Chapter 28

—Daar was eens een man,—Toe, luistert dan,—Daar was eens eenʼ vrouw,—Toe, luistert nou,—Daar was eens een heer,—Och! ik vertel niet meer.Ziedaar een staal van de zoogenaamdekwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als eenkoudewaterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,—en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.—Eens ʼs winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,—en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,—alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontboodmen een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. “Het zwaard”, zoo sprak hij, “beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood”....“En het zwarte manneken dan?” vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: “Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is”.—Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nogA. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889);Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903);C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890);J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895);J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890);Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868);H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99;Ad. Thimme,Das Märchen, (Leipzig 1909),passim;Gustav Meyer,Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.;M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237;Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452;Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.Van het sprookje verschilt desage, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, hetsprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.Demythische sagenwortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels vanDe Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte....In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan ʼt rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en—de koek lag in de asch!“Suikerloot”, riep Jan, “al éen bedorven”. Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in de asch!“Sapperlot”, vloekte Jan, “al twee bedorven!” Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan ʼt werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!Jan wierp heel dien santenboetiek op ʼnen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. “Zou ʼt nu eindelijk gedaan zijn!” riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. “Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen”. En hij opnieuw aan ʼt bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar “zijn knekelhuis” keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!“Wel, vriend Magermans”, zei Jan tot het spook, “hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?” Maar hij kreeg geen antwoord. “Die zwijgt, stemt toe”, zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in ʼt aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. “Doe de deur open”, zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.“Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt”, zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.“Daal nu de trappen af”, sprak het.—“Doe het zelf”, zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte heteventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. “Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?” riep Jan. “Herbegin maar niet, of ik zal u ʼnen anderen dans leeren”.“Hef dien steen op”, sprak de geest.“Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt”, zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.“Ziet ge dit goud?” vroeg het spook. “Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit”. Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: “De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk”. Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.ʼs Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bijDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidteen sage, ons doorBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: “Wat is er van uw verlangen?” “Ik heb geen rust”, antwoordde het spook, “voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft”. “Die zal vervuld worden”, sprak de dominee.Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.—Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer—ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd—nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toende lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primulaʼs en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.—Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand “vast te zetten” of, zooals het heet, die “de vrije kunst” verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bijBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., enDe Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verderDe Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118–161;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37;P. Oosterlee, Legenden3(Nijmegen 1913), bl. 96.Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming vanDer Mönch von Heisterbach; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen vanW. Müllerʼsgelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over “Het Kluizevogelken van Affligem”.Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in ʼt oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naastde kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: “Wien mag ik bij den Abt aandienen?”—“Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten”, antwoordt de monnik.—“Gij zijt mij geheel vreemd”, herneemt de portier.—“Onmogelijk”, protesteert de pater; “ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen”.Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men deKluizekapelnoemt. Vergel.De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. hetvogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons doorWolf,Niederländische Sagenno. 148 meegedeeld, met hettekstmotiefverbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: “Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren”. Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamdeMatthusalem-motiefbevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te ʼs-Hertogenbosch luidt zij als volgt:Langen tijd geleden leefde te ʼs-Hertogenbosch een Jonker, dieaan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. “Ha ha!” riep hij luid, “dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!” En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: “Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging”. De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens ʼt Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein enBosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeftA. de Cockin eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men inPoirtersʼ Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassaʼs binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.“Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest”, schrijftPoelhekke. “Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden”: Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengenen ʼs avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:“Griepke, Griepke, grauw,Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, ʼt paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. ZieG. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100;Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.Vooralheksensagenvindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen denatuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over dekaboutersweet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn “spaai” op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn “smoorske” voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen overWitte Vrouwen,reuzen,dwergen,vuurmannenenmeerminnentreft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen vanDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. II,18, 52; G. V. D.Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168–215;De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (ib.bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:“Een wateren dak, een paleis van kristal....Daar spelen mijn lievekens allemaal....Visscherken, werp er uw tonneken uit....De walvisch komt en zoekt naar buit”,is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.DeChristelijke sagenborduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,—dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.Op zekeren keer, vertellenDe MontenDe Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:Bij Jan Hamers, paardesmid,Meester-boven-meesters.“Wat”, dacht St.-Elooi, “is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien”.Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.“Kunt gij beslaan?” vroeg de smid.“—Ik geloof, dat het wel gaan zal”, was ʼt antwoord.“—Welnu, toon wat je kunt”, zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan ʼt werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van ʼt paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. “In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat”, peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.“Waarom zet gij dan op uw uithangbord “ “Meester-boven-meesters?” ” vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vingeraan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.—Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. “Zet U op mijn rug”, stelde zij voor, “dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: “Daar heb je nu een merrie zonder staart”.Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief derdrie wenschen.Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. Deduivelssagenbehooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinnerslechtsaan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ookWelters, Limburgsche Legenden II,bl. 49;Wolf,Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburgʼs Jaarboek IV, bl. 253; enz.Ik kom nu tot dehistorische sagen, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met “historische kern” bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: “Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!” (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: “Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven.” ʼt Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op “den discipel, dien Jezus lief had.” Maar totgevleugeldewoorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamdeikonografischevolkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v.de legenden der martelaars, wien men den naam vanCefaloforenof “hoofddragers” gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. PaterCahierheeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: “Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels,hunne hoofden in hunne handen, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen.” Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot deetymologischevolkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.—Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoogWilhelm Wundt,VölkerpsychologieV, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sageverschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,—maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,—wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. “Het sprookje is de groote schatkamer geweest”, schrijftProf. Sijmons, “waaruit helden- en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apolloʼs en Balderʼs plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewonderingschonk, op merkwaardige wijze trouw”: Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ookPoelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.Meerdere onzer historische sagen zijnvan eldershierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging—want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.Wolfverhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in hetSoniënboscheen ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing totuiting te brengen. AldusTen Katein zijn Ahasverus op den Grimsel,Heijermansin het schouwspel Ahasverus,Vermeylenin den roman De Wandelende Jood.Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen—“de Vier Heysmanskinderen op éen paard”, zooals het in Limburg heet—en van den Zwanenriddervan Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:O Kenmerland! o Kenmerland!O land van meiren en van wouden!O land, door ʼt forsche woord bezield!Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,Die voorgeslachten hier aanschouwden!Hoe heeft (helaas!) een later teeltDe paerlen van uw kroon verspeeld.En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!O land van trotschheid en van kracht—Hoe is uw eikenknots geknakt,En u een rietstaf opgedrongen!Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegdAan ʼt fiere schoon van uw waranden,En in behoeftes maagre handenDe schatten van uw pronk geleegd.Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, doorHofdijkzoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akerslootʼs sagen: Volbrachte Eed enProef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op debekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die moedig het monster met zijn vervaarlijk “Gelre”-geroep versloeg. Elsa, de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder geen onbekende.Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, kwamen zij tegen het einde der IXeeeuw de Maasafzakken en sloegen hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te Thorn. Weertʼs glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch tafellied ons doorJos. Habetsin een geschriftje over deze legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:

