Chapter 11

Aerem stokjeTurf in je rokje,Turf in je staart,Aerem stokje is geen oortje meer waard.Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het lezen van ʼt Sint Jans evangelie.ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook Volkskunde XII, bl. 229, waarDr. A. Beetseen oproep richtte tot de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend;Beetsgaf ook den stoot tot de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: VolkskundeXIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40;De Cock, Volkskunde, bl. 241;V. D. Graft, Palmpaasch;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 202.OverKalfdag, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, geplaagd en uitgelachen werd; hij werd “kalf” genoemd. Men vergelijke verder de gebruiken op den 1stenMeidag.—Met dezen dag is deGoede Weekbegonnen, ook wel deHeilige-, Pilatus-, Judas-, Duivelsweek, in protestantsche streken deStille Weekgenoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.Witte of Groene Donderdagdankt zijn naam waarschijnlijk aan de witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei groenten. Men noemt zediscipelen- ofapostelensoep. Hij, die het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In Vlaanderen at men dien dagweitene weggenof wittebrood metmede; dit heettesoppen, vanwaarSoppendonderdag.Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld hetapostelbrokken-rapente Rupelmonde, vlak onder de vensters van ʼt stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden gezegend.Op Witte DonderdagGaan de klokken naar Roomen,Al over hagen en boomen,En Paaschavond komen ze thuis.Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:Den Donderdag is ʼt soppedoppe,Den Vrijdag zoo kruipt men,Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.Dit “kruipt men” heeft betrekking op de kruisvereeniging vanGoeden Vrijdag. Dan rust het werk, met name de timmerlieden en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze een voorbehoedmiddel tegen het “zwart.”GoedenofStillen Zaterdagkeeren vóor de Gloria de klokken uit Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.Paaschdagworden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun “paaschbest” pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag “danst het zonneke van blijdschap.” Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het water, op heilige tijden geput, hetheilawâc, voor zoo bijzonder geneeskrachtig gold?Om middernacht is alle water wijn,Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgenzwijgendgeput, kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de gezondheid.Het gebruik derpaascheierenwas vroeger algemeen en is thans nog in het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eierentikkenofkippenin de gezinnen, plaatselijk ook in ʼt openbaar, b.v. te Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, —maar meestal toch op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds heteiergareneen geliefkoosdspel; ook deneierdanskende men.Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant—spits of bot—onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen behoort eigenlijk het rijmpje:1. Eén ei is geen ei2. Twee ei is een half ei3. Drie ei is een paaschei.Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:Borkeloo, Almen enz.:2. Twee ei paaschei.Venloo:3. Drie ei is een ei4. Vier ei is een paaschei.In vele streken heerscht nog het gebruik—in België, Limburg en Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen—eieren in te zamelen voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:Bimbambeieren,De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:Antwerpen:Vrouw, vrouw geeft ons een ei,Die de zwarte hinne lei!Zijn ze zwart of zijn ze rood,Daarom leggen zij te nood; enz.Haaren (N.-B.):Vrouwke, vrouwke, doe uw best,Haal de eikes uit het nestVan die witte hennen,God zal ze kennen.Een ei is geen ei,De tweede is een half ei,De driede is een paaschei.Van die wit en van die zwart,Geef van elk henneke wat.Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds voor de IVeeeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.Te vermelden vallen nog depaaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het “doornenkroon verbranden”. Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:Heb ie ook ʼen olde mande,Die wie tot Paeschen brande?Heb ie ook ʼen bossien riet?Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:Hei in de Mei,En de muts op zij!Van linksumVan rechtsum,En keer oe weer um.Op Texel:Hooi, heb-je geen strooi,Heb-je geen oude manden?Die zullen in de meierblits branden,Hekken en stekken, joten en palen,Als je niet komt, dan zullen we je halen.Boer, wil-je het laten staan,Hekken en stekken an enden slaan.Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeftProf. Galléeons in de Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:Hei Koerei, hei Koerei,Eén ei is geen ei,Twee ei is ʼn halfei,Drie ei is ʼn paaschei.Dan:Lange, lange riêge,Twintig is en stiège,Dartig is en rozenkrans,Veertig is de poppendans; enz.Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen.Was alles verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een reinigendspringenover het vuur, vgl.bl. 105. Het brandendrad, dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men metMogkals een zonnesymbool kunnen beschouwen; hetHei KoereiofEikoereiherinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud Amsterdamsch paaschavonddeuntje:De dommele metten [donkere metten]De Vaste is uyt!Kyrie eleison!Te Paschen zullen wij eieren eten,Soo is de Vaste al vergeten.Kyrie eleison!Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude offermaaltijden samen depaaschbrooden, paaschmikken(Den Bosch),paaschlammetjesenz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!Elk ʼne zalige Paaschen!Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:Christus is opgestandenAl van de Joden hun handen,Dus willen we allen vroolijk zijn,Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.Over dit lied meer bijDr. J. G. R. Acquoyin het Archief van Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., enDr. C. V. D. Graftin Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, datvlöggelen(vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks den paaschtijd.Zie nogDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 131;J. F. Willems, in het Belgisch Museum 1843, VII;Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H.Maronier, Het Paaschfeest (Arnhem 1894),passim;J. Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch, bl. 602;R. Andree,Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, 340; Driem. Bladen XIII, bl. 43;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 173.Paaschmaandag. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende plaatsen, herinner ik aan debegankenisvan Hakendover, doorFrans van Leemputteop doek gebracht. De processie wordt door honderden ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, want deze ommegangschenkt hem akkerzegen. Deze processie is een overleefsel van den lente-intocht.—n Drente heeft bij het paaschvuur en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog is het notenschieten; zieH. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.OpBeloken Paschen(Dominica in albis, sc. depositis) worden de laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijkBroake-Poaschen.Natte Paschen, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk is dit geenRegenzauber—een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, vergel.bl. 152—maar slechts een overgangsgebruik; ziePaul Sartori,Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.l April.Op den eersten AprilStuurt men de gekken waar men willuidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien dag in Engeland (all fools day), Duitschland, Denemarken, Frankrijk (poissons dʼavril) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in verband te brengen. De Vlaamsche benaming isverzendekensdag.Ik sprakbl. 128reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de gekken (stulti) delangslapersentelaatkomerszijn, dan wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het lentefeest—evenals op de laatste dagen van het jaar—met de sukkelaars in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhoopingvan grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); bij het hooien om eenheuischarm(Assen); bij het stoelmatten om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, plafondschaar (België) enz.; zie vooralDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in ʼt jaar zijn.Meidag. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het lentetijdperk, als het begin van den voorzomer.Bl. 172sprak ik reeds van denmeiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt (hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: “Daar wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren en slingers rijdt men hem rond het dorp”: Volkskunde, XXIII, bl. 122; zie nog vooralDe Cockʼs Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken ofmeien. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende tonen der “Fanfare”, naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij het terugkeeren met groenende twijgen. “Straks keeren de muzikanten opgetogen huiswaarts”; schrijftDr. Knippenberg, “de hoeden omkranst met het jonge loof van den heerlijken Mei” (Limburgʼs Jaarboek XVIII, bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied denliefdemeivoor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking “den coelen mey planten” ten minste reeds in de XVeeeuw voorkomt in eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zieG. Kalff, Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.Het verbreidingsgebied van hetmeitakstekenis zeer groot; vertrouwbare berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.—De meisjes staan op den 1stenMei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochtenmet madeliefjes, die op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit “den Mei gaan zingen”; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:Mei, Mei,Ik plante mijne mei,En ʼk krake mijn ei,En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;Bazinneke, wilde mij een eitje geven,ʼk En zal uw dochterken niet halen!In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk meiliedje aldus:De koude winter is nu verdwenen,Den zoeten zomer die komt er al aan;Dan ziet gij al de bottekens en boomenTe bloeien staan.Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,Zij liet haar vallen al op het kruid,Alle de bloemekens, die sproten daar uit:De dobbele pioene,Die staat er al zoo groene!Ai! wie heeft er de mei van doene?De vischkens in het watere,De vogelkens in de wei,Al die zingen te zamen de groene mei.Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben behouden:Daar ging een patertje langs den kant,met het refrein:Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,Hei ʼt was in de Mei.Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel en Drente—ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten—snijden de jongens een wilgentak af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat van liedjes als dit:Sap, sap, siêpeWanneer zinst doe riêpe?In Mei, in MeiAs alle veugelkens ʼen eiken legt.Woar legt ze dan?In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vindenAs doe dan nich of wisDan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêënAldus te Geesteren; en te Barneveld:Sieppe, sappe, sieppe,Wanneer zuj-je pieppe?Te Mei, te Mei,Dan leggen alle voegeltjes een ei,Behalve de kwartel en de griet,Die leggen in de meimaand niet.Heel of, hallef of,Sniêt ten boer de kop mer of.Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam vanmaien:Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,Oder ich zerschneide dich.Vele rijmpjes gewagen ook van “de booze hesse (hekse)”, die met een scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):Rieke, tieke, taken,Ik wil een fluitje maken,Van wilgen of van esschen,Welke zijn de beste?Heel af, half af,Snijdt de koe den staart af,Maakt er zeven jongen van,Zeven jongen in eenen nest.Zie Limburgʼs Jaarboek I, bl. 68;Dr. Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, 92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In Oldemarkt drijft men ʼs nachts de schapen door het water:Meimaand trekt men de schapen door de vaart,Dan blijven ze van de schurft bewaard.De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: “Meiregen, Meizegen”. Op Texel ontsteekt men den vooravond een lentevuur, de zoogenaamdemeierblits; vergel.bl. 184en Volkskunde XIX, bl. 123.In Oost-Vlaanderen—vooral rond Aalst en Dendermonde—bestaan nogmeigildenmet hun graven of dekens, oorspronkelijk om den meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen,Wylre, Gulpen, Slenaken, Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt—of werd nog zeer kort geleden—demeileeste(Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den kapitein van de “jonkheid”. Op den 1stenMei, of wel op den eersten Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit gebruik is vooral bekend door de novelle vanEcrivisse: Het Meilief van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van hetMailehen(= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar vanValentines.De Meigraaf is in wezen identiek met denLaubkönig, Graskönig, Pfingstlümmelenz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.Te Genemuiden (O.) gaan op den 1stenof 2denMei de kinderen met een versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje in de hand zit, al zingende:Luie motte, luie zotte,Op gaan staan!Die moet naar bed toe gaan.Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.Hemelvaartsdag.ʼs Morgens vroeg ging men voorheen in Hollandhemelvaren,d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels van dit gebruik, dat ookdauwtrappenofdauwtredenwordt genoemd enook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak van 1844, bl. 54.Luilakis de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die ʼt laatst in de werkplaats, de groenteboer, die ʼt laatst aan de markt, de schooljongen, die ʼt laatst op school kwam. Thans nog zijn de Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan de kinderen voor dag en dauw met dekorrie, een laag wagentje aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze—ookluilakoflooielakgenoemd—worden rondgedragen, zingt men:De looie lak, de slaperige zak,Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,Je ken wel weer naar bed toe gaan.Elders:Luilak,Slaapzak,Beddejak,Kermispop,Staat om negen uren op.Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder het zingen van:Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,Gooi dien looielak maar te drijven.Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf,Laubkönigenz., ziebl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeermerkwaardig is het te water gooien; ook degroene Georgewordt bij de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij degroene manof ook, zooals te Haarlem,klisseboer,omdat hij geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid denRegenzauber:een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te erlangen. Zie hieroverMannhardt,Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; over het LuilakvierenDr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 221.—Deze dag brengt ook deluilakbollen.Pinksteren.Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het Meilief beantwoordt dePinksterbloemofPinksterbruid. Ook zij is een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2enPinksterdag de kleinste meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIeeeuw nog te Amsterdam, Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog kort geleden driemeisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hieroverMr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij insgelijks in een “huisje” met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.Cuyk (N.-B.):Vierge, vierge Pinksterbloem,Daar komt zij aangegangen,Met een krans al om haar hoofdEn twee gebloemde wangen.Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,Dan zullen wij u gaan verkoopen.Dan gaan wij naar het groene woud,Daar zingen de vogeltjes jong en oud,Keert u es om,Draait u es om,Vierge, vierge Pinksterblom.Einighausen (L.):Pinksterbroed,De wien is oet,Wie lengen weer de dagen,Eine mei, eine mei, eine liebesmei,Eine mei van groene blaren.Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):Pinksterbloem, slechte roem,Gij hebt zoolang geslapen;Hadt gij vroeger opgestaan,Dan waart ge mijn kameraadje!De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus delangslaper; want de taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken meimorgen versliep.Mannhardtdaarentegen meent de verklaring van het feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl.bl. 102), mendrijfthem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:

Aerem stokjeTurf in je rokje,Turf in je staart,Aerem stokje is geen oortje meer waard.Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het lezen van ʼt Sint Jans evangelie.ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook Volkskunde XII, bl. 229, waarDr. A. Beetseen oproep richtte tot de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend;Beetsgaf ook den stoot tot de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: VolkskundeXIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40;De Cock, Volkskunde, bl. 241;V. D. Graft, Palmpaasch;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 202.OverKalfdag, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, geplaagd en uitgelachen werd; hij werd “kalf” genoemd. Men vergelijke verder de gebruiken op den 1stenMeidag.—Met dezen dag is deGoede Weekbegonnen, ook wel deHeilige-, Pilatus-, Judas-, Duivelsweek, in protestantsche streken deStille Weekgenoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.Witte of Groene Donderdagdankt zijn naam waarschijnlijk aan de witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei groenten. Men noemt zediscipelen- ofapostelensoep. Hij, die het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In Vlaanderen at men dien dagweitene weggenof wittebrood metmede; dit heettesoppen, vanwaarSoppendonderdag.Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld hetapostelbrokken-rapente Rupelmonde, vlak onder de vensters van ʼt stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden gezegend.Op Witte DonderdagGaan de klokken naar Roomen,Al over hagen en boomen,En Paaschavond komen ze thuis.Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:Den Donderdag is ʼt soppedoppe,Den Vrijdag zoo kruipt men,Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.Dit “kruipt men” heeft betrekking op de kruisvereeniging vanGoeden Vrijdag. Dan rust het werk, met name de timmerlieden en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze een voorbehoedmiddel tegen het “zwart.”GoedenofStillen Zaterdagkeeren vóor de Gloria de klokken uit Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.Paaschdagworden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun “paaschbest” pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag “danst het zonneke van blijdschap.” Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het water, op heilige tijden geput, hetheilawâc, voor zoo bijzonder geneeskrachtig gold?Om middernacht is alle water wijn,Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgenzwijgendgeput, kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de gezondheid.Het gebruik derpaascheierenwas vroeger algemeen en is thans nog in het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eierentikkenofkippenin de gezinnen, plaatselijk ook in ʼt openbaar, b.v. te Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, —maar meestal toch op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds heteiergareneen geliefkoosdspel; ook deneierdanskende men.Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant—spits of bot—onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen behoort eigenlijk het rijmpje:1. Eén ei is geen ei2. Twee ei is een half ei3. Drie ei is een paaschei.Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:Borkeloo, Almen enz.:2. Twee ei paaschei.Venloo:3. Drie ei is een ei4. Vier ei is een paaschei.In vele streken heerscht nog het gebruik—in België, Limburg en Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen—eieren in te zamelen voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:Bimbambeieren,De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:Antwerpen:Vrouw, vrouw geeft ons een ei,Die de zwarte hinne lei!Zijn ze zwart of zijn ze rood,Daarom leggen zij te nood; enz.Haaren (N.-B.):Vrouwke, vrouwke, doe uw best,Haal de eikes uit het nestVan die witte hennen,God zal ze kennen.Een ei is geen ei,De tweede is een half ei,De driede is een paaschei.Van die wit en van die zwart,Geef van elk henneke wat.Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds voor de IVeeeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.Te vermelden vallen nog depaaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het “doornenkroon verbranden”. Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:Heb ie ook ʼen olde mande,Die wie tot Paeschen brande?Heb ie ook ʼen bossien riet?Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:Hei in de Mei,En de muts op zij!Van linksumVan rechtsum,En keer oe weer um.Op Texel:Hooi, heb-je geen strooi,Heb-je geen oude manden?Die zullen in de meierblits branden,Hekken en stekken, joten en palen,Als je niet komt, dan zullen we je halen.Boer, wil-je het laten staan,Hekken en stekken an enden slaan.Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeftProf. Galléeons in de Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:Hei Koerei, hei Koerei,Eén ei is geen ei,Twee ei is ʼn halfei,Drie ei is ʼn paaschei.Dan:Lange, lange riêge,Twintig is en stiège,Dartig is en rozenkrans,Veertig is de poppendans; enz.Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen.Was alles verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een reinigendspringenover het vuur, vgl.bl. 105. Het brandendrad, dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men metMogkals een zonnesymbool kunnen beschouwen; hetHei KoereiofEikoereiherinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud Amsterdamsch paaschavonddeuntje:De dommele metten [donkere metten]De Vaste is uyt!Kyrie eleison!Te Paschen zullen wij eieren eten,Soo is de Vaste al vergeten.Kyrie eleison!Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude offermaaltijden samen depaaschbrooden, paaschmikken(Den Bosch),paaschlammetjesenz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!Elk ʼne zalige Paaschen!Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:Christus is opgestandenAl van de Joden hun handen,Dus willen we allen vroolijk zijn,Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.Over dit lied meer bijDr. J. G. R. Acquoyin het Archief van Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., enDr. C. V. D. Graftin Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, datvlöggelen(vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks den paaschtijd.Zie nogDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 131;J. F. Willems, in het Belgisch Museum 1843, VII;Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H.Maronier, Het Paaschfeest (Arnhem 1894),passim;J. Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch, bl. 602;R. Andree,Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, 340; Driem. Bladen XIII, bl. 43;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 173.Paaschmaandag. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende plaatsen, herinner ik aan debegankenisvan Hakendover, doorFrans van Leemputteop doek gebracht. De processie wordt door honderden ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, want deze ommegangschenkt hem akkerzegen. Deze processie is een overleefsel van den lente-intocht.—n Drente heeft bij het paaschvuur en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog is het notenschieten; zieH. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.OpBeloken Paschen(Dominica in albis, sc. depositis) worden de laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijkBroake-Poaschen.Natte Paschen, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk is dit geenRegenzauber—een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, vergel.bl. 152—maar slechts een overgangsgebruik; ziePaul Sartori,Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.l April.Op den eersten AprilStuurt men de gekken waar men willuidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien dag in Engeland (all fools day), Duitschland, Denemarken, Frankrijk (poissons dʼavril) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in verband te brengen. De Vlaamsche benaming isverzendekensdag.Ik sprakbl. 128reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de gekken (stulti) delangslapersentelaatkomerszijn, dan wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het lentefeest—evenals op de laatste dagen van het jaar—met de sukkelaars in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhoopingvan grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); bij het hooien om eenheuischarm(Assen); bij het stoelmatten om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, plafondschaar (België) enz.; zie vooralDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in ʼt jaar zijn.Meidag. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het lentetijdperk, als het begin van den voorzomer.Bl. 172sprak ik reeds van denmeiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt (hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: “Daar wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren en slingers rijdt men hem rond het dorp”: Volkskunde, XXIII, bl. 122; zie nog vooralDe Cockʼs Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken ofmeien. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende tonen der “Fanfare”, naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij het terugkeeren met groenende twijgen. “Straks keeren de muzikanten opgetogen huiswaarts”; schrijftDr. Knippenberg, “de hoeden omkranst met het jonge loof van den heerlijken Mei” (Limburgʼs Jaarboek XVIII, bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied denliefdemeivoor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking “den coelen mey planten” ten minste reeds in de XVeeeuw voorkomt in eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zieG. Kalff, Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.Het verbreidingsgebied van hetmeitakstekenis zeer groot; vertrouwbare berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.—De meisjes staan op den 1stenMei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochtenmet madeliefjes, die op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit “den Mei gaan zingen”; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:Mei, Mei,Ik plante mijne mei,En ʼk krake mijn ei,En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;Bazinneke, wilde mij een eitje geven,ʼk En zal uw dochterken niet halen!In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk meiliedje aldus:De koude winter is nu verdwenen,Den zoeten zomer die komt er al aan;Dan ziet gij al de bottekens en boomenTe bloeien staan.Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,Zij liet haar vallen al op het kruid,Alle de bloemekens, die sproten daar uit:De dobbele pioene,Die staat er al zoo groene!Ai! wie heeft er de mei van doene?De vischkens in het watere,De vogelkens in de wei,Al die zingen te zamen de groene mei.Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben behouden:Daar ging een patertje langs den kant,met het refrein:Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,Hei ʼt was in de Mei.Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel en Drente—ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten—snijden de jongens een wilgentak af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat van liedjes als dit:Sap, sap, siêpeWanneer zinst doe riêpe?In Mei, in MeiAs alle veugelkens ʼen eiken legt.Woar legt ze dan?In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vindenAs doe dan nich of wisDan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêënAldus te Geesteren; en te Barneveld:Sieppe, sappe, sieppe,Wanneer zuj-je pieppe?Te Mei, te Mei,Dan leggen alle voegeltjes een ei,Behalve de kwartel en de griet,Die leggen in de meimaand niet.Heel of, hallef of,Sniêt ten boer de kop mer of.Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam vanmaien:Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,Oder ich zerschneide dich.Vele rijmpjes gewagen ook van “de booze hesse (hekse)”, die met een scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):Rieke, tieke, taken,Ik wil een fluitje maken,Van wilgen of van esschen,Welke zijn de beste?Heel af, half af,Snijdt de koe den staart af,Maakt er zeven jongen van,Zeven jongen in eenen nest.Zie Limburgʼs Jaarboek I, bl. 68;Dr. Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, 92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In Oldemarkt drijft men ʼs nachts de schapen door het water:Meimaand trekt men de schapen door de vaart,Dan blijven ze van de schurft bewaard.De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: “Meiregen, Meizegen”. Op Texel ontsteekt men den vooravond een lentevuur, de zoogenaamdemeierblits; vergel.bl. 184en Volkskunde XIX, bl. 123.In Oost-Vlaanderen—vooral rond Aalst en Dendermonde—bestaan nogmeigildenmet hun graven of dekens, oorspronkelijk om den meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen,Wylre, Gulpen, Slenaken, Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt—of werd nog zeer kort geleden—demeileeste(Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den kapitein van de “jonkheid”. Op den 1stenMei, of wel op den eersten Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit gebruik is vooral bekend door de novelle vanEcrivisse: Het Meilief van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van hetMailehen(= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar vanValentines.De Meigraaf is in wezen identiek met denLaubkönig, Graskönig, Pfingstlümmelenz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.Te Genemuiden (O.) gaan op den 1stenof 2denMei de kinderen met een versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje in de hand zit, al zingende:Luie motte, luie zotte,Op gaan staan!Die moet naar bed toe gaan.Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.Hemelvaartsdag.ʼs Morgens vroeg ging men voorheen in Hollandhemelvaren,d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels van dit gebruik, dat ookdauwtrappenofdauwtredenwordt genoemd enook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak van 1844, bl. 54.Luilakis de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die ʼt laatst in de werkplaats, de groenteboer, die ʼt laatst aan de markt, de schooljongen, die ʼt laatst op school kwam. Thans nog zijn de Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan de kinderen voor dag en dauw met dekorrie, een laag wagentje aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze—ookluilakoflooielakgenoemd—worden rondgedragen, zingt men:De looie lak, de slaperige zak,Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,Je ken wel weer naar bed toe gaan.Elders:Luilak,Slaapzak,Beddejak,Kermispop,Staat om negen uren op.Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder het zingen van:Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,Gooi dien looielak maar te drijven.Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf,Laubkönigenz., ziebl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeermerkwaardig is het te water gooien; ook degroene Georgewordt bij de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij degroene manof ook, zooals te Haarlem,klisseboer,omdat hij geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid denRegenzauber:een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te erlangen. Zie hieroverMannhardt,Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; over het LuilakvierenDr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 221.—Deze dag brengt ook deluilakbollen.Pinksteren.Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het Meilief beantwoordt dePinksterbloemofPinksterbruid. Ook zij is een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2enPinksterdag de kleinste meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIeeeuw nog te Amsterdam, Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog kort geleden driemeisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hieroverMr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij insgelijks in een “huisje” met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.Cuyk (N.-B.):Vierge, vierge Pinksterbloem,Daar komt zij aangegangen,Met een krans al om haar hoofdEn twee gebloemde wangen.Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,Dan zullen wij u gaan verkoopen.Dan gaan wij naar het groene woud,Daar zingen de vogeltjes jong en oud,Keert u es om,Draait u es om,Vierge, vierge Pinksterblom.Einighausen (L.):Pinksterbroed,De wien is oet,Wie lengen weer de dagen,Eine mei, eine mei, eine liebesmei,Eine mei van groene blaren.Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):Pinksterbloem, slechte roem,Gij hebt zoolang geslapen;Hadt gij vroeger opgestaan,Dan waart ge mijn kameraadje!De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus delangslaper; want de taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken meimorgen versliep.Mannhardtdaarentegen meent de verklaring van het feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl.bl. 102), mendrijfthem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:

Aerem stokjeTurf in je rokje,Turf in je staart,Aerem stokje is geen oortje meer waard.Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het lezen van ʼt Sint Jans evangelie.ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook Volkskunde XII, bl. 229, waarDr. A. Beetseen oproep richtte tot de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend;Beetsgaf ook den stoot tot de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: VolkskundeXIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40;De Cock, Volkskunde, bl. 241;V. D. Graft, Palmpaasch;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 202.OverKalfdag, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, geplaagd en uitgelachen werd; hij werd “kalf” genoemd. Men vergelijke verder de gebruiken op den 1stenMeidag.—Met dezen dag is deGoede Weekbegonnen, ook wel deHeilige-, Pilatus-, Judas-, Duivelsweek, in protestantsche streken deStille Weekgenoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.Witte of Groene Donderdagdankt zijn naam waarschijnlijk aan de witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei groenten. Men noemt zediscipelen- ofapostelensoep. Hij, die het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In Vlaanderen at men dien dagweitene weggenof wittebrood metmede; dit heettesoppen, vanwaarSoppendonderdag.Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld hetapostelbrokken-rapente Rupelmonde, vlak onder de vensters van ʼt stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden gezegend.Op Witte DonderdagGaan de klokken naar Roomen,Al over hagen en boomen,En Paaschavond komen ze thuis.Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:Den Donderdag is ʼt soppedoppe,Den Vrijdag zoo kruipt men,Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.Dit “kruipt men” heeft betrekking op de kruisvereeniging vanGoeden Vrijdag. Dan rust het werk, met name de timmerlieden en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze een voorbehoedmiddel tegen het “zwart.”GoedenofStillen Zaterdagkeeren vóor de Gloria de klokken uit Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.Paaschdagworden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun “paaschbest” pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag “danst het zonneke van blijdschap.” Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het water, op heilige tijden geput, hetheilawâc, voor zoo bijzonder geneeskrachtig gold?Om middernacht is alle water wijn,Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgenzwijgendgeput, kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de gezondheid.Het gebruik derpaascheierenwas vroeger algemeen en is thans nog in het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eierentikkenofkippenin de gezinnen, plaatselijk ook in ʼt openbaar, b.v. te Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, —maar meestal toch op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds heteiergareneen geliefkoosdspel; ook deneierdanskende men.Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant—spits of bot—onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen behoort eigenlijk het rijmpje:1. Eén ei is geen ei2. Twee ei is een half ei3. Drie ei is een paaschei.Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:Borkeloo, Almen enz.:2. Twee ei paaschei.Venloo:3. Drie ei is een ei4. Vier ei is een paaschei.In vele streken heerscht nog het gebruik—in België, Limburg en Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen—eieren in te zamelen voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:Bimbambeieren,De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:Antwerpen:Vrouw, vrouw geeft ons een ei,Die de zwarte hinne lei!Zijn ze zwart of zijn ze rood,Daarom leggen zij te nood; enz.Haaren (N.-B.):Vrouwke, vrouwke, doe uw best,Haal de eikes uit het nestVan die witte hennen,God zal ze kennen.Een ei is geen ei,De tweede is een half ei,De driede is een paaschei.Van die wit en van die zwart,Geef van elk henneke wat.Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds voor de IVeeeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.Te vermelden vallen nog depaaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het “doornenkroon verbranden”. Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:Heb ie ook ʼen olde mande,Die wie tot Paeschen brande?Heb ie ook ʼen bossien riet?Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:Hei in de Mei,En de muts op zij!Van linksumVan rechtsum,En keer oe weer um.Op Texel:Hooi, heb-je geen strooi,Heb-je geen oude manden?Die zullen in de meierblits branden,Hekken en stekken, joten en palen,Als je niet komt, dan zullen we je halen.Boer, wil-je het laten staan,Hekken en stekken an enden slaan.Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeftProf. Galléeons in de Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:Hei Koerei, hei Koerei,Eén ei is geen ei,Twee ei is ʼn halfei,Drie ei is ʼn paaschei.Dan:Lange, lange riêge,Twintig is en stiège,Dartig is en rozenkrans,Veertig is de poppendans; enz.Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen.Was alles verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een reinigendspringenover het vuur, vgl.bl. 105. Het brandendrad, dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men metMogkals een zonnesymbool kunnen beschouwen; hetHei KoereiofEikoereiherinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud Amsterdamsch paaschavonddeuntje:De dommele metten [donkere metten]De Vaste is uyt!Kyrie eleison!Te Paschen zullen wij eieren eten,Soo is de Vaste al vergeten.Kyrie eleison!Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude offermaaltijden samen depaaschbrooden, paaschmikken(Den Bosch),paaschlammetjesenz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!Elk ʼne zalige Paaschen!Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:Christus is opgestandenAl van de Joden hun handen,Dus willen we allen vroolijk zijn,Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.Over dit lied meer bijDr. J. G. R. Acquoyin het Archief van Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., enDr. C. V. D. Graftin Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, datvlöggelen(vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks den paaschtijd.Zie nogDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 131;J. F. Willems, in het Belgisch Museum 1843, VII;Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H.Maronier, Het Paaschfeest (Arnhem 1894),passim;J. Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch, bl. 602;R. Andree,Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, 340; Driem. Bladen XIII, bl. 43;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 173.Paaschmaandag. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende plaatsen, herinner ik aan debegankenisvan Hakendover, doorFrans van Leemputteop doek gebracht. De processie wordt door honderden ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, want deze ommegangschenkt hem akkerzegen. Deze processie is een overleefsel van den lente-intocht.—n Drente heeft bij het paaschvuur en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog is het notenschieten; zieH. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.OpBeloken Paschen(Dominica in albis, sc. depositis) worden de laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijkBroake-Poaschen.Natte Paschen, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk is dit geenRegenzauber—een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, vergel.bl. 152—maar slechts een overgangsgebruik; ziePaul Sartori,Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.l April.Op den eersten AprilStuurt men de gekken waar men willuidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien dag in Engeland (all fools day), Duitschland, Denemarken, Frankrijk (poissons dʼavril) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in verband te brengen. De Vlaamsche benaming isverzendekensdag.Ik sprakbl. 128reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de gekken (stulti) delangslapersentelaatkomerszijn, dan wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het lentefeest—evenals op de laatste dagen van het jaar—met de sukkelaars in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhoopingvan grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); bij het hooien om eenheuischarm(Assen); bij het stoelmatten om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, plafondschaar (België) enz.; zie vooralDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in ʼt jaar zijn.Meidag. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het lentetijdperk, als het begin van den voorzomer.Bl. 172sprak ik reeds van denmeiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt (hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: “Daar wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren en slingers rijdt men hem rond het dorp”: Volkskunde, XXIII, bl. 122; zie nog vooralDe Cockʼs Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken ofmeien. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende tonen der “Fanfare”, naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij het terugkeeren met groenende twijgen. “Straks keeren de muzikanten opgetogen huiswaarts”; schrijftDr. Knippenberg, “de hoeden omkranst met het jonge loof van den heerlijken Mei” (Limburgʼs Jaarboek XVIII, bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied denliefdemeivoor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking “den coelen mey planten” ten minste reeds in de XVeeeuw voorkomt in eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zieG. Kalff, Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.Het verbreidingsgebied van hetmeitakstekenis zeer groot; vertrouwbare berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.—De meisjes staan op den 1stenMei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochtenmet madeliefjes, die op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit “den Mei gaan zingen”; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:Mei, Mei,Ik plante mijne mei,En ʼk krake mijn ei,En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;Bazinneke, wilde mij een eitje geven,ʼk En zal uw dochterken niet halen!In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk meiliedje aldus:De koude winter is nu verdwenen,Den zoeten zomer die komt er al aan;Dan ziet gij al de bottekens en boomenTe bloeien staan.Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,Zij liet haar vallen al op het kruid,Alle de bloemekens, die sproten daar uit:De dobbele pioene,Die staat er al zoo groene!Ai! wie heeft er de mei van doene?De vischkens in het watere,De vogelkens in de wei,Al die zingen te zamen de groene mei.Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben behouden:Daar ging een patertje langs den kant,met het refrein:Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,Hei ʼt was in de Mei.Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel en Drente—ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten—snijden de jongens een wilgentak af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat van liedjes als dit:Sap, sap, siêpeWanneer zinst doe riêpe?In Mei, in MeiAs alle veugelkens ʼen eiken legt.Woar legt ze dan?In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vindenAs doe dan nich of wisDan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêënAldus te Geesteren; en te Barneveld:Sieppe, sappe, sieppe,Wanneer zuj-je pieppe?Te Mei, te Mei,Dan leggen alle voegeltjes een ei,Behalve de kwartel en de griet,Die leggen in de meimaand niet.Heel of, hallef of,Sniêt ten boer de kop mer of.Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam vanmaien:Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,Oder ich zerschneide dich.Vele rijmpjes gewagen ook van “de booze hesse (hekse)”, die met een scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):Rieke, tieke, taken,Ik wil een fluitje maken,Van wilgen of van esschen,Welke zijn de beste?Heel af, half af,Snijdt de koe den staart af,Maakt er zeven jongen van,Zeven jongen in eenen nest.Zie Limburgʼs Jaarboek I, bl. 68;Dr. Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, 92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In Oldemarkt drijft men ʼs nachts de schapen door het water:Meimaand trekt men de schapen door de vaart,Dan blijven ze van de schurft bewaard.De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: “Meiregen, Meizegen”. Op Texel ontsteekt men den vooravond een lentevuur, de zoogenaamdemeierblits; vergel.bl. 184en Volkskunde XIX, bl. 123.In Oost-Vlaanderen—vooral rond Aalst en Dendermonde—bestaan nogmeigildenmet hun graven of dekens, oorspronkelijk om den meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen,Wylre, Gulpen, Slenaken, Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt—of werd nog zeer kort geleden—demeileeste(Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den kapitein van de “jonkheid”. Op den 1stenMei, of wel op den eersten Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit gebruik is vooral bekend door de novelle vanEcrivisse: Het Meilief van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van hetMailehen(= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar vanValentines.De Meigraaf is in wezen identiek met denLaubkönig, Graskönig, Pfingstlümmelenz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.Te Genemuiden (O.) gaan op den 1stenof 2denMei de kinderen met een versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje in de hand zit, al zingende:Luie motte, luie zotte,Op gaan staan!Die moet naar bed toe gaan.Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.Hemelvaartsdag.ʼs Morgens vroeg ging men voorheen in Hollandhemelvaren,d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels van dit gebruik, dat ookdauwtrappenofdauwtredenwordt genoemd enook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak van 1844, bl. 54.Luilakis de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die ʼt laatst in de werkplaats, de groenteboer, die ʼt laatst aan de markt, de schooljongen, die ʼt laatst op school kwam. Thans nog zijn de Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan de kinderen voor dag en dauw met dekorrie, een laag wagentje aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze—ookluilakoflooielakgenoemd—worden rondgedragen, zingt men:De looie lak, de slaperige zak,Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,Je ken wel weer naar bed toe gaan.Elders:Luilak,Slaapzak,Beddejak,Kermispop,Staat om negen uren op.Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder het zingen van:Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,Gooi dien looielak maar te drijven.Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf,Laubkönigenz., ziebl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeermerkwaardig is het te water gooien; ook degroene Georgewordt bij de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij degroene manof ook, zooals te Haarlem,klisseboer,omdat hij geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid denRegenzauber:een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te erlangen. Zie hieroverMannhardt,Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; over het LuilakvierenDr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 221.—Deze dag brengt ook deluilakbollen.Pinksteren.Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het Meilief beantwoordt dePinksterbloemofPinksterbruid. Ook zij is een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2enPinksterdag de kleinste meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIeeeuw nog te Amsterdam, Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog kort geleden driemeisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hieroverMr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij insgelijks in een “huisje” met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.Cuyk (N.-B.):Vierge, vierge Pinksterbloem,Daar komt zij aangegangen,Met een krans al om haar hoofdEn twee gebloemde wangen.Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,Dan zullen wij u gaan verkoopen.Dan gaan wij naar het groene woud,Daar zingen de vogeltjes jong en oud,Keert u es om,Draait u es om,Vierge, vierge Pinksterblom.Einighausen (L.):Pinksterbroed,De wien is oet,Wie lengen weer de dagen,Eine mei, eine mei, eine liebesmei,Eine mei van groene blaren.Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):Pinksterbloem, slechte roem,Gij hebt zoolang geslapen;Hadt gij vroeger opgestaan,Dan waart ge mijn kameraadje!De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus delangslaper; want de taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken meimorgen versliep.Mannhardtdaarentegen meent de verklaring van het feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl.bl. 102), mendrijfthem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:

Aerem stokjeTurf in je rokje,Turf in je staart,Aerem stokje is geen oortje meer waard.

Aerem stokjeTurf in je rokje,Turf in je staart,Aerem stokje is geen oortje meer waard.

Aerem stokje

Turf in je rokje,

Turf in je staart,

Aerem stokje is geen oortje meer waard.

Een lentegebruik, ten deele christelijk gekleurd, leeft ten slotte nog in het steken van gewijde en niet-gewijde palmtakjes achter de daksparren, in de schuur, in het woonvertrek, in den akker enz., en dat gebruik is over geheel Nederland en België verspreid. In België, Noord-Brabant en Limburg steekt men een palmtakje op de vier hoeken van den akker ter bevordering der vruchtbaarheid, veelal onder het lezen van ʼt Sint Jans evangelie.

ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 160 vlg., 246 vlg.; vooral ook Volkskunde XII, bl. 229, waarDr. A. Beetseen oproep richtte tot de lezers, om nadere berichten over de palmpaasch te ontvangen. Aan dezen oproep werd vlijtig gehoor verleend;Beetsgaf ook den stoot tot de palmpaaschtentoonstelling te Utrecht in 1906. Verder: VolkskundeXIII, bl. 52, 81, 104; XIV, bl. 117, 221; XVII, bl. 1; XVIII, bl. 40; XX, bl. 157, 205; Driem. Bladen II, bl. 95; VI, bl. 40;De Cock, Volkskunde, bl. 241;V. D. Graft, Palmpaasch;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 202.

OverKalfdag, den dag na Palmzondag, werd reeds bl. 127 een woord gezegd. Het wijst stellig op een lentegebruik, wanneer te Brugge en elders de leerling, die dien dag het laatst in school of thuis kwam, geplaagd en uitgelachen werd; hij werd “kalf” genoemd. Men vergelijke verder de gebruiken op den 1stenMeidag.—

Met dezen dag is deGoede Weekbegonnen, ook wel deHeilige-, Pilatus-, Judas-, Duivelsweek, in protestantsche streken deStille Weekgenoemd. Het weêr is in deze week meestal slecht, meent het volk.

Witte of Groene Donderdagdankt zijn naam waarschijnlijk aan de witte misgewaden, die de priester dien dag aanlegt. In de omstreken van Weert en Thorn (L.) eet men dien dag soep van twaalfderlei groenten. Men noemt zediscipelen- ofapostelensoep. Hij, die het eerst den lepel in den schotel steekt, wordt Judas genoemd. In Vlaanderen at men dien dagweitene weggenof wittebrood metmede; dit heettesoppen, vanwaarSoppendonderdag.

Als bijzondere eigenaardigheid dient nog vermeld hetapostelbrokken-rapente Rupelmonde, vlak onder de vensters van ʼt stadhuis; zie Volkskunde XX, bl. 163.

Na de Gloria zwijgt in de kerken klok, orgel en bel. Dan gaan de klokken naar Rome, zeggen de kinderen, om door den paus te worden gezegend.

Op Witte DonderdagGaan de klokken naar Roomen,Al over hagen en boomen,En Paaschavond komen ze thuis.

Op Witte DonderdagGaan de klokken naar Roomen,Al over hagen en boomen,En Paaschavond komen ze thuis.

Op Witte Donderdag

Gaan de klokken naar Roomen,

Al over hagen en boomen,

En Paaschavond komen ze thuis.

Aldus een Vlaamsch rijmpje; de Westvlaamsche speldenwerksters tellen:

Den Donderdag is ʼt soppedoppe,Den Vrijdag zoo kruipt men,Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.

Den Donderdag is ʼt soppedoppe,Den Vrijdag zoo kruipt men,Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.

Den Donderdag is ʼt soppedoppe,

Den Vrijdag zoo kruipt men,

Den Zaterdag klopt men de Vasten uit.

Dit “kruipt men” heeft betrekking op de kruisvereeniging van

Goeden Vrijdag. Dan rust het werk, met name de timmerlieden en smeden staken den arbeid, ter gedachtenis aan de kruisiging des Heeren. De visschers steken niet in zee, want de vischvangst zou niet slagen. Eigenaardige kracht wordt dien dag aan bloemen en gewassen toegekend, die eenigermate den kerstnacht in herinnering roept: fruitboomen, dan begoten, schenken veel ooft; wie violier zaait, zal dubbele bloemen hebben. Eieren, op Goeden Vrijdag gelegd, beschermen tegen den bliksem en, in het zaadkoren gemengd, zijn ze een voorbehoedmiddel tegen het “zwart.”

GoedenofStillen Zaterdagkeeren vóor de Gloria de klokken uit Rome terug en brengen de paascheieren mee. De kinderen worden naar buiten gestuurd, om de voorschooten op te houden en de eieren, die wel eens uit de lucht vallen, op te vangen.

Paaschdagworden de eieren achter struiken of allerlei voorwerpen verborgen, en de kinderen gaan ze zoeken. De klokken hebben ze meegebracht, of de paaschvogel of de paaschhaas (deze is eigenlijk meer een oostelijk import). Het is een blijde dag voor de kinderen, maar evenzeer voor de volwassenen, die zich steken in hun “paaschbest” pak. Ook de natuur werkt mee: immers, op Paaschdag “danst het zonneke van blijdschap.” Wat wonder, dat aan het water dien dag een bijzondere geneeskracht wordt toegeschreven, waar reeds in overoude tijden het water, op heilige tijden geput, hetheilawâc, voor zoo bijzonder geneeskrachtig gold?

Om middernacht is alle water wijn,Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,

Om middernacht is alle water wijn,Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,

Om middernacht is alle water wijn,

Als onze Heer Jezus zal verrezen zijn,

luidt het te Erembodegem. Water, op paaschmorgenzwijgendgeput, kan niet bederven. Koud water, op dezen dag gedronken, sterkt de gezondheid.

Het gebruik derpaascheierenwas vroeger algemeen en is thans nog in het Zuiden van Groot-Nederland overheerschend. Ook in Friesland bestaat plaatselijk thans nog het maal op Paaschdag zoo goed als uitsluitend uit een schotel gekookte eieren. Veelal worden de eieren gekleurd, geel, oranje, rood, paars enz. Verder placht men vroeger in Limburg sommige eieren te laten zegenen, om ze dan na de hoogmis ten geschenke te geven. Nog heden bestaat de gewoonte van het eierentikkenofkippenin de gezinnen, plaatselijk ook in ʼt openbaar, b.v. te Venloo op de markt. Eertijds gebeurde dit te Arnhem op de Praast, te Wageningen en Nunspeet op den Paaschberg, te Tiel op de Hooge Weide, te Deventer op de Worp, te Zwolle op en bij den Spoolderberg, te Lochem op den Paaschberg, te Winterswijk op de Weme, te Ootmarsum op den Paaschkamp, te Dwingeloo op het Dwingelerzand, —maar meestal toch op Paaschmaandag. Te Nes op Ameland gaan op Paaschdinsdag de kinderen naar de Paaschduin eiersmijten of eierrollen. De eieren worden tot dit doel hard gekookt in koffie, in water met uienschillen, of in andere kleurstoffen. Het spel bestaat hoofdzakelijk in het laten afrollen van hardgekookte eieren langs de hellingen der duinen; breekt er een, dit wordt terstond opgegeten. Op Walcheren was eertijds heteiergareneen geliefkoosdspel; ook deneierdanskende men.

Wat het eieren-kippen betreft, hierbij wint hij het, die het sterkste ei heeft; houdt elk der partijen bij het kippen éen kant—spits of bot—onbeschadigd, dan blijft het pleit onbeslist. Bij het kippen behoort eigenlijk het rijmpje:

1. Eén ei is geen ei2. Twee ei is een half ei3. Drie ei is een paaschei.

1. Eén ei is geen ei2. Twee ei is een half ei3. Drie ei is een paaschei.

1. Eén ei is geen ei

2. Twee ei is een half ei

3. Drie ei is een paaschei.

Dit rijmpje wordt zoo goed als over het geheele land gezongen met tallooze varianten, waarvan wel de voornaamste zijn:

Borkeloo, Almen enz.:

2. Twee ei paaschei.

2. Twee ei paaschei.

2. Twee ei paaschei.

Venloo:

3. Drie ei is een ei4. Vier ei is een paaschei.

3. Drie ei is een ei4. Vier ei is een paaschei.

3. Drie ei is een ei

4. Vier ei is een paaschei.

In vele streken heerscht nog het gebruik—in België, Limburg en Noord-Brabant op de dorpen zoo goed als algemeen—eieren in te zamelen voor pastoor en koster, vroeger ook voor den onderwijzer. Plaatselijk, b.v. te Simpelveld (L.), doen dit de misdienaars; maar veelal heeft de inzameling reeds op Witten Donderdag of op Goeden Zaterdag plaats. Te Welle gaat nog telken jare de klokluider-doodgraver om eieren rond. Op het klokkenluiden ten teeken van dezen rondgang wijst het lied:

Bimbambeieren,De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.

Bimbambeieren,De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.

Bimbambeieren,

De koster lust geen eieren,

Wat lust hij dan?

Spek in de pan,

Met een roggen boterham.

Ook gaan de kinderen wel voor hen zelf om eieren rond, en zingen dan:

Antwerpen:

Vrouw, vrouw geeft ons een ei,Die de zwarte hinne lei!Zijn ze zwart of zijn ze rood,Daarom leggen zij te nood; enz.

Vrouw, vrouw geeft ons een ei,Die de zwarte hinne lei!Zijn ze zwart of zijn ze rood,Daarom leggen zij te nood; enz.

Vrouw, vrouw geeft ons een ei,

Die de zwarte hinne lei!

Zijn ze zwart of zijn ze rood,

Daarom leggen zij te nood; enz.

Haaren (N.-B.):

Vrouwke, vrouwke, doe uw best,Haal de eikes uit het nestVan die witte hennen,God zal ze kennen.Een ei is geen ei,De tweede is een half ei,De driede is een paaschei.Van die wit en van die zwart,Geef van elk henneke wat.

Vrouwke, vrouwke, doe uw best,Haal de eikes uit het nestVan die witte hennen,God zal ze kennen.Een ei is geen ei,De tweede is een half ei,De driede is een paaschei.Van die wit en van die zwart,Geef van elk henneke wat.

Vrouwke, vrouwke, doe uw best,

Haal de eikes uit het nest

Van die witte hennen,

God zal ze kennen.

Een ei is geen ei,

De tweede is een half ei,

De driede is een paaschei.

Van die wit en van die zwart,

Geef van elk henneke wat.

Het paaschei is het zinnebeeld van het jeugdig-ontkiemende leven, het symbool van de vruchtbaarheid, zooals uit de vergelijking met andere volksgebruiken, zoo b.v. het ei aan den Meiboom en de Laatste Schoof duidelijk blijkt. Daarom vindt men het ei ook wel in graven; zoo werden b.v. in 1892 geverfde eieren gevonden bij Worms in een steenen graf, dat een meisjesskelet en munten uit 320 v. Chr. bevatte. Maar het ei heeft christelijke beteekenis erlangd en werd beschouwd als het symbool der Verrijzenis, vanwaar het zegenen van eieren, dat reeds voor de IVeeeuw bewijsbaar is. Hierbij komt de groote ekonomische beteekenis der eieren als voedingsmiddel voor een eenvoudig gezin voor dezen tijd van het jaar, waarop het inzamelen van eieren, dat vroeger zeer zeker meer algemeen was, schijnt te wijzen.

Te vermelden vallen nog depaaschvuren, waarbij de teerton plaatselijk onmisbaar schijnt: lentevuren, die vruchtbaarheid brengen over de velden en stallen, en die vreugdevuren werden of ook zuiveringsvuren in christelijken zin, want het volk spreekt dichterlijk van het “doornenkroon verbranden”. Van Geldersche, Limburgsche en Brabantsche dorpen, waar men paaschvuren brandt, noem ik b.v. Reek, Beers, Velp, Ewijk, Afferden. Ook in het Zutfensche, op de Veluwe, in Overijssel en Drente zijn de overoude paaschvuren nog in eere, Te Dwftigeloo wordt bij het ophalen der brandstof gezongen:

Heb ie ook ʼen olde mande,Die wie tot Paeschen brande?Heb ie ook ʼen bossien riet?Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.

Heb ie ook ʼen olde mande,Die wie tot Paeschen brande?Heb ie ook ʼen bossien riet?Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.

Heb ie ook ʼen olde mande,

Die wie tot Paeschen brande?

Heb ie ook ʼen bossien riet?

Oare hebben wie veur ʼt paaschvuur niet.

Te Gorssel zingt men bij het paaschvuur dit rijmpje:

Hei in de Mei,En de muts op zij!Van linksumVan rechtsum,En keer oe weer um.

Hei in de Mei,En de muts op zij!Van linksumVan rechtsum,En keer oe weer um.

Hei in de Mei,

En de muts op zij!

Van linksum

Van rechtsum,

En keer oe weer um.

Op Texel:

Hooi, heb-je geen strooi,Heb-je geen oude manden?Die zullen in de meierblits branden,Hekken en stekken, joten en palen,Als je niet komt, dan zullen we je halen.Boer, wil-je het laten staan,Hekken en stekken an enden slaan.

Hooi, heb-je geen strooi,Heb-je geen oude manden?Die zullen in de meierblits branden,Hekken en stekken, joten en palen,Als je niet komt, dan zullen we je halen.Boer, wil-je het laten staan,Hekken en stekken an enden slaan.

Hooi, heb-je geen strooi,

Heb-je geen oude manden?

Die zullen in de meierblits branden,

Hekken en stekken, joten en palen,

Als je niet komt, dan zullen we je halen.

Boer, wil-je het laten staan,

Hekken en stekken an enden slaan.

Laat ik nog met name de plaatsen Lochem, Barchem, Zwiep en Vorden vermelden. Ook te Nes op Ameland, bij de katholieke kerk, wordt het paaschvuur gebrand. Van het Vordensche geeftProf. Galléeons in de Driem. Bladen I, bl. 24 ongeveer de volgende beschrijving. In een weide was een groote stapel takkeboomen gevlijd op dikke blokken, met een paal in het midden. Boven op den paal was een rad, met een palmpaasch. De takkebossen werden aangestoken met een brandend stuk hout, dat uit den haard was gehaald. Als de stapel brandde, werd een groote rondedans hand aan hand om het vuur gehouden, drie maal rechtsom en driemaal linksom. Hierbij werden liederen gezongen als:

Hei Koerei, hei Koerei,Eén ei is geen ei,Twee ei is ʼn halfei,Drie ei is ʼn paaschei.

