JanBakt eieren in de pan,Bakt eieren in den schoen,Dan herre geen pan van doen.Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, heel de weke,Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.Jozef:Seven,Laat mij leven,ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.Marianne:Marjanne,Boter in de panne,Boter in de pot,Is Marjanneke nog nie zot!Piet:PietValt in ʼt riet,Dat men hem niet meer ziet.De Smedt:Smedt,Een panneke vet,Een panneke rapen,En daarmee moet Smedt slapen.Van Boeck:Frans van Boek,Dikke snoek,Zonder knoopen aan zijn broek.Verbist:Mijnheer VerbistLag in de kist,Zonder dat vader of moeder het wist.Verhagen:Jan VerhagenDraagt zijn beste broek alle dagen.5.Alliteerendevolksluim.MuldersMansmoetmijnmoedermooimeelmalen,mooimeelmoetMuldersMansmijnmoedermalen.WieweetwaarWillemWaanderswoont?WillemWaanderswoontwijdweg,wijdwegwoontWillemWaanders (elders:WillemWitjes).Dekat, diekrabt dekrullen van de trap (tevens assonantie).6. Spotrijmpjes opstandenenambachten.Bakker:O jonges wat ʼn pret!Morgen wordt ʼt brood afgezet!Twee centen in ʼt geheel,O wat kijkt die bakker scheel!De bakker van den hoek,Die heeft vannacht geblazen,De zemelen uit zijn broek,Hij hangt ze voor de glazen,Gelijk een peperkoek.Apotheker:Mijnheer den apotheker,Ik ben het niet zeker,Maar geef me voor twee cents en halfPlatluizenzalf.ʼt Is niet voor mij,ʼt Is voor mijn kameraad,Die aan de deur staat.Boer:Rotte patattenMee schelleʼ vaʼ visch,Dat eten de boerenAs ʼt kerremis is.Kleermaker:Kleeremaker,Luizekraker,Lapkesdief!Ge heb gestolen van mijn gerief!Koster:Bimbambeieren!De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.Paternoster,Slaat den koster,Slaat hem een bult,Dat hij rond de kerk krult.Lantaarnopsteker:Ik kom aan,Ik zet neer,Ik kruip op,Ik steek aan,Ik ga neer,Ik neem op,Ik ga heen.Jantje komt, Jantje komt,Jantje de lanteernman!Vroeg en laatOp de straat,Om te zien, hoe alles gaat.Molenaar:Mulder, mulder, korendief,Groote zakken heeft-ie lief,Kleine wil-ie niet malen,De duvel zal hem halen!Soldaat:SoldaatKameraad,In de Peperstraat!En hij pakte zijn geweer,En hij schoot ze omveer.Wever:Daar zat ʼne wever op zijn getouw,Blauw van honger en grauw van kou,Hij weefde al dit en hij weefde al dat,En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat7. Spotrijmpjes opgebrekenenmismaaktheden.Bultenaar:ʼt Is den bultZijn eigen schuld,Dat hij zijn kas moet dragen;Dat hij gaatBij Pier van Timst,Die zal zijn kas afzagen.Bult karkas,Viool op bas,Viool en fluit,Trekt er maar uit!Gierigaard:Gierigaard,Langen baard,Uitgedroogde moordenaar!Linksche:SlinkepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!Manke:MankepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!Rosharige:Ros haar,Ros bloed,Zelden goed.Scheelziende:Schelewip,Schelewap,Papzak!Ik heb een vogeltje gevangenEn het beestje kan niet zien,Schele Pauwelien,Schele Pauwelien.8.Wat de klokken vertellen.De klokken van Ledegem luiden:Lui LeegemLuizebestier,En hooveerdig!Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:Bim! bam! bom!ʼt Moet al dood,Klein en groot,Arm en rijk,Al gelijk.De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:Wieze is zot,Toebak dol.9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizendenuien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, datDe Meyerezich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?—Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook deparodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:Herodes, de koning, kwam zelve veur:zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.Zij kwamen al veur een bakkerij:daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.Zij liepen tot bij een herbergier:daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze doorBoekenoogenin het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen vanwilde gebedenen veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld inDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van denpastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:Marie tentumKeert en wentumWant de entumDie verbrentum.De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.