—Daar was eens een man,—Toe, luistert dan,—Daar was eens eenʼ vrouw,—Toe, luistert nou,—Daar was eens een heer,—Och! ik vertel niet meer.Ziedaar een staal van de zoogenaamdekwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als eenkoudewaterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,—en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.—Eens ʼs winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,—en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,—alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontboodmen een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. “Het zwaard”, zoo sprak hij, “beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood”....“En het zwarte manneken dan?” vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: “Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is”.—Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nogA. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889);Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903);C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890);J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895);J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890);Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868);H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99;Ad. Thimme,Das Märchen, (Leipzig 1909),passim;Gustav Meyer,Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.;M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237;Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452;Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.Van het sprookje verschilt desage, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, hetsprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.Demythische sagenwortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels vanDe Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte....In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan ʼt rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en—de koek lag in de asch!“Suikerloot”, riep Jan, “al éen bedorven”. Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in de asch!“Sapperlot”, vloekte Jan, “al twee bedorven!” Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan ʼt werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!Jan wierp heel dien santenboetiek op ʼnen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. “Zou ʼt nu eindelijk gedaan zijn!” riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. “Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen”. En hij opnieuw aan ʼt bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar “zijn knekelhuis” keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!“Wel, vriend Magermans”, zei Jan tot het spook, “hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?” Maar hij kreeg geen antwoord. “Die zwijgt, stemt toe”, zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in ʼt aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. “Doe de deur open”, zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.“Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt”, zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.“Daal nu de trappen af”, sprak het.—“Doe het zelf”, zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte heteventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. “Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?” riep Jan. “Herbegin maar niet, of ik zal u ʼnen anderen dans leeren”.“Hef dien steen op”, sprak de geest.“Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt”, zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.“Ziet ge dit goud?” vroeg het spook. “Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit”. Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: “De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk”. Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.ʼs Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bijDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidteen sage, ons doorBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: “Wat is er van uw verlangen?” “Ik heb geen rust”, antwoordde het spook, “voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft”. “Die zal vervuld worden”, sprak de dominee.Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.—Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer—ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd—nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toende lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primulaʼs en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.—Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand “vast te zetten” of, zooals het heet, die “de vrije kunst” verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bijBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., enDe Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verderDe Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118–161;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37;P. Oosterlee, Legenden3(Nijmegen 1913), bl. 96.Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming vanDer Mönch von Heisterbach; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen vanW. Müllerʼsgelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over “Het Kluizevogelken van Affligem”.Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in ʼt oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naastde kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: “Wien mag ik bij den Abt aandienen?”—“Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten”, antwoordt de monnik.—“Gij zijt mij geheel vreemd”, herneemt de portier.—“Onmogelijk”, protesteert de pater; “ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen”.Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men deKluizekapelnoemt. Vergel.De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. hetvogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons doorWolf,Niederländische Sagenno. 148 meegedeeld, met hettekstmotiefverbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: “Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren”. Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamdeMatthusalem-motiefbevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te ʼs-Hertogenbosch luidt zij als volgt:Langen tijd geleden leefde te ʼs-Hertogenbosch een Jonker, dieaan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. “Ha ha!” riep hij luid, “dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!” En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: “Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging”. De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens ʼt Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein enBosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeftA. de Cockin eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men inPoirtersʼ Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassaʼs binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.“Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest”, schrijftPoelhekke. “Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden”: Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengenen ʼs avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:“Griepke, Griepke, grauw,Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, ʼt paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. ZieG. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100;Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.Vooralheksensagenvindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen denatuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over dekaboutersweet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn “spaai” op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn “smoorske” voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen overWitte Vrouwen,reuzen,dwergen,vuurmannenenmeerminnentreft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen vanDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. II,18, 52; G. V. D.Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168–215;De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (ib.bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:“Een wateren dak, een paleis van kristal....Daar spelen mijn lievekens allemaal....Visscherken, werp er uw tonneken uit....De walvisch komt en zoekt naar buit”,is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.DeChristelijke sagenborduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,—dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.Op zekeren keer, vertellenDe MontenDe Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:Bij Jan Hamers, paardesmid,Meester-boven-meesters.“Wat”, dacht St.-Elooi, “is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien”.Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.“Kunt gij beslaan?” vroeg de smid.“—Ik geloof, dat het wel gaan zal”, was ʼt antwoord.“—Welnu, toon wat je kunt”, zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan ʼt werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van ʼt paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. “In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat”, peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.“Waarom zet gij dan op uw uithangbord “ “Meester-boven-meesters?” ” vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vingeraan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.—Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. “Zet U op mijn rug”, stelde zij voor, “dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: “Daar heb je nu een merrie zonder staart”.Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief derdrie wenschen.Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. Deduivelssagenbehooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinnerslechtsaan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ookWelters, Limburgsche Legenden II,bl. 49;Wolf,Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburgʼs Jaarboek IV, bl. 253; enz.Ik kom nu tot dehistorische sagen, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met “historische kern” bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: “Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!” (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: “Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven.” ʼt Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op “den discipel, dien Jezus lief had.” Maar totgevleugeldewoorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamdeikonografischevolkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v.de legenden der martelaars, wien men den naam vanCefaloforenof “hoofddragers” gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. PaterCahierheeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: “Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels,hunne hoofden in hunne handen, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen.” Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot deetymologischevolkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.—Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoogWilhelm Wundt,VölkerpsychologieV, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sageverschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,—maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,—wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. “Het sprookje is de groote schatkamer geweest”, schrijftProf. Sijmons, “waaruit helden- en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apolloʼs en Balderʼs plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewonderingschonk, op merkwaardige wijze trouw”: Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ookPoelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.Meerdere onzer historische sagen zijnvan eldershierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging—want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.Wolfverhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in hetSoniënboscheen ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing totuiting te brengen. AldusTen Katein zijn Ahasverus op den Grimsel,Heijermansin het schouwspel Ahasverus,Vermeylenin den roman De Wandelende Jood.Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen—“de Vier Heysmanskinderen op éen paard”, zooals het in Limburg heet—en van den Zwanenriddervan Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:O Kenmerland! o Kenmerland!O land van meiren en van wouden!O land, door ʼt forsche woord bezield!Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,Die voorgeslachten hier aanschouwden!Hoe heeft (helaas!) een later teeltDe paerlen van uw kroon verspeeld.En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!O land van trotschheid en van kracht—Hoe is uw eikenknots geknakt,En u een rietstaf opgedrongen!Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegdAan ʼt fiere schoon van uw waranden,En in behoeftes maagre handenDe schatten van uw pronk geleegd.Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, doorHofdijkzoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akerslootʼs sagen: Volbrachte Eed enProef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op debekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die moedig het monster met zijn vervaarlijk “Gelre”-geroep versloeg. Elsa, de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder geen onbekende.Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, kwamen zij tegen het einde der IXeeeuw de Maasafzakken en sloegen hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te Thorn. Weertʼs glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch tafellied ons doorJos. Habetsin een geschriftje over deze legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:

—Daar was eens een man,—Toe, luistert dan,—Daar was eens eenʼ vrouw,—Toe, luistert nou,—Daar was eens een heer,—Och! ik vertel niet meer.Ziedaar een staal van de zoogenaamdekwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als eenkoudewaterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,—en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.—Eens ʼs winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,—en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,—alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontboodmen een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. “Het zwaard”, zoo sprak hij, “beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood”....“En het zwarte manneken dan?” vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: “Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is”.—Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nogA. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889);Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903);C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890);J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895);J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890);Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868);H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99;Ad. Thimme,Das Märchen, (Leipzig 1909),passim;Gustav Meyer,Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.;M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237;Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452;Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.Van het sprookje verschilt desage, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, hetsprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.Demythische sagenwortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels vanDe Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte....In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan ʼt rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en—de koek lag in de asch!“Suikerloot”, riep Jan, “al éen bedorven”. Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in de asch!“Sapperlot”, vloekte Jan, “al twee bedorven!” Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan ʼt werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!Jan wierp heel dien santenboetiek op ʼnen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. “Zou ʼt nu eindelijk gedaan zijn!” riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. “Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen”. En hij opnieuw aan ʼt bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar “zijn knekelhuis” keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!“Wel, vriend Magermans”, zei Jan tot het spook, “hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?” Maar hij kreeg geen antwoord. “Die zwijgt, stemt toe”, zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in ʼt aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. “Doe de deur open”, zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.“Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt”, zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.“Daal nu de trappen af”, sprak het.—“Doe het zelf”, zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte heteventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. “Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?” riep Jan. “Herbegin maar niet, of ik zal u ʼnen anderen dans leeren”.“Hef dien steen op”, sprak de geest.“Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt”, zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.“Ziet ge dit goud?” vroeg het spook. “Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit”. Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: “De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk”. Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.ʼs Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bijDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidteen sage, ons doorBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: “Wat is er van uw verlangen?” “Ik heb geen rust”, antwoordde het spook, “voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft”. “Die zal vervuld worden”, sprak de dominee.Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.—Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer—ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd—nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toende lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primulaʼs en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.—Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand “vast te zetten” of, zooals het heet, die “de vrije kunst” verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bijBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., enDe Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verderDe Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118–161;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37;P. Oosterlee, Legenden3(Nijmegen 1913), bl. 96.Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming vanDer Mönch von Heisterbach; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen vanW. Müllerʼsgelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over “Het Kluizevogelken van Affligem”.Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in ʼt oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naastde kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: “Wien mag ik bij den Abt aandienen?”—“Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten”, antwoordt de monnik.—“Gij zijt mij geheel vreemd”, herneemt de portier.—“Onmogelijk”, protesteert de pater; “ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen”.Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men deKluizekapelnoemt. Vergel.De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. hetvogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons doorWolf,Niederländische Sagenno. 148 meegedeeld, met hettekstmotiefverbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: “Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren”. Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamdeMatthusalem-motiefbevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te ʼs-Hertogenbosch luidt zij als volgt:Langen tijd geleden leefde te ʼs-Hertogenbosch een Jonker, dieaan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. “Ha ha!” riep hij luid, “dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!” En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: “Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging”. De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens ʼt Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein enBosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeftA. de Cockin eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men inPoirtersʼ Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassaʼs binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.“Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest”, schrijftPoelhekke. “Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden”: Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengenen ʼs avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:“Griepke, Griepke, grauw,Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, ʼt paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. ZieG. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100;Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.Vooralheksensagenvindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen denatuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over dekaboutersweet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn “spaai” op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn “smoorske” voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen overWitte Vrouwen,reuzen,dwergen,vuurmannenenmeerminnentreft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen vanDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. II,18, 52; G. V. D.Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168–215;De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (ib.bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:“Een wateren dak, een paleis van kristal....Daar spelen mijn lievekens allemaal....Visscherken, werp er uw tonneken uit....De walvisch komt en zoekt naar buit”,is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.DeChristelijke sagenborduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,—dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.Op zekeren keer, vertellenDe MontenDe Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:Bij Jan Hamers, paardesmid,Meester-boven-meesters.“Wat”, dacht St.-Elooi, “is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien”.Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.“Kunt gij beslaan?” vroeg de smid.“—Ik geloof, dat het wel gaan zal”, was ʼt antwoord.“—Welnu, toon wat je kunt”, zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan ʼt werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van ʼt paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. “In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat”, peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.“Waarom zet gij dan op uw uithangbord “ “Meester-boven-meesters?” ” vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vingeraan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.—Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. “Zet U op mijn rug”, stelde zij voor, “dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: “Daar heb je nu een merrie zonder staart”.Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief derdrie wenschen.Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. Deduivelssagenbehooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinnerslechtsaan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ookWelters, Limburgsche Legenden II,bl. 49;Wolf,Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburgʼs Jaarboek IV, bl. 253; enz.Ik kom nu tot dehistorische sagen, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met “historische kern” bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: “Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!” (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: “Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven.” ʼt Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op “den discipel, dien Jezus lief had.” Maar totgevleugeldewoorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamdeikonografischevolkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v.de legenden der martelaars, wien men den naam vanCefaloforenof “hoofddragers” gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. PaterCahierheeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: “Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels,hunne hoofden in hunne handen, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen.” Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot deetymologischevolkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.—Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoogWilhelm Wundt,VölkerpsychologieV, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sageverschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,—maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,—wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. “Het sprookje is de groote schatkamer geweest”, schrijftProf. Sijmons, “waaruit helden- en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apolloʼs en Balderʼs plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewonderingschonk, op merkwaardige wijze trouw”: Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ookPoelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.Meerdere onzer historische sagen zijnvan eldershierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging—want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.Wolfverhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in hetSoniënboscheen ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing totuiting te brengen. AldusTen Katein zijn Ahasverus op den Grimsel,Heijermansin het schouwspel Ahasverus,Vermeylenin den roman De Wandelende Jood.Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen—“de Vier Heysmanskinderen op éen paard”, zooals het in Limburg heet—en van den Zwanenriddervan Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:O Kenmerland! o Kenmerland!O land van meiren en van wouden!O land, door ʼt forsche woord bezield!Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,Die voorgeslachten hier aanschouwden!Hoe heeft (helaas!) een later teeltDe paerlen van uw kroon verspeeld.En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!O land van trotschheid en van kracht—Hoe is uw eikenknots geknakt,En u een rietstaf opgedrongen!Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegdAan ʼt fiere schoon van uw waranden,En in behoeftes maagre handenDe schatten van uw pronk geleegd.Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, doorHofdijkzoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akerslootʼs sagen: Volbrachte Eed enProef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op debekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die moedig het monster met zijn vervaarlijk “Gelre”-geroep versloeg. Elsa, de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder geen onbekende.Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, kwamen zij tegen het einde der IXeeeuw de Maasafzakken en sloegen hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te Thorn. Weertʼs glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch tafellied ons doorJos. Habetsin een geschriftje over deze legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:

