Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist algemeen-Nederlandsch is:Vrouw, ʼt is Vastenavond,Ik kom niet thuis voor te avond,Te avond in den maneschijn,Als vader en moeder naar bed toe zijn.Gekke Griet, vertel het niet,Want onze Jan is dronken.Dronken Piet is onze gebuur,Schriks tegen ons over.Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,De prutselpot hangt over.Boven in de schouwe,Daar hangen de worsten aan touwen,Vrouw geef mij een lange,En laat de korte maar hangen.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in mijn vinger niet.ʼk Heb gezongen en niets gehad,Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,Koekebakkerij, koekebakkerij,Geef me een cent, dan ga ik voorbij.Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, (N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt regel 3—7:Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,Is dat nieët vrŏg genŏg?Vrouw, geef mien dit,Vrouw, geef mien dat,Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig ander kalenderliedje aantreft, het besluit:Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,Det jer riek en zalig werdj.Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de laatste regel wel eens:Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.Verder kent men nog:Foeke, foeke, langesjtaaf,Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,Ich höb gei gellj òm brood te koupe,Dei, dei, dikje dikje dei,Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:Vastenavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg op staan,Dan staan zij in den spiegel:Moeder, staat mijn mutsken knap?Mijn lief zal tʼavond komen.Komt hij dezen avond niet,Dan komt hij den halven vastenavond niet.Zet het mesken al langs de bank,Snijd het spek drie ellen lank,Laat het mesken zinkenTot op de witte schinken; enz.(Bree).Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:Jobbik, Jobbik Janssen,De gek, die moet dansen,Ik en de gekEn een goed stuk spek.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in uwe vinger niet!Boven in die horste,Daar hangen die lange worsten,Als de lange gegeten zijn,Dan zullen de korte wel beter zijn.Vergelijk hiermee het Zutfensche:Vastelavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg opstaan,Dan gaan ze voor den spiegel staan:Moeder, zit mijn kapje wel?Daar komt Floris Janssen,Die zal op den foekepot spelen,En de gek zal dansen.Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander bekend rommelpotliedje.Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:Foeke, foeke, rommelpotEn hestoe nog gein man,Ik heb ʼn broaden houndertien,Dat zal der tʼoavend an.Als ik mien houndertien broaden zal,Dan wordt mien potje voel,Als ik mien potje schrabben zal,Dan kittelt (kippert) mie de doem.Dan goan wie noar de smid,Dei moakt ons potje wit;Dan goan wie noar de heeren,En loaten ons poddien smeren.—Zet hier een stoul, zet doar een stoul,Op ieder stoul een kussen,En doar een mooi meissien tusschen.Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te Groningen:Schippien van drei wekenLoat heur zailtien streken.Boven in de hangeltopDoar hangt ʼn dikke metworst.Snie wat braid, snie wat snel,Snie joe den moar nijt in ʼt vel.Snie wat braid, snie wat roem,Snie joe den moar nijt in doem.De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en ineen groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor het meerendeel gelijkluidend:Vastenavond, goede gebuur,Ik heb nog geenen man,Ik heb nog een klein hoentje,Dat moet er tʼ avond an.En als ik mijn hoentje braden wil,Dan is mijn panneken vuil,En als ik mijn panneken schuren wil,Dan tintelt mijnen duim.Dan loop ik naar de geburen,Daar laat ik mijn panneken schuren,Dan loop ik naar de Franschen,Daar laat ik mijn potteken dansen.De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit een ander vastenavondliedje:Vastenavond, die komt aanKlinken op de bussen,Hier eene stoel en daar eene stoel,Op iedere stoel een kussen,Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,Of ik sla er een pannekoek tusschen.Te Barneveld vervolgt men:Tusschen de neus en de kin,Daar kan nog wel een pannekoek in.Ho, man, ho!“Klinken op de bussen” is wel synoniem van “in de bus blazen, geld uit geven”: Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking komt ook voor in het Zwolsche:ʼt Is van oavend Vastenoavend,Klink moar op de bussen!Alle mooie meissies kriegt een man,Behalve ik en mien zusse.4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak hethaanslaan(of haansmijten) en hetgansrijden(gansjagen, -sabelen, -trekken, -slaan, -knuppelen), ook welgentofvoejagengenoemd. Een opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens van 12—17 jaar jagen “de voe”; zij zijn gezeten op stokpaarden, dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om spek, eieren en worst:Vasteloavend,Sjtokvastoavend,Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,Op jede sjtool ei kösse,En doa ein broadwoosj tössche;Op jede sjtool ene pannekook,Det deit de jong meitjes good.Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden,Buggenum, Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruikfooien-jagen,een (volksetymologische?) vervorming vanvoejagen.Bij dezen rondgang zongen vroeger de jongens in Twente:Boven in de hörsteDoar hange de spiele mit wörste:Doo mi eenen langen,Moar loat dee kleine mer hangen.Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.5. Voor devastenavondvurenwordt natuurlijk inzameling van brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij het“schuddekorfslied” noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:Een kluitjen en een kooltjenEen vonkelhoutjen, een!Hier woont een rijk man,Die ons nog iets geven kan.Geeft ons iets en laat ons gaan,Laat ons niet zoo lang hier staan,Wij moeten nog zoo wijd gaan!Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond plaats onder het zingen van:Heije, meije klötsje,Zoe dik es ên hötsje,Zoe dik es ên boen,Dat us God loent!Hei woent nog êne rieke maan,Dee us nog get geve kaan,Kaan heer us niks geve,Dan zalleveer neet lang mie leve.Den hoegen hiemel is opgedoon,Gef us get en loat us goon,Loat us neet lang stèlstoan,Gef get, spaart get,ʼt Ander joar alweer get.Dit joar êne sjèllingʼt Ander joar êne pèling,Eeder sjèlling woag ê poond,Maar de vrouw blijf hei gezoond.Snijt oan de lange,Loat de korte hange,Gef get!Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.Met den negenden regel: “Den hoegen hiemel is opgedoon” vergelijke men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):De hemel, de hemel wordt opengedoan,Daar komen wie arme zondoartjes anMit ain strooband, mit twei strooband;en uit Winschoten:De hemel wordt opengedaan.Daar zullen wij arme zondaars ingaanMet een stroobant,Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint Silvester:Ik heb er den hemel al opengedaan,Daar zag ik twee arme zondaars staan;Met oogen als vuur en een strooband,Zoo rijden zij naar dat andere land.De beteekenis van den strooband is mij niet helder.6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eilandSchouwen bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden (“de stra”). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.—Blijkbaar moet dit gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; zieC. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes en -gebruiken vergel.Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187;G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518;Welters, Feesten enz., bl. 24;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; v.Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127;Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; Volk en Taal II, bl. 154; ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, bl. 190 enz.Aschwoensdagstelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag dendoodendans, d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig rondgesprongen; dàn eerst was het “Vasten”. Men noemt hem ookkruiskensdag, omdat de katholieken dien dag ter kerke een asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot boetvaardigheid. “Wie zijn kruisje houdt tot Paschen”, zegt het volk, “krijgt een nieuw kleed.” Na den dienst wordt niet zelden “het kruisken verdronken”, door den voormiddag in de herberg te slijten.Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst deharing gebetenofgereden, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette hetharingspringen. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.Fakkelzondag(Invocabit) is de eerste Zondag in de Vasten. “Als men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal veel fruit groeien”, zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip.Het branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de boomgaarden zingt:Vink vonk fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt,de burkgenaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:Bötje, bötje, burkstreuëAnnemerjan, sjottelepan,Haste niks veur de burk te breeënne.Te Ieperen heet deze ZondagBorelle-Zondag;ook te Denderwindeke, Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is hetwalmenoffakkels brandenbekend; zieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ookbrood- en kaaszondag,omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent men den naamBrot-und Kässontag. In Voralberg, Tirol, Beieren en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de bergen, de zoogenaamdeFackellauf, die gesymboliseerd wordt als de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benamingFunkentag, fr.dimanche des brandons. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel der vastenavondvuren te worden beschouwd.Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, voor zoover mij bekend, beschreven doorP. van Duysein het Belgisch Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek “de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht” naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweedebelegering van Geeraardsbergen doorWalther van Edinghenin 1381 in verband gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIeeeuw, toenGeeraard van Hunneghemzijn kasteel aanBoudewijn VI, den stichter der stad, verkocht.V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; naar de opvatting vanDr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: ʼt verorberen van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?—Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echteblauwe Maandag, welke benaming later op alle andere Maandagen is overgegaan. Vandaar dat “blauwe Maandag houden” de beteekenis gekregen heeft van “leegloopen en feestdag houden”. “Blauw” beduidt hier “onbeduidend” (men denke aanblauwe boodschap), zoodat de oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; vgl.Stoett, Spreekwoorden, no212.Kwenezondag(Oculi), den derden Zondag in de Vasten, liepen te Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, terwijl zij zongen:Oude kwene, babbelboone!Is se oud, sʼen is niet schoone!Gheeft se doch een ey,Daer me looptse wey!VolgensDe Boheet men echterkwenende kinderen, die op Passiezondag van deur tot deur gaan.Op dezen Zondag verbrandt men den winter (Pier Vrieze), den dood, den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt “de winter” wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk is hier het begraven ouder dan het verbranden,en is “de winter” de vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden meestal plaats opLaetareof Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den lentezegen: op Laetare deGreef van Halfvasten,en op Palmzondag de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts de rondte doet op zijn schimmel, de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel plechtig door de straten van Antwerpen. “De arme huisvader uit de Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een massepeinen scheepje,” schrijftDe Cock, Volkskunde, bl. 240; “soms enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever geen Grèèf dan zooʼn tikkenhaantje.”Te Turnhout zingt men:Kinderkens, hangt uw korfkens uit,Ik heb wat nieuws vernomen:Dat de Greef,Uwe neef,Die zal morgen komen.Wat heeft de Greef al meegebracht?Vijgen en rozijnen,Koek en tes,Scheer en mes,Haantjens op een steksken!Maar als gij dan niet wijzer zijt,Dan zal ik mʼer niet mee moeien;Dan zal de Greef,Uwe neef,Brengen een dikke roeie!Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)Vink, vonk, fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.Sint Pieter-in-den-Winter(Cathedra Petri, 22 Februari) is een lotsdag, eendies criticus, eertijds als het begin van de lente beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter.Te Grouw (F.) viert mee dan een kinderfeest; en evenals men den 5denDecember Sinterklaas-avond noemt, zoo noemt men te Grouw den 21stenFebruari Sint Pieter-avond.Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van “bal uitslaan”, eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hieroverWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 168.Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het dorp en brengt een ovatie aan wie in ʼt afgeloopen jaar zijn getrouwd:Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,Al om Sint Pieter den bal te slaan.Waren wij niet in de gilde gegaan,Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.Slaan, slaan, slaan,Het liedje, dat is gedaan.Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de kinderen grabbelen; vgl.J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.l Maarttreden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt men te Esch (N.-B.):Op den eersten MertMoeten de booien zijn op den herd,Anders zijn ze de kost niet werd.Elders is de datum half Maart, weer elders de 1eMei. De boerzelf haalt de nieuwe meid of knecht op denkistenwagenaf. Bij het verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme “om Godswille” gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.Gregoriusdag(12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, en naderhand hetGregoria-zingen,een rondgang van de jeugd langs de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.Sint Geertrui(17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik derSint Geerten MinneofSchaal van Nivelles: want even als de Sint Jans Minne was dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.—Wij komen nu tot de eigenlijke periode van hetLentefeest(of begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in het midden der feestviering staat het symbool van den genius der groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den 1stenMei, met Pinksteren of op den avond van den 23stenJuni heeft in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in ʼt begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheelverdwenen. De eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bijJ. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen bladerdos. Maar steeds was—en is dit nog, waar in het buitenland het gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm—de mei met linten, kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral met eieren—symbool der vruchtbaarheid—behangen. En dat wij hier werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den Mei het dorp binnenkomt (vgl.Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):Wij droegen de pest uit het dorp,Wij brengende spruit(of zomer) in het dorp.Ons boompje is groen,Schoon opgesierd,Op ons MeiboompjeZijn geverfde eieren, enz.—Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.Deze meiboom is het oortype van denoogstmei, die de laatste voer hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van denrichtmei,die op het dak gezet wordt, als men “gericht” d.i. het huis onder de kap gebracht heeft,—in het Noorden van ons land is dit dichterlijk en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering met de vlag; van denliefdemeivóor het huis of op het dak van de aangebedene, waarover nader; van denbruidsmei,den levensboom, op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar geplant; van denschutsmei: jonge berken- of dennenboompjes, door de dorpsjeugd op den 1stenMei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,—hiermee gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; eindelijk van denpalmpaasch, zooals doorMannhardt, Baumkultus, bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: “De palmpaasch is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten” (Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats opPalmzondag, reeds in de IVdeeeuw door de Kerk gevierd ter gedachtenis van Jezusʼ intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in de IVeeeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: dePeregrinatio Aetheriae: “Tegen vijf uur in den namiddag wordt de plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd” (c. XXXI, 2, 3).Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op Palmzondag; vanaf de VIIeeeuw werd deze ook in de Westersche Kerk gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk uit de VIIIeof IXeeeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het “Ezelsfeest” werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe Zijde om ʼt andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIeeeuw; maar de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker op, of liever de Zaligmakermet behulp der Engeltjes (b.v. te ʼs Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, en “rijden” den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo voor de grooteren op een bord. Maar behalve de “rijdende” engeltjes heeft het Christendomde palmenaan den palmpaasch afgestaan.—In België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met hetpalmhoutjeter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes en palmbundels (buxus sempervirens) laten zegenen. Ook te Basel laat ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met een schat van steekpalmen—liefst met roode bessen—prijkt. En dat de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze betrekking te Stockholm, volgens getuigenis vanMannhardt, telken jare den 22stenjuni een formeele markt “mit Laubzweigen undkleinen Maistangen für Kinder” gehouden wordt, voor welke de heele omtrek de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering aan de palmprocessie is wellicht ook hetHei, koereiofEikoereivan het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk de verbastering vanKyrie eleison: “Heer ontferm U onzer” uit het litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met den palmpaasch, luidt:Palm, palmpaschen!Hei, koerei!Over eenen Zondag,Dan krijgen wij een ei.Eén ei is geen ei,Twee ei is een half ei,Drie ei is een paaschei!Of ook:Palm palmpaschen!De koetjes die gaan grazen,De schaapjes in de wei,Als het Paasch is krijgen wij een ei!Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:Haentien op ʼn stokkien,Biet moar van mien brokkien,Biet moar van mien stukkien brood,Morgen is mien haentien dood.Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalvepalmpaaschenpalmpaschen, vindt men de benamingenpalmstok, palmpaascheistok, palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, eendje, kukelehaantjeenz.Dr. C. V. D. Graftonderscheidt twee hoofdtypen: 1eDe lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, het Friesche type; en 2eDe vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk “krakeling”, maar ook wel “rad” of “wiel” genoemd: het Saksische type. Wat hiervan zij,—indien het waar is, dat men de palmpaasch als een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond hebben, te weten:stam(stok),kransenhaan. De krans is nagebootst in koekdeeg—ten onrechte spreektHöflervan “haaroffer in deegvorm”,—terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom troont ook een haan op den nok van vele Westfaalschehuizen en doet daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, als stormdier, weert onheil af.— Aldus verklaart men de gewoonte, den top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamdeaeremstokjes, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:
Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist algemeen-Nederlandsch is:Vrouw, ʼt is Vastenavond,Ik kom niet thuis voor te avond,Te avond in den maneschijn,Als vader en moeder naar bed toe zijn.Gekke Griet, vertel het niet,Want onze Jan is dronken.Dronken Piet is onze gebuur,Schriks tegen ons over.Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,De prutselpot hangt over.Boven in de schouwe,Daar hangen de worsten aan touwen,Vrouw geef mij een lange,En laat de korte maar hangen.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in mijn vinger niet.ʼk Heb gezongen en niets gehad,Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,Koekebakkerij, koekebakkerij,Geef me een cent, dan ga ik voorbij.Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, (N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt regel 3—7:Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,Is dat nieët vrŏg genŏg?Vrouw, geef mien dit,Vrouw, geef mien dat,Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig ander kalenderliedje aantreft, het besluit:Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,Det jer riek en zalig werdj.Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de laatste regel wel eens:Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.Verder kent men nog:Foeke, foeke, langesjtaaf,Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,Ich höb gei gellj òm brood te koupe,Dei, dei, dikje dikje dei,Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:Vastenavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg op staan,Dan staan zij in den spiegel:Moeder, staat mijn mutsken knap?Mijn lief zal tʼavond komen.Komt hij dezen avond niet,Dan komt hij den halven vastenavond niet.Zet het mesken al langs de bank,Snijd het spek drie ellen lank,Laat het mesken zinkenTot op de witte schinken; enz.(Bree).Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:Jobbik, Jobbik Janssen,De gek, die moet dansen,Ik en de gekEn een goed stuk spek.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in uwe vinger niet!Boven in die horste,Daar hangen die lange worsten,Als de lange gegeten zijn,Dan zullen de korte wel beter zijn.Vergelijk hiermee het Zutfensche:Vastelavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg opstaan,Dan gaan ze voor den spiegel staan:Moeder, zit mijn kapje wel?Daar komt Floris Janssen,Die zal op den foekepot spelen,En de gek zal dansen.Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander bekend rommelpotliedje.Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:Foeke, foeke, rommelpotEn hestoe nog gein man,Ik heb ʼn broaden houndertien,Dat zal der tʼoavend an.Als ik mien houndertien broaden zal,Dan wordt mien potje voel,Als ik mien potje schrabben zal,Dan kittelt (kippert) mie de doem.Dan goan wie noar de smid,Dei moakt ons potje wit;Dan goan wie noar de heeren,En loaten ons poddien smeren.—Zet hier een stoul, zet doar een stoul,Op ieder stoul een kussen,En doar een mooi meissien tusschen.Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te Groningen:Schippien van drei wekenLoat heur zailtien streken.Boven in de hangeltopDoar hangt ʼn dikke metworst.Snie wat braid, snie wat snel,Snie joe den moar nijt in ʼt vel.Snie wat braid, snie wat roem,Snie joe den moar nijt in doem.De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en ineen groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor het meerendeel gelijkluidend:Vastenavond, goede gebuur,Ik heb nog geenen man,Ik heb nog een klein hoentje,Dat moet er tʼ avond an.En als ik mijn hoentje braden wil,Dan is mijn panneken vuil,En als ik mijn panneken schuren wil,Dan tintelt mijnen duim.Dan loop ik naar de geburen,Daar laat ik mijn panneken schuren,Dan loop ik naar de Franschen,Daar laat ik mijn potteken dansen.De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit een ander vastenavondliedje:Vastenavond, die komt aanKlinken op de bussen,Hier eene stoel en daar eene stoel,Op iedere stoel een kussen,Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,Of ik sla er een pannekoek tusschen.Te Barneveld vervolgt men:Tusschen de neus en de kin,Daar kan nog wel een pannekoek in.Ho, man, ho!“Klinken op de bussen” is wel synoniem van “in de bus blazen, geld uit geven”: Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking komt ook voor in het Zwolsche:ʼt Is van oavend Vastenoavend,Klink moar op de bussen!Alle mooie meissies kriegt een man,Behalve ik en mien zusse.4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak hethaanslaan(of haansmijten) en hetgansrijden(gansjagen, -sabelen, -trekken, -slaan, -knuppelen), ook welgentofvoejagengenoemd. Een opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens van 12—17 jaar jagen “de voe”; zij zijn gezeten op stokpaarden, dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om spek, eieren en worst:Vasteloavend,Sjtokvastoavend,Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,Op jede sjtool ei kösse,En doa ein broadwoosj tössche;Op jede sjtool ene pannekook,Det deit de jong meitjes good.Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden,Buggenum, Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruikfooien-jagen,een (volksetymologische?) vervorming vanvoejagen.Bij dezen rondgang zongen vroeger de jongens in Twente:Boven in de hörsteDoar hange de spiele mit wörste:Doo mi eenen langen,Moar loat dee kleine mer hangen.Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.5. Voor devastenavondvurenwordt natuurlijk inzameling van brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij het“schuddekorfslied” noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:Een kluitjen en een kooltjenEen vonkelhoutjen, een!Hier woont een rijk man,Die ons nog iets geven kan.Geeft ons iets en laat ons gaan,Laat ons niet zoo lang hier staan,Wij moeten nog zoo wijd gaan!Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond plaats onder het zingen van:Heije, meije klötsje,Zoe dik es ên hötsje,Zoe dik es ên boen,Dat us God loent!Hei woent nog êne rieke maan,Dee us nog get geve kaan,Kaan heer us niks geve,Dan zalleveer neet lang mie leve.Den hoegen hiemel is opgedoon,Gef us get en loat us goon,Loat us neet lang stèlstoan,Gef get, spaart get,ʼt Ander joar alweer get.Dit joar êne sjèllingʼt Ander joar êne pèling,Eeder sjèlling woag ê poond,Maar de vrouw blijf hei gezoond.Snijt oan de lange,Loat de korte hange,Gef get!Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.Met den negenden regel: “Den hoegen hiemel is opgedoon” vergelijke men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):De hemel, de hemel wordt opengedoan,Daar komen wie arme zondoartjes anMit ain strooband, mit twei strooband;en uit Winschoten:De hemel wordt opengedaan.Daar zullen wij arme zondaars ingaanMet een stroobant,Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint Silvester:Ik heb er den hemel al opengedaan,Daar zag ik twee arme zondaars staan;Met oogen als vuur en een strooband,Zoo rijden zij naar dat andere land.De beteekenis van den strooband is mij niet helder.6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eilandSchouwen bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden (“de stra”). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.—Blijkbaar moet dit gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; zieC. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes en -gebruiken vergel.Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187;G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518;Welters, Feesten enz., bl. 24;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; v.Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127;Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; Volk en Taal II, bl. 154; ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, bl. 190 enz.Aschwoensdagstelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag dendoodendans, d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig rondgesprongen; dàn eerst was het “Vasten”. Men noemt hem ookkruiskensdag, omdat de katholieken dien dag ter kerke een asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot boetvaardigheid. “Wie zijn kruisje houdt tot Paschen”, zegt het volk, “krijgt een nieuw kleed.” Na den dienst wordt niet zelden “het kruisken verdronken”, door den voormiddag in de herberg te slijten.Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst deharing gebetenofgereden, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette hetharingspringen. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.Fakkelzondag(Invocabit) is de eerste Zondag in de Vasten. “Als men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal veel fruit groeien”, zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip.Het branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de boomgaarden zingt:Vink vonk fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt,de burkgenaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:Bötje, bötje, burkstreuëAnnemerjan, sjottelepan,Haste niks veur de burk te breeënne.Te Ieperen heet deze ZondagBorelle-Zondag;ook te Denderwindeke, Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is hetwalmenoffakkels brandenbekend; zieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ookbrood- en kaaszondag,omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent men den naamBrot-und Kässontag. In Voralberg, Tirol, Beieren en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de bergen, de zoogenaamdeFackellauf, die gesymboliseerd wordt als de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benamingFunkentag, fr.dimanche des brandons. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel der vastenavondvuren te worden beschouwd.Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, voor zoover mij bekend, beschreven doorP. van Duysein het Belgisch Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek “de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht” naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweedebelegering van Geeraardsbergen doorWalther van Edinghenin 1381 in verband gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIeeeuw, toenGeeraard van Hunneghemzijn kasteel aanBoudewijn VI, den stichter der stad, verkocht.V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; naar de opvatting vanDr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: ʼt verorberen van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?—Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echteblauwe Maandag, welke benaming later op alle andere Maandagen is overgegaan. Vandaar dat “blauwe Maandag houden” de beteekenis gekregen heeft van “leegloopen en feestdag houden”. “Blauw” beduidt hier “onbeduidend” (men denke aanblauwe boodschap), zoodat de oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; vgl.Stoett, Spreekwoorden, no212.Kwenezondag(Oculi), den derden Zondag in de Vasten, liepen te Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, terwijl zij zongen:Oude kwene, babbelboone!Is se oud, sʼen is niet schoone!Gheeft se doch een ey,Daer me looptse wey!VolgensDe Boheet men echterkwenende kinderen, die op Passiezondag van deur tot deur gaan.Op dezen Zondag verbrandt men den winter (Pier Vrieze), den dood, den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt “de winter” wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk is hier het begraven ouder dan het verbranden,en is “de winter” de vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden meestal plaats opLaetareof Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den lentezegen: op Laetare deGreef van Halfvasten,en op Palmzondag de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts de rondte doet op zijn schimmel, de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel plechtig door de straten van Antwerpen. “De arme huisvader uit de Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een massepeinen scheepje,” schrijftDe Cock, Volkskunde, bl. 240; “soms enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever geen Grèèf dan zooʼn tikkenhaantje.”Te Turnhout zingt men:Kinderkens, hangt uw korfkens uit,Ik heb wat nieuws vernomen:Dat de Greef,Uwe neef,Die zal morgen komen.Wat heeft de Greef al meegebracht?Vijgen en rozijnen,Koek en tes,Scheer en mes,Haantjens op een steksken!Maar als gij dan niet wijzer zijt,Dan zal ik mʼer niet mee moeien;Dan zal de Greef,Uwe neef,Brengen een dikke roeie!Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)Vink, vonk, fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.Sint Pieter-in-den-Winter(Cathedra Petri, 22 Februari) is een lotsdag, eendies criticus, eertijds als het begin van de lente beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter.Te Grouw (F.) viert mee dan een kinderfeest; en evenals men den 5denDecember Sinterklaas-avond noemt, zoo noemt men te Grouw den 21stenFebruari Sint Pieter-avond.Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van “bal uitslaan”, eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hieroverWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 168.Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het dorp en brengt een ovatie aan wie in ʼt afgeloopen jaar zijn getrouwd:Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,Al om Sint Pieter den bal te slaan.Waren wij niet in de gilde gegaan,Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.Slaan, slaan, slaan,Het liedje, dat is gedaan.Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de kinderen grabbelen; vgl.J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.l Maarttreden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt men te Esch (N.-B.):Op den eersten MertMoeten de booien zijn op den herd,Anders zijn ze de kost niet werd.Elders is de datum half Maart, weer elders de 1eMei. De boerzelf haalt de nieuwe meid of knecht op denkistenwagenaf. Bij het verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme “om Godswille” gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.Gregoriusdag(12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, en naderhand hetGregoria-zingen,een rondgang van de jeugd langs de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.Sint Geertrui(17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik derSint Geerten MinneofSchaal van Nivelles: want even als de Sint Jans Minne was dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.—Wij komen nu tot de eigenlijke periode van hetLentefeest(of begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in het midden der feestviering staat het symbool van den genius der groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den 1stenMei, met Pinksteren of op den avond van den 23stenJuni heeft in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in ʼt begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheelverdwenen. De eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bijJ. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen bladerdos. Maar steeds was—en is dit nog, waar in het buitenland het gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm—de mei met linten, kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral met eieren—symbool der vruchtbaarheid—behangen. En dat wij hier werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den Mei het dorp binnenkomt (vgl.Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):Wij droegen de pest uit het dorp,Wij brengende spruit(of zomer) in het dorp.Ons boompje is groen,Schoon opgesierd,Op ons MeiboompjeZijn geverfde eieren, enz.—Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.Deze meiboom is het oortype van denoogstmei, die de laatste voer hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van denrichtmei,die op het dak gezet wordt, als men “gericht” d.i. het huis onder de kap gebracht heeft,—in het Noorden van ons land is dit dichterlijk en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering met de vlag; van denliefdemeivóor het huis of op het dak van de aangebedene, waarover nader; van denbruidsmei,den levensboom, op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar geplant; van denschutsmei: jonge berken- of dennenboompjes, door de dorpsjeugd op den 1stenMei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,—hiermee gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; eindelijk van denpalmpaasch, zooals doorMannhardt, Baumkultus, bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: “De palmpaasch is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten” (Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats opPalmzondag, reeds in de IVdeeeuw door de Kerk gevierd ter gedachtenis van Jezusʼ intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in de IVeeeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: dePeregrinatio Aetheriae: “Tegen vijf uur in den namiddag wordt de plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd” (c. XXXI, 2, 3).Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op Palmzondag; vanaf de VIIeeeuw werd deze ook in de Westersche Kerk gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk uit de VIIIeof IXeeeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het “Ezelsfeest” werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe Zijde om ʼt andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIeeeuw; maar de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker op, of liever de Zaligmakermet behulp der Engeltjes (b.v. te ʼs Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, en “rijden” den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo voor de grooteren op een bord. Maar behalve de “rijdende” engeltjes heeft het Christendomde palmenaan den palmpaasch afgestaan.—In België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met hetpalmhoutjeter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes en palmbundels (buxus sempervirens) laten zegenen. Ook te Basel laat ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met een schat van steekpalmen—liefst met roode bessen—prijkt. En dat de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze betrekking te Stockholm, volgens getuigenis vanMannhardt, telken jare den 22stenjuni een formeele markt “mit Laubzweigen undkleinen Maistangen für Kinder” gehouden wordt, voor welke de heele omtrek de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering aan de palmprocessie is wellicht ook hetHei, koereiofEikoereivan het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk de verbastering vanKyrie eleison: “Heer ontferm U onzer” uit het litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met den palmpaasch, luidt:Palm, palmpaschen!Hei, koerei!Over eenen Zondag,Dan krijgen wij een ei.Eén ei is geen ei,Twee ei is een half ei,Drie ei is een paaschei!Of ook:Palm palmpaschen!De koetjes die gaan grazen,De schaapjes in de wei,Als het Paasch is krijgen wij een ei!Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:Haentien op ʼn stokkien,Biet moar van mien brokkien,Biet moar van mien stukkien brood,Morgen is mien haentien dood.Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalvepalmpaaschenpalmpaschen, vindt men de benamingenpalmstok, palmpaascheistok, palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, eendje, kukelehaantjeenz.Dr. C. V. D. Graftonderscheidt twee hoofdtypen: 1eDe lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, het Friesche type; en 2eDe vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk “krakeling”, maar ook wel “rad” of “wiel” genoemd: het Saksische type. Wat hiervan zij,—indien het waar is, dat men de palmpaasch als een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond hebben, te weten:stam(stok),kransenhaan. De krans is nagebootst in koekdeeg—ten onrechte spreektHöflervan “haaroffer in deegvorm”,—terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom troont ook een haan op den nok van vele Westfaalschehuizen en doet daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, als stormdier, weert onheil af.— Aldus verklaart men de gewoonte, den top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamdeaeremstokjes, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:
Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist algemeen-Nederlandsch is:Vrouw, ʼt is Vastenavond,Ik kom niet thuis voor te avond,Te avond in den maneschijn,Als vader en moeder naar bed toe zijn.Gekke Griet, vertel het niet,Want onze Jan is dronken.Dronken Piet is onze gebuur,Schriks tegen ons over.Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,De prutselpot hangt over.Boven in de schouwe,Daar hangen de worsten aan touwen,Vrouw geef mij een lange,En laat de korte maar hangen.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in mijn vinger niet.ʼk Heb gezongen en niets gehad,Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,Koekebakkerij, koekebakkerij,Geef me een cent, dan ga ik voorbij.Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, (N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt regel 3—7:Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,Is dat nieët vrŏg genŏg?Vrouw, geef mien dit,Vrouw, geef mien dat,Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig ander kalenderliedje aantreft, het besluit:Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,Det jer riek en zalig werdj.Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de laatste regel wel eens:Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.Verder kent men nog:Foeke, foeke, langesjtaaf,Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,Ich höb gei gellj òm brood te koupe,Dei, dei, dikje dikje dei,Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:Vastenavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg op staan,Dan staan zij in den spiegel:Moeder, staat mijn mutsken knap?Mijn lief zal tʼavond komen.Komt hij dezen avond niet,Dan komt hij den halven vastenavond niet.Zet het mesken al langs de bank,Snijd het spek drie ellen lank,Laat het mesken zinkenTot op de witte schinken; enz.(Bree).Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:Jobbik, Jobbik Janssen,De gek, die moet dansen,Ik en de gekEn een goed stuk spek.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in uwe vinger niet!Boven in die horste,Daar hangen die lange worsten,Als de lange gegeten zijn,Dan zullen de korte wel beter zijn.Vergelijk hiermee het Zutfensche:Vastelavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg opstaan,Dan gaan ze voor den spiegel staan:Moeder, zit mijn kapje wel?Daar komt Floris Janssen,Die zal op den foekepot spelen,En de gek zal dansen.Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander bekend rommelpotliedje.Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:Foeke, foeke, rommelpotEn hestoe nog gein man,Ik heb ʼn broaden houndertien,Dat zal der tʼoavend an.Als ik mien houndertien broaden zal,Dan wordt mien potje voel,Als ik mien potje schrabben zal,Dan kittelt (kippert) mie de doem.Dan goan wie noar de smid,Dei moakt ons potje wit;Dan goan wie noar de heeren,En loaten ons poddien smeren.—Zet hier een stoul, zet doar een stoul,Op ieder stoul een kussen,En doar een mooi meissien tusschen.Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te Groningen:Schippien van drei wekenLoat heur zailtien streken.Boven in de hangeltopDoar hangt ʼn dikke metworst.Snie wat braid, snie wat snel,Snie joe den moar nijt in ʼt vel.Snie wat braid, snie wat roem,Snie joe den moar nijt in doem.De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en ineen groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor het meerendeel gelijkluidend:Vastenavond, goede gebuur,Ik heb nog geenen man,Ik heb nog een klein hoentje,Dat moet er tʼ avond an.En als ik mijn hoentje braden wil,Dan is mijn panneken vuil,En als ik mijn panneken schuren wil,Dan tintelt mijnen duim.Dan loop ik naar de geburen,Daar laat ik mijn panneken schuren,Dan loop ik naar de Franschen,Daar laat ik mijn potteken dansen.De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit een ander vastenavondliedje:Vastenavond, die komt aanKlinken op de bussen,Hier eene stoel en daar eene stoel,Op iedere stoel een kussen,Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,Of ik sla er een pannekoek tusschen.Te Barneveld vervolgt men:Tusschen de neus en de kin,Daar kan nog wel een pannekoek in.Ho, man, ho!“Klinken op de bussen” is wel synoniem van “in de bus blazen, geld uit geven”: Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking komt ook voor in het Zwolsche:ʼt Is van oavend Vastenoavend,Klink moar op de bussen!Alle mooie meissies kriegt een man,Behalve ik en mien zusse.4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak hethaanslaan(of haansmijten) en hetgansrijden(gansjagen, -sabelen, -trekken, -slaan, -knuppelen), ook welgentofvoejagengenoemd. Een opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens van 12—17 jaar jagen “de voe”; zij zijn gezeten op stokpaarden, dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om spek, eieren en worst:Vasteloavend,Sjtokvastoavend,Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,Op jede sjtool ei kösse,En doa ein broadwoosj tössche;Op jede sjtool ene pannekook,Det deit de jong meitjes good.Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden,Buggenum, Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruikfooien-jagen,een (volksetymologische?) vervorming vanvoejagen.Bij dezen rondgang zongen vroeger de jongens in Twente:Boven in de hörsteDoar hange de spiele mit wörste:Doo mi eenen langen,Moar loat dee kleine mer hangen.Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.5. Voor devastenavondvurenwordt natuurlijk inzameling van brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij het“schuddekorfslied” noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:Een kluitjen en een kooltjenEen vonkelhoutjen, een!Hier woont een rijk man,Die ons nog iets geven kan.Geeft ons iets en laat ons gaan,Laat ons niet zoo lang hier staan,Wij moeten nog zoo wijd gaan!Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond plaats onder het zingen van:Heije, meije klötsje,Zoe dik es ên hötsje,Zoe dik es ên boen,Dat us God loent!Hei woent nog êne rieke maan,Dee us nog get geve kaan,Kaan heer us niks geve,Dan zalleveer neet lang mie leve.Den hoegen hiemel is opgedoon,Gef us get en loat us goon,Loat us neet lang stèlstoan,Gef get, spaart get,ʼt Ander joar alweer get.Dit joar êne sjèllingʼt Ander joar êne pèling,Eeder sjèlling woag ê poond,Maar de vrouw blijf hei gezoond.Snijt oan de lange,Loat de korte hange,Gef get!Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.Met den negenden regel: “Den hoegen hiemel is opgedoon” vergelijke men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):De hemel, de hemel wordt opengedoan,Daar komen wie arme zondoartjes anMit ain strooband, mit twei strooband;en uit Winschoten:De hemel wordt opengedaan.Daar zullen wij arme zondaars ingaanMet een stroobant,Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint Silvester:Ik heb er den hemel al opengedaan,Daar zag ik twee arme zondaars staan;Met oogen als vuur en een strooband,Zoo rijden zij naar dat andere land.De beteekenis van den strooband is mij niet helder.6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eilandSchouwen bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden (“de stra”). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.—Blijkbaar moet dit gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; zieC. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes en -gebruiken vergel.Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187;G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518;Welters, Feesten enz., bl. 24;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; v.Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127;Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; Volk en Taal II, bl. 154; ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, bl. 190 enz.Aschwoensdagstelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag dendoodendans, d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig rondgesprongen; dàn eerst was het “Vasten”. Men noemt hem ookkruiskensdag, omdat de katholieken dien dag ter kerke een asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot boetvaardigheid. “Wie zijn kruisje houdt tot Paschen”, zegt het volk, “krijgt een nieuw kleed.” Na den dienst wordt niet zelden “het kruisken verdronken”, door den voormiddag in de herberg te slijten.Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst deharing gebetenofgereden, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette hetharingspringen. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.Fakkelzondag(Invocabit) is de eerste Zondag in de Vasten. “Als men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal veel fruit groeien”, zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip.Het branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de boomgaarden zingt:Vink vonk fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt,de burkgenaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:Bötje, bötje, burkstreuëAnnemerjan, sjottelepan,Haste niks veur de burk te breeënne.Te Ieperen heet deze ZondagBorelle-Zondag;ook te Denderwindeke, Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is hetwalmenoffakkels brandenbekend; zieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ookbrood- en kaaszondag,omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent men den naamBrot-und Kässontag. In Voralberg, Tirol, Beieren en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de bergen, de zoogenaamdeFackellauf, die gesymboliseerd wordt als de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benamingFunkentag, fr.dimanche des brandons. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel der vastenavondvuren te worden beschouwd.Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, voor zoover mij bekend, beschreven doorP. van Duysein het Belgisch Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek “de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht” naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweedebelegering van Geeraardsbergen doorWalther van Edinghenin 1381 in verband gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIeeeuw, toenGeeraard van Hunneghemzijn kasteel aanBoudewijn VI, den stichter der stad, verkocht.V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; naar de opvatting vanDr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: ʼt verorberen van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?—Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echteblauwe Maandag, welke benaming later op alle andere Maandagen is overgegaan. Vandaar dat “blauwe Maandag houden” de beteekenis gekregen heeft van “leegloopen en feestdag houden”. “Blauw” beduidt hier “onbeduidend” (men denke aanblauwe boodschap), zoodat de oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; vgl.Stoett, Spreekwoorden, no212.Kwenezondag(Oculi), den derden Zondag in de Vasten, liepen te Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, terwijl zij zongen:Oude kwene, babbelboone!Is se oud, sʼen is niet schoone!Gheeft se doch een ey,Daer me looptse wey!VolgensDe Boheet men echterkwenende kinderen, die op Passiezondag van deur tot deur gaan.Op dezen Zondag verbrandt men den winter (Pier Vrieze), den dood, den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt “de winter” wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk is hier het begraven ouder dan het verbranden,en is “de winter” de vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden meestal plaats opLaetareof Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den lentezegen: op Laetare deGreef van Halfvasten,en op Palmzondag de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts de rondte doet op zijn schimmel, de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel plechtig door de straten van Antwerpen. “De arme huisvader uit de Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een massepeinen scheepje,” schrijftDe Cock, Volkskunde, bl. 240; “soms enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever geen Grèèf dan zooʼn tikkenhaantje.”Te Turnhout zingt men:Kinderkens, hangt uw korfkens uit,Ik heb wat nieuws vernomen:Dat de Greef,Uwe neef,Die zal morgen komen.Wat heeft de Greef al meegebracht?Vijgen en rozijnen,Koek en tes,Scheer en mes,Haantjens op een steksken!Maar als gij dan niet wijzer zijt,Dan zal ik mʼer niet mee moeien;Dan zal de Greef,Uwe neef,Brengen een dikke roeie!Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)Vink, vonk, fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.Sint Pieter-in-den-Winter(Cathedra Petri, 22 Februari) is een lotsdag, eendies criticus, eertijds als het begin van de lente beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter.Te Grouw (F.) viert mee dan een kinderfeest; en evenals men den 5denDecember Sinterklaas-avond noemt, zoo noemt men te Grouw den 21stenFebruari Sint Pieter-avond.Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van “bal uitslaan”, eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hieroverWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 168.Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het dorp en brengt een ovatie aan wie in ʼt afgeloopen jaar zijn getrouwd:Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,Al om Sint Pieter den bal te slaan.Waren wij niet in de gilde gegaan,Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.Slaan, slaan, slaan,Het liedje, dat is gedaan.Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de kinderen grabbelen; vgl.J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.l Maarttreden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt men te Esch (N.-B.):Op den eersten MertMoeten de booien zijn op den herd,Anders zijn ze de kost niet werd.Elders is de datum half Maart, weer elders de 1eMei. De boerzelf haalt de nieuwe meid of knecht op denkistenwagenaf. Bij het verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme “om Godswille” gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.Gregoriusdag(12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, en naderhand hetGregoria-zingen,een rondgang van de jeugd langs de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.Sint Geertrui(17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik derSint Geerten MinneofSchaal van Nivelles: want even als de Sint Jans Minne was dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.—Wij komen nu tot de eigenlijke periode van hetLentefeest(of begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in het midden der feestviering staat het symbool van den genius der groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den 1stenMei, met Pinksteren of op den avond van den 23stenJuni heeft in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in ʼt begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheelverdwenen. De eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bijJ. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen bladerdos. Maar steeds was—en is dit nog, waar in het buitenland het gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm—de mei met linten, kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral met eieren—symbool der vruchtbaarheid—behangen. En dat wij hier werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den Mei het dorp binnenkomt (vgl.Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):Wij droegen de pest uit het dorp,Wij brengende spruit(of zomer) in het dorp.Ons boompje is groen,Schoon opgesierd,Op ons MeiboompjeZijn geverfde eieren, enz.—Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.Deze meiboom is het oortype van denoogstmei, die de laatste voer hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van denrichtmei,die op het dak gezet wordt, als men “gericht” d.i. het huis onder de kap gebracht heeft,—in het Noorden van ons land is dit dichterlijk en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering met de vlag; van denliefdemeivóor het huis of op het dak van de aangebedene, waarover nader; van denbruidsmei,den levensboom, op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar geplant; van denschutsmei: jonge berken- of dennenboompjes, door de dorpsjeugd op den 1stenMei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,—hiermee gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; eindelijk van denpalmpaasch, zooals doorMannhardt, Baumkultus, bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: “De palmpaasch is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten” (Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats opPalmzondag, reeds in de IVdeeeuw door de Kerk gevierd ter gedachtenis van Jezusʼ intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in de IVeeeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: dePeregrinatio Aetheriae: “Tegen vijf uur in den namiddag wordt de plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd” (c. XXXI, 2, 3).Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op Palmzondag; vanaf de VIIeeeuw werd deze ook in de Westersche Kerk gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk uit de VIIIeof IXeeeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het “Ezelsfeest” werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe Zijde om ʼt andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIeeeuw; maar de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker op, of liever de Zaligmakermet behulp der Engeltjes (b.v. te ʼs Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, en “rijden” den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo voor de grooteren op een bord. Maar behalve de “rijdende” engeltjes heeft het Christendomde palmenaan den palmpaasch afgestaan.—In België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met hetpalmhoutjeter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes en palmbundels (buxus sempervirens) laten zegenen. Ook te Basel laat ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met een schat van steekpalmen—liefst met roode bessen—prijkt. En dat de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze betrekking te Stockholm, volgens getuigenis vanMannhardt, telken jare den 22stenjuni een formeele markt “mit Laubzweigen undkleinen Maistangen für Kinder” gehouden wordt, voor welke de heele omtrek de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering aan de palmprocessie is wellicht ook hetHei, koereiofEikoereivan het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk de verbastering vanKyrie eleison: “Heer ontferm U onzer” uit het litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met den palmpaasch, luidt:Palm, palmpaschen!Hei, koerei!Over eenen Zondag,Dan krijgen wij een ei.Eén ei is geen ei,Twee ei is een half ei,Drie ei is een paaschei!Of ook:Palm palmpaschen!De koetjes die gaan grazen,De schaapjes in de wei,Als het Paasch is krijgen wij een ei!Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:Haentien op ʼn stokkien,Biet moar van mien brokkien,Biet moar van mien stukkien brood,Morgen is mien haentien dood.Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalvepalmpaaschenpalmpaschen, vindt men de benamingenpalmstok, palmpaascheistok, palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, eendje, kukelehaantjeenz.Dr. C. V. D. Graftonderscheidt twee hoofdtypen: 1eDe lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, het Friesche type; en 2eDe vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk “krakeling”, maar ook wel “rad” of “wiel” genoemd: het Saksische type. Wat hiervan zij,—indien het waar is, dat men de palmpaasch als een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond hebben, te weten:stam(stok),kransenhaan. De krans is nagebootst in koekdeeg—ten onrechte spreektHöflervan “haaroffer in deegvorm”,—terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom troont ook een haan op den nok van vele Westfaalschehuizen en doet daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, als stormdier, weert onheil af.— Aldus verklaart men de gewoonte, den top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamdeaeremstokjes, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen:
Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!
Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!
Vrouw, ʼt is Vastenavond, ho, man, ho!
ʼk Kom niet thuis voor tʼavond, ho, man, ho!
ʼk Kom niet thuis voor morgenvroeg,
Dan is het nog wel tijds genoeg, ho, man, ho!
Een zeer merkwaardige en volledige lezing gewerd mij uit Rosmalen (N.-B.); ik laat ze hier, behoudens enkele termen, in algemeen-Nederlandsche transskriptie volgen, omdat het liedje beslist algemeen-Nederlandsch is:
Vrouw, ʼt is Vastenavond,Ik kom niet thuis voor te avond,Te avond in den maneschijn,Als vader en moeder naar bed toe zijn.Gekke Griet, vertel het niet,Want onze Jan is dronken.Dronken Piet is onze gebuur,Schriks tegen ons over.Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,De prutselpot hangt over.Boven in de schouwe,Daar hangen de worsten aan touwen,Vrouw geef mij een lange,En laat de korte maar hangen.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in mijn vinger niet.ʼk Heb gezongen en niets gehad,Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,Koekebakkerij, koekebakkerij,Geef me een cent, dan ga ik voorbij.
Vrouw, ʼt is Vastenavond,Ik kom niet thuis voor te avond,Te avond in den maneschijn,Als vader en moeder naar bed toe zijn.Gekke Griet, vertel het niet,Want onze Jan is dronken.Dronken Piet is onze gebuur,Schriks tegen ons over.Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,De prutselpot hangt over.Boven in de schouwe,Daar hangen de worsten aan touwen,Vrouw geef mij een lange,En laat de korte maar hangen.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in mijn vinger niet.ʼk Heb gezongen en niets gehad,Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,Koekebakkerij, koekebakkerij,Geef me een cent, dan ga ik voorbij.
Vrouw, ʼt is Vastenavond,
Ik kom niet thuis voor te avond,
Te avond in den maneschijn,
Als vader en moeder naar bed toe zijn.
