleven strak op tafel liggen, en geen oogwenk beefden ze. Zijn oogen zagen star voor zich uit. Onbewogen ging hij door de stad, met gelijkmatigen tred. Hij ging tot de plek, waar het lijk van zijn zoon ternederlag. Wie weet, wat de Duivel dacht? Herinnerde hij zich niet de dagen, dat hij met den kleinen Alfons had gespeeld? Zonnig was de wereld geweest, het kleine knaapje stelde hem duizend vragen over menschen en dingen, en de duistere Duivel beantwoordde ze allen. Het kind had geluk gekend bij iedere bloem, bij iederen vlinder en vogel; alles, wat hel was van kleur had hij liefgehad, en naar alles, wat vliegen kon, hadden zijn teedere handen gegrepen. Later nog had de Duivel hem op een paard getild en rechtop, als groote menschen, had de kleine jongen zich gezet, en glimlachend van trots naar zijn vader gezien. Het waren zeker de kleine dingen, die de plaatsmajoor zich herinnerde, en alle waren ze machtig binnen-in zijn ziel. Ze fluisterden en hoonden tot hem. Liefelijke gedaanten waren het geweest—plots werden ze dreigend van stem en gebaar.

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats, waar zijn zoon was gestorven. Niet met zijn scherp-regelmatigen tred, maar moede. Hij trok het pistool, en met rustige hand schoot hij zichzelven dood.

Figuur 18.Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorvenHij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven

Hij ging, buiten de stad, tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven

Wanneer het stormt, gaat de plaatsmajoor uit, in Bergen-op-Zoom.

Eerst hoort ge de lachende stemmen—zijn het de officieren, die den slapenden soldaat wekken? Dan wordt 't even stil. Er is dan een zacht geritsel, geschuifel—in de verte klinkt wanluidende muziek, het is de kermis, die blijft doorrazen, steeds verwijderd, terwijl er klanken murmelen: de soldaat en de vaandrig spreken tezamen. Een helsch lawaai is er in de verte. De kermis wil niet eindigen, de Duivel gaat zijn stille ronde. Zijn rhytmische tred klinkt scherp, zijn sporen rinkelen. Een pistool wordt afgeschoten.

Alles eindigt in een langen kreet van bovenmenschelijke smart.Bladzijde 196

In de diepte van een kuil, even-gaans van Lochem, dichtbij de Koerbelt, waren eens drie witte wiven, die zusteren geleken in leelijkheid, met ontvleesde armen, en lange, grijze, dunne haren. De oogen lagen diep, en de tanden kwamen uit als bij een geraamte. De oudste was de meesteres van alle witte wiven in den omtrek, tot de Veluwe toe. Ze had echter geen naam.

Overdag lagen zij in 't zand, één met het zand. Eerst des avonds stegen zij, meestal hoog naar de lucht. Waren het nevelen of wolken? Soms bleven zij op aarde, en renden dan over de vlakte, de scherpe nagels dreigend vooruit, den mond wijd-geopend. Ook wel klonk haar kreet gillend door de lucht, wilder dan de stormwind.

Herbert en zijn zuster Aleid waren niet bang voor de witte wiven. Als kinderen gingen ze dikwerf des avonds langs den kuil, om nog een boodschap voor moeder te doen, en als ze dan voorbij de Koerbelt kwamen, en in de verte de nevelen zagen rijzen en dalen, wezen de kleine vingertjes er zonder vrees naar. Want hoe gaarne de witte wiven ook jonge knapen rooven, zij wisten, dat geen harer hun kwaad wilde doen. Soms zelfs daalden zij in den kuil, en plukten er bloemen. Dan gleed meermalen de oudste der witte wiven spiedend langs hen heen, de klauwen uitgestrekt als een kat, die aangevallen wordt, doch wanneer zij dan onder elkander lachten, vloog de witte wive weer verder. Ze zagen haar nevel in een oogwenk verdwijnen, en, als ze huiswaarts gingen, joeg de witte wive krijtend aan den horizon, sneller dan een paard. Daarom hadden Herbert en zijn zuster Aleid geen angst voor de witte wiven, al waarschuwde hun buurmeisje Johanna, de dochter van Scholte Lodink, hen voor hun moed.