—Daar was eens een man,—Toe, luistert dan,—Daar was eens eenʼ vrouw,—Toe, luistert nou,—Daar was eens een heer,—Och! ik vertel niet meer.

—Daar was eens een man,—Toe, luistert dan,—Daar was eens eenʼ vrouw,—Toe, luistert nou,—Daar was eens een heer,—Och! ik vertel niet meer.

—Daar was eens een man,

—Toe, luistert dan,

—Daar was eens eenʼ vrouw,

—Toe, luistert nou,

—Daar was eens een heer,

—Och! ik vertel niet meer.

Ziedaar een staal van de zoogenaamdekwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als eenkoudewaterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:

Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,—en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.—

Eens ʼs winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,—en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.

Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.

In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,—alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.

Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontboodmen een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. “Het zwaard”, zoo sprak hij, “beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood”....

“En het zwarte manneken dan?” vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: “Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is”.—

Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nogA. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889);Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903);C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890);J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895);J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890);Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868);H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99;Ad. Thimme,Das Märchen, (Leipzig 1909),passim;Gustav Meyer,Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde(Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.;M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237;Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452;Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.

Van het sprookje verschilt desage, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, hetsprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.

Demythische sagenwortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.

Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels vanDe Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte.

...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan ʼt rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en—de koek lag in de asch!

“Suikerloot”, riep Jan, “al éen bedorven”. Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in de asch!

“Sapperlot”, vloekte Jan, “al twee bedorven!” Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan ʼt werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!

Jan wierp heel dien santenboetiek op ʼnen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. “Zou ʼt nu eindelijk gedaan zijn!” riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. “Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen”. En hij opnieuw aan ʼt bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar “zijn knekelhuis” keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!

“Wel, vriend Magermans”, zei Jan tot het spook, “hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?” Maar hij kreeg geen antwoord. “Die zwijgt, stemt toe”, zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in ʼt aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.

Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. “Doe de deur open”, zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.

“Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt”, zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.