Gekke Griet, vertel het niet,
Want onze Jan is dronken.
Dronken Piet is onze gebuur,
Schriks tegen ons over.
Vat ʼn stoel en zit bij ʼt vuur,
De prutselpot hangt over.
Boven in de schouwe,
Daar hangen de worsten aan touwen,
Vrouw geef mij een lange,
En laat de korte maar hangen.
Snij maar diep, snij maar diep,
Snij maar in mijn vinger niet.
ʼk Heb gezongen en niets gehad,
Geef me een stuk van ʼt varken zʼn gat,
Koekebakkerij, koekebakkerij,
Geef me een cent, dan ga ik voorbij.
Vrij overeenkomstig hoort men dit liedje te Schijndel, Maashees, (N.-B.), Merselo, Heer, Beegden, Buggenum (L.) enz. Te Deventer luidt regel 3—7:
Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,Is dat nieët vrŏg genŏg?Vrouw, geef mien dit,Vrouw, geef mien dat,Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.
Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,Is dat nieët vrŏg genŏg?Vrouw, geef mien dit,Vrouw, geef mien dat,Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.
Ik kom nieët in huus veur margen vrŏg,
Is dat nieët vrŏg genŏg?
Vrouw, geef mien dit,
Vrouw, geef mien dat,
Geef mien een stuk van de varkenssta(r)t.
Veelal vormen, als te Buggenum, deze regels, die men ook bij menig ander kalenderliedje aantreft, het besluit:
Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,Det jer riek en zalig werdj.
Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,Det jer riek en zalig werdj.
Vrouw gêftj, det jer lang lêftj,
Det jer riek en zalig werdj.
Maar worden de zangers met ledige handen weggezonden, dan luidt de laatste regel wel eens:
Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.
Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.
Det uch ʼt humme aan ʼt gaat klêftj.
Verder kent men nog:
Foeke, foeke, langesjtaaf,Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,Ich höb gei gellj òm brood te koupe,Dei, dei, dikje dikje dei,Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—
Foeke, foeke, langesjtaaf,Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,Ich höb gei gellj òm brood te koupe,Dei, dei, dikje dikje dei,Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—
Foeke, foeke, langesjtaaf,
Gêftj mich ei sjtök van ʼt vräkesgaat;
Ich höb al zoo lang mitte foekepot geloupe,
Ich höb gei gellj òm brood te koupe,
Dei, dei, dikje dikje dei,
Gêftj mich ei centje, dan goa ik voorbij.—
Een ander zeer verspreid vastenavondliedje heeft ongeveer dezen vorm:
Vastenavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg op staan,Dan staan zij in den spiegel:Moeder, staat mijn mutsken knap?Mijn lief zal tʼavond komen.Komt hij dezen avond niet,Dan komt hij den halven vastenavond niet.Zet het mesken al langs de bank,Snijd het spek drie ellen lank,Laat het mesken zinkenTot op de witte schinken; enz.
Vastenavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg op staan,Dan staan zij in den spiegel:Moeder, staat mijn mutsken knap?Mijn lief zal tʼavond komen.Komt hij dezen avond niet,Dan komt hij den halven vastenavond niet.Zet het mesken al langs de bank,Snijd het spek drie ellen lank,Laat het mesken zinkenTot op de witte schinken; enz.
Vastenavond, die komt aan,
Als de meisjes vroeg op staan,
Dan staan zij in den spiegel:
Moeder, staat mijn mutsken knap?
Mijn lief zal tʼavond komen.
Komt hij dezen avond niet,
Dan komt hij den halven vastenavond niet.
Zet het mesken al langs de bank,
Snijd het spek drie ellen lank,
Laat het mesken zinken
Tot op de witte schinken; enz.
(Bree).
Te Mill en Wanroy volgt op de zeven eerste regels:
Jobbik, Jobbik Janssen,De gek, die moet dansen,Ik en de gekEn een goed stuk spek.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in uwe vinger niet!Boven in die horste,Daar hangen die lange worsten,Als de lange gegeten zijn,Dan zullen de korte wel beter zijn.
Jobbik, Jobbik Janssen,De gek, die moet dansen,Ik en de gekEn een goed stuk spek.Snij maar diep, snij maar diep,Snij maar in uwe vinger niet!Boven in die horste,Daar hangen die lange worsten,Als de lange gegeten zijn,Dan zullen de korte wel beter zijn.
Jobbik, Jobbik Janssen,
De gek, die moet dansen,
Ik en de gek
En een goed stuk spek.
Snij maar diep, snij maar diep,
Snij maar in uwe vinger niet!
Boven in die horste,
Daar hangen die lange worsten,
Als de lange gegeten zijn,
Dan zullen de korte wel beter zijn.
Vergelijk hiermee het Zutfensche:
Vastelavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg opstaan,Dan gaan ze voor den spiegel staan:Moeder, zit mijn kapje wel?Daar komt Floris Janssen,Die zal op den foekepot spelen,En de gek zal dansen.
Vastelavond, die komt aan,Als de meisjes vroeg opstaan,Dan gaan ze voor den spiegel staan:Moeder, zit mijn kapje wel?Daar komt Floris Janssen,Die zal op den foekepot spelen,En de gek zal dansen.
Vastelavond, die komt aan,
Als de meisjes vroeg opstaan,
Dan gaan ze voor den spiegel staan:
Moeder, zit mijn kapje wel?
Daar komt Floris Janssen,
Die zal op den foekepot spelen,
En de gek zal dansen.
Volge nu een noordelijke en een zuidelijke lezing van een ander bekend rommelpotliedje.
Te Eenrum (G.) en omstreken zingt men:
Foeke, foeke, rommelpotEn hestoe nog gein man,Ik heb ʼn broaden houndertien,Dat zal der tʼoavend an.Als ik mien houndertien broaden zal,Dan wordt mien potje voel,Als ik mien potje schrabben zal,Dan kittelt (kippert) mie de doem.Dan goan wie noar de smid,Dei moakt ons potje wit;Dan goan wie noar de heeren,En loaten ons poddien smeren.—Zet hier een stoul, zet doar een stoul,Op ieder stoul een kussen,En doar een mooi meissien tusschen.
Foeke, foeke, rommelpotEn hestoe nog gein man,Ik heb ʼn broaden houndertien,Dat zal der tʼoavend an.Als ik mien houndertien broaden zal,Dan wordt mien potje voel,Als ik mien potje schrabben zal,Dan kittelt (kippert) mie de doem.Dan goan wie noar de smid,Dei moakt ons potje wit;Dan goan wie noar de heeren,En loaten ons poddien smeren.—Zet hier een stoul, zet doar een stoul,Op ieder stoul een kussen,En doar een mooi meissien tusschen.
Foeke, foeke, rommelpot
En hestoe nog gein man,
Ik heb ʼn broaden houndertien,
Dat zal der tʼoavend an.
Als ik mien houndertien broaden zal,
Dan wordt mien potje voel,
Als ik mien potje schrabben zal,
Dan kittelt (kippert) mie de doem.
Dan goan wie noar de smid,
Dei moakt ons potje wit;
Dan goan wie noar de heeren,
En loaten ons poddien smeren.—
Zet hier een stoul, zet doar een stoul,
Op ieder stoul een kussen,
En doar een mooi meissien tusschen.
Vanaf den vijfden regel luidt een zeer eigenaardige variant te Groningen:
Schippien van drei wekenLoat heur zailtien streken.Boven in de hangeltopDoar hangt ʼn dikke metworst.Snie wat braid, snie wat snel,Snie joe den moar nijt in ʼt vel.Snie wat braid, snie wat roem,Snie joe den moar nijt in doem.
Schippien van drei wekenLoat heur zailtien streken.Boven in de hangeltopDoar hangt ʼn dikke metworst.Snie wat braid, snie wat snel,Snie joe den moar nijt in ʼt vel.Snie wat braid, snie wat roem,Snie joe den moar nijt in doem.
Schippien van drei weken
Loat heur zailtien streken.
Boven in de hangeltop
Doar hangt ʼn dikke metworst.
Snie wat braid, snie wat snel,
Snie joe den moar nijt in ʼt vel.
Snie wat braid, snie wat roem,
Snie joe den moar nijt in doem.
De zuidelijke lezing is bekend te Turnhout en omstreken en ineen groot deel van Noord-Brabant, met name in het zuidoostelijk gedeelte: Eersel, Velthoven enz. Ook Druten en omstreken heeft voor het meerendeel gelijkluidend:
Vastenavond, goede gebuur,Ik heb nog geenen man,Ik heb nog een klein hoentje,Dat moet er tʼ avond an.En als ik mijn hoentje braden wil,Dan is mijn panneken vuil,En als ik mijn panneken schuren wil,Dan tintelt mijnen duim.Dan loop ik naar de geburen,Daar laat ik mijn panneken schuren,Dan loop ik naar de Franschen,Daar laat ik mijn potteken dansen.
Vastenavond, goede gebuur,Ik heb nog geenen man,Ik heb nog een klein hoentje,Dat moet er tʼ avond an.En als ik mijn hoentje braden wil,Dan is mijn panneken vuil,En als ik mijn panneken schuren wil,Dan tintelt mijnen duim.Dan loop ik naar de geburen,Daar laat ik mijn panneken schuren,Dan loop ik naar de Franschen,Daar laat ik mijn potteken dansen.
Vastenavond, goede gebuur,
Ik heb nog geenen man,
Ik heb nog een klein hoentje,
Dat moet er tʼ avond an.
En als ik mijn hoentje braden wil,
Dan is mijn panneken vuil,
En als ik mijn panneken schuren wil,
Dan tintelt mijnen duim.
Dan loop ik naar de geburen,
Daar laat ik mijn panneken schuren,
Dan loop ik naar de Franschen,
Daar laat ik mijn potteken dansen.
De laatste regels van de noordelijke lezing bevatten een motief uit een ander vastenavondliedje:
Vastenavond, die komt aanKlinken op de bussen,Hier eene stoel en daar eene stoel,Op iedere stoel een kussen,Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,Of ik sla er een pannekoek tusschen.
Vastenavond, die komt aanKlinken op de bussen,Hier eene stoel en daar eene stoel,Op iedere stoel een kussen,Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,Of ik sla er een pannekoek tusschen.
Vastenavond, die komt aan
Klinken op de bussen,
Hier eene stoel en daar eene stoel,
Op iedere stoel een kussen,
Meisje [Vrouwtje], hou je kinnebak toe,
Of ik sla er een pannekoek tusschen.
Te Barneveld vervolgt men:
Tusschen de neus en de kin,Daar kan nog wel een pannekoek in.Ho, man, ho!
Tusschen de neus en de kin,Daar kan nog wel een pannekoek in.Ho, man, ho!
Tusschen de neus en de kin,
Daar kan nog wel een pannekoek in.
Ho, man, ho!
“Klinken op de bussen” is wel synoniem van “in de bus blazen, geld uit geven”: Driem. Bladen I, bl. 77, III, bl. 26. Deze uitdrukking komt ook voor in het Zwolsche:
ʼt Is van oavend Vastenoavend,Klink moar op de bussen!Alle mooie meissies kriegt een man,Behalve ik en mien zusse.
ʼt Is van oavend Vastenoavend,Klink moar op de bussen!Alle mooie meissies kriegt een man,Behalve ik en mien zusse.
ʼt Is van oavend Vastenoavend,
Klink moar op de bussen!
Alle mooie meissies kriegt een man,
Behalve ik en mien zusse.
4. Op sommige plaatsen behoort tot het vastenavondvermaak hethaanslaan(of haansmijten) en hetgansrijden(gansjagen, -sabelen, -trekken, -slaan, -knuppelen), ook welgentofvoejagengenoemd. Een opzettelijk daartoe gemeste gans wordt tusschen twee palen of boomen aan een lijn met den kop naar beneden opgehangen. In vollen draf rijden nu de ruiters (voorheen de leden van het gansrijdersgild) onder de gans door en trachten het dier den kop af te rukken. Ook de jongens van 12—17 jaar jagen “de voe”; zij zijn gezeten op stokpaarden, dragen een chapeau-claque van bordpapier, versierd met vederbos en klatergoud, en draven op hun stokpaarden onder de lijn door.