“Ga niet den kuil in,” zoo zeide ze, “Herbert … want van de witte wiven is nooit iets goeds gekomen.”

Hij lachte.

Bladzijde 197“Wie weet … misschien gooien ze mij in mijn hand nog eens goud.”

“Nee—nee Herbert—ga nooit weer in den kuil. Ze zijn slecht, de witte wiven.”

Na dezen volgde hij haar zin. Wanneer hij des avonds den kuil voorbij-kwam, liep hij naar zijn huis door, en zacht klonk hem dan Johanna's stem:

“Nee—nee Herbert.”

Liefde was zelfs nog geen woord voor hem. Toch dachten zijn ouders en de hare—zij bekenden het elkander glimlachend—dat Herbert en Johanna wel een paar zouden worden. Scholte Lodink, een oud soldaat, schertste, terwijl hij met de vuist op tafel sloeg:

“Als dat eens waar was—dat ze man en vrouw waren—in Barchem zouden er geen twee gevonden worden met meer rijkdom.”

En zijn vrouw Christine lachte witjes.

“Maar”—riep eens Scholte Lodink uit, “ze moeten niet gedwongen worden. Al wil mijn dochter Johanna trouwen met een keuterboer, mijn gezegde is: “je mag twee jonge lui niet van mekaar halen.”

Toen lachte juffer Christine niet meer. Ze dacht bij zichzelve:

“'t Is goed, dat Herbert en Johanna bij elkaar zijn, want mijn dochter zal niet met een armen jongen trouwen, daar zal ik voor zorgen.” Ze sprak haar gedachten niet uit. Zuinig zat ze te kijken, den mond vast-gesloten.

“De liefde, zeg ik maar, voor alles,” ging de rijke Scholte voort, “als er geen liefde is, kun je met geld ook al niets beginnen. Herbert en Johanna zullen een paar worden, al had hij ook geen geld.”

Eenige jaren later kon hij zijn woorden waar-maken, want Herbert's ouders wonnen een proces, doch ze verloren er hun spaarpenningen mede. Toen waren de gedachten van moeder Christine vol zorg over de toekomst van haar dochter. Was zij niet de vrouw van ScholteBladzijde 198Lodink, en moest Johanna dan trouwen met zulk een armoezaaier, die alleen met zijn handen zijn brood kon verdienen? Ze ging voor den haard zitten, en peinsde. De vlammen speelden hoog-op en gloeiden langs den ketel, de vonken vlogen van 't droge hout, dat zichzelf telkens wentelde. Moeder Christine hield haar handen uitgestrekt, dat alle warmte over de vingertoppen streek. Altijd zeide ze, dat ze zóó het beste kon denken.

Wat haar inviel, was niet gelukkig voor Herbert en Johanna. Want terwijl ze zich vooroverboog, om vooreen stuk hout grooteren doorgang te maken dan het tot dusver had, ontdekte zij, dat ze een anderen vrijer voor Johanna wist dan Herbert …: Albrecht! Albrecht had alles, wat je van een huwelijkscandidaat mag verwachten, zoo meende ze; hij was een kloekgebouwd man, en hij was rijker dan wien ook in den Achterhoek. Hoe zou ze de beiden bij elkaar kunnen brengen, zonder dat Johanna het sluw opzet bemerkte?

Geen beter koppelaar dan het toeval!

Eens ontmoette moeder Christine Albrecht, terwijl ze er eigenlijk 't minst op verdacht was. Ze hield hem aan, dadelijk tot een gesprek gereed.

“Wel Albrecht,” zoo sprak ze, “wat zie ik je tegenwoordig weinig.”

“We loopen elkaar uit den weg, juffer Christine,” lachte de jonge man.

