Chapter 25

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer(hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).Beer van Paters vêtje.Beer op melk verhaampt zich neet(verdraagt zich niet).Op de foekepot speule(lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).Geine gek van Sint Merte make(niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).Hê is good gelaaie(heeft veel gedronken).Det geit door ʼt getuug hêr(gaat te ver).Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.Bȯtermelk isboere-medesien.Van einekalekermis toês kome.Achterum is ʼt kermis.Achter mienen rök is ʼt kermis.Lache wie (as) ʼne kermishȯnd.Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.Gein schutterie zonder keuning.Drij moal keuning is keizers rech.Koeël is good ête, maar dan mȯt ʼt verke der door loupe.Land bemiste lieët zich neet foppe.Lekker is gouw de kêl aaf.Eine lintworm in ʼt liêf hebbe.Melk is beer veur de jȯnge, beer is melk veur de alde.Ik bin ʼt meug (moe) wie kalde pap.Moos is geine spekkóok.ʼt Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.De ploogestert stik (steekt) um door de bȯks oêt.ʼt Geit um zoeë dun as pȯmpwater.Hê lieët reube good moos zien.Hê hêt ʼt spek hoeëg hange.Det is zoovuël as ʼn vleeg in ʼnen brouwkêtel.Eine mnd hebbe as ʼn woafelpan.Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mȯte noeëts stil stoan.Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).Van ei joar mȯt me de ploog neet aan de wand hange (als ʼt een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).Waat mʼn aan ʼt verke voort, krieg mʼn aan ʼt spek truuk.Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.Geliêk vieë lek zich gêr.Nȯw is de bȯk vet!Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.Eine vildershȯnd, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,—zien veur ʼnen boer niks wêrd.Kald beer zit werm blood.Hê is ʼnen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).Hê hink mier aan de vaan as de ganse brȯnk wêrd is (bronkis hier de gilde-optocht).Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).Hê hêt de vogel aaf.Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: “Groeëter is ʼt leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd”? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: “Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm”?Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.Me mȯt de kerk in ʼt midde loate.Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.Pastoeër zêgent zich zelf ʼt iers (eerst).Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.Rêgent ʼt op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.Hê steit doa wie ʼn Poaskers (stijf-deftig).Me mȯt eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.Waat ʼn kruuts—geí (geen) kruuts!Hê hêt den ȯferstok gevêg.Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.Zich eine stoal in den hemel verdeene.Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).Me mȯt O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.Hê zuuter oêt as ʼt ieëwig lêve.Hê zuuter oêt as ʼn bedrökte Magdalena.Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.Waat God wilt behaldeZal verheite (verheeten) noch verkaldeklinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: “In Gods naam”. Soms klinkt dat: “In Godsnaam: des neet gevlook”. Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: “As God bleefʼ (als ʼt God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat “ter iere Goads” of “om Goads wil.” Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij “Ik bêj dich um Goads wil.” Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient “eine Godsloeën.” En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk “Goddank.”“God loeënt ȯch”, zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. “God loeënt ȯch”, zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: “God wil ȯs helpe.” Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: “Gank, det dich God bewaar!” En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging “zaliger gedachtenis”, of: “God gêf um den hemel”, of “God truës zien zieël.”Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: “Vree is God mee”;—“God beschikt over nacht”;—“geef God geen beschimmeld brood”;—“God geeft de koe, maar niet bij de hoornen”, d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;—“ʼt is alles goed wat God wil”;—“men moet God naar de oogen zien”;—“ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;—“als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel.” Zie Pr.Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die vanA. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI—XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder:A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX—XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX—(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. “Anspan kriigen” heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: “met den plaggenwagen komen”, d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze “met den plaggenwagen weergekomen”, en dan moet ze “den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken”: Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in deapologische spreukof exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: “Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok”, een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.— “Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen”.—“Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken”.—“Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht”.—“Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af”.Twente: Dat is ʼn ander keurn, zèj de muller, en hê beet in ʼnen moezenköttel.Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met zʼn gat de lampe uut.Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vraddʼe en slakk op en mainde, dat ʼn proeme was.Limburg: Waat nȯw gezȯnge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.Getroffe, zach de jȯng, doe smeet hê zie vader en oug oêt.Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.—Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jȯng wat in de bȯtermelk vond.—Aangebrand,hêt det ouk bein? zach de jȯng, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.Zuinig, zei besje, de boter is duur.De Vrouw. Het overleggen is ʼt al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.ʼt Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.—Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van hetapologische dieren-spreekwoord.Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. ZieKirghbijl ten Dam[J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.Bij het bepalen derpsychologische waardevan het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den “waren” of “eigenlijken” vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking “op zijn eigen houtje”, aan de zeemanstaal ontleend, waar “zijn eigen hout” inderdaad in de beteekenis van “schip” gebruikt werd; zieEymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking vanBusken Huet: “Gods water over Gods akker latenkabbelen”; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: “dat looptde spuitgaten uit,” voor “de spuigaten”;—“over éen kant scheren”, voor “over een kam scheren”; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijftDe Vooysin zijn artikel “Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen” in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: “Voor een heet vuur staanzal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het “hete vuur” kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste— desnoods het “oorspronkelike”—beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het “echte” of “eigenlike” tegenover de latere “onechte” of “verbasterde” stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is.” Zoo dacht men bij de uitdrukking “de bom breekt uit” aanvankelijk aan een vat, waar debom(de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van ditbommetbom“kogel” heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werduitbrekenvervangen doorbarsten, losbarstenofspringen. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis “het geheim is uitgekomen” is geweken voor “er is een beslissende uitbarsting gekomen”. Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. “Er moet nog veel water door de Maas vloeien”, wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;—“een schelvisch, eenspiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen”, wordt in Limburg: “een avel uitwerpen om een snoek te vangen”, en in het Oosten van ons land: “met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien”. Het Hollandsche: “zoo oud als de weg naar Kralingen”, luidt in Limburg: “zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel”. Het Drentsche spreekwoord: “Armeluiʼs ossen en rijkeluiʼs kinder zijn gauw groot”, heeft in Limburg den vorm: “Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd”.Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook devolksluim, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.1. Zeer veelvuldig zijn dewoordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.Naar Molleghem zijn; naar ʼt Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;—naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.Te WellerlooiDaar zingen de veugelkes zoo mooi.Te Well ook wel,Maar niet zoo mooi als in in de Looi.Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woordboks“broek”).Van Lekkerkerk zijn.Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.2.Plaatsnamenin luimige gezegdenzonder woordspeling.Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).Hij komt van de Merumer markt: Roermond.Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. “lui, lekker, kaal en hoovaardig”).Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).Van Bommel tot Den Bosch (volop).Van Helmond komen (drukte maken).Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor “een dutje doen”; te Venloo heet dit: “naar Tegelen gaan”, enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.3.Spotrijmpjes op steden en dorpen.Oostergoo het land,Westergoo het geld,De Wouden het verstand,De Steden het geweld.Dokkum is een oude stad,Een oude stad boven maten,Daarom verkoopt men anders nietAls taai en ook garnaten.De Amelander schalken,Die stalen eens drie balkens Avonds in den maneschijn,Daarom zal ʼt hun wapen zijn.Neêr-LangbroekDie schrale hoek!Daar wonen niets dan edelluiEn bedellui,RiddersEn broodbidders;Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,Sterkenburg is het beste.Deventer is een koopstad,Zutfen is een loopstad,Lochem is nog wat,Maar Borkeloo is een hondegat.Amsterdam ligt aan het IJ,Monnikendam, daar wonen wij;Edam is een nest,Hoorn doet zijn best,Enkhuizen staat op tonnen,Medemblik heeft het gewonnen.Peer is nog een stad,Achel is nog wat,En Bree is een paddegat.Brugge is zot,Gent is bot.Kortrijk heeft ʼnen zin,Ronse heeft van den duvel in.Wing, Wang, Laar,Herpen over Orsmaal,Hal al bovenal,Dormaal is een verkensstal.Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,Om den Molschen toren te koopen,Die van Balen, die waren nie zot,En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.DendermondeLeeg van gronde,Klein van goed,Hoog van gemoed.De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)Die lieten stelen hun kanon.Zij exerceerden lijk de koeien,En zij stalen al de Savooien.Rakkedok—kedok!Mee ʼnen krommen kop;Zʼhebben een geweerLijk ʼnen bloemkoolstok.Herenthals is ʼne nest,Die der wonen, weten het best.Hersel—de macht,Westel—de pracht.Hooglee—groote pracht,Verre gezien en weinig geacht.HoogleeSchoone stee,Lichtervelde lacht er mee.EessenIs een deesem,Zane is een trog,Werken loopt er om nog,Handzame is een leegaard,Koekelare is alderbest,Bovekerke is ʼn kakkernest.Te LangedijkDaar zijn ze rijk,Daar eten ze gort met krenten!En waarom zouden zij dát niet doen,Ze leven er van hun renten.Daar kwam ʼnen boer van Leuven,Van Leuven kwam ʼnen boer;Hij meende gaan te dorschen,En viel op zijnen vloer.EnumatilDaar kijken ze gril,Daar staat geen kerk of toren;Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.Maasland,Vet landDe bedelêren komen van dien kant.Die van Mol die zijn geschoren,Ze hebben vier wijzers en geenen toren;Die van Geel, die zouden loopen,Om de wijzers af te koopen;Die van Balen zijn jaloesch,Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.Rijke VörselArm MalLomp ZoerselMager Hal (Kempen).Tiegem—berg en dal,Ingoigem—lang en smal,Ootegem—de fleure van al!Te Zulte in ʼt zand,Hoe meer dat ʼt regent,Hoe beter land.Loon-op-Zand,Licht volk, licht land,Ze schooien den kost,En ze stelen den brand.Herten, Merum en Ool,Drie dorpen en éen pastoor.De Bressianen (van Breskens)Zijn hanen,Maar voor SchoondijkeMoeten ze wijken.En komen die van Groe,Dan houden ze beter hun deuren maar toe.Koevorden is een fraaie stad,Dalen is een moddergat,Wachtum is een eendenpoel,Hesselen is een koningsstoel.Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:Kootwijk is een zoetendal,En die er is, die blijft er al.En eveneens in het Groningsche:Riepster klokkengeklang,ʼt Lopster örgelgezang,ʼt Zandster bouwland,En Steemer kouland,Dat is het kroontje van Grönnegerland.Maar het kan óok zijn, dat de regels: “Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al” oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:Zuidhorn is een bloemendal,Die er woont, die blijft er al,Noordhorn is een moddergat,Die er komt, die vindt er wat!Oldehove, die stompe toren,Daar wil de koster zijn wijf vermooren.Niehove loopt in ʼt rond,Daar loopen de meisjes kakelbont.Feerwerder kattenSpringen over latten,Vangen de muzenBij honderd en duzend,Braden ze in de pan,En eten er alle dagen van.Tiel is een stad,Echteld is een gat,IJzendoorn is een waterpoel,Ochten is een koningsstoel.Bommel, Bommel blinkt schoon,Waardenburg spant de kroon,Tuil is ʼt alderbest,Hafte is een kraaiennest,Hellouw is een eendenpoel,Herwijne is een schettestoel,Vuren is een errem land,Dalem ligt aan den Waterkant,Gorkum is een schoone stad,Schelluinen is een hondegat.Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:De Visvlieter bellen,Zeggen van zèllen en wèllen,De Boerumer bollenZeggen van zollen en wollen,En de Kollumer ludenZeggen van zuden en wuden.Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.4. Spotrijmpjes opvoornamenenfamilienamen.Antoon:ToontjeMijn zoontje,Wanneer zal ʼt zijn?Tʼavond in de maneschijn.Jan Baptist:Jan Baptiste,Suiker in de kiste,Vleesch in de pot,Jan Baptiste is waarlijk zot.Jan:JanKoekepan,Met ʼnen spijzen boterham.

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer(hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).Beer van Paters vêtje.Beer op melk verhaampt zich neet(verdraagt zich niet).Op de foekepot speule(lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).Geine gek van Sint Merte make(niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).Hê is good gelaaie(heeft veel gedronken).Det geit door ʼt getuug hêr(gaat te ver).Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.Bȯtermelk isboere-medesien.Van einekalekermis toês kome.Achterum is ʼt kermis.Achter mienen rök is ʼt kermis.Lache wie (as) ʼne kermishȯnd.Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.Gein schutterie zonder keuning.Drij moal keuning is keizers rech.Koeël is good ête, maar dan mȯt ʼt verke der door loupe.Land bemiste lieët zich neet foppe.Lekker is gouw de kêl aaf.Eine lintworm in ʼt liêf hebbe.Melk is beer veur de jȯnge, beer is melk veur de alde.Ik bin ʼt meug (moe) wie kalde pap.Moos is geine spekkóok.ʼt Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.De ploogestert stik (steekt) um door de bȯks oêt.ʼt Geit um zoeë dun as pȯmpwater.Hê lieët reube good moos zien.Hê hêt ʼt spek hoeëg hange.Det is zoovuël as ʼn vleeg in ʼnen brouwkêtel.Eine mnd hebbe as ʼn woafelpan.Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mȯte noeëts stil stoan.Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).Van ei joar mȯt me de ploog neet aan de wand hange (als ʼt een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).Waat mʼn aan ʼt verke voort, krieg mʼn aan ʼt spek truuk.Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.Geliêk vieë lek zich gêr.Nȯw is de bȯk vet!Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.Eine vildershȯnd, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,—zien veur ʼnen boer niks wêrd.Kald beer zit werm blood.Hê is ʼnen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).Hê hink mier aan de vaan as de ganse brȯnk wêrd is (bronkis hier de gilde-optocht).Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).Hê hêt de vogel aaf.Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: “Groeëter is ʼt leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd”? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: “Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm”?Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.Me mȯt de kerk in ʼt midde loate.Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.Pastoeër zêgent zich zelf ʼt iers (eerst).Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.Rêgent ʼt op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.Hê steit doa wie ʼn Poaskers (stijf-deftig).Me mȯt eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.Waat ʼn kruuts—geí (geen) kruuts!Hê hêt den ȯferstok gevêg.Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.Zich eine stoal in den hemel verdeene.Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).Me mȯt O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.Hê zuuter oêt as ʼt ieëwig lêve.Hê zuuter oêt as ʼn bedrökte Magdalena.Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.Waat God wilt behaldeZal verheite (verheeten) noch verkaldeklinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: “In Gods naam”. Soms klinkt dat: “In Godsnaam: des neet gevlook”. Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: “As God bleefʼ (als ʼt God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat “ter iere Goads” of “om Goads wil.” Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij “Ik bêj dich um Goads wil.” Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient “eine Godsloeën.” En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk “Goddank.”“God loeënt ȯch”, zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. “God loeënt ȯch”, zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: “God wil ȯs helpe.” Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: “Gank, det dich God bewaar!” En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging “zaliger gedachtenis”, of: “God gêf um den hemel”, of “God truës zien zieël.”Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: “Vree is God mee”;—“God beschikt over nacht”;—“geef God geen beschimmeld brood”;—“God geeft de koe, maar niet bij de hoornen”, d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;—“ʼt is alles goed wat God wil”;—“men moet God naar de oogen zien”;—“ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;—“als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel.” Zie Pr.Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die vanA. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI—XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder:A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX—XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX—(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. “Anspan kriigen” heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: “met den plaggenwagen komen”, d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze “met den plaggenwagen weergekomen”, en dan moet ze “den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken”: Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in deapologische spreukof exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: “Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok”, een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.— “Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen”.—“Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken”.—“Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht”.—“Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af”.Twente: Dat is ʼn ander keurn, zèj de muller, en hê beet in ʼnen moezenköttel.Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met zʼn gat de lampe uut.Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vraddʼe en slakk op en mainde, dat ʼn proeme was.Limburg: Waat nȯw gezȯnge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.Getroffe, zach de jȯng, doe smeet hê zie vader en oug oêt.Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.—Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jȯng wat in de bȯtermelk vond.—Aangebrand,hêt det ouk bein? zach de jȯng, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.Zuinig, zei besje, de boter is duur.De Vrouw. Het overleggen is ʼt al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.ʼt Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.—Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van hetapologische dieren-spreekwoord.Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. ZieKirghbijl ten Dam[J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.Bij het bepalen derpsychologische waardevan het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den “waren” of “eigenlijken” vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking “op zijn eigen houtje”, aan de zeemanstaal ontleend, waar “zijn eigen hout” inderdaad in de beteekenis van “schip” gebruikt werd; zieEymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking vanBusken Huet: “Gods water over Gods akker latenkabbelen”; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: “dat looptde spuitgaten uit,” voor “de spuigaten”;—“over éen kant scheren”, voor “over een kam scheren”; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijftDe Vooysin zijn artikel “Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen” in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: “Voor een heet vuur staanzal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het “hete vuur” kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste— desnoods het “oorspronkelike”—beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het “echte” of “eigenlike” tegenover de latere “onechte” of “verbasterde” stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is.” Zoo dacht men bij de uitdrukking “de bom breekt uit” aanvankelijk aan een vat, waar debom(de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van ditbommetbom“kogel” heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werduitbrekenvervangen doorbarsten, losbarstenofspringen. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis “het geheim is uitgekomen” is geweken voor “er is een beslissende uitbarsting gekomen”. Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. “Er moet nog veel water door de Maas vloeien”, wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;—“een schelvisch, eenspiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen”, wordt in Limburg: “een avel uitwerpen om een snoek te vangen”, en in het Oosten van ons land: “met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien”. Het Hollandsche: “zoo oud als de weg naar Kralingen”, luidt in Limburg: “zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel”. Het Drentsche spreekwoord: “Armeluiʼs ossen en rijkeluiʼs kinder zijn gauw groot”, heeft in Limburg den vorm: “Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd”.Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook devolksluim, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.1. Zeer veelvuldig zijn dewoordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.Naar Molleghem zijn; naar ʼt Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;—naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.Te WellerlooiDaar zingen de veugelkes zoo mooi.Te Well ook wel,Maar niet zoo mooi als in in de Looi.Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woordboks“broek”).Van Lekkerkerk zijn.Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.2.Plaatsnamenin luimige gezegdenzonder woordspeling.Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).Hij komt van de Merumer markt: Roermond.Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. “lui, lekker, kaal en hoovaardig”).Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).Van Bommel tot Den Bosch (volop).Van Helmond komen (drukte maken).Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor “een dutje doen”; te Venloo heet dit: “naar Tegelen gaan”, enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.3.Spotrijmpjes op steden en dorpen.Oostergoo het land,Westergoo het geld,De Wouden het verstand,De Steden het geweld.Dokkum is een oude stad,Een oude stad boven maten,Daarom verkoopt men anders nietAls taai en ook garnaten.De Amelander schalken,Die stalen eens drie balkens Avonds in den maneschijn,Daarom zal ʼt hun wapen zijn.Neêr-LangbroekDie schrale hoek!Daar wonen niets dan edelluiEn bedellui,RiddersEn broodbidders;Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,Sterkenburg is het beste.Deventer is een koopstad,Zutfen is een loopstad,Lochem is nog wat,Maar Borkeloo is een hondegat.Amsterdam ligt aan het IJ,Monnikendam, daar wonen wij;Edam is een nest,Hoorn doet zijn best,Enkhuizen staat op tonnen,Medemblik heeft het gewonnen.Peer is nog een stad,Achel is nog wat,En Bree is een paddegat.Brugge is zot,Gent is bot.Kortrijk heeft ʼnen zin,Ronse heeft van den duvel in.Wing, Wang, Laar,Herpen over Orsmaal,Hal al bovenal,Dormaal is een verkensstal.Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,Om den Molschen toren te koopen,Die van Balen, die waren nie zot,En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.DendermondeLeeg van gronde,Klein van goed,Hoog van gemoed.De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)Die lieten stelen hun kanon.Zij exerceerden lijk de koeien,En zij stalen al de Savooien.Rakkedok—kedok!Mee ʼnen krommen kop;Zʼhebben een geweerLijk ʼnen bloemkoolstok.Herenthals is ʼne nest,Die der wonen, weten het best.Hersel—de macht,Westel—de pracht.Hooglee—groote pracht,Verre gezien en weinig geacht.HoogleeSchoone stee,Lichtervelde lacht er mee.EessenIs een deesem,Zane is een trog,Werken loopt er om nog,Handzame is een leegaard,Koekelare is alderbest,Bovekerke is ʼn kakkernest.Te LangedijkDaar zijn ze rijk,Daar eten ze gort met krenten!En waarom zouden zij dát niet doen,Ze leven er van hun renten.Daar kwam ʼnen boer van Leuven,Van Leuven kwam ʼnen boer;Hij meende gaan te dorschen,En viel op zijnen vloer.EnumatilDaar kijken ze gril,Daar staat geen kerk of toren;Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.Maasland,Vet landDe bedelêren komen van dien kant.Die van Mol die zijn geschoren,Ze hebben vier wijzers en geenen toren;Die van Geel, die zouden loopen,Om de wijzers af te koopen;Die van Balen zijn jaloesch,Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.Rijke VörselArm MalLomp ZoerselMager Hal (Kempen).Tiegem—berg en dal,Ingoigem—lang en smal,Ootegem—de fleure van al!Te Zulte in ʼt zand,Hoe meer dat ʼt regent,Hoe beter land.Loon-op-Zand,Licht volk, licht land,Ze schooien den kost,En ze stelen den brand.Herten, Merum en Ool,Drie dorpen en éen pastoor.De Bressianen (van Breskens)Zijn hanen,Maar voor SchoondijkeMoeten ze wijken.En komen die van Groe,Dan houden ze beter hun deuren maar toe.Koevorden is een fraaie stad,Dalen is een moddergat,Wachtum is een eendenpoel,Hesselen is een koningsstoel.Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:Kootwijk is een zoetendal,En die er is, die blijft er al.En eveneens in het Groningsche:Riepster klokkengeklang,ʼt Lopster örgelgezang,ʼt Zandster bouwland,En Steemer kouland,Dat is het kroontje van Grönnegerland.Maar het kan óok zijn, dat de regels: “Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al” oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:Zuidhorn is een bloemendal,Die er woont, die blijft er al,Noordhorn is een moddergat,Die er komt, die vindt er wat!Oldehove, die stompe toren,Daar wil de koster zijn wijf vermooren.Niehove loopt in ʼt rond,Daar loopen de meisjes kakelbont.Feerwerder kattenSpringen over latten,Vangen de muzenBij honderd en duzend,Braden ze in de pan,En eten er alle dagen van.Tiel is een stad,Echteld is een gat,IJzendoorn is een waterpoel,Ochten is een koningsstoel.Bommel, Bommel blinkt schoon,Waardenburg spant de kroon,Tuil is ʼt alderbest,Hafte is een kraaiennest,Hellouw is een eendenpoel,Herwijne is een schettestoel,Vuren is een errem land,Dalem ligt aan den Waterkant,Gorkum is een schoone stad,Schelluinen is een hondegat.Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:De Visvlieter bellen,Zeggen van zèllen en wèllen,De Boerumer bollenZeggen van zollen en wollen,En de Kollumer ludenZeggen van zuden en wuden.Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.4. Spotrijmpjes opvoornamenenfamilienamen.Antoon:ToontjeMijn zoontje,Wanneer zal ʼt zijn?Tʼavond in de maneschijn.Jan Baptist:Jan Baptiste,Suiker in de kiste,Vleesch in de pot,Jan Baptiste is waarlijk zot.Jan:JanKoekepan,Met ʼnen spijzen boterham.

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer(hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).Beer van Paters vêtje.Beer op melk verhaampt zich neet(verdraagt zich niet).Op de foekepot speule(lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).Geine gek van Sint Merte make(niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).Hê is good gelaaie(heeft veel gedronken).Det geit door ʼt getuug hêr(gaat te ver).Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.Bȯtermelk isboere-medesien.Van einekalekermis toês kome.Achterum is ʼt kermis.Achter mienen rök is ʼt kermis.Lache wie (as) ʼne kermishȯnd.Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.Gein schutterie zonder keuning.Drij moal keuning is keizers rech.Koeël is good ête, maar dan mȯt ʼt verke der door loupe.Land bemiste lieët zich neet foppe.Lekker is gouw de kêl aaf.Eine lintworm in ʼt liêf hebbe.Melk is beer veur de jȯnge, beer is melk veur de alde.Ik bin ʼt meug (moe) wie kalde pap.Moos is geine spekkóok.ʼt Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.De ploogestert stik (steekt) um door de bȯks oêt.ʼt Geit um zoeë dun as pȯmpwater.Hê lieët reube good moos zien.Hê hêt ʼt spek hoeëg hange.Det is zoovuël as ʼn vleeg in ʼnen brouwkêtel.Eine mnd hebbe as ʼn woafelpan.Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mȯte noeëts stil stoan.Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).Van ei joar mȯt me de ploog neet aan de wand hange (als ʼt een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).Waat mʼn aan ʼt verke voort, krieg mʼn aan ʼt spek truuk.Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.Geliêk vieë lek zich gêr.Nȯw is de bȯk vet!Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.Eine vildershȯnd, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,—zien veur ʼnen boer niks wêrd.Kald beer zit werm blood.Hê is ʼnen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).Hê hink mier aan de vaan as de ganse brȯnk wêrd is (bronkis hier de gilde-optocht).Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).Hê hêt de vogel aaf.Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: “Groeëter is ʼt leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd”? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: “Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm”?Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.Me mȯt de kerk in ʼt midde loate.Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.Pastoeër zêgent zich zelf ʼt iers (eerst).Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.Rêgent ʼt op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.Hê steit doa wie ʼn Poaskers (stijf-deftig).Me mȯt eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.Waat ʼn kruuts—geí (geen) kruuts!Hê hêt den ȯferstok gevêg.Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.Zich eine stoal in den hemel verdeene.Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).Me mȯt O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.Hê zuuter oêt as ʼt ieëwig lêve.Hê zuuter oêt as ʼn bedrökte Magdalena.Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.Waat God wilt behaldeZal verheite (verheeten) noch verkaldeklinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: “In Gods naam”. Soms klinkt dat: “In Godsnaam: des neet gevlook”. Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: “As God bleefʼ (als ʼt God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat “ter iere Goads” of “om Goads wil.” Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij “Ik bêj dich um Goads wil.” Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient “eine Godsloeën.” En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk “Goddank.”“God loeënt ȯch”, zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. “God loeënt ȯch”, zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: “God wil ȯs helpe.” Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: “Gank, det dich God bewaar!” En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging “zaliger gedachtenis”, of: “God gêf um den hemel”, of “God truës zien zieël.”Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: “Vree is God mee”;—“God beschikt over nacht”;—“geef God geen beschimmeld brood”;—“God geeft de koe, maar niet bij de hoornen”, d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;—“ʼt is alles goed wat God wil”;—“men moet God naar de oogen zien”;—“ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;—“als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel.” Zie Pr.Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die vanA. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI—XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder:A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX—XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX—(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. “Anspan kriigen” heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: “met den plaggenwagen komen”, d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze “met den plaggenwagen weergekomen”, en dan moet ze “den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken”: Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in deapologische spreukof exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: “Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok”, een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.— “Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen”.—“Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken”.—“Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht”.—“Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af”.Twente: Dat is ʼn ander keurn, zèj de muller, en hê beet in ʼnen moezenköttel.Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met zʼn gat de lampe uut.Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vraddʼe en slakk op en mainde, dat ʼn proeme was.Limburg: Waat nȯw gezȯnge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.Getroffe, zach de jȯng, doe smeet hê zie vader en oug oêt.Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.—Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jȯng wat in de bȯtermelk vond.—Aangebrand,hêt det ouk bein? zach de jȯng, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.Zuinig, zei besje, de boter is duur.De Vrouw. Het overleggen is ʼt al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.ʼt Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.—Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van hetapologische dieren-spreekwoord.Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. ZieKirghbijl ten Dam[J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.Bij het bepalen derpsychologische waardevan het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den “waren” of “eigenlijken” vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking “op zijn eigen houtje”, aan de zeemanstaal ontleend, waar “zijn eigen hout” inderdaad in de beteekenis van “schip” gebruikt werd; zieEymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking vanBusken Huet: “Gods water over Gods akker latenkabbelen”; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: “dat looptde spuitgaten uit,” voor “de spuigaten”;—“over éen kant scheren”, voor “over een kam scheren”; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijftDe Vooysin zijn artikel “Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen” in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: “Voor een heet vuur staanzal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het “hete vuur” kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste— desnoods het “oorspronkelike”—beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het “echte” of “eigenlike” tegenover de latere “onechte” of “verbasterde” stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is.” Zoo dacht men bij de uitdrukking “de bom breekt uit” aanvankelijk aan een vat, waar debom(de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van ditbommetbom“kogel” heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werduitbrekenvervangen doorbarsten, losbarstenofspringen. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis “het geheim is uitgekomen” is geweken voor “er is een beslissende uitbarsting gekomen”. Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. “Er moet nog veel water door de Maas vloeien”, wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;—“een schelvisch, eenspiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen”, wordt in Limburg: “een avel uitwerpen om een snoek te vangen”, en in het Oosten van ons land: “met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien”. Het Hollandsche: “zoo oud als de weg naar Kralingen”, luidt in Limburg: “zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel”. Het Drentsche spreekwoord: “Armeluiʼs ossen en rijkeluiʼs kinder zijn gauw groot”, heeft in Limburg den vorm: “Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd”.Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook devolksluim, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.1. Zeer veelvuldig zijn dewoordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.Naar Molleghem zijn; naar ʼt Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;—naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.Te WellerlooiDaar zingen de veugelkes zoo mooi.Te Well ook wel,Maar niet zoo mooi als in in de Looi.Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woordboks“broek”).Van Lekkerkerk zijn.Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.2.Plaatsnamenin luimige gezegdenzonder woordspeling.Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).Hij komt van de Merumer markt: Roermond.Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. “lui, lekker, kaal en hoovaardig”).Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).Van Bommel tot Den Bosch (volop).Van Helmond komen (drukte maken).Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor “een dutje doen”; te Venloo heet dit: “naar Tegelen gaan”, enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.3.Spotrijmpjes op steden en dorpen.Oostergoo het land,Westergoo het geld,De Wouden het verstand,De Steden het geweld.Dokkum is een oude stad,Een oude stad boven maten,Daarom verkoopt men anders nietAls taai en ook garnaten.De Amelander schalken,Die stalen eens drie balkens Avonds in den maneschijn,Daarom zal ʼt hun wapen zijn.Neêr-LangbroekDie schrale hoek!Daar wonen niets dan edelluiEn bedellui,RiddersEn broodbidders;Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,Sterkenburg is het beste.Deventer is een koopstad,Zutfen is een loopstad,Lochem is nog wat,Maar Borkeloo is een hondegat.Amsterdam ligt aan het IJ,Monnikendam, daar wonen wij;Edam is een nest,Hoorn doet zijn best,Enkhuizen staat op tonnen,Medemblik heeft het gewonnen.Peer is nog een stad,Achel is nog wat,En Bree is een paddegat.Brugge is zot,Gent is bot.Kortrijk heeft ʼnen zin,Ronse heeft van den duvel in.Wing, Wang, Laar,Herpen over Orsmaal,Hal al bovenal,Dormaal is een verkensstal.Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,Om den Molschen toren te koopen,Die van Balen, die waren nie zot,En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.DendermondeLeeg van gronde,Klein van goed,Hoog van gemoed.De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)Die lieten stelen hun kanon.Zij exerceerden lijk de koeien,En zij stalen al de Savooien.Rakkedok—kedok!Mee ʼnen krommen kop;Zʼhebben een geweerLijk ʼnen bloemkoolstok.Herenthals is ʼne nest,Die der wonen, weten het best.Hersel—de macht,Westel—de pracht.Hooglee—groote pracht,Verre gezien en weinig geacht.HoogleeSchoone stee,Lichtervelde lacht er mee.EessenIs een deesem,Zane is een trog,Werken loopt er om nog,Handzame is een leegaard,Koekelare is alderbest,Bovekerke is ʼn kakkernest.Te LangedijkDaar zijn ze rijk,Daar eten ze gort met krenten!En waarom zouden zij dát niet doen,Ze leven er van hun renten.Daar kwam ʼnen boer van Leuven,Van Leuven kwam ʼnen boer;Hij meende gaan te dorschen,En viel op zijnen vloer.EnumatilDaar kijken ze gril,Daar staat geen kerk of toren;Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.Maasland,Vet landDe bedelêren komen van dien kant.Die van Mol die zijn geschoren,Ze hebben vier wijzers en geenen toren;Die van Geel, die zouden loopen,Om de wijzers af te koopen;Die van Balen zijn jaloesch,Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.Rijke VörselArm MalLomp ZoerselMager Hal (Kempen).Tiegem—berg en dal,Ingoigem—lang en smal,Ootegem—de fleure van al!Te Zulte in ʼt zand,Hoe meer dat ʼt regent,Hoe beter land.Loon-op-Zand,Licht volk, licht land,Ze schooien den kost,En ze stelen den brand.Herten, Merum en Ool,Drie dorpen en éen pastoor.De Bressianen (van Breskens)Zijn hanen,Maar voor SchoondijkeMoeten ze wijken.En komen die van Groe,Dan houden ze beter hun deuren maar toe.Koevorden is een fraaie stad,Dalen is een moddergat,Wachtum is een eendenpoel,Hesselen is een koningsstoel.Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:Kootwijk is een zoetendal,En die er is, die blijft er al.En eveneens in het Groningsche:Riepster klokkengeklang,ʼt Lopster örgelgezang,ʼt Zandster bouwland,En Steemer kouland,Dat is het kroontje van Grönnegerland.Maar het kan óok zijn, dat de regels: “Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al” oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:Zuidhorn is een bloemendal,Die er woont, die blijft er al,Noordhorn is een moddergat,Die er komt, die vindt er wat!Oldehove, die stompe toren,Daar wil de koster zijn wijf vermooren.Niehove loopt in ʼt rond,Daar loopen de meisjes kakelbont.Feerwerder kattenSpringen over latten,Vangen de muzenBij honderd en duzend,Braden ze in de pan,En eten er alle dagen van.Tiel is een stad,Echteld is een gat,IJzendoorn is een waterpoel,Ochten is een koningsstoel.Bommel, Bommel blinkt schoon,Waardenburg spant de kroon,Tuil is ʼt alderbest,Hafte is een kraaiennest,Hellouw is een eendenpoel,Herwijne is een schettestoel,Vuren is een errem land,Dalem ligt aan den Waterkant,Gorkum is een schoone stad,Schelluinen is een hondegat.Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:De Visvlieter bellen,Zeggen van zèllen en wèllen,De Boerumer bollenZeggen van zollen en wollen,En de Kollumer ludenZeggen van zuden en wuden.Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.4. Spotrijmpjes opvoornamenenfamilienamen.Antoon:ToontjeMijn zoontje,Wanneer zal ʼt zijn?Tʼavond in de maneschijn.Jan Baptist:Jan Baptiste,Suiker in de kiste,Vleesch in de pot,Jan Baptiste is waarlijk zot.Jan:JanKoekepan,Met ʼnen spijzen boterham.

Wie doller gebrouwe, wie bêter beer(hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).

Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).

Beer van Paters vêtje.

Beer op melk verhaampt zich neet(verdraagt zich niet).

Op de foekepot speule(lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).

Geine gek van Sint Merte make(niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).

Hê is good gelaaie(heeft veel gedronken).

Det geit door ʼt getuug hêr(gaat te ver).

Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.

Bȯtermelk isboere-medesien.

Van einekalekermis toês kome.

Achterum is ʼt kermis.

Achter mienen rök is ʼt kermis.

Lache wie (as) ʼne kermishȯnd.

Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.

Gein schutterie zonder keuning.

Drij moal keuning is keizers rech.

Koeël is good ête, maar dan mȯt ʼt verke der door loupe.

Land bemiste lieët zich neet foppe.

Lekker is gouw de kêl aaf.

Eine lintworm in ʼt liêf hebbe.

Melk is beer veur de jȯnge, beer is melk veur de alde.

Ik bin ʼt meug (moe) wie kalde pap.

Moos is geine spekkóok.

ʼt Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.

Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.

De ploogestert stik (steekt) um door de bȯks oêt.

ʼt Geit um zoeë dun as pȯmpwater.

Hê lieët reube good moos zien.

Hê hêt ʼt spek hoeëg hange.

Det is zoovuël as ʼn vleeg in ʼnen brouwkêtel.

Eine mnd hebbe as ʼn woafelpan.

Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.

Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mȯte noeëts stil stoan.

Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).

Van ei joar mȯt me de ploog neet aan de wand hange (als ʼt een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).

Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).

Waat mʼn aan ʼt verke voort, krieg mʼn aan ʼt spek truuk.

Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.

Geliêk vieë lek zich gêr.

Nȯw is de bȯk vet!

Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).

Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.

Eine vildershȯnd, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,—zien veur ʼnen boer niks wêrd.

Kald beer zit werm blood.

Hê is ʼnen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.

Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).

Hê hink mier aan de vaan as de ganse brȯnk wêrd is (bronkis hier de gilde-optocht).

Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).

Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.

De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).

Hê hêt de vogel aaf.

Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: “Groeëter is ʼt leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd”? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: “Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm”?

Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:

Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.

Me mȯt de kerk in ʼt midde loate.

Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.

Pastoeër zêgent zich zelf ʼt iers (eerst).

Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.

Rêgent ʼt op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.

Hê steit doa wie ʼn Poaskers (stijf-deftig).

Me mȯt eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).

Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.

Waat ʼn kruuts—geí (geen) kruuts!

Hê hêt den ȯferstok gevêg.

Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.

Zich eine stoal in den hemel verdeene.

Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.

Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).

Me mȯt O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.

Hê zuuter oêt as ʼt ieëwig lêve.

Hê zuuter oêt as ʼn bedrökte Magdalena.

Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.

Waat God wilt behaldeZal verheite (verheeten) noch verkalde

Waat God wilt behaldeZal verheite (verheeten) noch verkalde

Waat God wilt behalde

Zal verheite (verheeten) noch verkalde

klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: “In Gods naam”. Soms klinkt dat: “In Godsnaam: des neet gevlook”. Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: “As God bleefʼ (als ʼt God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat “ter iere Goads” of “om Goads wil.” Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij “Ik bêj dich um Goads wil.” Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient “eine Godsloeën.” En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk “Goddank.”

“God loeënt ȯch”, zei vroeger de kerkmeester voor elk centje,dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. “God loeënt ȯch”, zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: “God wil ȯs helpe.” Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?

Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: “Gank, det dich God bewaar!” En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging “zaliger gedachtenis”, of: “God gêf um den hemel”, of “God truës zien zieël.”

Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: “Vree is God mee”;—“God beschikt over nacht”;—“geef God geen beschimmeld brood”;—“God geeft de koe, maar niet bij de hoornen”, d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;—“ʼt is alles goed wat God wil”;—“men moet God naar de oogen zien”;—“ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;—“als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel.” Zie Pr.Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die vanA. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI—XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder:A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX—XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX—(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.

Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. “Anspan kriigen” heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.

Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: “met den plaggenwagen komen”, d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze “met den plaggenwagen weergekomen”, en dan moet ze “den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken”: Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.

Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in deapologische spreukof exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: “Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok”, een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.— “Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen”.—“Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken”.—“Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht”.—“Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af”.

Twente: Dat is ʼn ander keurn, zèj de muller, en hê beet in ʼnen moezenköttel.

Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met zʼn gat de lampe uut.

Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vraddʼe en slakk op en mainde, dat ʼn proeme was.

Limburg: Waat nȯw gezȯnge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.

Getroffe, zach de jȯng, doe smeet hê zie vader en oug oêt.

Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.—

Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jȯng wat in de bȯtermelk vond.—Aangebrand,hêt det ouk bein? zach de jȯng, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.

Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.

De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.

Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.

Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.

Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.

Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.

Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.

Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.

Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.

De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.

Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.

Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.

Zuinig, zei besje, de boter is duur.

De Vrouw. Het overleggen is ʼt al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.

Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.

Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.

De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.

Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.

De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.

De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.

Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.

De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.

Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.

Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.

De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.

Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.

Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.

ʼt Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.

Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.—

Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van hetapologische dieren-spreekwoord.

Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.

Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.

Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.

Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.

Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.

Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.

Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.

Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.

De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. ZieKirghbijl ten Dam[J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.

Bij het bepalen derpsychologische waardevan het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den “waren” of “eigenlijken” vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.

Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking “op zijn eigen houtje”, aan de zeemanstaal ontleend, waar “zijn eigen hout” inderdaad in de beteekenis van “schip” gebruikt werd; zieEymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.

Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking vanBusken Huet: “Gods water over Gods akker latenkabbelen”; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: “dat looptde spuitgaten uit,” voor “de spuigaten”;—“over éen kant scheren”, voor “over een kam scheren”; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijftDe Vooysin zijn artikel “Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen” in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: “Voor een heet vuur staanzal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het “hete vuur” kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste— desnoods het “oorspronkelike”—beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het “echte” of “eigenlike” tegenover de latere “onechte” of “verbasterde” stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is.” Zoo dacht men bij de uitdrukking “de bom breekt uit” aanvankelijk aan een vat, waar debom(de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van ditbommetbom“kogel” heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werduitbrekenvervangen doorbarsten, losbarstenofspringen. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis “het geheim is uitgekomen” is geweken voor “er is een beslissende uitbarsting gekomen”. Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. “Er moet nog veel water door de Maas vloeien”, wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;—“een schelvisch, eenspiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen”, wordt in Limburg: “een avel uitwerpen om een snoek te vangen”, en in het Oosten van ons land: “met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien”. Het Hollandsche: “zoo oud als de weg naar Kralingen”, luidt in Limburg: “zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel”. Het Drentsche spreekwoord: “Armeluiʼs ossen en rijkeluiʼs kinder zijn gauw groot”, heeft in Limburg den vorm: “Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd”.

Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook devolksluim, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.

1. Zeer veelvuldig zijn dewoordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.

Naar Molleghem zijn; naar ʼt Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;—naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.

Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).

Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.

Te WellerlooiDaar zingen de veugelkes zoo mooi.Te Well ook wel,Maar niet zoo mooi als in in de Looi.

Te WellerlooiDaar zingen de veugelkes zoo mooi.Te Well ook wel,Maar niet zoo mooi als in in de Looi.

Te Wellerlooi

Daar zingen de veugelkes zoo mooi.

Te Well ook wel,

Maar niet zoo mooi als in in de Looi.

Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woordboks“broek”).

Van Lekkerkerk zijn.

Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.

2.Plaatsnamenin luimige gezegdenzonder woordspeling.

Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).

Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.

Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.

Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).

Hij komt van de Merumer markt: Roermond.

Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. “lui, lekker, kaal en hoovaardig”).

Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).

Van Bommel tot Den Bosch (volop).

Van Helmond komen (drukte maken).

Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor “een dutje doen”; te Venloo heet dit: “naar Tegelen gaan”, enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.

Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).

Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.

Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.

Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.

Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).

Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.

3.Spotrijmpjes op steden en dorpen.

Oostergoo het land,Westergoo het geld,De Wouden het verstand,De Steden het geweld.

Oostergoo het land,Westergoo het geld,De Wouden het verstand,De Steden het geweld.

Oostergoo het land,

Westergoo het geld,

De Wouden het verstand,

De Steden het geweld.

Dokkum is een oude stad,Een oude stad boven maten,Daarom verkoopt men anders nietAls taai en ook garnaten.

Dokkum is een oude stad,Een oude stad boven maten,Daarom verkoopt men anders nietAls taai en ook garnaten.

Dokkum is een oude stad,

Een oude stad boven maten,

Daarom verkoopt men anders niet

Als taai en ook garnaten.

De Amelander schalken,Die stalen eens drie balkens Avonds in den maneschijn,Daarom zal ʼt hun wapen zijn.

De Amelander schalken,Die stalen eens drie balkens Avonds in den maneschijn,Daarom zal ʼt hun wapen zijn.

De Amelander schalken,

Die stalen eens drie balken

s Avonds in den maneschijn,

Daarom zal ʼt hun wapen zijn.

Neêr-LangbroekDie schrale hoek!Daar wonen niets dan edelluiEn bedellui,RiddersEn broodbidders;Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,Sterkenburg is het beste.

Neêr-LangbroekDie schrale hoek!Daar wonen niets dan edelluiEn bedellui,RiddersEn broodbidders;Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,Sterkenburg is het beste.

Neêr-Langbroek

Die schrale hoek!

Daar wonen niets dan edellui

En bedellui,

Ridders

En broodbidders;

Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,

Sterkenburg is het beste.

Deventer is een koopstad,Zutfen is een loopstad,Lochem is nog wat,Maar Borkeloo is een hondegat.

Deventer is een koopstad,Zutfen is een loopstad,Lochem is nog wat,Maar Borkeloo is een hondegat.

Deventer is een koopstad,

Zutfen is een loopstad,

Lochem is nog wat,

Maar Borkeloo is een hondegat.

Amsterdam ligt aan het IJ,Monnikendam, daar wonen wij;Edam is een nest,Hoorn doet zijn best,Enkhuizen staat op tonnen,Medemblik heeft het gewonnen.

Amsterdam ligt aan het IJ,Monnikendam, daar wonen wij;Edam is een nest,Hoorn doet zijn best,Enkhuizen staat op tonnen,Medemblik heeft het gewonnen.

Amsterdam ligt aan het IJ,

Monnikendam, daar wonen wij;

Edam is een nest,

Hoorn doet zijn best,

Enkhuizen staat op tonnen,

Medemblik heeft het gewonnen.

Peer is nog een stad,Achel is nog wat,En Bree is een paddegat.

Peer is nog een stad,Achel is nog wat,En Bree is een paddegat.

Peer is nog een stad,

Achel is nog wat,

En Bree is een paddegat.

Brugge is zot,Gent is bot.Kortrijk heeft ʼnen zin,Ronse heeft van den duvel in.

Brugge is zot,Gent is bot.Kortrijk heeft ʼnen zin,Ronse heeft van den duvel in.

Brugge is zot,

Gent is bot.

Kortrijk heeft ʼnen zin,

Ronse heeft van den duvel in.

Wing, Wang, Laar,Herpen over Orsmaal,Hal al bovenal,Dormaal is een verkensstal.

Wing, Wang, Laar,Herpen over Orsmaal,Hal al bovenal,Dormaal is een verkensstal.

Wing, Wang, Laar,

Herpen over Orsmaal,

Hal al bovenal,

Dormaal is een verkensstal.

Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,Om den Molschen toren te koopen,Die van Balen, die waren nie zot,En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.

Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,Om den Molschen toren te koopen,Die van Balen, die waren nie zot,En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.

Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,

Om den Molschen toren te koopen,

Die van Balen, die waren nie zot,

En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.

DendermondeLeeg van gronde,Klein van goed,Hoog van gemoed.

DendermondeLeeg van gronde,Klein van goed,Hoog van gemoed.

Dendermonde

Leeg van gronde,

Klein van goed,

Hoog van gemoed.

De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)Die lieten stelen hun kanon.Zij exerceerden lijk de koeien,En zij stalen al de Savooien.Rakkedok—kedok!Mee ʼnen krommen kop;Zʼhebben een geweerLijk ʼnen bloemkoolstok.

De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)Die lieten stelen hun kanon.Zij exerceerden lijk de koeien,En zij stalen al de Savooien.Rakkedok—kedok!Mee ʼnen krommen kop;Zʼhebben een geweerLijk ʼnen bloemkoolstok.

De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)

Die lieten stelen hun kanon.

Zij exerceerden lijk de koeien,

En zij stalen al de Savooien.

Rakkedok—kedok!

Mee ʼnen krommen kop;

Zʼhebben een geweer

Lijk ʼnen bloemkoolstok.

Herenthals is ʼne nest,Die der wonen, weten het best.

Herenthals is ʼne nest,Die der wonen, weten het best.

Herenthals is ʼne nest,

Die der wonen, weten het best.

Hersel—de macht,Westel—de pracht.

Hersel—de macht,Westel—de pracht.

Hersel—de macht,

Westel—de pracht.

Hooglee—groote pracht,Verre gezien en weinig geacht.

Hooglee—groote pracht,Verre gezien en weinig geacht.

Hooglee—groote pracht,

Verre gezien en weinig geacht.

HoogleeSchoone stee,Lichtervelde lacht er mee.

HoogleeSchoone stee,Lichtervelde lacht er mee.

Hooglee

Schoone stee,

Lichtervelde lacht er mee.

EessenIs een deesem,Zane is een trog,Werken loopt er om nog,Handzame is een leegaard,Koekelare is alderbest,Bovekerke is ʼn kakkernest.

EessenIs een deesem,Zane is een trog,Werken loopt er om nog,Handzame is een leegaard,Koekelare is alderbest,Bovekerke is ʼn kakkernest.

Eessen

Is een deesem,

Zane is een trog,

Werken loopt er om nog,

Handzame is een leegaard,

Koekelare is alderbest,

Bovekerke is ʼn kakkernest.

Te LangedijkDaar zijn ze rijk,Daar eten ze gort met krenten!En waarom zouden zij dát niet doen,Ze leven er van hun renten.

Te LangedijkDaar zijn ze rijk,Daar eten ze gort met krenten!En waarom zouden zij dát niet doen,Ze leven er van hun renten.

Te Langedijk

Daar zijn ze rijk,

Daar eten ze gort met krenten!

En waarom zouden zij dát niet doen,

Ze leven er van hun renten.

Daar kwam ʼnen boer van Leuven,Van Leuven kwam ʼnen boer;Hij meende gaan te dorschen,En viel op zijnen vloer.

Daar kwam ʼnen boer van Leuven,Van Leuven kwam ʼnen boer;Hij meende gaan te dorschen,En viel op zijnen vloer.

Daar kwam ʼnen boer van Leuven,

Van Leuven kwam ʼnen boer;

Hij meende gaan te dorschen,

En viel op zijnen vloer.

EnumatilDaar kijken ze gril,Daar staat geen kerk of toren;Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.

EnumatilDaar kijken ze gril,Daar staat geen kerk of toren;Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.

Enumatil

Daar kijken ze gril,

Daar staat geen kerk of toren;

Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.

Maasland,Vet landDe bedelêren komen van dien kant.

Maasland,Vet landDe bedelêren komen van dien kant.

Maasland,

Vet land

De bedelêren komen van dien kant.

Die van Mol die zijn geschoren,Ze hebben vier wijzers en geenen toren;Die van Geel, die zouden loopen,Om de wijzers af te koopen;Die van Balen zijn jaloesch,Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.

Die van Mol die zijn geschoren,Ze hebben vier wijzers en geenen toren;Die van Geel, die zouden loopen,Om de wijzers af te koopen;Die van Balen zijn jaloesch,Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.

Die van Mol die zijn geschoren,

Ze hebben vier wijzers en geenen toren;

Die van Geel, die zouden loopen,

Om de wijzers af te koopen;

Die van Balen zijn jaloesch,

Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.

Rijke VörselArm MalLomp ZoerselMager Hal (Kempen).

Rijke VörselArm MalLomp ZoerselMager Hal (Kempen).

Rijke Vörsel

Arm Mal

Lomp Zoersel

Mager Hal (Kempen).

Tiegem—berg en dal,Ingoigem—lang en smal,Ootegem—de fleure van al!

Tiegem—berg en dal,Ingoigem—lang en smal,Ootegem—de fleure van al!

Tiegem—berg en dal,

Ingoigem—lang en smal,

Ootegem—de fleure van al!

Te Zulte in ʼt zand,Hoe meer dat ʼt regent,Hoe beter land.

Te Zulte in ʼt zand,Hoe meer dat ʼt regent,Hoe beter land.

Te Zulte in ʼt zand,

Hoe meer dat ʼt regent,

Hoe beter land.

Loon-op-Zand,Licht volk, licht land,Ze schooien den kost,En ze stelen den brand.

Loon-op-Zand,Licht volk, licht land,Ze schooien den kost,En ze stelen den brand.

Loon-op-Zand,

Licht volk, licht land,

Ze schooien den kost,

En ze stelen den brand.

Herten, Merum en Ool,Drie dorpen en éen pastoor.

Herten, Merum en Ool,Drie dorpen en éen pastoor.

Herten, Merum en Ool,

Drie dorpen en éen pastoor.

De Bressianen (van Breskens)Zijn hanen,Maar voor SchoondijkeMoeten ze wijken.En komen die van Groe,Dan houden ze beter hun deuren maar toe.

De Bressianen (van Breskens)Zijn hanen,Maar voor SchoondijkeMoeten ze wijken.En komen die van Groe,Dan houden ze beter hun deuren maar toe.

De Bressianen (van Breskens)

Zijn hanen,

Maar voor Schoondijke

Moeten ze wijken.

En komen die van Groe,

Dan houden ze beter hun deuren maar toe.

Koevorden is een fraaie stad,Dalen is een moddergat,Wachtum is een eendenpoel,Hesselen is een koningsstoel.

Koevorden is een fraaie stad,Dalen is een moddergat,Wachtum is een eendenpoel,Hesselen is een koningsstoel.

Koevorden is een fraaie stad,

Dalen is een moddergat,

Wachtum is een eendenpoel,

Hesselen is een koningsstoel.

Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:

Kootwijk is een zoetendal,En die er is, die blijft er al.

Kootwijk is een zoetendal,En die er is, die blijft er al.

Kootwijk is een zoetendal,

En die er is, die blijft er al.

En eveneens in het Groningsche:

Riepster klokkengeklang,ʼt Lopster örgelgezang,ʼt Zandster bouwland,En Steemer kouland,Dat is het kroontje van Grönnegerland.

Riepster klokkengeklang,ʼt Lopster örgelgezang,ʼt Zandster bouwland,En Steemer kouland,Dat is het kroontje van Grönnegerland.

Riepster klokkengeklang,

ʼt Lopster örgelgezang,

ʼt Zandster bouwland,

En Steemer kouland,

Dat is het kroontje van Grönnegerland.

Maar het kan óok zijn, dat de regels: “Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al” oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:

Zuidhorn is een bloemendal,Die er woont, die blijft er al,Noordhorn is een moddergat,Die er komt, die vindt er wat!Oldehove, die stompe toren,Daar wil de koster zijn wijf vermooren.Niehove loopt in ʼt rond,Daar loopen de meisjes kakelbont.Feerwerder kattenSpringen over latten,Vangen de muzenBij honderd en duzend,Braden ze in de pan,En eten er alle dagen van.

Zuidhorn is een bloemendal,Die er woont, die blijft er al,Noordhorn is een moddergat,Die er komt, die vindt er wat!Oldehove, die stompe toren,Daar wil de koster zijn wijf vermooren.Niehove loopt in ʼt rond,Daar loopen de meisjes kakelbont.Feerwerder kattenSpringen over latten,Vangen de muzenBij honderd en duzend,Braden ze in de pan,En eten er alle dagen van.

Zuidhorn is een bloemendal,

Die er woont, die blijft er al,

Noordhorn is een moddergat,

Die er komt, die vindt er wat!

Oldehove, die stompe toren,

Daar wil de koster zijn wijf vermooren.

Niehove loopt in ʼt rond,

Daar loopen de meisjes kakelbont.

Feerwerder katten

Springen over latten,

Vangen de muzen

Bij honderd en duzend,

Braden ze in de pan,

En eten er alle dagen van.

Tiel is een stad,Echteld is een gat,IJzendoorn is een waterpoel,Ochten is een koningsstoel.

Tiel is een stad,Echteld is een gat,IJzendoorn is een waterpoel,Ochten is een koningsstoel.

Tiel is een stad,

Echteld is een gat,

IJzendoorn is een waterpoel,

Ochten is een koningsstoel.

Bommel, Bommel blinkt schoon,Waardenburg spant de kroon,Tuil is ʼt alderbest,Hafte is een kraaiennest,Hellouw is een eendenpoel,Herwijne is een schettestoel,Vuren is een errem land,Dalem ligt aan den Waterkant,Gorkum is een schoone stad,Schelluinen is een hondegat.

Bommel, Bommel blinkt schoon,Waardenburg spant de kroon,Tuil is ʼt alderbest,Hafte is een kraaiennest,Hellouw is een eendenpoel,Herwijne is een schettestoel,Vuren is een errem land,Dalem ligt aan den Waterkant,Gorkum is een schoone stad,Schelluinen is een hondegat.

Bommel, Bommel blinkt schoon,

Waardenburg spant de kroon,

Tuil is ʼt alderbest,

Hafte is een kraaiennest,

Hellouw is een eendenpoel,

Herwijne is een schettestoel,

Vuren is een errem land,

Dalem ligt aan den Waterkant,

Gorkum is een schoone stad,

Schelluinen is een hondegat.

Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:

De Visvlieter bellen,Zeggen van zèllen en wèllen,De Boerumer bollenZeggen van zollen en wollen,En de Kollumer ludenZeggen van zuden en wuden.

De Visvlieter bellen,Zeggen van zèllen en wèllen,De Boerumer bollenZeggen van zollen en wollen,En de Kollumer ludenZeggen van zuden en wuden.

De Visvlieter bellen,

Zeggen van zèllen en wèllen,

De Boerumer bollen

Zeggen van zollen en wollen,

En de Kollumer luden

Zeggen van zuden en wuden.

Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.

4. Spotrijmpjes opvoornamenenfamilienamen.

Antoon:

ToontjeMijn zoontje,Wanneer zal ʼt zijn?Tʼavond in de maneschijn.

ToontjeMijn zoontje,Wanneer zal ʼt zijn?Tʼavond in de maneschijn.

Toontje

Mijn zoontje,

Wanneer zal ʼt zijn?

Tʼavond in de maneschijn.

Jan Baptist:

Jan Baptiste,Suiker in de kiste,Vleesch in de pot,Jan Baptiste is waarlijk zot.

Jan Baptiste,Suiker in de kiste,Vleesch in de pot,Jan Baptiste is waarlijk zot.

Jan Baptiste,

Suiker in de kiste,

Vleesch in de pot,

Jan Baptiste is waarlijk zot.

Jan:

JanKoekepan,Met ʼnen spijzen boterham.

JanKoekepan,Met ʼnen spijzen boterham.

Jan

Koekepan,

Met ʼnen spijzen boterham.


Back to IndexNext