Op de meeste plaatsen is dit gebruik thans in onbruik geraakt; te Guttecoven (L.), Rijkevoort (N.-B.) en elders heeft het zich weten te handhaven. Te Guttecoven wordt de vogel aan een boom gehangen en ieder slaat er naar met een sikkel. Wie het dier den kop af slaat, is koning of koningin; want ook meisjes doen mee. Koning of koningin worden getooid en met hen trekt men nu langs de huizen, bedelend om spek, eieren en worst:
Vasteloavend,Sjtokvastoavend,Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,Op jede sjtool ei kösse,En doa ein broadwoosj tössche;Op jede sjtool ene pannekook,Det deit de jong meitjes good.
Vasteloavend,Sjtokvastoavend,Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,Op jede sjtool ei kösse,En doa ein broadwoosj tössche;Op jede sjtool ene pannekook,Det deit de jong meitjes good.
Vasteloavend,
Sjtokvastoavend,
Hiê ene sjtool en doa ene sjtool,
Op jede sjtool ei kösse,
En doa ein broadwoosj tössche;
Op jede sjtool ene pannekook,
Det deit de jong meitjes good.
Maar al werd het gansjagen afgeschaft, op tal van plaatsen gaat nog de worstenkar rond, of trekt althans nog de jeugd, om spek, worst en eieren bedelend, door de straten. Aldus te Afferden,Buggenum, Swalmen, Tegelen, Boxmeer enz. Men noemt dit gebruikfooien-jagen,een (volksetymologische?) vervorming vanvoejagen.Bij dezen rondgang zongen vroeger de jongens in Twente:
Boven in de hörsteDoar hange de spiele mit wörste:Doo mi eenen langen,Moar loat dee kleine mer hangen.
Boven in de hörsteDoar hange de spiele mit wörste:Doo mi eenen langen,Moar loat dee kleine mer hangen.
Boven in de hörste
Doar hange de spiele mit wörste:
Doo mi eenen langen,
Moar loat dee kleine mer hangen.
Men vergelijke hiermee bl. 158 en 160. In Engeland is het haanslaan nog zeer verbreid, met name in Essex en Suffolk.
5. Voor devastenavondvurenwordt natuurlijk inzameling van brandstof gehouden. Wij treffen dus weer motieven aan uit wat wij het“schuddekorfslied” noemden (bl. 108 vlg). In de Limburgsche dorpen op de Duitsche grens zingt de jeugd in verschillend dialekt:
Een kluitjen en een kooltjenEen vonkelhoutjen, een!Hier woont een rijk man,Die ons nog iets geven kan.Geeft ons iets en laat ons gaan,Laat ons niet zoo lang hier staan,Wij moeten nog zoo wijd gaan!
Een kluitjen en een kooltjenEen vonkelhoutjen, een!Hier woont een rijk man,Die ons nog iets geven kan.Geeft ons iets en laat ons gaan,Laat ons niet zoo lang hier staan,Wij moeten nog zoo wijd gaan!
Een kluitjen en een kooltjen
Een vonkelhoutjen, een!
Hier woont een rijk man,
Die ons nog iets geven kan.
Geeft ons iets en laat ons gaan,
Laat ons niet zoo lang hier staan,
Wij moeten nog zoo wijd gaan!
Deze rondgang heeft te Sint Pieter (L.) op Donderdag vóor Vastenavond plaats onder het zingen van:
Heije, meije klötsje,Zoe dik es ên hötsje,Zoe dik es ên boen,Dat us God loent!Hei woent nog êne rieke maan,Dee us nog get geve kaan,Kaan heer us niks geve,Dan zalleveer neet lang mie leve.
Heije, meije klötsje,Zoe dik es ên hötsje,Zoe dik es ên boen,Dat us God loent!Hei woent nog êne rieke maan,Dee us nog get geve kaan,Kaan heer us niks geve,Dan zalleveer neet lang mie leve.
Heije, meije klötsje,
Zoe dik es ên hötsje,
Zoe dik es ên boen,
Dat us God loent!
Hei woent nog êne rieke maan,
Dee us nog get geve kaan,
Kaan heer us niks geve,
Dan zalleveer neet lang mie leve.
Den hoegen hiemel is opgedoon,Gef us get en loat us goon,Loat us neet lang stèlstoan,Gef get, spaart get,ʼt Ander joar alweer get.Dit joar êne sjèllingʼt Ander joar êne pèling,Eeder sjèlling woag ê poond,Maar de vrouw blijf hei gezoond.Snijt oan de lange,Loat de korte hange,Gef get!
Den hoegen hiemel is opgedoon,Gef us get en loat us goon,Loat us neet lang stèlstoan,Gef get, spaart get,ʼt Ander joar alweer get.Dit joar êne sjèllingʼt Ander joar êne pèling,Eeder sjèlling woag ê poond,Maar de vrouw blijf hei gezoond.Snijt oan de lange,Loat de korte hange,Gef get!
Den hoegen hiemel is opgedoon,
Gef us get en loat us goon,
Loat us neet lang stèlstoan,
Gef get, spaart get,
ʼt Ander joar alweer get.
Dit joar êne sjèlling
ʼt Ander joar êne pèling,
Eeder sjèlling woag ê poond,
Maar de vrouw blijf hei gezoond.
Snijt oan de lange,
Loat de korte hange,
Gef get!
Zie de rijmpjes op bl. 158, 160 en 164.
Met den negenden regel: “Den hoegen hiemel is opgedoon” vergelijke men dezen passus van een rommelpotslied uit Slochteren (G.):
De hemel, de hemel wordt opengedoan,Daar komen wie arme zondoartjes anMit ain strooband, mit twei strooband;
De hemel, de hemel wordt opengedoan,Daar komen wie arme zondoartjes anMit ain strooband, mit twei strooband;
De hemel, de hemel wordt opengedoan,
Daar komen wie arme zondoartjes an
Mit ain strooband, mit twei strooband;
en uit Winschoten:
De hemel wordt opengedaan.Daar zullen wij arme zondaars ingaanMet een stroobant,Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.
De hemel wordt opengedaan.Daar zullen wij arme zondaars ingaanMet een stroobant,Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.
De hemel wordt opengedaan.
Daar zullen wij arme zondaars ingaan
Met een stroobant,
Daar gaan wij mee naar ʼt ander land.
In Zeeland luidt de tweede strofe van het rommelpotslied op Sint Silvester:
Ik heb er den hemel al opengedaan,Daar zag ik twee arme zondaars staan;Met oogen als vuur en een strooband,Zoo rijden zij naar dat andere land.
Ik heb er den hemel al opengedaan,Daar zag ik twee arme zondaars staan;Met oogen als vuur en een strooband,Zoo rijden zij naar dat andere land.
Ik heb er den hemel al opengedaan,
Daar zag ik twee arme zondaars staan;
Met oogen als vuur en een strooband,
Zoo rijden zij naar dat andere land.
De beteekenis van den strooband is mij niet helder.
6. De vastenavondviering in de zeedorpen van het eilandSchouwen bestaat eigenlijk in het zoogenaamde strand- of stra-rijden (“de stra”). Dit is niets anders, dan dat men te paard naar het strand en vervolgens een eindje de zee inrijdt. Tegen tien uur wordt een trein gevormd, waarbij een ruiter als voorrijder dienst doet en de flinkste en best opgetuigde paarden voorafgaan.—Blijkbaar moet dit gebruik ingeschakeld worden in de reeks der vastenavondoptochten, en hebben wij te doen met een reinigings- en vruchtbaarheidsritus; zieC. V. D. Graft, Volkskunde XVII, bl. 31. Over vastenavondliedjes en -gebruiken vergel.Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 187;G. Kalff, Het Lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 518;Welters, Feesten enz., bl. 24;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 56; v.Reinsberg-Düringsfeld), Calendrier belge, bl. 127;Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 58 en Driem. Bladen I, bl. 53, 111, 119; IV, 114; Volk en Taal II, bl. 154; ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 124; X, bl. 190 enz.
Aschwoensdagstelt paal en perk aan de vastenavondpret. Te Blitterswijk (L.) hield men in den voormiddag dendoodendans, d.i. nog driemaal werd op de viool gekrast en nog driemaal lustig rondgesprongen; dàn eerst was het “Vasten”. Men noemt hem ookkruiskensdag, omdat de katholieken dien dag ter kerke een asschen kruisje op het voorhoofd ontvangen ter herinnering aan de vergankelijkheid van het lichaam in stof en ter opwekking tot boetvaardigheid. “Wie zijn kruisje houdt tot Paschen”, zegt het volk, “krijgt een nieuw kleed.” Na den dienst wordt niet zelden “het kruisken verdronken”, door den voormiddag in de herberg te slijten.
Op enkele plaatsen wordt dien dag ook nog na den kerkdienst deharing gebetenofgereden, b.v. te Maaseyck; te Posterholt (L.) heette hetharingspringen. Een haring, aan een koord opgehangen, moet de kop worden afgebeten. Haring met witte boonen vormen het hoofdgerecht.
Fakkelzondag(Invocabit) is de eerste Zondag in de Vasten. “Als men op dezen dag met een brandende fakkel onder de boomen waait, zal veel fruit groeien”, zeggen de boeren in Limburg. Wij hebben hier dus te doen met het reinigings-, en bijgevolg vruchtbaarheidsbegrip.Het branden, walmen, berooken enz. diende, zooals men weet, om de booze geesten te verdrijven (vgl. bl. 128). Dit blijkt ook duidelijk uit het rijmpje, dat men te Simpelveld (L.) onder het walmen in de boomgaarden zingt:
Vink vonk fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.
Vink vonk fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.
Vink vonk fakkel.
Zoo menge vonk,
Zoo menge appel.
Te Epen en Wittem (L.) wordt dien dag vuurtje gestookt,de burkgenaamd, en om brandstof rondgaande zingt de jeugd:
Bötje, bötje, burkstreuëAnnemerjan, sjottelepan,Haste niks veur de burk te breeënne.
Bötje, bötje, burkstreuëAnnemerjan, sjottelepan,Haste niks veur de burk te breeënne.
Bötje, bötje, burkstreuë
Annemerjan, sjottelepan,
Haste niks veur de burk te breeënne.
Te Ieperen heet deze ZondagBorelle-Zondag;ook te Denderwindeke, Aspelare, Aalst, Denderleeuw enz. is hetwalmenoffakkels brandenbekend; zieDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 66. Men noemt dezen dag in Vlaanderen ookbrood- en kaaszondag,omdat men meent alsdan zevenderlei brood te moeten eten: te dien einde bezoekt men zeven bevriende gezinnen; ook in Duitschland kent men den naamBrot-und Kässontag. In Voralberg, Tirol, Beieren en Zwaben trekt men dan voorzien van bussels brandend hooi over de bergen, de zoogenaamdeFackellauf, die gesymboliseerd wordt als de gevangenneming vau Christus. Vandaar de benamingFunkentag, fr.dimanche des brandons. Dit fakkelloopen dient als een aanhangsel der vastenavondvuren te worden beschouwd.
Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen, het eerst, voor zoover mij bekend, beschreven doorP. van Duysein het Belgisch Museum 1837, bl. 176 vlg. Daar trekken onder de tonen der muziek “de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht” naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. Dit gebruik wordt met de tweedebelegering van Geeraardsbergen doorWalther van Edinghenin 1381 in verband gebracht, òf men laat het opklimmen tot het midden der XIeeeuw, toenGeeraard van Hunneghemzijn kasteel aanBoudewijn VI, den stichter der stad, verkocht.V. Fris, Volkskunde XVIII, bl. 136, ziet hierin een overleefsel van Keltisch-Frankische bronvereering; naar de opvatting vanDr. Höfler, Volkskunde XVIII, bl. 236, heeft men hier te doen met een geval van Bacchanalische omophagie: ʼt verorberen van levend, lillend rauw vleesch. Geen dezer verklaringen lijkt mij afdoende. Trouwens, zou met het oog op het haringeten van het volk de verklaring niet wat minder ingewikkeld kunnen zijn?—
Het feest van Fakkelzondag wordt op Maandag voortgezet, de echteblauwe Maandag, welke benaming later op alle andere Maandagen is overgegaan. Vandaar dat “blauwe Maandag houden” de beteekenis gekregen heeft van “leegloopen en feestdag houden”. “Blauw” beduidt hier “onbeduidend” (men denke aanblauwe boodschap), zoodat de oorspronkelijke beteekenis was: Maandag, die als werkdag niet meetelt; vgl.Stoett, Spreekwoorden, no212.