“'t Lijkt wel zoo—Je moest eens een avond bij ons komen, dan kun je met den Scholte nog eens over politiek praten.”

Dat haar dochter thuis zou zijn, wanneer er over de politiek zou worden gesproken, kan iedereen gemakkelijk begrijpen. En ziet! moeder Christine speelde haar beste kaarten uit: want Johanna was dien avond op haar blozendst en mooist, en als speelde er de wind door, zoo dartel waren haar krullen over 't blanke voorhoofd. Alle geheimen van haar jeugd, anders zoo verborgen achter den nevel harer oogen, las je nu op haar vroolijk gezicht, vrij-uit,Bladzijde 199of ze een kind was, en geen meisje, dat de liefde kende. Moeder Christine kon niet vermoeden, dat ze Herbert gezien had, en dat ze langs Albrecht heen-keek, als ware hij maar een levenloos ding. Moeder Christine, hoe slim ook, wist niet, dat er reden voor was, waarom Johanna op den drempel had gestaan, de handen boven de oogen. 't Was niet om de stralen der avondzon, 't was om Herbert beter te kunnen zien. Moeders, die willen koppelen, zijn slim en dom tegelijkertijd.

Ze kon er ook niets aan doen, dat er weinig over politiek werd gesproken, dien avond. Want er was met Herbert iets vreemds gebeurd, en Scholte Lodink wist het te verhalen. Herbert's naam werd meer genoemd dan het de vrouw van den Scholte lief was, en haar dochter zat te luisteren, of ze engelenmuziek hoorde.

Het was nu eerst bekend geworden, al was het een paar maanden eerder geschied.

Op een zomeravond kwam Herbert te paard van den hoefsmid. Hij reed op den smallen weg een kolk voorbij. Plotseling vloog een watervogel met luid geschreeuw op. Het paard schrikte, en sloeg aan den hol, rechtrennend naar den Wittewijvenkuil—

“Nee—neen,” wilde Johanna roepen, maar op hetzelfde oogenblik bedacht ze, dat ze Herbert toch dezen avond gezond en wel had gezien, en ze glimlachte tegen zichzelve. De Scholte had even met zijn vertelling opgehouden. Vervolgens ging hij voort, zijn stem bedachtzaam, heel langzaam sprekend, en hij zag Albrecht daarbij aan.

“Zeker zou Herbert in de kuil zijn gestort, als niet een oude vriendin hem te hulp was gekomen, de oudste der witte wiven. Zij sprong op, haar klauwen grepen het dier in de manen en haar knieën stieten het in de zijde. Even nog trilde het paard. Herbert klopte het tegen den nek, streelde het, en rustig deed hij 't keeren. Stapvoets reed het naar huis.”

Dit alles vond de oude Scholte gelukkig voor den jongenBladzijde 200man. Maar niet voor niets was hij soldaat geweest: hij bewonderde Herbert om zijn moed.

Johanna schoof iets naderbij, om beter te kunnen hooren. Albrecht had den mond wijd-open van verbazing. Moeder Christine schoof onrustig op haar stoel.

Ja, wat had de drommelsche jongen gedaan? Teeder werd Lodink's stem.

“Op het oogenblik, dat hij gevaar liep verpletterd te worden, had Herbert in den kuil gezien—alles, wat de witte wiven er deden. Ze zaten voor een vuurtje, en daarboven was een groene boomtak, waaraan een vogel hing, netjes geplukt, of het door menschenhanden was geschied. Ze braadden 't vleesch, de witte wiven. 't Was maar goed ook, dat Herbert zijn oogen den kost had gegeven. Want daardoor had hij later zijn dankbaarheid kunnen bewijzen.

Hij was thuis gekomen, en had zijn zuster Aleid, met wie hij vroeger zoo dikwijls in den kuil was gedaald, onder vier oogen alles verteld. Hij had haar gevraagd, of ze voor de witte wiven een Driekoningenkoek wilde bakken, bruin van korst en zoet van binnen, en die wilde hij voor zonsondergang brengen. Aleid had geglimlacht. Was 't méér niet? Ze wilde nog meer voor hem doen. En toen hij haar had gevraagd, of ze alles netjes voor hem wilde klaarmaken, had ze hem aangezien en gezegd:

“Natuurlijk wil ik dat doen, maar onder één voorwaarde.”