Hei Koerei, hei Koerei,Eén ei is geen ei,Twee ei is ʼn halfei,Drie ei is ʼn paaschei.

Hei Koerei, hei Koerei,

Eén ei is geen ei,

Twee ei is ʼn halfei,

Drie ei is ʼn paaschei.

Dan:

Lange, lange riêge,Twintig is en stiège,Dartig is en rozenkrans,Veertig is de poppendans; enz.

Lange, lange riêge,Twintig is en stiège,Dartig is en rozenkrans,Veertig is de poppendans; enz.

Lange, lange riêge,

Twintig is en stiège,

Dartig is en rozenkrans,

Veertig is de poppendans; enz.

Na den reidans kreeg ieder een brandend stuk hout in de hand en al zingend liep men met het hout in de rechterhand, die naar het vuur gekeerd was, en daarna omgekeerd in de linkerhand, om het vuur heen. Daarna werden de stukken hout op den hoop geworpen.Was alles verbrand, dan kreeg ieder, die maar wilde, een stuk verkoold hout. Dit is natuurlijk onheilwerend en vruchtbaarheidverleenend.

Wij hebben hier het lentevuur in een zeer oorspronkelijken vorm; vooral de rondedans om het vuur, waarbij eigenlijk nog behoort een reinigendspringenover het vuur, vgl.bl. 105. Het brandendrad, dat elders bij de lentevuren een zoo voorname rol speelt, zou men metMogkals een zonnesymbool kunnen beschouwen; hetHei KoereiofEikoereiherinnert, zooals gezegd (bl. 176), aan de verbinding van volksgebruik en eeredienst. Dit wordt bevestigd door een oud Amsterdamsch paaschavonddeuntje:

De dommele metten [donkere metten]De Vaste is uyt!Kyrie eleison!Te Paschen zullen wij eieren eten,Soo is de Vaste al vergeten.Kyrie eleison!

De dommele metten [donkere metten]De Vaste is uyt!Kyrie eleison!Te Paschen zullen wij eieren eten,Soo is de Vaste al vergeten.Kyrie eleison!

De dommele metten [donkere metten]

De Vaste is uyt!

Kyrie eleison!

Te Paschen zullen wij eieren eten,

Soo is de Vaste al vergeten.

Kyrie eleison!

Met deze paaschvuren hangen als herinneringen aan overoude offermaaltijden samen depaaschbrooden, paaschmikken(Den Bosch),paaschlammetjesenz. In België is het paaschbrood meestal in onbruik geraakt, terwijl dit in het Noorden van ons volksgebied juist tot de schaarsche overblijfsels der voormalige feestviering behoort. Groote verscheidenheid van paaschkoeken kent men te Roesselare:

ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!Elk ʼne zalige Paaschen!

ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!Elk ʼne zalige Paaschen!

ʼt Zit ʼnen Allelujakoeke in den oven!

Elk ʼne zalige Paaschen!

Er rest mij, de aandacht te vestigen op de eigenaardige wijze, waarop het paaschfeest te Ootmarsum (O.) wordt gevierd. Op Paaschzondag komen vroeg in den morgen eenige mannen en jongens op de markt bijeen en heffen daar het oude paaschlied aan, waarvan de eerste strofe luidt:

Christus is opgestandenAl van de Joden hun handen,Dus willen we allen vroolijk zijn,Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.

Christus is opgestandenAl van de Joden hun handen,Dus willen we allen vroolijk zijn,Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.

Christus is opgestanden

Al van de Joden hun handen,

Dus willen we allen vroolijk zijn,

Christus zal onze verlosser zijn. Halleluja.

Over dit lied meer bijDr. J. G. R. Acquoyin het Archief van Nederl. Kerkgeschiedenis I, bl. i vlg., enDr. C. V. D. Graftin Volkskunde XXII, bl. 45 vlg. Ook elders in Overijssel wordt dit lied nog gezongen en wel bij het paaschvuur. Zingend trekken de Ootmarsummers de straten door, keeren op het marktplein terug en gaan ter kerke. In den namiddag wordt dit gezang herhaald en besloten door den middagdienst. Tegen vier uur wordt nogmaals gezongen bij het paaschvuur. Dan trekt men naar de stad terug; bij den ingang geven mannen, vrouwen, jongens, meisjes, kinderen elkaar de hand, en nu gaat het in lange rijen zingend over de straten en door de huizen, tot eindelijk op de markt de slotplechtigheid plaats heeft. Dit gebruik, datvlöggelen(vleugelen) heet, wordt op Paaschmaandag herhaald. Het pleit weer voor den samenhang van liturgie en volksgebruiken en herinnert aan den Middeleeuwschen dramatischen kerkdienst en de paaschprocessie, of althans aan den vasten processiegang omstreeks den paaschtijd.

Zie nogDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 78;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 131;J. F. Willems, in het Belgisch Museum 1843, VII;Pol de Mont, in het Nederl. Museum 1888, I, bl. 181; Loquela 1886, bl. 25; Noordbrabantsche Volksalm. 1843, bl. 55;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 205. J. H.Maronier, Het Paaschfeest (Arnhem 1894),passim;J. Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch, bl. 602;R. Andree,Braunschweiger Volkskunde, bl. 337, 340; Driem. Bladen XIII, bl. 43;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 173.

Paaschmaandag. Behalve de reeds besproken viering op de verschillende plaatsen, herinner ik aan debegankenisvan Hakendover, doorFrans van Leemputteop doek gebracht. De processie wordt door honderden ruiters vergezeld, die, evenals de nieuwsgierigen, dwars door de velden draven op hunne met groen en bloemen versierde paarden en de vruchten vertrappen, zonder eenig verzet vanwege den eigenaar. Integendeel, want deze ommegangschenkt hem akkerzegen. Deze processie is een overleefsel van den lente-intocht.—n Drente heeft bij het paaschvuur en het fakkelen der jeugd het eiertikken plaats; maar meer bekend nog is het notenschieten; zieH. Tiesing, Vragen van den Dag XXII, bl. 865.

OpBeloken Paschen(Dominica in albis, sc. depositis) worden de laatste paascheieren gegeten, maar strikt genomen geen gekleurde. De volksetymologie maakt van deze benaming in Limburg plaatselijkBroake-Poaschen.

Natte Paschen, Tweede Zondag na Paschen, worden de nieuwe knechten en meiden, die dien dag na de Vespers in dienst treden, te Ziewent en andere plaatsen van den Achterhoek door de huisgenooten en vooral door de reeds in dienst zijnde knechts en meiden nat gemaakt, totdat zij bij den haard zijn genaderd en het haal hebben vastgegrepen. Waarschijnlijk is dit geenRegenzauber—een sympathetisch vruchtbaarheidsgebruik, vergel.bl. 152—maar slechts een overgangsgebruik; ziePaul Sartori,Sitte und Brauch II (Leipzig 1911), bl. 92, 61.

l April.

Op den eersten AprilStuurt men de gekken waar men wil

Op den eersten AprilStuurt men de gekken waar men wil

Op den eersten April

Stuurt men de gekken waar men wil

luidt een bekend rijmpje en, evenals in onze landen, pleegt men dien dag in Engeland (all fools day), Duitschland, Denemarken, Frankrijk (poissons dʼavril) enz. elkaar beet te nemen door het verzinnen eener looze of onmogelijke boodschap. Uit deze algemeenheid blijkt, dat het niet aangaat, de Aprilgrappen met een historisch feit in verband te brengen. De Vlaamsche benaming isverzendekensdag.

Ik sprakbl. 128reeds over de overeenkomst tusschen Verzendekensdag en St. Thomasdag. Neemt men over het algemeen aan, dat de gekken (stulti) delangslapersentelaatkomerszijn, dan wordt het begrijpelijk, waarom men juist in den aanvang van het lentefeest—evenals op de laatste dagen van het jaar—met de sukkelaars in het algemeen zijn spel drijft. Het is dan een opeenhoopingvan grappen en aardigheden, die anders slechts bij vaste gelegenheden plaats hebben. B.v. bij het slachten stuurt men om een worstpatroon, een penshaak, een bloedboor (te Gieten, Tinaarloo, Westervelde); bij het hooien om eenheuischarm(Assen); bij het stoelmatten om de stoelschaar. Zoo kent men ook een balkenschaar, hooischaar, plafondschaar (België) enz.; zie vooralDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 176; verder Driem. Bladen XI, bl. 6. Op 1 April stuurt men om muggenvet, Aprilzaad enz. Ter vergelijking diene nog, dat men op den laatsten dag van het jaar kinderen en sukkelaars naar de markt stuurt, om den man te gaan zien, die zooveel neuzen heeft, als er (nog) dagen in ʼt jaar zijn.

Meidag. De eerste Mei geldt als de heerlijkste dag van het lentetijdperk, als het begin van den voorzomer.Bl. 172sprak ik reeds van denmeiboom. Het was oorspronkelijk een groote, levende boom en het planten droeg een officieel, gemeenschappelijk karakter. Maar op den duur trad de overheid tegen dit gebruik op, en zóo ontstond de boom, dien wij nog sporadisch aantreffen: een hooge staak met schamele versiering van loovertjes, linten en klatergoud. Wellicht is het nog een overblijfsel van de gewoonte, den meiboom uit het bosch te halen, dat men in den Achterhoek, en ook te Ede, Bennekom enz., bij het omhakken van akkermaalshout telkens éen recht stammetje laat staan; zie Driem. Bladen VI, bl. 32, 44.

Daarentegen is het aloude meiboomplanten nog vrij goed bewaard gebleven in enkele Limburgsche dorpen: Valkenburg, Berg en Terblijt (hier althans nog voor enkele jaren), Afferden, Kerkrade: “Daar wordt de Mei-den nog geplant, dien de jeugd voor dit doel, met of zonder toestemming van den eigenaar, in het bosch heeft geveld. De mooiste, hoogste boom wordt gekozen; en opgesierd met bonte papieren en slingers rijdt men hem rond het dorp”: Volkskunde, XXIII, bl. 122; zie nog vooralDe Cockʼs Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en zeden, bl. 181 vlg.

Intusschen speelt het meer bescheiden, spichtiger meiboompje en eveneens de kleine, sobere meitak en meidoorn nog een voorname rol overal, waar natuurpoëzie en gevoel voor natuurschoon nog niet door banale alledaagschheid werd gedoofd. Den eersten dag van Wonne- of Bloeimaand siert men plaatselijk nog de huizen met meitakken ofmeien. Dan tijgt het Venloosche volk, onder de schetterende tonen der “Fanfare”, naar het kapelletje Genooi en tooit zich bij het terugkeeren met groenende twijgen. “Straks keeren de muzikanten opgetogen huiswaarts”; schrijftDr. Knippenberg, “de hoeden omkranst met het jonge loof van den heerlijken Mei” (Limburgʼs Jaarboek XVIII, bl. 160). Maar vooral ook plant men in het zuidelijk volksgebied denliefdemeivoor de deur of steekt hem op het dak. Dit gebruik moet zeer oud zijn, hetgeen o.a. hieruit blijkt, dat de uitdrukking “den coelen mey planten” ten minste reeds in de XVeeeuw voorkomt in eene overdrachtelijke beteekenis, die voor de hand ligt; zieG. Kalff, Het lied in de Middeleeuwen (Leiden 1883), bl. 302.

Het verbreidingsgebied van hetmeitakstekenis zeer groot; vertrouwbare berichten gewerden mij hieromtrent o.a. uit Sittard, Buggenum, Heeze, Soerendonk, Valkenburg, Berg en Terblijt, Hooge Mierse, Reusel, Mierde, Hunsel, Waalre, Velthoven enz. Men steekt doorgaans meitakken op het huis der geliefde; maar ook worden de huwbare meisjes over het algemeen bedacht, en de takken spreken een voor ieder verstaanbare taal. Fijne mast duidt goedheid aan; dennentak (steeds groen): gestadige liefde; berkentak: goed en schoon. Deze takken spreken echter niet alleen lof, maar ook blaam; zoo b.v. kersentak (waaraan ieder plukt): veranderlijk; hagedoorn: stekelig, een katje, niet zonder handschoen aan te vatten; rusch (bieschbosje): houdt het met elken vrijer.—De meisjes staan op den 1stenMei vroeg op, benieuwd, welke meitak haar deel zal zijn. Den fijnen mast laten zij zoo lang mogelijk staan prijken.

Op Ameland maakten vroeger de kinderen op den eersten Mei een kroon in den vorm van een hoepel of ring, geheel omvlochtenmet madeliefjes, die op het eiland meibloempjes (elders meizoentjes) worden genoemd. Met meitakken in de hand, gaan thans nog in Vlaanderen de kinderen op den vooravond van deur tot deur en vereeren hem met een twijg, die eieren of versnaperingen schenkt. In het Gentsche noemt men dit “den Mei gaan zingen”; want meiliedjes zingend, trekken de kleinen rond. Te Hansbeke heeft het meilied dezen verkorten vorm:

Mei, Mei,Ik plante mijne mei,En ʼk krake mijn ei,En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;Bazinneke, wilde mij een eitje geven,ʼk En zal uw dochterken niet halen!

Mei, Mei,Ik plante mijne mei,En ʼk krake mijn ei,En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;Bazinneke, wilde mij een eitje geven,ʼk En zal uw dochterken niet halen!

Mei, Mei,

Ik plante mijne mei,

En ʼk krake mijn ei,

En de dorre [dooier] viel uit mijn schale;

Bazinneke, wilde mij een eitje geven,

ʼk En zal uw dochterken niet halen!

In Oost-Vlaanderen, op de Nederlandsche grens, luidt een verrukkelijk meiliedje aldus:

De koude winter is nu verdwenen,Den zoeten zomer die komt er al aan;Dan ziet gij al de bottekens en boomenTe bloeien staan.

De koude winter is nu verdwenen,Den zoeten zomer die komt er al aan;Dan ziet gij al de bottekens en boomenTe bloeien staan.

De koude winter is nu verdwenen,

Den zoeten zomer die komt er al aan;

Dan ziet gij al de bottekens en boomen

Te bloeien staan.

Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,Zij liet haar vallen al op het kruid,Alle de bloemekens, die sproten daar uit:De dobbele pioene,Die staat er al zoo groene!Ai! wie heeft er de mei van doene?De vischkens in het watere,De vogelkens in de wei,Al die zingen te zamen de groene mei.

Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,Zij liet haar vallen al op het kruid,Alle de bloemekens, die sproten daar uit:De dobbele pioene,Die staat er al zoo groene!Ai! wie heeft er de mei van doene?De vischkens in het watere,De vogelkens in de wei,Al die zingen te zamen de groene mei.

Onze lieve Vrouw, die weerdige bruid,

Zij liet haar vallen al op het kruid,

Alle de bloemekens, die sproten daar uit:

De dobbele pioene,

Die staat er al zoo groene!

Ai! wie heeft er de mei van doene?

De vischkens in het watere,

De vogelkens in de wei,

Al die zingen te zamen de groene mei.

Van de Noordnederlandsche meiliedjes is stellig het meest bekende en meest verspreide, hetgeen wij thans nog slechts als parodie hebben behouden:

Daar ging een patertje langs den kant,

Daar ging een patertje langs den kant,

Daar ging een patertje langs den kant,

met het refrein:

Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,Hei ʼt was in de Mei.

Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,Hei ʼt was in de Mei.

Hei ʼt was in de Mei, Mei, Mei,

Hei ʼt was in de Mei.

Een ander meiliedje heeft betrekking op het snijden van fluitjes uit wilgenhout, dat den eersten meidag begint. In Gelderland, Overijssel en Drente—ik noem hier b.v. Geesteren, Ootmarsum, Ochten, Avereest, Koekange, Elspeet, Oldemarkt, Druten—snijden de jongens een wilgentak af, maken dien nat, en kloppen dan met het hecht van het mes zacht in de rondte, waardoor de bast loslaat. Het kloppen geschiedt op maat van liedjes als dit:

Sap, sap, siêpeWanneer zinst doe riêpe?In Mei, in MeiAs alle veugelkens ʼen eiken legt.Woar legt ze dan?In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vindenAs doe dan nich of wisDan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêën

Sap, sap, siêpeWanneer zinst doe riêpe?In Mei, in MeiAs alle veugelkens ʼen eiken legt.Woar legt ze dan?In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vindenAs doe dan nich of wisDan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêën

Sap, sap, siêpe

Wanneer zinst doe riêpe?

In Mei, in Mei

As alle veugelkens ʼen eiken legt.

Woar legt ze dan?

In ʼt spinvat, doar kan ze nummes nich vinden

As doe dan nich of wis

Dan zaʼk diê met ʼt mesken den hals afsniêën

Aldus te Geesteren; en te Barneveld:

Sieppe, sappe, sieppe,Wanneer zuj-je pieppe?Te Mei, te Mei,Dan leggen alle voegeltjes een ei,Behalve de kwartel en de griet,Die leggen in de meimaand niet.Heel of, hallef of,Sniêt ten boer de kop mer of.

Sieppe, sappe, sieppe,Wanneer zuj-je pieppe?Te Mei, te Mei,Dan leggen alle voegeltjes een ei,Behalve de kwartel en de griet,Die leggen in de meimaand niet.Heel of, hallef of,Sniêt ten boer de kop mer of.

Sieppe, sappe, sieppe,

Wanneer zuj-je pieppe?

Te Mei, te Mei,

Dan leggen alle voegeltjes een ei,

Behalve de kwartel en de griet,

Die leggen in de meimaand niet.

Heel of, hallef of,

Sniêt ten boer de kop mer of.

Met de bedreiging in den laatsten regel der beide rijmpjes vergelijke men den aanvang van het fluitjesliedje, dat de jongens in Holstein en Karinthië zingen. Het fluitjessnijden draagt den naam vanmaien:

Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,Oder ich zerschneide dich.

Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,Oder ich zerschneide dich.

Pfeifel, Pfeifel, ich maiʼ dich,

Oder ich zerschneide dich.

Vele rijmpjes gewagen ook van “de booze hesse (hekse)”, die met een scherp mes het katje den kop afsnijdt. Eenigszins afwijkend luidt een meifluitjes-deuntje te Horst (L.):

Rieke, tieke, taken,Ik wil een fluitje maken,Van wilgen of van esschen,Welke zijn de beste?Heel af, half af,Snijdt de koe den staart af,Maakt er zeven jongen van,Zeven jongen in eenen nest.

Rieke, tieke, taken,Ik wil een fluitje maken,Van wilgen of van esschen,Welke zijn de beste?Heel af, half af,Snijdt de koe den staart af,Maakt er zeven jongen van,Zeven jongen in eenen nest.

Rieke, tieke, taken,

Ik wil een fluitje maken,

Van wilgen of van esschen,

Welke zijn de beste?

Heel af, half af,

Snijdt de koe den staart af,

Maakt er zeven jongen van,

Zeven jongen in eenen nest.

Zie Limburgʼs Jaarboek I, bl. 68;Dr. Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 84 vlg.; verder Driem. bladen I, bl. 17, 50, 87, 92; II, bl. 80; III, bl. 30, 35, 90; IV, bl. 48; VII, bl. 55.

Stroomend water is vooral heilzaam en geneeskrachtig op den eersten meidag. In sommige streken van ons land is het de gewoonte, alsdan in stroomend water te baden; dit beveiligt vooral tegen huidziekte. In Oldemarkt drijft men ʼs nachts de schapen door het water:

Meimaand trekt men de schapen door de vaart,Dan blijven ze van de schurft bewaard.

Meimaand trekt men de schapen door de vaart,Dan blijven ze van de schurft bewaard.

Meimaand trekt men de schapen door de vaart,

Dan blijven ze van de schurft bewaard.

De kinderen loopen in den meiregen, die immers zoo groeizaam is: “Meiregen, Meizegen”. Op Texel ontsteekt men den vooravond een lentevuur, de zoogenaamdemeierblits; vergel.bl. 184en Volkskunde XIX, bl. 123.

In Oost-Vlaanderen—vooral rond Aalst en Dendermonde—bestaan nogmeigildenmet hun graven of dekens, oorspronkelijk om den meiboom te planten. Deze Meigraaf kiest zijn bruid en maakt haar tot Meigravin. Iets dergelijks vinden wij in Limburg te Beek, Geleen, Oirsbeek, Klimmen, Merkelbeek, Schinnen, Epen,Wylre, Gulpen, Slenaken, Valkenburg, Mechelen, Vylen, Vaals, Simpelveld, Ubachsberg, Eis, Bingelrade, Heer, Berg en Terblijt enz. Daar wordt—of werd nog zeer kort geleden—demeileeste(Meiliefste) uitgeroepen, en wel door den kapitein van de “jonkheid”. Op den 1stenMei, of wel op den eersten Zondag in Mei, worden de huwbare meisjes door de jongelieden onder elkaar verdeeld of, zooals te Berg en Terblijt, bij hoogste bod aan de jongens toegewezen. Het verdeelen hangt nog met den meiboom samen, in zoover als de lijst, waarop de paren voorkomen, veelal op den meiboom ter bekendmaking wordt geplakt, onverminderd het officieële uitroepen. De Meiliefste wordt natuurlijk in de herberg onthaald. Dit gebruik is vooral bekend door de novelle vanEcrivisse: Het Meilief van Geleen. In Hessen, Westfalen en Rijnland spreekt men van hetMailehen(= Meiliefste); in de Romaansche landen en in Engeland heeft een overeenkomstig gebruik plaats op Valentijnsdag (14 Febr.), op welken dag het volk meent, dat de vogels paren; men spreekt daar vanValentines.

De Meigraaf is in wezen identiek met denLaubkönig, Graskönig, Pfingstlümmelenz., en beeldt uit de groeikracht der natuur; zieMannhardt, Baumkultus, bl. 341, 355, 376.

Te Genemuiden (O.) gaan op den 1stenof 2denMei de kinderen met een versierde ladder rond, waarop een jongen of meisje met een vlaggetje in de hand zit, al zingende:

Luie motte, luie zotte,Op gaan staan!Die moet naar bed toe gaan.

Luie motte, luie zotte,Op gaan staan!Die moet naar bed toe gaan.

Luie motte, luie zotte,

Op gaan staan!

Die moet naar bed toe gaan.

Zie Driem. Bladen VIII, bl. 33; men vergelijke de Luilakliedjes op bl. 194, 196 en 197, alwaar de verklaring.

Hemelvaartsdag.ʼs Morgens vroeg ging men voorheen in Hollandhemelvaren,d.i. naar buiten, in het vrije veld, om van den heerlijken meimorgen te genieten. Plaatselijk bestaan nog overblijfsels van dit gebruik, dat ookdauwtrappenofdauwtredenwordt genoemd enook wel op pinkstermorgen plaats heeft. De eigenaardige viering van Hemelvaartsdag te Hengelo en Zutfen (Mulderskermis) behoort tot het verleden; men vindt ze beschreven in den Gelderschen Volksalmanak van 1844, bl. 54.

Luilakis de Zaterdag vóor Pinksteren, maar oorspronkelijk degene, die dien Zaterdag, dien schoonen meidag, te lang slaapt. Te Amsterdam moesten alle laatkomers trakteeren: de ambachtsgezel, die ʼt laatst in de werkplaats, de groenteboer, die ʼt laatst aan de markt, de schooljongen, die ʼt laatst op school kwam. Thans nog zijn de Luilak-gebruiken te Amsterdam en elders niet uitgestorven; zij zijn in geheel Noord-Holland in zwang. Te Zaandam moet de laatkomer de overigen onthalen op warme bollen en stroop. Op Luilakmorgen gaan de kinderen voor dag en dauw met dekorrie, een laag wagentje aan een lang touw, uit naar de naburige dorpen; zij hebben daarbij groene takken en brandnetels bij zich, en terwijl deze—ookluilakoflooielakgenoemd—worden rondgedragen, zingt men:

De looie lak, de slaperige zak,Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,Je ken wel weer naar bed toe gaan.

De looie lak, de slaperige zak,Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,Je ken wel weer naar bed toe gaan.

De looie lak, de slaperige zak,

Vanmorgen niet vroeg op ʼestaan,

Je ken wel weer naar bed toe gaan.

Elders:

Luilak,Slaapzak,Beddejak,Kermispop,Staat om negen uren op.

Luilak,Slaapzak,Beddejak,Kermispop,Staat om negen uren op.

Luilak,

Slaapzak,

Beddejak,

Kermispop,

Staat om negen uren op.

Verveelt hun dit spel, dan wordt de looielak te water gegooid, onder het zingen van:

Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,Gooi dien looielak maar te drijven.

Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,Gooi dien looielak maar te drijven.

Van eenen, van tweeën, van drieën, van vieren, van vijven,

Gooi dien looielak maar te drijven.

Men vergelijke de gebruiken op 1 April en op Sint-Thomasdag. De luilak is natuurlijk weer identiek met den Meigraaf,Laubkönigenz., ziebl. 193; eveneens met de Pinksterbloem, waarover nader. Zeermerkwaardig is het te water gooien; ook degroene Georgewordt bij de Slovenen in Krain en Karinthië te water geworpen. Bij ons heet hij degroene manof ook, zooals te Haarlem,klisseboer,omdat hij geheel met klissen overdekt is. Hier hebben wij in werkelijkheid denRegenzauber:een sympathetischen vruchtbaarheids-ritus, om door indompeling den onontbeerlijken voorjaarsregen te erlangen. Zie hieroverMannhardt,Baumkultus, bl. 313, 327 vlg.; over het LuilakvierenDr. G. J. Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal (Leiden 1897), bl. 590; Onze Rijmen, bl. 59;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 221.—Deze dag brengt ook deluilakbollen.

Pinksteren.Mei- en Pinkstergebruiken vallen vrijwel samen; aan het Meilief beantwoordt dePinksterbloemofPinksterbruid. Ook zij is een verpersoonlijking van den genius der groeikracht, wat o.a. uit haar bloemkroon en loofversiering blijkt. Te Sittard heeft zij hoofd, leest en armen omwonden met kransen van roode kollen en blauwe korenbloemen.

Het schoonste meisje van het dorp werd eertijds met bloemen getooid en als koningin door haar speelgenootjes onder gezang en gejuich rondgeleid; maar naderhand ontaardde het gebruik in een bedelpartij. Te Schermerhorn, den Beemster, Purmerend en elders ging een weesmeisje in het wit gekleed, met bloemen getooid en met een bekransten beker in de hand rond, met een weesjongen als geleider, die een met bloemen omwonden stok in de hand droeg. Ook te Molkwerum fungeerden meisjes van 12 tot 15 jaar als Pinksterbloem; te Franeker, Bolsward en Makkum was het een kleine jongen, die in een zoogenaamden tempel liep, een soort bijenkorf, samengesteld uit hoepels en stokken en met groen behangen. Te Vriezenveen werden op 2enPinksterdag de kleinste meisjes met groen behangen en onder een groot schort van huis tot huis geleid. Thans is dit gebruik, dat in de XVIIeeeuw nog te Amsterdam, Utrecht, Deventer, Arnhem, Enkhuizen en in het Kennemerland plaats had, zooals uit de verordeningen blijkt, vrijwel uitgestorven, en wel, als zoo vaak, in zuidelijke richting. Te Ubbergen hielden nog kort geleden driemeisjes uit de mindere volksklasse haar omgang, van wie de middelste de Pinksterbloem voorstelde; zie hieroverMr. W. V. D. Poll, in den Gelderschen Volksalm. 1897, bl. 185

In Limburg en Noord-Brabant bestaat de Pinksterbloem nog, eveneens in sommige plaatsen van Vlaanderen; ik noem Horn, Amby, waar zij insgelijks in een “huisje” met groen zit, Schinnen, Doenrade, Cuyk, Blitterswijk, Guttecoven, Afferden. Het lied, dat bij het rondgaan gezongen wordt, is hoofdzakelijk van tweeërlei aard.

Cuyk (N.-B.):

Vierge, vierge Pinksterbloem,Daar komt zij aangegangen,Met een krans al om haar hoofdEn twee gebloemde wangen.Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,Dan zullen wij u gaan verkoopen.Dan gaan wij naar het groene woud,Daar zingen de vogeltjes jong en oud,Keert u es om,Draait u es om,Vierge, vierge Pinksterblom.

Vierge, vierge Pinksterbloem,Daar komt zij aangegangen,Met een krans al om haar hoofdEn twee gebloemde wangen.Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,Dan zullen wij u gaan verkoopen.Dan gaan wij naar het groene woud,Daar zingen de vogeltjes jong en oud,Keert u es om,Draait u es om,Vierge, vierge Pinksterblom.

Vierge, vierge Pinksterbloem,

Daar komt zij aangegangen,

Met een krans al om haar hoofd

En twee gebloemde wangen.

Vrouwtje, als gij niet deugen wilt,

Dan zullen wij u gaan verkoopen.

Dan gaan wij naar het groene woud,

Daar zingen de vogeltjes jong en oud,

Keert u es om,

Draait u es om,

Vierge, vierge Pinksterblom.

Einighausen (L.):

Pinksterbroed,De wien is oet,Wie lengen weer de dagen,Eine mei, eine mei, eine liebesmei,Eine mei van groene blaren.

Pinksterbroed,De wien is oet,Wie lengen weer de dagen,Eine mei, eine mei, eine liebesmei,Eine mei van groene blaren.

Pinksterbroed,

De wien is oet,

Wie lengen weer de dagen,

Eine mei, eine mei, eine liebesmei,

Eine mei van groene blaren.

Wie doet nu eigenlijk dienst als Pinksterbloem? Wie verbeeldt den vruchtbaarheidsgenius? Welken eigenaardigen vorm neemt het vegetatiegebruik op Pinksterdag aan?

Het antwoord geeft ons o.a. een pinksterrijmpje uit Horn (L.):

Pinksterbloem, slechte roem,Gij hebt zoolang geslapen;Hadt gij vroeger opgestaan,Dan waart ge mijn kameraadje!

Pinksterbloem, slechte roem,Gij hebt zoolang geslapen;Hadt gij vroeger opgestaan,Dan waart ge mijn kameraadje!

Pinksterbloem, slechte roem,

Gij hebt zoolang geslapen;

Hadt gij vroeger opgestaan,

Dan waart ge mijn kameraadje!

De Pinksterbruid of de Pinkstlummel is dus delangslaper; want de taak, als vegetatiegenius te fungeeren, was aanvankelijk allesbehalve een huldiging van den persoon, maar slechts van den genius; en daarom alleen zette men haar of hem de kroon op het hoofd. Het was een zekere tuchtiging van den telaatkomer, van den luiaard, die een heerlijken meimorgen versliep.Mannhardtdaarentegen meent de verklaring van het feit, dat voor Pinksterbruid de laatst-ontwaakte genomen wordt, hierin te moeten zoeken, dat de Pinksterbloem de uit den slaap ontwaakte lentedaemon is. Deze verklaring komt mij te zeer gekunsteld voor en niet in overeenstemming met alle feiten. Veeleer moet de luiaard zich in loof laten steken, dienst doen als vegetatiegeest, zij het tegen wil en dank. Op vele plaatsen wordt hij dan ook met een kroon van stroo of brandnetels getooid, hij wordt met brandnetels gegeeseld (dit slaan heeft natuurlijk weer betrekking op de vruchtbaarheid, vgl.bl. 102), mendrijfthem of haar voor zich uit, en zingt in Westfalen:


Back to IndexNext