“Daal nu de trappen af”, sprak het.—“Doe het zelf”, zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte heteventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. “Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?” riep Jan. “Herbegin maar niet, of ik zal u ʼnen anderen dans leeren”.

“Hef dien steen op”, sprak de geest.

“Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt”, zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.

“Ziet ge dit goud?” vroeg het spook. “Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit”. Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: “De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk”. Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.

ʼs Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.

Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.

De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bijDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidteen sage, ons doorBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:

Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.

Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.

Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: “Wat is er van uw verlangen?” “Ik heb geen rust”, antwoordde het spook, “voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft”. “Die zal vervuld worden”, sprak de dominee.

Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.—

Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer—ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd—nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toende lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primulaʼs en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.—Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand “vast te zetten” of, zooals het heet, die “de vrije kunst” verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bijBoekenoogenin Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., enDe Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verderDe Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118–161;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37;P. Oosterlee, Legenden3(Nijmegen 1913), bl. 96.

Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming vanDer Mönch von Heisterbach; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen vanW. Müllerʼsgelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over “Het Kluizevogelken van Affligem”.

Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in ʼt oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naastde kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.

Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: “Wien mag ik bij den Abt aandienen?”—“Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten”, antwoordt de monnik.—“Gij zijt mij geheel vreemd”, herneemt de portier.—“Onmogelijk”, protesteert de pater; “ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen”.

Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men deKluizekapelnoemt. Vergel.De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.

In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. hetvogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons doorWolf,Niederländische Sagenno. 148 meegedeeld, met hettekstmotiefverbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: “Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren”. Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.

Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamdeMatthusalem-motiefbevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.

Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te ʼs-Hertogenbosch luidt zij als volgt:

Langen tijd geleden leefde te ʼs-Hertogenbosch een Jonker, dieaan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. “Ha ha!” riep hij luid, “dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!” En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: “Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging”. De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.

Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens ʼt Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein enBosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeftA. de Cockin eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men inPoirtersʼ Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.

Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassaʼs binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.

“Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest”, schrijftPoelhekke. “Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden”: Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.

Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengenen ʼs avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:

“Griepke, Griepke, grauw,Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”

“Griepke, Griepke, grauw,Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”

“Griepke, Griepke, grauw,

Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”

bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, ʼt paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. ZieG. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100;Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.

Vooralheksensagenvindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.

Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen denatuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over dekaboutersweet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn “spaai” op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn “smoorske” voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen overWitte Vrouwen,reuzen,dwergen,vuurmannenenmeerminnentreft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen vanDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. II,18, 52; G. V. D.Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44;Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38;De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168–215;De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (ib.bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:

“Een wateren dak, een paleis van kristal....Daar spelen mijn lievekens allemaal....Visscherken, werp er uw tonneken uit....De walvisch komt en zoekt naar buit”,

“Een wateren dak, een paleis van kristal....Daar spelen mijn lievekens allemaal....Visscherken, werp er uw tonneken uit....De walvisch komt en zoekt naar buit”,

“Een wateren dak, een paleis van kristal....

Daar spelen mijn lievekens allemaal....

Visscherken, werp er uw tonneken uit....

De walvisch komt en zoekt naar buit”,

is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.

DeChristelijke sagenborduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,—dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.

Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.

Op zekeren keer, vertellenDe MontenDe Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:

Bij Jan Hamers, paardesmid,Meester-boven-meesters.

Bij Jan Hamers, paardesmid,Meester-boven-meesters.

Bij Jan Hamers, paardesmid,

Meester-boven-meesters.

“Wat”, dacht St.-Elooi, “is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien”.

Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.

“Kunt gij beslaan?” vroeg de smid.

“—Ik geloof, dat het wel gaan zal”, was ʼt antwoord.

“—Welnu, toon wat je kunt”, zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.

Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan ʼt werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van ʼt paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.

De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. “In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat”, peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.

Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.

“Waarom zet gij dan op uw uithangbord “ “Meester-boven-meesters?” ” vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vingeraan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.

De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.—

Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. “Zet U op mijn rug”, stelde zij voor, “dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: “Daar heb je nu een merrie zonder staart”.

Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief derdrie wenschen.

Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. Deduivelssagenbehooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinnerslechtsaan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ookWelters, Limburgsche Legenden II,bl. 49;Wolf,Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327;G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64;De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburgʼs Jaarboek IV, bl. 253; enz.

Ik kom nu tot dehistorische sagen, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met “historische kern” bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.

De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.

Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.

Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: “Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!” (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: “Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven.” ʼt Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op “den discipel, dien Jezus lief had.” Maar totgevleugeldewoorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.

Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamdeikonografischevolkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v.de legenden der martelaars, wien men den naam vanCefaloforenof “hoofddragers” gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. PaterCahierheeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: “Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels,hunne hoofden in hunne handen, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen.” Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.

Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot deetymologischevolkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.—

Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoogWilhelm Wundt,VölkerpsychologieV, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sageverschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,—maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,—wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?

Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. “Het sprookje is de groote schatkamer geweest”, schrijftProf. Sijmons, “waaruit helden- en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apolloʼs en Balderʼs plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewonderingschonk, op merkwaardige wijze trouw”: Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.

Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ookPoelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.

Meerdere onzer historische sagen zijnvan eldershierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging—want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.

Wolfverhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in hetSoniënboscheen ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.

De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing totuiting te brengen. AldusTen Katein zijn Ahasverus op den Grimsel,Heijermansin het schouwspel Ahasverus,Vermeylenin den roman De Wandelende Jood.

Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen—“de Vier Heysmanskinderen op éen paard”, zooals het in Limburg heet—en van den Zwanenriddervan Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.

Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:

O Kenmerland! o Kenmerland!O land van meiren en van wouden!O land, door ʼt forsche woord bezield!Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,Die voorgeslachten hier aanschouwden!Hoe heeft (helaas!) een later teeltDe paerlen van uw kroon verspeeld.En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!O land van trotschheid en van kracht—Hoe is uw eikenknots geknakt,En u een rietstaf opgedrongen!Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegdAan ʼt fiere schoon van uw waranden,En in behoeftes maagre handenDe schatten van uw pronk geleegd.

O Kenmerland! o Kenmerland!O land van meiren en van wouden!O land, door ʼt forsche woord bezield!Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,Die voorgeslachten hier aanschouwden!Hoe heeft (helaas!) een later teeltDe paerlen van uw kroon verspeeld.En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!O land van trotschheid en van kracht—Hoe is uw eikenknots geknakt,En u een rietstaf opgedrongen!Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegdAan ʼt fiere schoon van uw waranden,En in behoeftes maagre handenDe schatten van uw pronk geleegd.

O Kenmerland! o Kenmerland!

O land van meiren en van wouden!

O land, door ʼt forsche woord bezield!

Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,

Die voorgeslachten hier aanschouwden!

Hoe heeft (helaas!) een later teelt

De paerlen van uw kroon verspeeld.

En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!

O land van trotschheid en van kracht—

Hoe is uw eikenknots geknakt,

En u een rietstaf opgedrongen!

Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegd

Aan ʼt fiere schoon van uw waranden,

En in behoeftes maagre handen

De schatten van uw pronk geleegd.

Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, doorHofdijkzoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akerslootʼs sagen: Volbrachte Eed enProef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.

Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?

De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op debekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.

Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.

Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.

In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die moedig het monster met zijn vervaarlijk “Gelre”-geroep versloeg. Elsa, de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder geen onbekende.

Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, kwamen zij tegen het einde der IXeeeuw de Maasafzakken en sloegen hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.

Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te Thorn. Weertʼs glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch tafellied ons doorJos. Habetsin een geschriftje over deze legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:


Back to IndexNext