JanBakt eieren in de pan,Bakt eieren in den schoen,Dan herre geen pan van doen.Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, heel de weke,Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.Jozef:Seven,Laat mij leven,ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.Marianne:Marjanne,Boter in de panne,Boter in de pot,Is Marjanneke nog nie zot!Piet:PietValt in ʼt riet,Dat men hem niet meer ziet.De Smedt:Smedt,Een panneke vet,Een panneke rapen,En daarmee moet Smedt slapen.Van Boeck:Frans van Boek,Dikke snoek,Zonder knoopen aan zijn broek.Verbist:Mijnheer VerbistLag in de kist,Zonder dat vader of moeder het wist.Verhagen:Jan VerhagenDraagt zijn beste broek alle dagen.5.Alliteerendevolksluim.MuldersMansmoetmijnmoedermooimeelmalen,mooimeelmoetMuldersMansmijnmoedermalen.WieweetwaarWillemWaanderswoont?WillemWaanderswoontwijdweg,wijdwegwoontWillemWaanders (elders:WillemWitjes).Dekat, diekrabt dekrullen van de trap (tevens assonantie).6. Spotrijmpjes opstandenenambachten.Bakker:O jonges wat ʼn pret!Morgen wordt ʼt brood afgezet!Twee centen in ʼt geheel,O wat kijkt die bakker scheel!De bakker van den hoek,Die heeft vannacht geblazen,De zemelen uit zijn broek,Hij hangt ze voor de glazen,Gelijk een peperkoek.Apotheker:Mijnheer den apotheker,Ik ben het niet zeker,Maar geef me voor twee cents en halfPlatluizenzalf.ʼt Is niet voor mij,ʼt Is voor mijn kameraad,Die aan de deur staat.Boer:Rotte patattenMee schelleʼ vaʼ visch,Dat eten de boerenAs ʼt kerremis is.Kleermaker:Kleeremaker,Luizekraker,Lapkesdief!Ge heb gestolen van mijn gerief!Koster:Bimbambeieren!De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.Paternoster,Slaat den koster,Slaat hem een bult,Dat hij rond de kerk krult.Lantaarnopsteker:Ik kom aan,Ik zet neer,Ik kruip op,Ik steek aan,Ik ga neer,Ik neem op,Ik ga heen.Jantje komt, Jantje komt,Jantje de lanteernman!Vroeg en laatOp de straat,Om te zien, hoe alles gaat.Molenaar:Mulder, mulder, korendief,Groote zakken heeft-ie lief,Kleine wil-ie niet malen,De duvel zal hem halen!Soldaat:SoldaatKameraad,In de Peperstraat!En hij pakte zijn geweer,En hij schoot ze omveer.Wever:Daar zat ʼne wever op zijn getouw,Blauw van honger en grauw van kou,Hij weefde al dit en hij weefde al dat,En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat7. Spotrijmpjes opgebrekenenmismaaktheden.Bultenaar:ʼt Is den bultZijn eigen schuld,Dat hij zijn kas moet dragen;Dat hij gaatBij Pier van Timst,Die zal zijn kas afzagen.Bult karkas,Viool op bas,Viool en fluit,Trekt er maar uit!Gierigaard:Gierigaard,Langen baard,Uitgedroogde moordenaar!Linksche:SlinkepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!Manke:MankepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!Rosharige:Ros haar,Ros bloed,Zelden goed.Scheelziende:Schelewip,Schelewap,Papzak!Ik heb een vogeltje gevangenEn het beestje kan niet zien,Schele Pauwelien,Schele Pauwelien.8.Wat de klokken vertellen.De klokken van Ledegem luiden:Lui LeegemLuizebestier,En hooveerdig!Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:Bim! bam! bom!ʼt Moet al dood,Klein en groot,Arm en rijk,Al gelijk.De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:Wieze is zot,Toebak dol.9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizendenuien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, datDe Meyerezich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?—Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook deparodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:Herodes, de koning, kwam zelve veur:zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.Zij kwamen al veur een bakkerij:daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.Zij liepen tot bij een herbergier:daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze doorBoekenoogenin het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen vanwilde gebedenen veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld inDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van denpastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:Marie tentumKeert en wentumWant de entumDie verbrentum.De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.