Kwenezondag(Oculi), den derden Zondag in de Vasten, liepen te Ieperen de kinderen rond met een korf, waarin een pop verborgen zat, terwijl zij zongen:
Oude kwene, babbelboone!Is se oud, sʼen is niet schoone!Gheeft se doch een ey,Daer me looptse wey!
Oude kwene, babbelboone!Is se oud, sʼen is niet schoone!Gheeft se doch een ey,Daer me looptse wey!
Oude kwene, babbelboone!
Is se oud, sʼen is niet schoone!
Gheeft se doch een ey,
Daer me looptse wey!
VolgensDe Boheet men echterkwenende kinderen, die op Passiezondag van deur tot deur gaan.
Op dezen Zondag verbrandt men den winter (Pier Vrieze), den dood, den vastenavond enz. onder de gedaante van een aangekleede stroopop; plaatselijk survival hiervan is het verbranden van een haan. Ook wordt “de winter” wel begraven of in het water geworpen. Waarschijnlijk is hier het begraven ouder dan het verbranden,en is “de winter” de vegetatie-daemon, de in den winter gedoode groeikracht; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 418. In het buitenland heeft dit winterverbranden meestal plaats op
Laetareof Halfvasten. In België herleeft weer de vastenavondpret, gemaskerden trekken door de straten, feestgelagen worden aangericht. Maar de groote folkloristische beteekenis van dezen dag ligt toch in de aankomst van de Lente (of van den Zomer; immers het volk kent eigenlijk slechts twee jaargetijden: zomer en winter). Worden gedurende het vruchtbaarheidstijdperk nieuwe gaven van de sluimerende aarde verwacht (zie bl. 102, 113) en treden dan Sint-Maarten, Sinterklaas en het Kerstkind op als uitdeelers der hemelgeschenken, thans verschijnen als vertegenwoordigers van den lentezegen: op Laetare deGreef van Halfvasten,en op Palmzondag de Engeltjes. De Brabantsche en Antwerpsche kinderen zetten hun schoen of korfje met hooi onder den schoorsteen, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts de rondte doet op zijn schimmel, de brave kinderen bedeelend met lekkers, maar de ondeugende met een roe. Vroeger reed de Greef als een andere Sinterklaas op zijn schimmel plechtig door de straten van Antwerpen. “De arme huisvader uit de Antwerpsche volkswijken schenkt gewoonlijk aan elk kind slechts een massepeinen scheepje,” schrijftDe Cock, Volkskunde, bl. 240; “soms enkel een tikkenhaantje, uit brooddeeg gebakken, met een pluimpje op den kop, wat voor het kind niet veel beteekent; vandaar bij den Sinjoor [Antwerpenaar] het nog steeds populaire spreekwoord: Liever geen Grèèf dan zooʼn tikkenhaantje.”
Te Turnhout zingt men:
Kinderkens, hangt uw korfkens uit,Ik heb wat nieuws vernomen:Dat de Greef,Uwe neef,Die zal morgen komen.
Kinderkens, hangt uw korfkens uit,Ik heb wat nieuws vernomen:Dat de Greef,Uwe neef,Die zal morgen komen.
Kinderkens, hangt uw korfkens uit,
Ik heb wat nieuws vernomen:
Dat de Greef,
Uwe neef,
Die zal morgen komen.
Wat heeft de Greef al meegebracht?Vijgen en rozijnen,Koek en tes,Scheer en mes,Haantjens op een steksken!
Wat heeft de Greef al meegebracht?Vijgen en rozijnen,Koek en tes,Scheer en mes,Haantjens op een steksken!
Wat heeft de Greef al meegebracht?
Vijgen en rozijnen,
Koek en tes,
Scheer en mes,
Haantjens op een steksken!
Maar als gij dan niet wijzer zijt,Dan zal ik mʼer niet mee moeien;Dan zal de Greef,Uwe neef,Brengen een dikke roeie!
Maar als gij dan niet wijzer zijt,Dan zal ik mʼer niet mee moeien;Dan zal de Greef,Uwe neef,Brengen een dikke roeie!
Maar als gij dan niet wijzer zijt,
Dan zal ik mʼer niet mee moeien;
Dan zal de Greef,
Uwe neef,
Brengen een dikke roeie!
Ook in Noord-Brabant en Limburg bestaat iets dergelijks. Te Geldrop krijgen de kinderen op Halfvasten een haan van taai-taai, aan den staart versierd. Te Munstergeleen en te Sittard worden dan krombroodjes onder de kinderen geworpen, te Sittard bij de zeven kapelletjes langs den weg naar den Kollenberg. Het Christelijk symbolisme ziet hierin een herinnering aan het evangelieverhaal van dien dag over de wonderbare spijziging der 5000 Galileeërs. Te Schaesberg (L.) wordt op Laetare gefakkeld, waarbij men zingt (vgl. bl. 167)
Vink, vonk, fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.
Vink, vonk, fakkel.Zoo menge vonk,Zoo menge appel.
Vink, vonk, fakkel.
Zoo menge vonk,
Zoo menge appel.
Sint Pieter-in-den-Winter(Cathedra Petri, 22 Februari) is een lotsdag, eendies criticus, eertijds als het begin van de lente beschouwd. Vandaar zijn voorname rol in de volksweêrkunde. Vriest het den nacht vóor dezen feestdag, dan duurt de kou veertig dagen; is het zacht weer, dan vriest het niet in Mei.
Het volk viert dan een lente-vóorfeest, vooral de schippers en herders, en wel over geheel het Germaansche en Slavische gebied. Op dezen dag moet men beginnen de landerijen te bewerken; bouwlanden worden meest verhuurd, om ze te aanvaarden op Sint-Pieter.Te Grouw (F.) viert mee dan een kinderfeest; en evenals men den 5denDecember Sinterklaas-avond noemt, zoo noemt men te Grouw den 21stenFebruari Sint Pieter-avond.
Ook het balslaan, dat vroeger op verscheidene plaatsen in Friesland voorkwam, is een typisch lentegebruik en heeft natuurlijk met St. Petrus niets te maken. In Duitschland heeft het meestal op Paaschdag plaats; ook schijnt het met het Paaschvuur samen te hangen. Te Dantumadeel sloegen de kinderen ballen uit, waaronder éen met loovers versierd; daarmee begon de wedloop, om den mooien Sint-Petersbal te bemachtigen. Een andere manier van “bal uitslaan”, eveneens in de Dokkumer Wouden, was een vermakelijkheid, die uitging van een jong paar, dat op trouwen stond, ter wille van hun vrienden en vriendinnen, altijd op Sint Pietersdag; zie hieroverWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 168.
Te Gees (D.) trekt na 12 uur de geheele schooljeugd zingend door het dorp en brengt een ovatie aan wie in ʼt afgeloopen jaar zijn getrouwd:
Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,Al om Sint Pieter den bal te slaan.Waren wij niet in de gilde gegaan,Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.Slaan, slaan, slaan,Het liedje, dat is gedaan.
Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,Al om Sint Pieter den bal te slaan.Waren wij niet in de gilde gegaan,Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.Slaan, slaan, slaan,Het liedje, dat is gedaan.
Hier komen wij knechtjes en meisjes aan,
Al om Sint Pieter den bal te slaan.
Waren wij niet in de gilde gegaan,
Dan hoefden we Sint Pieter den bal niet te slaan.
Slaan, slaan, slaan,
Het liedje, dat is gedaan.
Dan worden pepernoten en andere versnaperingen gestrooid en de kinderen grabbelen; vgl.J. Bergsma, Driem. Bladen XII, bl. 117;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 113.
l Maarttreden veelal de knechten en meiden in dienst. Zoo zegt men te Esch (N.-B.):
Op den eersten MertMoeten de booien zijn op den herd,Anders zijn ze de kost niet werd.
Op den eersten MertMoeten de booien zijn op den herd,Anders zijn ze de kost niet werd.
Op den eersten Mert
Moeten de booien zijn op den herd,
Anders zijn ze de kost niet werd.
Elders is de datum half Maart, weer elders de 1eMei. De boerzelf haalt de nieuwe meid of knecht op denkistenwagenaf. Bij het verhuren ontvangen zij den gods- of goospenning, oorspronkelijk het geld, dat men bij het aangaan van de huur den arme “om Godswille” gaf; vergelijk hiermede den trouwpenning, waarover nader.
Gregoriusdag(12 Maart) was voorheen in geheel Brabant, Vlaanderen en Antwerpen het groote schoolfeest: prijsuitdeeling, Gregoorkes-mis, en naderhand hetGregoria-zingen,een rondgang van de jeugd langs de huizen, zingend en bedelend om eieren en geld.
Sint Geertrui(17 Maart). De dochter van Pepijn van Landen is een zeer bekende volksheilige. Volgens de legende stuitte zij eens een muizenplaag; feitelijk wordt zij door het volk als patrones tegen de muizen aangeroepen, o.a. te Ternath, Appelterre, Wichelen en Baasroode-Vlassenbroek rond Aalst en Dendermonde. Ook vindt men haar vaak met een muis voorgesteld, o.a. in de Gertrudiskerk te Leuven en in de Groote Kerk te Breda; de reden is wel deze, dat de H. Gertrudis eenige trekken van de Germaansche doodsgodin heeft overgenomen; immers in de volksvoorstelling neemt de ziel vaak de gedaante eener muis aan. Zoo verklaart men ook het voormalig gebruik derSint Geerten MinneofSchaal van Nivelles: want even als de Sint Jans Minne was dit oorspronkelijk een herinneringsdronk aan de afgestorvenen gewijd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 226 vlg.—
Wij komen nu tot de eigenlijke periode van hetLentefeest(of begin-Zomerfeest), dat zich tot na Pinksteren uitstrekt; en in het midden der feestviering staat het symbool van den genius der groeikracht, van het nu welig-uitbottende jonge leven: de Meiboom in zijn verscheidenheid van vormen en eenheid van beteekenis. Op den 1stenMei, met Pinksteren of op den avond van den 23stenJuni heeft in Duitschland, Engeland, Frankrijk en in de Westslavische landen het inhalen en planten van den meiboom plaats. In Nederland kwam hij in ʼt begin der vorige eeuw nog slechts sporadisch voor en thans is hij, tenminste in zijn volstrekt-oorspronkelijken vorm, geheelverdwenen. De eenige bekende afbeelding van den Nederlandschen meiboom komt voor bijJ. Cats, Spiegel van den Ouden en den Nievven Tijdt (Den Haag 1632).
De groote meiboom werd geplant midden op den markt of het dorpsplein. Niet zelden was de stam tot aan de bladerkroon van takken beroofd en afgeschild, terwijl alleen de top prijkte met vollen bladerdos. Maar steeds was—en is dit nog, waar in het buitenland het gebruik heerscht in zijn oorspronkelijken vorm—de mei met linten, kransen en klatergoud gesierd, met koek en vruchten en vooral met eieren—symbool der vruchtbaarheid—behangen. En dat wij hier werkelijk te doen hebben met de verpersoonlijking der levenverwekkende natuurkracht, kan blijken uit een Poolsch lied, dat te Lacza in Opper-Silezië gezongen wordt, wanneer het volk, na eerst een stroopop in het water te hebben geworpen, geld en eieren verzamelend met den Mei het dorp binnenkomt (vgl.Mannhardt, Baumkultus, bl. 181):
Wij droegen de pest uit het dorp,Wij brengende spruit(of zomer) in het dorp.Ons boompje is groen,Schoon opgesierd,Op ons MeiboompjeZijn geverfde eieren, enz.—
Wij droegen de pest uit het dorp,Wij brengende spruit(of zomer) in het dorp.Ons boompje is groen,Schoon opgesierd,Op ons MeiboompjeZijn geverfde eieren, enz.—
Wij droegen de pest uit het dorp,
Wij brengende spruit(of zomer) in het dorp.