“En die is?”

“Dat ik mee mag gaan naar den Wittewivenkuil.”

“Aleid,” riep hij angstig, “dat niet.”

“Zouden de witte wiven je kwaad doen?” had ze gevraagd. “Dan wil ik het gevaar met je deelen. Vroeger hebben wij er bloemen geplukt, Herbert, tot Johanna je vroeg niet meer te gaan. Dacht je, dat ik nu bang geworden was?”

Dagen lang van zelfopofferenden strijd hadden zij gekend. Aleid had overwonnen. Ze bakte de geurige Driekoningenkoek, en deed ze in een aarden schotel. ZeBladzijde 201omstak het gebak met klimop, dat den aarden schotel bedekte, zoodat het scheen, of ze haar gave bood in een krans van groene bladeren. Ze wilde de koek dragen tot aan de groeve: Herbert bracht ze naar beneden. Wel klopte haar hart van angst, toen zij zag, dat dichtbij vanonder een struik, zich een groot hoofd naar voren schoof, en een groen oog haar bestaarde, maar zij hield zich moedig; en rustig, nadat Herbert weder boven gekomen was, schreed zij naast hem, huis-toe.

Den volgenden dag was Herbert naar den kuil gegaan. In de diepte had hij den aarden schotel gezien. De klimopbladeren lagen ernaast.”

Toen zweeg Scholte Lodink. Hij knikte even zijn dochter toe, en wendde zich vervolgens naar Albrecht. Wilde hij den jongen man iets zeggen? Zijn dichte wenkbrauwen had hij hoog opgetrokken, er lagen rimpels in 't voorhoofd, en diepe groeven om den mond.

Na zijn verhaal was 't gesprek tusschen moeder Christine, Johanna en Albrecht slechts traag. Er was één woord in hun brein—doch hoe verschillend van klank—dat hun lust tot praten stremde: Herbert.

Moeder Christine dacht het met woede.

Haar man—de Scholte—had de vertelling al wel eerder gehoord, doch hij had op een goede gelegenheid gewacht, om ze mede te deelen. Hij had weder waarlijk getoond, dat hij een oud soldaat was, die zijn wapens op 't juiste oogenblik gebruikt, niet te vroeg en niet te laat. Ze moest het zichzelf eerlijk bekennen, dat hij de sterkste geweest was. Ze zou later wel eens kijken, besloot zij stil. 't Spel was nog niet voor hem gewonnen.

Johanna gevoelde den klank van het woord “Herbert” als een zoete troost. Zooeven had ze hem gezien. Krachtig ging hij over den weg. Hij had haar met een glimlach vol vertrouwen gegroet. Wie was tegen hem bestand? Er bestonden geen gevaren voor hem. Zelfs in den Wittewijven-kuil was hij gedaald, en waarom? Om zijn dankbaarheidBladzijde 202te bewijzen. Goed en moedig was hij van harte. Welk meisje verlangde er niet naar, door hem te worden beschermd? Albrecht zat naast haar, en 't woord “Herbert” was in zijn bewustzijn gelijk een vloek, terwijl hij 't mooie, jonge meisje aankeek. Hij haatte de dapperheid. 't Leek hem, of Scholte Lodink hem minachtte, daar hij Herbert prees. Was hij eigenlijk minder dan Herbert?Hijkon met zijn geld koopen, wat hij wilde—en wat was Herbert? Diep in hem brandde de wraaklust en de zekerheid, dat hij Herbert als zijn daglooner kon krijgen, en dat hij hem kon laten slaven. Herbert was een knecht, en hij de meester! Dat wilde hij Johanna duidelijk maken. Hij balde zijn handen tot vuisten. Wanneer hij 't verlangde, kon hij Johanna tot vrouw vragen, en Herbert kon hij laten zwoegen voor hem en haar. En als Herbert met Johanna zou trouwen—dan wist Albrecht een goeden zet. Dan zou hij de man voor zich laten werken, en hij zou hem 't leven zuur maken.

Zijn plannen stonden vast, toen hij afscheid nam. Maar hij liet niets merken. Zelfs Scholte Lodink wist niet, wat hij in 't schild voerde—

De arme Scholte Lodink!

Dien avond nog had hij van juffer Christine meer te verdragen dan daarvoor tijdens geheel zijn huwelijk. Zoo'n sermoen had hij nog nooit gehoord. De tong der vrouw kende geen rust—ze klapperde maar door, zonder dat hij er een woord tusschen kon krijgen. Hij was als oud soldaat anders niet vooreen klein geruchtje vervaard—hij had tegen vele soorten van vijanden gestreden, maar zulk een helsch vuur was er nog nooit over hem uitgegoten. Of hij zich verbeeldde, dat zij, Christine, haar toestemming tot 't huwelijk zou geven van Herbert met haar dochter? Wist hij dan niet, wat Albrecht bezat, en wat hij zou erven? Wat deed het ertoe, of iemand in den Wittewijven-kuil daalde—dat durfde Albrecht ook. Als 't daarom te doen was—of er in het leven niet nog heel wat andersBladzijde 203kwam kijken! Wel twee uur ratelde ze zoo door, van 't een naar 't ander, van 't ander naar 't een, en het scheen Scholte Lodink toe, of hij er zelf buiten adem van geraakte.

Eindelijk lukte 't hem, haar stop te zetten.

Was Albrecht even moedig als Herbert! Dat had hij te bewijzen …. Boven 't geld stond mannemoed. Een man, die niet dapper was, zou zijn dochter niet krijgen. Er loeren allerlei gevaren voor het meisje, dat niet beschut wordt. Een sterk gemoed en een sterke arm zouden haar te pas komen, beter dan al 't goud der aarde. Wanneer Albrecht durfde, wat Herbert durfde, zou hij Johanna kunnen krijgen. Hij, als oud soldaat, wilde 't niet anders … en sabels en kogels! hij zou zien, wie in dezen hem den voet dwars zou zetten.

“Meen je, dat Albrecht niet naar den Wittewivenkuil durft gaan?” vroeg hem zijn vrouw.

“Neen, dat durft hij niet.”

“Ik zou niet weten, wat daar voor waagstuk aan was.” Ze klemde de lippen op elkaar, tot haar mond de nauwe gleuf van een spaarpot geleek: er kon nog wel wat in, maar eruit kwam niets meer.

Haar woorden hadden den Scholte Lodink op een denkbeeld gebracht.

Den volgenden dag, toen hij met Johanna over 't veld ging, vroeg hij haar ronduit:

“Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?”

Zij bloosde om de plotselinge vraag. Hoe kon haar vader zóó dom zijn. Ze nam haar schort aan de tippen vast, op alle gebeurlijkheden voorbereid. In ieder geval—bij smart en bij vreugde—waren hier tranen te verbergen. Ze kende haar vader genoeg, om te weten, dat hij op haar kwaad niet doelde; doch tevens had ze wel gehoord, dat het gesprek tusschen haar vader en moeder lang had geduurd, den vorigen avond, en dat haar vader's bromstem het tegen haar moeder's fluitstem had afgelegd. Wat zou er geschieden? Haar boezelaar was gereed.

Bladzijde 204Weder klonk Scholte Lodink's vraag, en ze moest nu wel eindelijk een antwoord geven.

“Wien mag je liever lijden, Herbert of Albrecht?”

Angstig zeide ze:

“Herbert, vader.”

“Dat heb ik wel gedacht,” loofde hij vol blijdschap.

Dat was een goede tijding! Een paar kernachtige vloeken werden Albrecht's karakter nog nageknetterd. Op dat oogenblik tilde Johanna haar schort op, en wischte haar tranen van vreugde af. Ze wist nu, hoe sterk haar vader voor Herbert en tegen Albrecht was. Ze liet haar boezelaar weder vallen—ze nam zich den tijd niet, om de kreuken glad te strijken—ze legde haar wang, nat en wel, tegen 't behaard gezicht van den Scholte, en smeekte:

“Vader! help mij.”

“Dat zal ik, mijn kind.”

Hoe eenvoudig waren haar woorden, waarmede ze hem zeide, hoe ze Herbert liefhad. Gelijk een vogel in de Mei—(eenvoudig is zijn lied—diep de liefde, waarmede hij zingt)—minde zij. 't Was alles overgave, en verwachting. Want het allerteerste der liefde is, dat zij meer verwacht dan verlangt.

Toen sloeg de oude Scholte zijn armen om haar heen, en zij hadden beiden 't gevoel, vader en dochter, of zij kinderen waren. Was 't leven anders dan een licht spel? Geld had geen macht, de wereld was als een weide, waarop men slechts kransen had te vlechten. Wie slecht was, mocht niet medespelen.

Ineens begrepen zij het beiden, dat het maar een droom was. 't Leven was wreed, en moeder Christine had ook nog wat in te brengen!

Scholte Lodink kwam met zijn plan voor den dag.

Moeder Christine had gezegd, dat Albrecht even moedig was als Herbert. Dat zou hij moeten bewijzen.

Dit zou hij van de beide minnaars dus eischen: te middernacht zouden zij tweeën naar den WittenwivenkuilBladzijde 205rijden—Herbert van den Westkant, Albrecht van den Zuid. Als zij de groeve waren genaderd, moesten zij beiden een haarspit in den kuil werpen, en wie dan—natuurlijk elk door een witte wive achtervolgd—'t eerst aan de boerderij van den Scholte zou aankomen, werd Johanna's man.

Nu kon moeder Christine laten zien, dat Albrecht even versaagd was als Herbert.

Zoowel Herbert als Albrecht, hoorden zijn besluit rustig aan. Ze begrepen het wel, dat de Scholte gelijk had, zeiden zij. Want in die dagen zwierf er veel kwaad gespuis over den weg, en 't zou goed zijn, als Johanna niet den eersten den besten tot man had ….

Albrecht dacht bij zichzelven, dat het gemakkelijker zou gaan, dan hij zich had voorgesteld. Hij behoefde niet in den kuil te dalen. Voor zijn geld kon hij een edel paard koopen, en Herbert had maar een oude bles. Slechts éénmaal in zijn leven had hij zichzelf tot een flinke daad te dwingen, en bij slot van rekening beteekende deze nog niet zooveel. Hij kocht van een koopman 't allerbeste paard. Hij besloot stil en sluw in zichzelf, om 't haarspit van verre te slingeren—dan wilde hij wel eens zien, of de witte wive hem zou vangen, en of hij niet 't allereerst aan de hoeve van den Scholte zou aankomen.

Herbert dacht niet zoo verre. Hij had maar een ouden knol, en hij begreep wel, dat hij met alle macht had te rijden, om niet in de wive's macht te vallen. Toch wilde hij voor Johanna alles volbrengen, en rustig reed hij op den bepaalden avond van den Westkant naar den kuil. In de verte hoorde hij hoefslagen. Dus Albrecht's paard naderde ook? Hij dreef de bles met kort woord aan, tot hij vlak voor de groeve stond. Albrecht was er nog niet. Met vermetele kracht wierp hij het spit naar beneden, en riep met forsche stem:

“Wit—wit—wit—Hier komt een ijzeren spit.”

Woest ijlde Bles den berg af. Uit den kuil steeg deBladzijde 206witte wive, haar klauwen uitgespreid, den mond wijdgeopend en onmiddellijk was ze achter den ruiter. De stormwind stak op en sloeg het graan naar beneden; de takken der boomen kraakten.


Back to IndexNext