JanBakt eieren in de pan,Bakt eieren in den schoen,Dan herre geen pan van doen.Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, heel de weke,Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.Jozef:Seven,Laat mij leven,ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.Marianne:Marjanne,Boter in de panne,Boter in de pot,Is Marjanneke nog nie zot!Piet:PietValt in ʼt riet,Dat men hem niet meer ziet.De Smedt:Smedt,Een panneke vet,Een panneke rapen,En daarmee moet Smedt slapen.Van Boeck:Frans van Boek,Dikke snoek,Zonder knoopen aan zijn broek.Verbist:Mijnheer VerbistLag in de kist,Zonder dat vader of moeder het wist.Verhagen:Jan VerhagenDraagt zijn beste broek alle dagen.5.Alliteerendevolksluim.MuldersMansmoetmijnmoedermooimeelmalen,mooimeelmoetMuldersMansmijnmoedermalen.WieweetwaarWillemWaanderswoont?WillemWaanderswoontwijdweg,wijdwegwoontWillemWaanders (elders:WillemWitjes).Dekat, diekrabt dekrullen van de trap (tevens assonantie).6. Spotrijmpjes opstandenenambachten.Bakker:O jonges wat ʼn pret!Morgen wordt ʼt brood afgezet!Twee centen in ʼt geheel,O wat kijkt die bakker scheel!De bakker van den hoek,Die heeft vannacht geblazen,De zemelen uit zijn broek,Hij hangt ze voor de glazen,Gelijk een peperkoek.Apotheker:Mijnheer den apotheker,Ik ben het niet zeker,Maar geef me voor twee cents en halfPlatluizenzalf.ʼt Is niet voor mij,ʼt Is voor mijn kameraad,Die aan de deur staat.Boer:Rotte patattenMee schelleʼ vaʼ visch,Dat eten de boerenAs ʼt kerremis is.Kleermaker:Kleeremaker,Luizekraker,Lapkesdief!Ge heb gestolen van mijn gerief!Koster:Bimbambeieren!De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.Paternoster,Slaat den koster,Slaat hem een bult,Dat hij rond de kerk krult.Lantaarnopsteker:Ik kom aan,Ik zet neer,Ik kruip op,Ik steek aan,Ik ga neer,Ik neem op,Ik ga heen.Jantje komt, Jantje komt,Jantje de lanteernman!Vroeg en laatOp de straat,Om te zien, hoe alles gaat.Molenaar:Mulder, mulder, korendief,Groote zakken heeft-ie lief,Kleine wil-ie niet malen,De duvel zal hem halen!Soldaat:SoldaatKameraad,In de Peperstraat!En hij pakte zijn geweer,En hij schoot ze omveer.Wever:Daar zat ʼne wever op zijn getouw,Blauw van honger en grauw van kou,Hij weefde al dit en hij weefde al dat,En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat7. Spotrijmpjes opgebrekenenmismaaktheden.Bultenaar:ʼt Is den bultZijn eigen schuld,Dat hij zijn kas moet dragen;Dat hij gaatBij Pier van Timst,Die zal zijn kas afzagen.Bult karkas,Viool op bas,Viool en fluit,Trekt er maar uit!Gierigaard:Gierigaard,Langen baard,Uitgedroogde moordenaar!Linksche:SlinkepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!Manke:MankepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!Rosharige:Ros haar,Ros bloed,Zelden goed.Scheelziende:Schelewip,Schelewap,Papzak!Ik heb een vogeltje gevangenEn het beestje kan niet zien,Schele Pauwelien,Schele Pauwelien.8.Wat de klokken vertellen.De klokken van Ledegem luiden:Lui LeegemLuizebestier,En hooveerdig!Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:Bim! bam! bom!ʼt Moet al dood,Klein en groot,Arm en rijk,Al gelijk.De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:Wieze is zot,Toebak dol.9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizendenuien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, datDe Meyerezich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?—Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook deparodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:Herodes, de koning, kwam zelve veur:zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.Zij kwamen al veur een bakkerij:daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.Zij liepen tot bij een herbergier:daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze doorBoekenoogenin het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen vanwilde gebedenen veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld inDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van denpastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:Marie tentumKeert en wentumWant de entumDie verbrentum.De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.
JanBakt eieren in de pan,Bakt eieren in den schoen,Dan herre geen pan van doen.
JanBakt eieren in de pan,Bakt eieren in den schoen,Dan herre geen pan van doen.
Jan
Bakt eieren in de pan,
Bakt eieren in den schoen,
Dan herre geen pan van doen.
Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, heel de weke,Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.
Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, heel de weke,Jan, mijne man, is altijd ziek,Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.
Jan, mijne man, is altijd ziek,
Heel de weke, heel de weke,
Jan, mijne man, is altijd ziek,
Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.
Jozef:
Seven,Laat mij leven,ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
Seven,Laat mij leven,ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
Seven,
Laat mij leven,
ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
Marianne:
Marjanne,Boter in de panne,Boter in de pot,Is Marjanneke nog nie zot!
Marjanne,Boter in de panne,Boter in de pot,Is Marjanneke nog nie zot!
Marjanne,
Boter in de panne,
Boter in de pot,
Is Marjanneke nog nie zot!
Piet:
PietValt in ʼt riet,Dat men hem niet meer ziet.
PietValt in ʼt riet,Dat men hem niet meer ziet.
Piet
Valt in ʼt riet,
Dat men hem niet meer ziet.
De Smedt:
Smedt,Een panneke vet,Een panneke rapen,En daarmee moet Smedt slapen.
Smedt,Een panneke vet,Een panneke rapen,En daarmee moet Smedt slapen.
Smedt,
Een panneke vet,
Een panneke rapen,
En daarmee moet Smedt slapen.
Van Boeck:
Frans van Boek,Dikke snoek,Zonder knoopen aan zijn broek.
Frans van Boek,Dikke snoek,Zonder knoopen aan zijn broek.
Frans van Boek,
Dikke snoek,
Zonder knoopen aan zijn broek.
Verbist:
Mijnheer VerbistLag in de kist,Zonder dat vader of moeder het wist.
Mijnheer VerbistLag in de kist,Zonder dat vader of moeder het wist.
Mijnheer Verbist
Lag in de kist,
Zonder dat vader of moeder het wist.
Verhagen:
Jan VerhagenDraagt zijn beste broek alle dagen.
Jan VerhagenDraagt zijn beste broek alle dagen.
Jan Verhagen
Draagt zijn beste broek alle dagen.
5.Alliteerendevolksluim.
MuldersMansmoetmijnmoedermooimeelmalen,mooimeelmoetMuldersMansmijnmoedermalen.
WieweetwaarWillemWaanderswoont?WillemWaanderswoontwijdweg,wijdwegwoontWillemWaanders (elders:WillemWitjes).
Dekat, diekrabt dekrullen van de trap (tevens assonantie).
6. Spotrijmpjes opstandenenambachten.
Bakker:
O jonges wat ʼn pret!Morgen wordt ʼt brood afgezet!Twee centen in ʼt geheel,O wat kijkt die bakker scheel!
O jonges wat ʼn pret!Morgen wordt ʼt brood afgezet!Twee centen in ʼt geheel,O wat kijkt die bakker scheel!
O jonges wat ʼn pret!
Morgen wordt ʼt brood afgezet!
Twee centen in ʼt geheel,
O wat kijkt die bakker scheel!
De bakker van den hoek,Die heeft vannacht geblazen,De zemelen uit zijn broek,Hij hangt ze voor de glazen,Gelijk een peperkoek.
De bakker van den hoek,Die heeft vannacht geblazen,De zemelen uit zijn broek,Hij hangt ze voor de glazen,Gelijk een peperkoek.
De bakker van den hoek,
Die heeft vannacht geblazen,
De zemelen uit zijn broek,
Hij hangt ze voor de glazen,
Gelijk een peperkoek.
Apotheker:
Mijnheer den apotheker,Ik ben het niet zeker,Maar geef me voor twee cents en halfPlatluizenzalf.ʼt Is niet voor mij,ʼt Is voor mijn kameraad,Die aan de deur staat.
Mijnheer den apotheker,Ik ben het niet zeker,Maar geef me voor twee cents en halfPlatluizenzalf.ʼt Is niet voor mij,ʼt Is voor mijn kameraad,Die aan de deur staat.
Mijnheer den apotheker,
Ik ben het niet zeker,
Maar geef me voor twee cents en half
Platluizenzalf.
ʼt Is niet voor mij,
ʼt Is voor mijn kameraad,
Die aan de deur staat.
Boer:
Rotte patattenMee schelleʼ vaʼ visch,Dat eten de boerenAs ʼt kerremis is.
Rotte patattenMee schelleʼ vaʼ visch,Dat eten de boerenAs ʼt kerremis is.
Rotte patatten
Mee schelleʼ vaʼ visch,
Dat eten de boeren
As ʼt kerremis is.
Kleermaker:
Kleeremaker,Luizekraker,Lapkesdief!Ge heb gestolen van mijn gerief!
Kleeremaker,Luizekraker,Lapkesdief!Ge heb gestolen van mijn gerief!
Kleeremaker,
Luizekraker,
Lapkesdief!
Ge heb gestolen van mijn gerief!
Koster:
Bimbambeieren!De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.
Bimbambeieren!De koster lust geen eieren,Wat lust hij dan?Spek in de pan,Met een roggen boterham.
Bimbambeieren!
De koster lust geen eieren,
Wat lust hij dan?
Spek in de pan,
Met een roggen boterham.
Paternoster,Slaat den koster,Slaat hem een bult,Dat hij rond de kerk krult.
Paternoster,Slaat den koster,Slaat hem een bult,Dat hij rond de kerk krult.
Paternoster,
Slaat den koster,
Slaat hem een bult,
Dat hij rond de kerk krult.
Lantaarnopsteker:
Ik kom aan,Ik zet neer,Ik kruip op,Ik steek aan,Ik ga neer,Ik neem op,Ik ga heen.
Ik kom aan,Ik zet neer,Ik kruip op,Ik steek aan,Ik ga neer,Ik neem op,Ik ga heen.
Ik kom aan,
Ik zet neer,
Ik kruip op,
Ik steek aan,
Ik ga neer,
Ik neem op,
Ik ga heen.
Jantje komt, Jantje komt,Jantje de lanteernman!Vroeg en laatOp de straat,Om te zien, hoe alles gaat.
Jantje komt, Jantje komt,Jantje de lanteernman!Vroeg en laatOp de straat,Om te zien, hoe alles gaat.
Jantje komt, Jantje komt,
Jantje de lanteernman!
Vroeg en laat
Op de straat,
Om te zien, hoe alles gaat.
Molenaar:
Mulder, mulder, korendief,Groote zakken heeft-ie lief,Kleine wil-ie niet malen,De duvel zal hem halen!
Mulder, mulder, korendief,Groote zakken heeft-ie lief,Kleine wil-ie niet malen,De duvel zal hem halen!
Mulder, mulder, korendief,
Groote zakken heeft-ie lief,
Kleine wil-ie niet malen,
De duvel zal hem halen!
Soldaat:
SoldaatKameraad,In de Peperstraat!En hij pakte zijn geweer,En hij schoot ze omveer.
SoldaatKameraad,In de Peperstraat!En hij pakte zijn geweer,En hij schoot ze omveer.
Soldaat
Kameraad,
In de Peperstraat!
En hij pakte zijn geweer,
En hij schoot ze omveer.
Wever:
Daar zat ʼne wever op zijn getouw,Blauw van honger en grauw van kou,Hij weefde al dit en hij weefde al dat,En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat
Daar zat ʼne wever op zijn getouw,Blauw van honger en grauw van kou,Hij weefde al dit en hij weefde al dat,En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat
Daar zat ʼne wever op zijn getouw,
Blauw van honger en grauw van kou,
Hij weefde al dit en hij weefde al dat,
En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat
7. Spotrijmpjes opgebrekenenmismaaktheden.
Bultenaar:
ʼt Is den bultZijn eigen schuld,Dat hij zijn kas moet dragen;Dat hij gaatBij Pier van Timst,Die zal zijn kas afzagen.
ʼt Is den bultZijn eigen schuld,Dat hij zijn kas moet dragen;Dat hij gaatBij Pier van Timst,Die zal zijn kas afzagen.
ʼt Is den bult
Zijn eigen schuld,
Dat hij zijn kas moet dragen;
Dat hij gaat
Bij Pier van Timst,
Die zal zijn kas afzagen.
Bult karkas,Viool op bas,Viool en fluit,Trekt er maar uit!
Bult karkas,Viool op bas,Viool en fluit,Trekt er maar uit!
Bult karkas,
Viool op bas,
Viool en fluit,
Trekt er maar uit!
Gierigaard:
Gierigaard,Langen baard,Uitgedroogde moordenaar!
Gierigaard,Langen baard,Uitgedroogde moordenaar!
Gierigaard,
Langen baard,
Uitgedroogde moordenaar!
Linksche:
SlinkepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
SlinkepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
Slinkepoot
Den duvel is dood,
Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
Manke:
MankepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
MankepootDen duvel is dood,Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
Mankepoot
Den duvel is dood,
Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
Rosharige:
Ros haar,Ros bloed,Zelden goed.
Ros haar,Ros bloed,Zelden goed.
Ros haar,
Ros bloed,
Zelden goed.
Scheelziende:
Schelewip,Schelewap,Papzak!
Schelewip,Schelewap,Papzak!
Schelewip,
Schelewap,
Papzak!
Ik heb een vogeltje gevangenEn het beestje kan niet zien,Schele Pauwelien,Schele Pauwelien.
Ik heb een vogeltje gevangenEn het beestje kan niet zien,Schele Pauwelien,Schele Pauwelien.
Ik heb een vogeltje gevangen
En het beestje kan niet zien,
Schele Pauwelien,
Schele Pauwelien.
8.Wat de klokken vertellen.
De klokken van Ledegem luiden:
Lui LeegemLuizebestier,En hooveerdig!
Lui LeegemLuizebestier,En hooveerdig!
Lui Leegem
Luizebestier,
En hooveerdig!
Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:
Bim! bam! bom!ʼt Moet al dood,Klein en groot,Arm en rijk,Al gelijk.
Bim! bam! bom!ʼt Moet al dood,Klein en groot,Arm en rijk,Al gelijk.
Bim! bam! bom!
ʼt Moet al dood,
Klein en groot,
Arm en rijk,
Al gelijk.
De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:
Wieze is zot,Toebak dol.
Wieze is zot,Toebak dol.
Wieze is zot,
Toebak dol.
9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizendenuien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, datDe Meyerezich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?—Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook deparodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.
Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:
Herodes, de koning, kwam zelve veur:zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Herodes, de koning, kwam zelve veur:zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Herodes, de koning, kwam zelve veur:
zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Zij kwamen al veur een bakkerij:daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij kwamen al veur een bakkerij:daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij kwamen al veur een bakkerij:
daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij liepen tot bij een herbergier:daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.
Zij liepen tot bij een herbergier:daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.
Zij liepen tot bij een herbergier:
daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.
Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze doorBoekenoogenin het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen vanwilde gebedenen veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld inDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van denpastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:
Marie tentumKeert en wentumWant de entumDie verbrentum.
Marie tentumKeert en wentumWant de entumDie verbrentum.
Marie tentum
Keert en wentum
Want de entum
Die verbrentum.
De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.