Ons boompje is groen,
Schoon opgesierd,
Op ons Meiboompje
Zijn geverfde eieren, enz.—
Eindelijk, de meiboom wordt doorgaans gekroond door een weèrhaan, rechtstreeks afweervogel van booze invloeden, en daardoor onrechtstreeks ook weer vruchtbaarheidssymbool.
Deze meiboom is het oortype van denoogstmei, die de laatste voer hooi siert, wanneer de oogst wordt binnengehaald; van denrichtmei,die op het dak gezet wordt, als men “gericht” d.i. het huis onder de kap gebracht heeft,—in het Noorden van ons land is dit dichterlijk en sprekend gebruik verdwenen en kent men slechts een versiering met de vlag; van denliefdemeivóor het huis of op het dak van de aangebedene, waarover nader; van denbruidsmei,den levensboom, op den bruidswagen gestoken, of vóor het huis van het jonge paar geplant; van denschutsmei: jonge berken- of dennenboompjes, door de dorpsjeugd op den 1stenMei uit het bosch gehaald en vóor de huisdeur, den veestal, of op den nok geplant, dat zij het huis mogen beschermen, het vee vruchtbaar maken en alle kwade invloeden verdrijven,—hiermee gaat vaak een inzameling van eieren, brood, spek en geld gepaard; eindelijk van denpalmpaasch, zooals doorMannhardt, Baumkultus, bl. 246 wordt betoogd. Op deze verwantschap vestigde ik reeds voor een vijftiental jaren de aandacht door deze regelen: “De palmpaasch is in laatste analyse slechts een rudimentaire meiboom, zoo men wil een christelijke loot van den heidenschen stam, een schamele rest, evenals het Sint Maartens-kaarsje in de binnenkamer niets dan een zwakke weerschijn is van het Sint Maartens-vuur daarbuiten” (Volkskunde XIII, bl. 108). Hij vindt zijn plaats op
Palmzondag, reeds in de IVdeeeuw door de Kerk gevierd ter gedachtenis van Jezusʼ intocht te Jeruzalem. Van deze feestviering bezitten wij eene nauwgezette beschrijving in een voor de liturgie hoogst belangrijk reisverhaal eener non uit Provence (Arles?), die in de IVeeeuw een reis naar het H. Land ondernam en in haar nagelaten aanteekeningen de hoogoude ceremoniën der Kerk te Jeruzalem beschrijft: dePeregrinatio Aetheriae: “Tegen vijf uur in den namiddag wordt de plaats uit het evangelie gelezen, waar de kinderen met olijftwijgen of palmtakken den Heer tegemoet gaan, roepende: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Dan staat de bisschop en het heele volk onverwijld op en trekken van den top van den Olijfberg te voet naar beneden: heel het volk gaat hem voor onder het gezang van hymnen en antifonen, waarop telkens geantwoord wordt met de woorden: Gezegend, Die komt in den naam des Heeren. Alle kinderen uit deze plaatsen, zelfs zij, die te klein zijn om te kunnen loopen en gedragen moeten worden, hebben, hetzij palmtakken, hetzij olijftwijgen in de hand; en zoo begeleidt men den bisschop naar de wijze, waarop toen Christus begeleid werd” (c. XXXI, 2, 3).
Wij hebben hier dus een plechtige processie met palmtwijgen op Palmzondag; vanaf de VIIeeeuw werd deze ook in de Westersche Kerk gehouden. De palmzegening is iets jonger en dagteekent waarschijnlijk uit de VIIIeof IXeeeuw. In de Middeleeuwen nam deze omgang in vertoon en luister toe; hij kreeg een geheel dramatisch karakter, overeenkomstig de liturgisch-didaktische praktijken van dien tijd. De persoon, die Christus uitbeeldde, reed op een ezel. Maar somwijlen stelde men zich met een houten Christusbeeld tevreden, gezeten op een houten ezel. Deze werd gedragen of getrokken. Vandaar, dat Palmzondag door de Vlamingen vroeger wel eens het “Ezelsfeest” werd genoemd. Te Utrecht trok deze stoet van de Domkerk naar de vlak bijgelegen Pieterskerk. Te Amsterdam had hij aanvankelijk alleen aan de Oude Zijde plaats, d.i. uit Jeruzalem (een kapel naast de St.-Olofs- of Oudezijdskapel) naar de Oude Kerk; doch sedert 1498 kreeg de Nieuwe Zijde om ʼt andere jaar ook haar beurt. De houten ezel wordt op enkele plaatsen in het buitenland thans nog rondgevoerd.
Nu weten wij, dat voorheen de palmboomen of -boompjes, in deze processie rondgedragen, niet zelden met koekjes, vruchten en andere versnaperingen waren behangen. Dit is ons niet alleen bekend uit een bericht over de Moskousche palmprocessie in de XVIIeeeuw; maar de Calendrier belge I, bl. 212 weet te verhalen, hoe te Thienen de kinderen gedurende den stoet den palmtak poogden te plunderen, dien het Christusbeeld droeg: immers hij hing vol vijgen, druiven en wafeltjes. De verklaring is deze, dat hier wederom een synkretisme, een vermenging van heterogene bestanddeelen, van twee verschillende gebruiken heeft plaats gehad: palmprocessie en meiboom, christendom en (onbewuste) natuurreligie. Want de Palmzondag viel samen met den aanvang van het lentefeest, en zoo drong de langzamerhand verkleinde, maar steeds met rijke gaven behangen meiboom de palmprocessie binnen. Op den duur werd hij nog kleiner, zoodat ieder kind een exemplaar erlangde. Als gever dezer goede gaven trad nu de Zaligmaker op, of liever de Zaligmakermet behulp der Engeltjes (b.v. te ʼs Hertogenbosch, Roermond, Venloo enz.). Deze organiseeren des nachts een soort van Wilde Jacht door de lucht, als Sinterklaas en Sintermaarten, en “rijden” den overvloed van goede gaven op den palmpaasch, te Venloo voor de grooteren op een bord. Maar behalve de “rijdende” engeltjes heeft het Christendomde palmenaan den palmpaasch afgestaan.—In België vindt men geen spoor van den palmpaasch; de kinderbedeeling heeft daar, zooals reeds vermeld, door den Greef op Halfvasten plaats. Kerkelijk verband tusschen palmpaasch en liturgie bestaat b.v. nog te Venloo, in zoover daar de kinderen met hetpalmhoutjeter kerk tijgen en zich onder de geloovigen opstellen, die palmtakjes en palmbundels (buxus sempervirens) laten zegenen. Ook te Basel laat ieder knaap zijn palmboompje ter kerke zegenen; dit bestaat uit een rijk met linten en appelen versierd dennenboompje, welks kruin met een schat van steekpalmen—liefst met roode bessen—prijkt. En dat de palm en de wijding niet tot het wezen van den verkleinden meiboom behooren, blijkt o.a. uit het feit, dat zonder de minste religieuze betrekking te Stockholm, volgens getuigenis vanMannhardt, telken jare den 22stenjuni een formeele markt “mit Laubzweigen undkleinen Maistangen für Kinder” gehouden wordt, voor welke de heele omtrek de handelsartikelen levert (Baumkultus, bl. 152). Een herinnering aan de palmprocessie is wellicht ook hetHei, koereiofEikoereivan het meest gebruikelijke palmpaaschrijmpje; dit is waarschijnlijk de verbastering vanKyrie eleison: “Heer ontferm U onzer” uit het litaniegebed. Bedoeld rijmpje, gebruikelijk bij het rondtrekken met den palmpaasch, luidt:
Palm, palmpaschen!Hei, koerei!Over eenen Zondag,Dan krijgen wij een ei.Eén ei is geen ei,Twee ei is een half ei,Drie ei is een paaschei!
Palm, palmpaschen!Hei, koerei!Over eenen Zondag,Dan krijgen wij een ei.Eén ei is geen ei,Twee ei is een half ei,Drie ei is een paaschei!
Palm, palmpaschen!
Hei, koerei!
Over eenen Zondag,
Dan krijgen wij een ei.
Eén ei is geen ei,
Twee ei is een half ei,
Drie ei is een paaschei!
Of ook:
Palm palmpaschen!De koetjes die gaan grazen,De schaapjes in de wei,Als het Paasch is krijgen wij een ei!
Palm palmpaschen!De koetjes die gaan grazen,De schaapjes in de wei,Als het Paasch is krijgen wij een ei!
Palm palmpaschen!
De koetjes die gaan grazen,
De schaapjes in de wei,
Als het Paasch is krijgen wij een ei!
Te Dwingeloo en Ruinerwold luidt het:
Haentien op ʼn stokkien,Biet moar van mien brokkien,Biet moar van mien stukkien brood,Morgen is mien haentien dood.
Haentien op ʼn stokkien,Biet moar van mien brokkien,Biet moar van mien stukkien brood,Morgen is mien haentien dood.
Haentien op ʼn stokkien,
Biet moar van mien brokkien,
Biet moar van mien stukkien brood,
Morgen is mien haentien dood.
Vrij schaars komt de palmpaasch voor in Zeeland, Groningen, Friesland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Limburg. Het ware palmpaaschgebied is Gelderland, Drente en Overijssel. Behalvepalmpaaschenpalmpaschen, vindt men de benamingenpalmstok, palmpaascheistok, palmpaaschtak, palmpaaschstok, palmtak, pikhaan, weitenhennetje, zwaantje, palmhoutje, palmebessem, krakeling, haantje, haantjepik, eendje, kukelehaantjeenz.Dr. C. V. D. Graftonderscheidt twee hoofdtypen: 1eDe lange stok, die allerlei lekkernijen doorboort, het Friesche type; en 2eDe vlechtvormige hoofdkrans, gewoonlijk “krakeling”, maar ook wel “rad” of “wiel” genoemd: het Saksische type. Wat hiervan zij,—indien het waar is, dat men de palmpaasch als een kleinen meiboom dient te beschouwen, dan moet zij ook, althans oorspronkelijk, de drie hoofdbestanddeelen van den meiboom vertoond hebben, te weten:stam(stok),kransenhaan. De krans is nagebootst in koekdeeg—ten onrechte spreektHöflervan “haaroffer in deegvorm”,—terwijl de haan, in zijn nagebootsten vorm onkenbaar geworden, vaak door andere vogels vervangen is. De roode haan stelt den bliksem voor, in zoover deze de onweerswolken splijt en den dampkring zuivert. Het heldere weêr roept hij andermaal te voorschijn. Zijn gekraai verdrijft immers ook, zooals gezegd (bl. 96), het nachtelijk duister, bij het eerste hanengekraai is de hellemacht gebroken. Daarom troont ook een haan op den nok van vele Westfaalschehuizen en doet daar, ter bescherming tegen onweêr en andere rampen, denzelfden dienst, dien een paardenkop elders in Duitschland verricht; want ook het paard, als stormdier, weert onheil af.— Aldus verklaart men de gewoonte, den top van sommige boomen in haanvorm te knippen; zoo verklaart men ook het haantje op den toren, naderhand met de verloochening van Petrus in verband gebracht, of ook uitgelegd als symbool der waakzaamheid en der verrijzenis. Maar haan en paard waren Saksische stamdieren, terwijl in Friesche (en Vlaamsche) streken de zwaan als zoodanig de gevelversiering vormt. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat de zwaan, als Friesch stamdier, op Frieschen bodem den haan op de Palmpaasch verdrongen heeft. Een Frankisch palmpaasch-type bestaat niet.
Op het eiland Schouwen (Zierikzee enz.) kent men zoogenaamdeaeremstokjes, d.i. ruitertjes te paard van brooddeeg, die op een stokje door de kinderen worden rondgedragen, óok op Palmzondag, en dan zijn er palmtakjes in gestoken. Daarbij wordt gezongen: