Chapter 32

Elk wandel in Gods wegen.Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.De Heer—regeert.Al wat adem heeft—looft den Heere.ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.Behoed ons Heer voor zonde en schand,Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.Menschen gij moet sterven,Gedenkt gij de zaligheid te erven.Wie op God vertrouwt,En niet en verflauwt,God zal hem zegenen menigvoud.Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:Het ware te wenschen,Dat alle menschen,Die kwaad van anderen spreken,Zich zelven eerst bekeken.Dan zouden zij het pratenVan anderen wel laten. (nabij Amsterdam).Wie hier komt spreken van iemand kwaad,Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.(Amsterdam).Wat wordt er menig mensch belasterd en belogenVan menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.(Hemelum).Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIeeeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.Kaaskooper:O wereld boos en heel verkeerd,Wat heb je al geld dat mij ontbeert!Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.Aanspreker:Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.Schipper:Met scheepvaren plaisantIk mij geneeren moet,De scheepvaart door Gods handHet land floreeren doet.Smid:Houd man! Daar is de kan,Wel wijf! De kan is mijn gerijf.Maar wacht u voor de vonken.Het ijzer is heet;ʼt Moet eerst zijn gesmeed,En dan eens gedronken.Wij hebben door Gods milden zegenEn vlijt dees ijzersmederijTot dienst van mensch en paard verkregen.Zijn hulpe zij ons verder bij.Groenteverkooper:Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.(Berlicum).Tapper:Wel te doen en vroolijk zijnIs ʼt beste op dees aard.Hier verkoopt men brandewijnEn haver voor het paard.(Oud-Pekela en Rotterdam).In het LeppersfortIs geen drank te kort.(Gent).Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.(Leuven).Herbergier:Ik woon hier aan den weg,Wat kan men beter wenschenDan de zegen van den HeerEn de gunst van alle menschen.(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)Barbier:Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,Ga niet voorbij, wil binnenkomen,Van welken rang of staat,ʼt Zij burger of soldaat.Ik geef aan elk fatsoenlijk manZoo veel genoegen als ik kan,Ik doe mijn best aan alle gaar,En die ʼt verlangt snij ik ook haar.(Assen).Bakker:Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.(Amsterdam).Besteedster:Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.(Amsterdam).Glazenmaker:Met glas en loodWin ik mijn brood.(Amsterdam).Gouddraadtrekker:Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.(Brussel).Kleermaker:Geen mensch men achtAls om zijn dracht,Dies laat mij brave kleeren maken,Wilt gij tot ambt of eer geraken.(Enkhuizen).Koekebakker:Koek die zoet isKoek die goed isKoek die gaar isProef of ʼt niet waar is.(Zaandam).Koffiehuis:Alle anderen zijn in abuis,Maar hier is het ware koffiehuis.(Heerlen, L.)Kroeg:In den cabaret, dien men hier wijst,Wordt men gelaafd en gespijsd.(Eecke, Vlaanderen).Kuiper:Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.(Gent).Melkboer:Hier verkoopt men roomZeer vroomEn zoetemelkVoor elk.(Houten, U.).Pruikemaker:Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.(Gent).Schipper:Ik vaar ter zee op Gods genade,Dat God bewaart kan mij niet schaden;ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.(Vlaardingen).Stalhouder:Hier stalt en verhuurt men paarden,Bij niemand zullen zij beter aarden;Ik geef haar haver en goed hooi,En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.(Alkmaar).Wie wil rijden met behagenMoet naar Willem Stallaert vragen.(Antwerpen).Veerhuis:In dit veerhuis, heel plesant,Ziet men de scheepjes aan alle kantHet Maasje op en neder varen;God wil dit huis van leed bewaren.HierTapt men Genever, Brandewijn en Bier.(Besooien).De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit deuithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelteen stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne metVan LennepenTer Gouwin de heraldiek: het huis van den poorter waszijnkasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v.in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).Alsheraldische figurenvermeld ikde Kroon, ofde Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouwenz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voorde Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijnzinnebeeldig:de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel:Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw(b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt),de Drie Koningen(o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor:Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis,Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters,Sint Hubertus, vooral in België,Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan demythologieof aan hetvolksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans:de Dorstige Pleiaden, de Riddermet de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn hetSchip van Damiate, o.a. te Amsterdam,in den Preekboom, te Clercken in België,de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Vanmerkwaardige personennoem ikFloris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.Nog steeds hebben sommigeberoepenenbedrijvenvaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voerenden Vijzelofden Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren deSchaar, metselaars deTroffel, smeden denGouden Sleutelen hetProefslot, hoedemakers denHoed, barbiers hetScheerbakjeof deKwast, herbergiers hetVat, slagers hetVarken, bakkers hetBrood, schippers hetSchip, terwijl deKlokvoor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak eenMoortjeofMoriaanboven een tabakswinkel,Koffiebaaltjesboven een kruidenierswinkel, eenTheeboomboven een theewinkel, eenHaringboven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouderTwee tegen elkaar opspringende Paardenzijn op de staldeuren met het opschrift: “hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen.”De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel:de Krans, de Toelast(groot wijnvat),ʼt Zwijns-hoofd, ʼt Zwaantje, ʼt Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: “Jan de Kruijer klopt Tapijte.” Maar het bordje metWater en Vuuren bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren.Ten slotte vermeld ik nogde Zon, de Maan(te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen:in de Vergulde Maan),de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelieenz. enz.De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar deBonte Bokuithangt:Vrienden ik ben een bok,Een bok ben ik geheeten,Menigeen is een bok,Maar hij wil ʼt niet weten.Uit Friesland:Aan de eene zijde staat eenvarken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:Dit varkentje heeft veel verdriet,Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:Deze varkentjes loopen in de wei,Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.Onder een voorstelling vanhondenhaas;Dit is de honte, en dat is de hoaze,En omdat ik ben ʼn meester en boaze,Zet ik dʼr onder:Dit is de honte, en dat is de hoaze.KaïnenAbelop een bakkerswinkel:Kaïn sloeg Abel doodAl om een hoekje,Hier verkoopt men wittebroodEn ook een koekje.Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop eenEngel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:In den Engel bemind,Treê binnen mijn vrind,Hier tapt men met pleizierJenever en bier.Te Delft boven een herberg, dieSint Jorisvoert:In Sint Joris vol van waardenTapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg eenRustende Schutteruit, met het opschrift:Rust met lustEn drinkt met maten,Maar die geen centen heeftMoet het drinken laten.Voor een huis, waar deMosterdpotuithangt:Ik lever uitEen zeldzaam kruit,Daar zijnder weinig in de stadOf ʼk heb ze bij de neus gehad.Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder eenMolenen eenZeilend Scheepjebij een kruidenier:Ik laat alle winden waaijenEn alle molens draaijenEn alle waters vloeijen,En ieder zich met het zijne bemoeijen.Gedult overwind alles.EenBijenkorfvindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:In de Bijkorf verkoopt men kant,Geen beter in ʼt Lant,Voor geld contantStrak in de hant.Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons doorA. Veein Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld:de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zatenz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:Te Melsele:Ik woon op den Smoutpot alhier,Hebt ge geld, dan heb ik bier,Hebt ge er geen, dan staat erHier naast een pomp met water.Te Clinge:Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,Kom eens binnen in de Zwaan,Er woont een man alhier,Die schenkt genever en bier.Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijstebidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met “bidprentje” bedoel ik niet “doodenprentje” of “doodsprentje”, een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurdesanktjeskwamen vooral sedert de XVIIIeeeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister—het is immersvolkspoëzie—, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:Verzuchting tot Maria.O Maria, graci-bron,Schooner als de gulde zon,Klaerder als de zilvre maen,Die men ʼs avends op siet staen.Oversuyver leli-bloem,Uitgelezen Maeghden-roem,Bidt u allerliefste kindt,ʼT geen ghij boven al bemint,Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,En sijn gratie mij beschijnt,Op dat ick geheel verlightMagh voldoen aan mijne plicht.Aanroeping tot Maria Magdalena.Sondaeres, die Christi voetenMet boetveerdigh nat begiet,Om uw sondig quaedt te boeten,Jesus door genade schietIn uw ziel een soeten regen,En hij wascht uw smetten af:Gij verkrijght den hemel-seghen,Vrij van sonden ende straf.Jesu! geeft mijn herte suchtenEn mijn oogen droef getraen,Opdat ick de sonden vluchtenEn beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.Ook dehuiszegenwordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed “tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen.” Gods zegen wordt afgesmeekt over “het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!” Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. “Het heilig kruis van Jezus Christus zijhet dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!”In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firmaBrepolsenDierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firmaBeersmans, zuiver van uitvoering en kleur.Men vindt verder nog vaak denDuivelsdans, “den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen”. Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:Let hier wel, die zijn genegen,En wiens hert vliegt tot den dans,Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,Eer zij wagen nog de kans.Lucifer is daer in ʼt midden,Hij speelt meester van de bendʼ;Zonder men het kan verbiddenMet zijn haek uw ziele schendt.Een andere zeer geliefkoosde prent is deTrap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firmaPellerinte Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de—oorspronkelijk Fransche—opschriften:Age de lʼadolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge dedécrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van deH. Birgittaof Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.Als versierselen van de volkswoning mag ik ook deprocessievaantjesniet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,—de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel vanVan Heurckin Volkskunde XXI, bl. 182.Zoo kom ik als vanzelf tot de profanevolksprentenofmannekesbladen, in Noord-Nederland vroegerfloskaartjes, thans meestalcentsprentengenoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsherheilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Metvreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zooaantrekkelijkevoorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, ʼs avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, “gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774”; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand vanEmile Van HeurckenG. J. Boekenoogen, getiteld:Histoire de lʼImagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères(Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizenBrepols, Delhuvenne, Glenisson, Van GenechtenenBeersmanste Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie;ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen,C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. enC. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firmaRijnderste Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Nomanen Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgeverBroedeleten zijn opvolgerSchuitemakerte Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aanNoothoven van Goorte Leiden. Vermelden wij ten slotte de “Nieuwe Hollandsche kinderprenten” van de Leidsche firmaA. W. Sijthoff.Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid.Théophile Gautierhad dit verval vermoed en gevreesd: “Fasse le ciel que la civilisation nʼamène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractèreà ces images”. Zie vooralV. HeurckenBoekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. “Leur dessin grossier et primitif”, zeggen zoo juist de schrijvers derImagerie populairein hun voorrede, “leur bariolage violent et fantastique ont un charme que nʼont pas les images dʼaujourdhui; un charme et une beauté quʼon apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste dʼuniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de nʼavoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel.” In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en tevervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel deHaan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,Die u tot nijverheid spoort aan.Later was deHondmeer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hondWacht zeker, tot zijn meester komt.Bij een andere voorstelling vindt men:Ziet hoe dit hondje zittend wacht,En op den wenk zijns meesters acht;Gij kinders, wie gij zijt,Wil allen hieruit leeren,Om ook uws meesters lesTen hoogste te waardeeren.Natuurlijk wordt deKat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:Geen nutter dier voor rot en muis,Als een mooi katje in uw huis,Want het doorsnuffelt alle hoeken,Om dit gedierte op te zoeken.

Elk wandel in Gods wegen.Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.De Heer—regeert.Al wat adem heeft—looft den Heere.ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.Behoed ons Heer voor zonde en schand,Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.Menschen gij moet sterven,Gedenkt gij de zaligheid te erven.Wie op God vertrouwt,En niet en verflauwt,God zal hem zegenen menigvoud.Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:Het ware te wenschen,Dat alle menschen,Die kwaad van anderen spreken,Zich zelven eerst bekeken.Dan zouden zij het pratenVan anderen wel laten. (nabij Amsterdam).Wie hier komt spreken van iemand kwaad,Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.(Amsterdam).Wat wordt er menig mensch belasterd en belogenVan menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.(Hemelum).Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIeeeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.Kaaskooper:O wereld boos en heel verkeerd,Wat heb je al geld dat mij ontbeert!Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.Aanspreker:Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.Schipper:Met scheepvaren plaisantIk mij geneeren moet,De scheepvaart door Gods handHet land floreeren doet.Smid:Houd man! Daar is de kan,Wel wijf! De kan is mijn gerijf.Maar wacht u voor de vonken.Het ijzer is heet;ʼt Moet eerst zijn gesmeed,En dan eens gedronken.Wij hebben door Gods milden zegenEn vlijt dees ijzersmederijTot dienst van mensch en paard verkregen.Zijn hulpe zij ons verder bij.Groenteverkooper:Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.(Berlicum).Tapper:Wel te doen en vroolijk zijnIs ʼt beste op dees aard.Hier verkoopt men brandewijnEn haver voor het paard.(Oud-Pekela en Rotterdam).In het LeppersfortIs geen drank te kort.(Gent).Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.(Leuven).Herbergier:Ik woon hier aan den weg,Wat kan men beter wenschenDan de zegen van den HeerEn de gunst van alle menschen.(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)Barbier:Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,Ga niet voorbij, wil binnenkomen,Van welken rang of staat,ʼt Zij burger of soldaat.Ik geef aan elk fatsoenlijk manZoo veel genoegen als ik kan,Ik doe mijn best aan alle gaar,En die ʼt verlangt snij ik ook haar.(Assen).Bakker:Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.(Amsterdam).Besteedster:Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.(Amsterdam).Glazenmaker:Met glas en loodWin ik mijn brood.(Amsterdam).Gouddraadtrekker:Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.(Brussel).Kleermaker:Geen mensch men achtAls om zijn dracht,Dies laat mij brave kleeren maken,Wilt gij tot ambt of eer geraken.(Enkhuizen).Koekebakker:Koek die zoet isKoek die goed isKoek die gaar isProef of ʼt niet waar is.(Zaandam).Koffiehuis:Alle anderen zijn in abuis,Maar hier is het ware koffiehuis.(Heerlen, L.)Kroeg:In den cabaret, dien men hier wijst,Wordt men gelaafd en gespijsd.(Eecke, Vlaanderen).Kuiper:Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.(Gent).Melkboer:Hier verkoopt men roomZeer vroomEn zoetemelkVoor elk.(Houten, U.).Pruikemaker:Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.(Gent).Schipper:Ik vaar ter zee op Gods genade,Dat God bewaart kan mij niet schaden;ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.(Vlaardingen).Stalhouder:Hier stalt en verhuurt men paarden,Bij niemand zullen zij beter aarden;Ik geef haar haver en goed hooi,En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.(Alkmaar).Wie wil rijden met behagenMoet naar Willem Stallaert vragen.(Antwerpen).Veerhuis:In dit veerhuis, heel plesant,Ziet men de scheepjes aan alle kantHet Maasje op en neder varen;God wil dit huis van leed bewaren.HierTapt men Genever, Brandewijn en Bier.(Besooien).De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit deuithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelteen stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne metVan LennepenTer Gouwin de heraldiek: het huis van den poorter waszijnkasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v.in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).Alsheraldische figurenvermeld ikde Kroon, ofde Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouwenz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voorde Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijnzinnebeeldig:de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel:Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw(b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt),de Drie Koningen(o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor:Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis,Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters,Sint Hubertus, vooral in België,Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan demythologieof aan hetvolksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans:de Dorstige Pleiaden, de Riddermet de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn hetSchip van Damiate, o.a. te Amsterdam,in den Preekboom, te Clercken in België,de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Vanmerkwaardige personennoem ikFloris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.Nog steeds hebben sommigeberoepenenbedrijvenvaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voerenden Vijzelofden Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren deSchaar, metselaars deTroffel, smeden denGouden Sleutelen hetProefslot, hoedemakers denHoed, barbiers hetScheerbakjeof deKwast, herbergiers hetVat, slagers hetVarken, bakkers hetBrood, schippers hetSchip, terwijl deKlokvoor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak eenMoortjeofMoriaanboven een tabakswinkel,Koffiebaaltjesboven een kruidenierswinkel, eenTheeboomboven een theewinkel, eenHaringboven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouderTwee tegen elkaar opspringende Paardenzijn op de staldeuren met het opschrift: “hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen.”De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel:de Krans, de Toelast(groot wijnvat),ʼt Zwijns-hoofd, ʼt Zwaantje, ʼt Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: “Jan de Kruijer klopt Tapijte.” Maar het bordje metWater en Vuuren bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren.Ten slotte vermeld ik nogde Zon, de Maan(te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen:in de Vergulde Maan),de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelieenz. enz.De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar deBonte Bokuithangt:Vrienden ik ben een bok,Een bok ben ik geheeten,Menigeen is een bok,Maar hij wil ʼt niet weten.Uit Friesland:Aan de eene zijde staat eenvarken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:Dit varkentje heeft veel verdriet,Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:Deze varkentjes loopen in de wei,Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.Onder een voorstelling vanhondenhaas;Dit is de honte, en dat is de hoaze,En omdat ik ben ʼn meester en boaze,Zet ik dʼr onder:Dit is de honte, en dat is de hoaze.KaïnenAbelop een bakkerswinkel:Kaïn sloeg Abel doodAl om een hoekje,Hier verkoopt men wittebroodEn ook een koekje.Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop eenEngel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:In den Engel bemind,Treê binnen mijn vrind,Hier tapt men met pleizierJenever en bier.Te Delft boven een herberg, dieSint Jorisvoert:In Sint Joris vol van waardenTapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg eenRustende Schutteruit, met het opschrift:Rust met lustEn drinkt met maten,Maar die geen centen heeftMoet het drinken laten.Voor een huis, waar deMosterdpotuithangt:Ik lever uitEen zeldzaam kruit,Daar zijnder weinig in de stadOf ʼk heb ze bij de neus gehad.Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder eenMolenen eenZeilend Scheepjebij een kruidenier:Ik laat alle winden waaijenEn alle molens draaijenEn alle waters vloeijen,En ieder zich met het zijne bemoeijen.Gedult overwind alles.EenBijenkorfvindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:In de Bijkorf verkoopt men kant,Geen beter in ʼt Lant,Voor geld contantStrak in de hant.Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons doorA. Veein Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld:de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zatenz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:Te Melsele:Ik woon op den Smoutpot alhier,Hebt ge geld, dan heb ik bier,Hebt ge er geen, dan staat erHier naast een pomp met water.Te Clinge:Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,Kom eens binnen in de Zwaan,Er woont een man alhier,Die schenkt genever en bier.Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijstebidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met “bidprentje” bedoel ik niet “doodenprentje” of “doodsprentje”, een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurdesanktjeskwamen vooral sedert de XVIIIeeeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister—het is immersvolkspoëzie—, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:Verzuchting tot Maria.O Maria, graci-bron,Schooner als de gulde zon,Klaerder als de zilvre maen,Die men ʼs avends op siet staen.Oversuyver leli-bloem,Uitgelezen Maeghden-roem,Bidt u allerliefste kindt,ʼT geen ghij boven al bemint,Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,En sijn gratie mij beschijnt,Op dat ick geheel verlightMagh voldoen aan mijne plicht.Aanroeping tot Maria Magdalena.Sondaeres, die Christi voetenMet boetveerdigh nat begiet,Om uw sondig quaedt te boeten,Jesus door genade schietIn uw ziel een soeten regen,En hij wascht uw smetten af:Gij verkrijght den hemel-seghen,Vrij van sonden ende straf.Jesu! geeft mijn herte suchtenEn mijn oogen droef getraen,Opdat ick de sonden vluchtenEn beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.Ook dehuiszegenwordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed “tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen.” Gods zegen wordt afgesmeekt over “het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!” Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. “Het heilig kruis van Jezus Christus zijhet dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!”In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firmaBrepolsenDierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firmaBeersmans, zuiver van uitvoering en kleur.Men vindt verder nog vaak denDuivelsdans, “den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen”. Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:Let hier wel, die zijn genegen,En wiens hert vliegt tot den dans,Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,Eer zij wagen nog de kans.Lucifer is daer in ʼt midden,Hij speelt meester van de bendʼ;Zonder men het kan verbiddenMet zijn haek uw ziele schendt.Een andere zeer geliefkoosde prent is deTrap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firmaPellerinte Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de—oorspronkelijk Fransche—opschriften:Age de lʼadolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge dedécrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van deH. Birgittaof Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.Als versierselen van de volkswoning mag ik ook deprocessievaantjesniet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,—de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel vanVan Heurckin Volkskunde XXI, bl. 182.Zoo kom ik als vanzelf tot de profanevolksprentenofmannekesbladen, in Noord-Nederland vroegerfloskaartjes, thans meestalcentsprentengenoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsherheilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Metvreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zooaantrekkelijkevoorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, ʼs avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, “gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774”; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand vanEmile Van HeurckenG. J. Boekenoogen, getiteld:Histoire de lʼImagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères(Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizenBrepols, Delhuvenne, Glenisson, Van GenechtenenBeersmanste Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie;ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen,C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. enC. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firmaRijnderste Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Nomanen Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgeverBroedeleten zijn opvolgerSchuitemakerte Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aanNoothoven van Goorte Leiden. Vermelden wij ten slotte de “Nieuwe Hollandsche kinderprenten” van de Leidsche firmaA. W. Sijthoff.Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid.Théophile Gautierhad dit verval vermoed en gevreesd: “Fasse le ciel que la civilisation nʼamène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractèreà ces images”. Zie vooralV. HeurckenBoekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. “Leur dessin grossier et primitif”, zeggen zoo juist de schrijvers derImagerie populairein hun voorrede, “leur bariolage violent et fantastique ont un charme que nʼont pas les images dʼaujourdhui; un charme et une beauté quʼon apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste dʼuniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de nʼavoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel.” In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en tevervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel deHaan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,Die u tot nijverheid spoort aan.Later was deHondmeer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hondWacht zeker, tot zijn meester komt.Bij een andere voorstelling vindt men:Ziet hoe dit hondje zittend wacht,En op den wenk zijns meesters acht;Gij kinders, wie gij zijt,Wil allen hieruit leeren,Om ook uws meesters lesTen hoogste te waardeeren.Natuurlijk wordt deKat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:Geen nutter dier voor rot en muis,Als een mooi katje in uw huis,Want het doorsnuffelt alle hoeken,Om dit gedierte op te zoeken.

Elk wandel in Gods wegen.Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.De Heer—regeert.Al wat adem heeft—looft den Heere.ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.Behoed ons Heer voor zonde en schand,Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.Menschen gij moet sterven,Gedenkt gij de zaligheid te erven.Wie op God vertrouwt,En niet en verflauwt,God zal hem zegenen menigvoud.Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:Het ware te wenschen,Dat alle menschen,Die kwaad van anderen spreken,Zich zelven eerst bekeken.Dan zouden zij het pratenVan anderen wel laten. (nabij Amsterdam).Wie hier komt spreken van iemand kwaad,Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.(Amsterdam).Wat wordt er menig mensch belasterd en belogenVan menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.(Hemelum).Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIeeeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.Kaaskooper:O wereld boos en heel verkeerd,Wat heb je al geld dat mij ontbeert!Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.Aanspreker:Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.Schipper:Met scheepvaren plaisantIk mij geneeren moet,De scheepvaart door Gods handHet land floreeren doet.Smid:Houd man! Daar is de kan,Wel wijf! De kan is mijn gerijf.Maar wacht u voor de vonken.Het ijzer is heet;ʼt Moet eerst zijn gesmeed,En dan eens gedronken.Wij hebben door Gods milden zegenEn vlijt dees ijzersmederijTot dienst van mensch en paard verkregen.Zijn hulpe zij ons verder bij.Groenteverkooper:Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.(Berlicum).Tapper:Wel te doen en vroolijk zijnIs ʼt beste op dees aard.Hier verkoopt men brandewijnEn haver voor het paard.(Oud-Pekela en Rotterdam).In het LeppersfortIs geen drank te kort.(Gent).Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.(Leuven).Herbergier:Ik woon hier aan den weg,Wat kan men beter wenschenDan de zegen van den HeerEn de gunst van alle menschen.(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)Barbier:Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,Ga niet voorbij, wil binnenkomen,Van welken rang of staat,ʼt Zij burger of soldaat.Ik geef aan elk fatsoenlijk manZoo veel genoegen als ik kan,Ik doe mijn best aan alle gaar,En die ʼt verlangt snij ik ook haar.(Assen).Bakker:Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.(Amsterdam).Besteedster:Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.(Amsterdam).Glazenmaker:Met glas en loodWin ik mijn brood.(Amsterdam).Gouddraadtrekker:Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.(Brussel).Kleermaker:Geen mensch men achtAls om zijn dracht,Dies laat mij brave kleeren maken,Wilt gij tot ambt of eer geraken.(Enkhuizen).Koekebakker:Koek die zoet isKoek die goed isKoek die gaar isProef of ʼt niet waar is.(Zaandam).Koffiehuis:Alle anderen zijn in abuis,Maar hier is het ware koffiehuis.(Heerlen, L.)Kroeg:In den cabaret, dien men hier wijst,Wordt men gelaafd en gespijsd.(Eecke, Vlaanderen).Kuiper:Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.(Gent).Melkboer:Hier verkoopt men roomZeer vroomEn zoetemelkVoor elk.(Houten, U.).Pruikemaker:Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.(Gent).Schipper:Ik vaar ter zee op Gods genade,Dat God bewaart kan mij niet schaden;ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.(Vlaardingen).Stalhouder:Hier stalt en verhuurt men paarden,Bij niemand zullen zij beter aarden;Ik geef haar haver en goed hooi,En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.(Alkmaar).Wie wil rijden met behagenMoet naar Willem Stallaert vragen.(Antwerpen).Veerhuis:In dit veerhuis, heel plesant,Ziet men de scheepjes aan alle kantHet Maasje op en neder varen;God wil dit huis van leed bewaren.HierTapt men Genever, Brandewijn en Bier.(Besooien).De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit deuithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelteen stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne metVan LennepenTer Gouwin de heraldiek: het huis van den poorter waszijnkasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v.in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).Alsheraldische figurenvermeld ikde Kroon, ofde Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouwenz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voorde Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijnzinnebeeldig:de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel:Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw(b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt),de Drie Koningen(o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor:Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis,Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters,Sint Hubertus, vooral in België,Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan demythologieof aan hetvolksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans:de Dorstige Pleiaden, de Riddermet de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn hetSchip van Damiate, o.a. te Amsterdam,in den Preekboom, te Clercken in België,de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Vanmerkwaardige personennoem ikFloris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.Nog steeds hebben sommigeberoepenenbedrijvenvaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voerenden Vijzelofden Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren deSchaar, metselaars deTroffel, smeden denGouden Sleutelen hetProefslot, hoedemakers denHoed, barbiers hetScheerbakjeof deKwast, herbergiers hetVat, slagers hetVarken, bakkers hetBrood, schippers hetSchip, terwijl deKlokvoor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak eenMoortjeofMoriaanboven een tabakswinkel,Koffiebaaltjesboven een kruidenierswinkel, eenTheeboomboven een theewinkel, eenHaringboven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouderTwee tegen elkaar opspringende Paardenzijn op de staldeuren met het opschrift: “hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen.”De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel:de Krans, de Toelast(groot wijnvat),ʼt Zwijns-hoofd, ʼt Zwaantje, ʼt Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: “Jan de Kruijer klopt Tapijte.” Maar het bordje metWater en Vuuren bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren.Ten slotte vermeld ik nogde Zon, de Maan(te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen:in de Vergulde Maan),de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelieenz. enz.De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar deBonte Bokuithangt:Vrienden ik ben een bok,Een bok ben ik geheeten,Menigeen is een bok,Maar hij wil ʼt niet weten.Uit Friesland:Aan de eene zijde staat eenvarken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:Dit varkentje heeft veel verdriet,Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:Deze varkentjes loopen in de wei,Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.Onder een voorstelling vanhondenhaas;Dit is de honte, en dat is de hoaze,En omdat ik ben ʼn meester en boaze,Zet ik dʼr onder:Dit is de honte, en dat is de hoaze.KaïnenAbelop een bakkerswinkel:Kaïn sloeg Abel doodAl om een hoekje,Hier verkoopt men wittebroodEn ook een koekje.Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop eenEngel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:In den Engel bemind,Treê binnen mijn vrind,Hier tapt men met pleizierJenever en bier.Te Delft boven een herberg, dieSint Jorisvoert:In Sint Joris vol van waardenTapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg eenRustende Schutteruit, met het opschrift:Rust met lustEn drinkt met maten,Maar die geen centen heeftMoet het drinken laten.Voor een huis, waar deMosterdpotuithangt:Ik lever uitEen zeldzaam kruit,Daar zijnder weinig in de stadOf ʼk heb ze bij de neus gehad.Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder eenMolenen eenZeilend Scheepjebij een kruidenier:Ik laat alle winden waaijenEn alle molens draaijenEn alle waters vloeijen,En ieder zich met het zijne bemoeijen.Gedult overwind alles.EenBijenkorfvindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:In de Bijkorf verkoopt men kant,Geen beter in ʼt Lant,Voor geld contantStrak in de hant.Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons doorA. Veein Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld:de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zatenz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:Te Melsele:Ik woon op den Smoutpot alhier,Hebt ge geld, dan heb ik bier,Hebt ge er geen, dan staat erHier naast een pomp met water.Te Clinge:Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,Kom eens binnen in de Zwaan,Er woont een man alhier,Die schenkt genever en bier.Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijstebidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met “bidprentje” bedoel ik niet “doodenprentje” of “doodsprentje”, een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurdesanktjeskwamen vooral sedert de XVIIIeeeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister—het is immersvolkspoëzie—, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:Verzuchting tot Maria.O Maria, graci-bron,Schooner als de gulde zon,Klaerder als de zilvre maen,Die men ʼs avends op siet staen.Oversuyver leli-bloem,Uitgelezen Maeghden-roem,Bidt u allerliefste kindt,ʼT geen ghij boven al bemint,Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,En sijn gratie mij beschijnt,Op dat ick geheel verlightMagh voldoen aan mijne plicht.Aanroeping tot Maria Magdalena.Sondaeres, die Christi voetenMet boetveerdigh nat begiet,Om uw sondig quaedt te boeten,Jesus door genade schietIn uw ziel een soeten regen,En hij wascht uw smetten af:Gij verkrijght den hemel-seghen,Vrij van sonden ende straf.Jesu! geeft mijn herte suchtenEn mijn oogen droef getraen,Opdat ick de sonden vluchtenEn beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.Ook dehuiszegenwordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed “tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen.” Gods zegen wordt afgesmeekt over “het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!” Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. “Het heilig kruis van Jezus Christus zijhet dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!”In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firmaBrepolsenDierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firmaBeersmans, zuiver van uitvoering en kleur.Men vindt verder nog vaak denDuivelsdans, “den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen”. Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:Let hier wel, die zijn genegen,En wiens hert vliegt tot den dans,Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,Eer zij wagen nog de kans.Lucifer is daer in ʼt midden,Hij speelt meester van de bendʼ;Zonder men het kan verbiddenMet zijn haek uw ziele schendt.Een andere zeer geliefkoosde prent is deTrap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firmaPellerinte Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de—oorspronkelijk Fransche—opschriften:Age de lʼadolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge dedécrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van deH. Birgittaof Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.Als versierselen van de volkswoning mag ik ook deprocessievaantjesniet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,—de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel vanVan Heurckin Volkskunde XXI, bl. 182.Zoo kom ik als vanzelf tot de profanevolksprentenofmannekesbladen, in Noord-Nederland vroegerfloskaartjes, thans meestalcentsprentengenoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsherheilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Metvreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zooaantrekkelijkevoorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, ʼs avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, “gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774”; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand vanEmile Van HeurckenG. J. Boekenoogen, getiteld:Histoire de lʼImagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères(Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizenBrepols, Delhuvenne, Glenisson, Van GenechtenenBeersmanste Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie;ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen,C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. enC. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firmaRijnderste Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Nomanen Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgeverBroedeleten zijn opvolgerSchuitemakerte Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aanNoothoven van Goorte Leiden. Vermelden wij ten slotte de “Nieuwe Hollandsche kinderprenten” van de Leidsche firmaA. W. Sijthoff.Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid.Théophile Gautierhad dit verval vermoed en gevreesd: “Fasse le ciel que la civilisation nʼamène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractèreà ces images”. Zie vooralV. HeurckenBoekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. “Leur dessin grossier et primitif”, zeggen zoo juist de schrijvers derImagerie populairein hun voorrede, “leur bariolage violent et fantastique ont un charme que nʼont pas les images dʼaujourdhui; un charme et une beauté quʼon apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste dʼuniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de nʼavoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel.” In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en tevervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel deHaan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,Die u tot nijverheid spoort aan.Later was deHondmeer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hondWacht zeker, tot zijn meester komt.Bij een andere voorstelling vindt men:Ziet hoe dit hondje zittend wacht,En op den wenk zijns meesters acht;Gij kinders, wie gij zijt,Wil allen hieruit leeren,Om ook uws meesters lesTen hoogste te waardeeren.Natuurlijk wordt deKat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:Geen nutter dier voor rot en muis,Als een mooi katje in uw huis,Want het doorsnuffelt alle hoeken,Om dit gedierte op te zoeken.

Elk wandel in Gods wegen.

Elk wandel in Gods wegen.

Elk wandel in Gods wegen.

Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.

Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.

Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.

Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.

Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.

Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.

De Heer—regeert.Al wat adem heeft—looft den Heere.ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.

De Heer—regeert.Al wat adem heeft—looft den Heere.ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.

De Heer—regeert.

Al wat adem heeft—looft den Heere.

ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.

Behoed ons Heer voor zonde en schand,Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.

Behoed ons Heer voor zonde en schand,Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.

Behoed ons Heer voor zonde en schand,

Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.

Menschen gij moet sterven,Gedenkt gij de zaligheid te erven.

Menschen gij moet sterven,Gedenkt gij de zaligheid te erven.

Menschen gij moet sterven,

Gedenkt gij de zaligheid te erven.

Wie op God vertrouwt,En niet en verflauwt,God zal hem zegenen menigvoud.

Wie op God vertrouwt,En niet en verflauwt,God zal hem zegenen menigvoud.

Wie op God vertrouwt,

En niet en verflauwt,

God zal hem zegenen menigvoud.

Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:

Het ware te wenschen,Dat alle menschen,Die kwaad van anderen spreken,Zich zelven eerst bekeken.Dan zouden zij het pratenVan anderen wel laten. (nabij Amsterdam).

Het ware te wenschen,Dat alle menschen,Die kwaad van anderen spreken,Zich zelven eerst bekeken.Dan zouden zij het pratenVan anderen wel laten. (nabij Amsterdam).

Het ware te wenschen,

Dat alle menschen,

Die kwaad van anderen spreken,

Zich zelven eerst bekeken.

Dan zouden zij het praten

Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam).

Wie hier komt spreken van iemand kwaad,Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.

Wie hier komt spreken van iemand kwaad,Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.

Wie hier komt spreken van iemand kwaad,

Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.

(Amsterdam).

Wat wordt er menig mensch belasterd en belogenVan menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.

Wat wordt er menig mensch belasterd en belogenVan menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.

Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen

Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.

(Hemelum).

Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIeeeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.

Kaaskooper:

O wereld boos en heel verkeerd,Wat heb je al geld dat mij ontbeert!Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.

O wereld boos en heel verkeerd,Wat heb je al geld dat mij ontbeert!Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.

O wereld boos en heel verkeerd,

Wat heb je al geld dat mij ontbeert!

Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,

Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.

Aanspreker:

Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.

Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.

Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,

Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:

Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,

Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.

Schipper:

Met scheepvaren plaisantIk mij geneeren moet,De scheepvaart door Gods handHet land floreeren doet.

Met scheepvaren plaisantIk mij geneeren moet,De scheepvaart door Gods handHet land floreeren doet.

Met scheepvaren plaisant

Ik mij geneeren moet,

De scheepvaart door Gods hand

Het land floreeren doet.

Smid:

Houd man! Daar is de kan,Wel wijf! De kan is mijn gerijf.Maar wacht u voor de vonken.Het ijzer is heet;ʼt Moet eerst zijn gesmeed,En dan eens gedronken.

Houd man! Daar is de kan,Wel wijf! De kan is mijn gerijf.Maar wacht u voor de vonken.Het ijzer is heet;ʼt Moet eerst zijn gesmeed,En dan eens gedronken.

Houd man! Daar is de kan,

Wel wijf! De kan is mijn gerijf.

Maar wacht u voor de vonken.

Het ijzer is heet;

ʼt Moet eerst zijn gesmeed,

En dan eens gedronken.

Wij hebben door Gods milden zegenEn vlijt dees ijzersmederijTot dienst van mensch en paard verkregen.Zijn hulpe zij ons verder bij.

Wij hebben door Gods milden zegenEn vlijt dees ijzersmederijTot dienst van mensch en paard verkregen.Zijn hulpe zij ons verder bij.

Wij hebben door Gods milden zegen

En vlijt dees ijzersmederij

Tot dienst van mensch en paard verkregen.

Zijn hulpe zij ons verder bij.

Groenteverkooper:

Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.

Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.

Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,

Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,

Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,

Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.

(Berlicum).

Tapper:

Wel te doen en vroolijk zijnIs ʼt beste op dees aard.Hier verkoopt men brandewijnEn haver voor het paard.

Wel te doen en vroolijk zijnIs ʼt beste op dees aard.Hier verkoopt men brandewijnEn haver voor het paard.

Wel te doen en vroolijk zijn

Is ʼt beste op dees aard.

Hier verkoopt men brandewijn

En haver voor het paard.

(Oud-Pekela en Rotterdam).

In het LeppersfortIs geen drank te kort.

In het LeppersfortIs geen drank te kort.

In het Leppersfort

Is geen drank te kort.

(Gent).

Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.

Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.

Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,

Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.

(Leuven).

Herbergier:

Ik woon hier aan den weg,Wat kan men beter wenschenDan de zegen van den HeerEn de gunst van alle menschen.

Ik woon hier aan den weg,Wat kan men beter wenschenDan de zegen van den HeerEn de gunst van alle menschen.

Ik woon hier aan den weg,

Wat kan men beter wenschen

Dan de zegen van den Heer

En de gunst van alle menschen.

(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)

Barbier:

Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,Ga niet voorbij, wil binnenkomen,Van welken rang of staat,ʼt Zij burger of soldaat.

Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,Ga niet voorbij, wil binnenkomen,Van welken rang of staat,ʼt Zij burger of soldaat.

Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,

Ga niet voorbij, wil binnenkomen,

Van welken rang of staat,

ʼt Zij burger of soldaat.

Ik geef aan elk fatsoenlijk manZoo veel genoegen als ik kan,Ik doe mijn best aan alle gaar,En die ʼt verlangt snij ik ook haar.

Ik geef aan elk fatsoenlijk manZoo veel genoegen als ik kan,Ik doe mijn best aan alle gaar,En die ʼt verlangt snij ik ook haar.

Ik geef aan elk fatsoenlijk man

Zoo veel genoegen als ik kan,

Ik doe mijn best aan alle gaar,

En die ʼt verlangt snij ik ook haar.

(Assen).

Bakker:

Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.

Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.

Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,

Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.

(Amsterdam).

Besteedster:

Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.

Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.

Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,

Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.

(Amsterdam).

Glazenmaker:

Met glas en loodWin ik mijn brood.

Met glas en loodWin ik mijn brood.

Met glas en lood

Win ik mijn brood.

(Amsterdam).

Gouddraadtrekker:

Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.

Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.

Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,

Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;

Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,

Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.

(Brussel).Kleermaker:

Geen mensch men achtAls om zijn dracht,Dies laat mij brave kleeren maken,Wilt gij tot ambt of eer geraken.

Geen mensch men achtAls om zijn dracht,Dies laat mij brave kleeren maken,Wilt gij tot ambt of eer geraken.

Geen mensch men acht

Als om zijn dracht,

Dies laat mij brave kleeren maken,

Wilt gij tot ambt of eer geraken.

(Enkhuizen).

Koekebakker:

Koek die zoet isKoek die goed isKoek die gaar isProef of ʼt niet waar is.

Koek die zoet isKoek die goed isKoek die gaar isProef of ʼt niet waar is.

Koek die zoet is

Koek die goed is

Koek die gaar is

Proef of ʼt niet waar is.

(Zaandam).

Koffiehuis:

Alle anderen zijn in abuis,Maar hier is het ware koffiehuis.

Alle anderen zijn in abuis,Maar hier is het ware koffiehuis.

Alle anderen zijn in abuis,

Maar hier is het ware koffiehuis.

(Heerlen, L.)

Kroeg:

In den cabaret, dien men hier wijst,Wordt men gelaafd en gespijsd.

In den cabaret, dien men hier wijst,Wordt men gelaafd en gespijsd.

In den cabaret, dien men hier wijst,

Wordt men gelaafd en gespijsd.

(Eecke, Vlaanderen).

Kuiper:

Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.

Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.

Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,

Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.

(Gent).

Melkboer:

Hier verkoopt men roomZeer vroomEn zoetemelkVoor elk.

Hier verkoopt men roomZeer vroomEn zoetemelkVoor elk.

Hier verkoopt men room

Zeer vroom

En zoetemelk

Voor elk.

(Houten, U.).

Pruikemaker:

Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.

Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.

Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,

Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.

(Gent).

Schipper:

Ik vaar ter zee op Gods genade,Dat God bewaart kan mij niet schaden;ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.

Ik vaar ter zee op Gods genade,Dat God bewaart kan mij niet schaden;ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.

Ik vaar ter zee op Gods genade,

Dat God bewaart kan mij niet schaden;

ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,

Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.

(Vlaardingen).

Stalhouder:

Hier stalt en verhuurt men paarden,Bij niemand zullen zij beter aarden;Ik geef haar haver en goed hooi,En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.

Hier stalt en verhuurt men paarden,Bij niemand zullen zij beter aarden;Ik geef haar haver en goed hooi,En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.

Hier stalt en verhuurt men paarden,

Bij niemand zullen zij beter aarden;

Ik geef haar haver en goed hooi,

En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.

(Alkmaar).

Wie wil rijden met behagenMoet naar Willem Stallaert vragen.

Wie wil rijden met behagenMoet naar Willem Stallaert vragen.

Wie wil rijden met behagen

Moet naar Willem Stallaert vragen.

(Antwerpen).

Veerhuis:

In dit veerhuis, heel plesant,Ziet men de scheepjes aan alle kantHet Maasje op en neder varen;God wil dit huis van leed bewaren.HierTapt men Genever, Brandewijn en Bier.

In dit veerhuis, heel plesant,Ziet men de scheepjes aan alle kantHet Maasje op en neder varen;God wil dit huis van leed bewaren.HierTapt men Genever, Brandewijn en Bier.

In dit veerhuis, heel plesant,

Ziet men de scheepjes aan alle kant

Het Maasje op en neder varen;

God wil dit huis van leed bewaren.

Hier

Tapt men Genever, Brandewijn en Bier.

(Besooien).

De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit deuithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelteen stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.

Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne metVan LennepenTer Gouwin de heraldiek: het huis van den poorter waszijnkasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v.in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).

Alsheraldische figurenvermeld ikde Kroon, ofde Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouwenz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voorde Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijnzinnebeeldig:de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel:Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw(b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt),de Drie Koningen(o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor:Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis,Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters,Sint Hubertus, vooral in België,Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan demythologieof aan hetvolksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans:de Dorstige Pleiaden, de Riddermet de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn hetSchip van Damiate, o.a. te Amsterdam,in den Preekboom, te Clercken in België,de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Vanmerkwaardige personennoem ikFloris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.

Nog steeds hebben sommigeberoepenenbedrijvenvaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voerenden Vijzelofden Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren deSchaar, metselaars deTroffel, smeden denGouden Sleutelen hetProefslot, hoedemakers denHoed, barbiers hetScheerbakjeof deKwast, herbergiers hetVat, slagers hetVarken, bakkers hetBrood, schippers hetSchip, terwijl deKlokvoor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak eenMoortjeofMoriaanboven een tabakswinkel,Koffiebaaltjesboven een kruidenierswinkel, eenTheeboomboven een theewinkel, eenHaringboven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouderTwee tegen elkaar opspringende Paardenzijn op de staldeuren met het opschrift: “hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen.”

De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel:de Krans, de Toelast(groot wijnvat),ʼt Zwijns-hoofd, ʼt Zwaantje, ʼt Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: “Jan de Kruijer klopt Tapijte.” Maar het bordje metWater en Vuuren bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren.Ten slotte vermeld ik nogde Zon, de Maan(te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen:in de Vergulde Maan),de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelieenz. enz.

De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.

Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar deBonte Bokuithangt:

Vrienden ik ben een bok,Een bok ben ik geheeten,Menigeen is een bok,Maar hij wil ʼt niet weten.

Vrienden ik ben een bok,Een bok ben ik geheeten,Menigeen is een bok,Maar hij wil ʼt niet weten.

Vrienden ik ben een bok,

Een bok ben ik geheeten,

Menigeen is een bok,

Maar hij wil ʼt niet weten.

Uit Friesland:

Aan de eene zijde staat eenvarken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:

Dit varkentje heeft veel verdriet,Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.

Dit varkentje heeft veel verdriet,Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.

Dit varkentje heeft veel verdriet,

Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.

De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:

Deze varkentjes loopen in de wei,Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.

Deze varkentjes loopen in de wei,Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.

Deze varkentjes loopen in de wei,

Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.

Onder een voorstelling vanhondenhaas;

Dit is de honte, en dat is de hoaze,En omdat ik ben ʼn meester en boaze,Zet ik dʼr onder:Dit is de honte, en dat is de hoaze.

Dit is de honte, en dat is de hoaze,En omdat ik ben ʼn meester en boaze,Zet ik dʼr onder:Dit is de honte, en dat is de hoaze.

Dit is de honte, en dat is de hoaze,

En omdat ik ben ʼn meester en boaze,

Zet ik dʼr onder:

Dit is de honte, en dat is de hoaze.

KaïnenAbelop een bakkerswinkel:

Kaïn sloeg Abel doodAl om een hoekje,Hier verkoopt men wittebroodEn ook een koekje.

Kaïn sloeg Abel doodAl om een hoekje,Hier verkoopt men wittebroodEn ook een koekje.

Kaïn sloeg Abel dood

Al om een hoekje,

Hier verkoopt men wittebrood

En ook een koekje.

Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop eenEngel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:

In den Engel bemind,Treê binnen mijn vrind,Hier tapt men met pleizierJenever en bier.

In den Engel bemind,Treê binnen mijn vrind,Hier tapt men met pleizierJenever en bier.

In den Engel bemind,

Treê binnen mijn vrind,

Hier tapt men met pleizier

Jenever en bier.

Te Delft boven een herberg, dieSint Jorisvoert:

In Sint Joris vol van waardenTapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.

In Sint Joris vol van waardenTapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.

In Sint Joris vol van waarden

Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.

Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg eenRustende Schutteruit, met het opschrift:

Rust met lustEn drinkt met maten,Maar die geen centen heeftMoet het drinken laten.

Rust met lustEn drinkt met maten,Maar die geen centen heeftMoet het drinken laten.

Rust met lust

En drinkt met maten,

Maar die geen centen heeft

Moet het drinken laten.

Voor een huis, waar deMosterdpotuithangt:

Ik lever uitEen zeldzaam kruit,Daar zijnder weinig in de stadOf ʼk heb ze bij de neus gehad.

Ik lever uitEen zeldzaam kruit,Daar zijnder weinig in de stadOf ʼk heb ze bij de neus gehad.

Ik lever uit

Een zeldzaam kruit,

Daar zijnder weinig in de stad

Of ʼk heb ze bij de neus gehad.

Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder eenMolenen eenZeilend Scheepjebij een kruidenier:

Ik laat alle winden waaijenEn alle molens draaijenEn alle waters vloeijen,En ieder zich met het zijne bemoeijen.Gedult overwind alles.

Ik laat alle winden waaijenEn alle molens draaijenEn alle waters vloeijen,En ieder zich met het zijne bemoeijen.Gedult overwind alles.

Ik laat alle winden waaijen

En alle molens draaijen

En alle waters vloeijen,

En ieder zich met het zijne bemoeijen.

Gedult overwind alles.

EenBijenkorfvindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:

In de Bijkorf verkoopt men kant,Geen beter in ʼt Lant,Voor geld contantStrak in de hant.

In de Bijkorf verkoopt men kant,Geen beter in ʼt Lant,Voor geld contantStrak in de hant.

In de Bijkorf verkoopt men kant,

Geen beter in ʼt Lant,

Voor geld contant

Strak in de hant.

Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons doorA. Veein Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld:de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zatenz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:

Te Melsele:

Ik woon op den Smoutpot alhier,Hebt ge geld, dan heb ik bier,Hebt ge er geen, dan staat erHier naast een pomp met water.

Ik woon op den Smoutpot alhier,Hebt ge geld, dan heb ik bier,Hebt ge er geen, dan staat erHier naast een pomp met water.

Ik woon op den Smoutpot alhier,

Hebt ge geld, dan heb ik bier,

Hebt ge er geen, dan staat er

Hier naast een pomp met water.

Te Clinge:

Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,Kom eens binnen in de Zwaan,Er woont een man alhier,Die schenkt genever en bier.

Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,Kom eens binnen in de Zwaan,Er woont een man alhier,Die schenkt genever en bier.

Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,

Kom eens binnen in de Zwaan,

Er woont een man alhier,

Die schenkt genever en bier.

Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.

In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijstebidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met “bidprentje” bedoel ik niet “doodenprentje” of “doodsprentje”, een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurdesanktjeskwamen vooral sedert de XVIIIeeeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister—het is immersvolkspoëzie—, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:

Verzuchting tot Maria.

O Maria, graci-bron,Schooner als de gulde zon,Klaerder als de zilvre maen,Die men ʼs avends op siet staen.Oversuyver leli-bloem,Uitgelezen Maeghden-roem,Bidt u allerliefste kindt,ʼT geen ghij boven al bemint,Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,En sijn gratie mij beschijnt,Op dat ick geheel verlightMagh voldoen aan mijne plicht.

O Maria, graci-bron,Schooner als de gulde zon,Klaerder als de zilvre maen,Die men ʼs avends op siet staen.Oversuyver leli-bloem,Uitgelezen Maeghden-roem,Bidt u allerliefste kindt,ʼT geen ghij boven al bemint,Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,En sijn gratie mij beschijnt,Op dat ick geheel verlightMagh voldoen aan mijne plicht.

O Maria, graci-bron,

Schooner als de gulde zon,

Klaerder als de zilvre maen,

Die men ʼs avends op siet staen.

Oversuyver leli-bloem,

Uitgelezen Maeghden-roem,

Bidt u allerliefste kindt,

ʼT geen ghij boven al bemint,

Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,

En sijn gratie mij beschijnt,

Op dat ick geheel verlight

Magh voldoen aan mijne plicht.

Aanroeping tot Maria Magdalena.

Sondaeres, die Christi voetenMet boetveerdigh nat begiet,Om uw sondig quaedt te boeten,Jesus door genade schietIn uw ziel een soeten regen,En hij wascht uw smetten af:Gij verkrijght den hemel-seghen,Vrij van sonden ende straf.Jesu! geeft mijn herte suchtenEn mijn oogen droef getraen,Opdat ick de sonden vluchtenEn beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.

Sondaeres, die Christi voetenMet boetveerdigh nat begiet,Om uw sondig quaedt te boeten,Jesus door genade schietIn uw ziel een soeten regen,En hij wascht uw smetten af:Gij verkrijght den hemel-seghen,Vrij van sonden ende straf.Jesu! geeft mijn herte suchtenEn mijn oogen droef getraen,Opdat ick de sonden vluchtenEn beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.

Sondaeres, die Christi voeten

Met boetveerdigh nat begiet,

Om uw sondig quaedt te boeten,

Jesus door genade schiet

In uw ziel een soeten regen,

En hij wascht uw smetten af:

Gij verkrijght den hemel-seghen,

Vrij van sonden ende straf.

Jesu! geeft mijn herte suchten

En mijn oogen droef getraen,

Opdat ick de sonden vluchten

En beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.

Ook dehuiszegenwordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed “tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen.” Gods zegen wordt afgesmeekt over “het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!” Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. “Het heilig kruis van Jezus Christus zijhet dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!”

In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firmaBrepolsenDierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firmaBeersmans, zuiver van uitvoering en kleur.

Men vindt verder nog vaak denDuivelsdans, “den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen”. Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.

Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:

Let hier wel, die zijn genegen,En wiens hert vliegt tot den dans,Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,Eer zij wagen nog de kans.Lucifer is daer in ʼt midden,Hij speelt meester van de bendʼ;Zonder men het kan verbiddenMet zijn haek uw ziele schendt.

Let hier wel, die zijn genegen,En wiens hert vliegt tot den dans,Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,Eer zij wagen nog de kans.Lucifer is daer in ʼt midden,Hij speelt meester van de bendʼ;Zonder men het kan verbiddenMet zijn haek uw ziele schendt.

Let hier wel, die zijn genegen,

En wiens hert vliegt tot den dans,

Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,

Eer zij wagen nog de kans.

Lucifer is daer in ʼt midden,

Hij speelt meester van de bendʼ;

Zonder men het kan verbidden

Met zijn haek uw ziele schendt.

Een andere zeer geliefkoosde prent is deTrap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firmaPellerinte Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de—oorspronkelijk Fransche—opschriften:Age de lʼadolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge dedécrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.

Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van deH. Birgittaof Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.

Als versierselen van de volkswoning mag ik ook deprocessievaantjesniet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,—de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel vanVan Heurckin Volkskunde XXI, bl. 182.

Zoo kom ik als vanzelf tot de profanevolksprentenofmannekesbladen, in Noord-Nederland vroegerfloskaartjes, thans meestalcentsprentengenoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsherheilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Metvreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zooaantrekkelijkevoorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.

Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, ʼs avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, “gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774”; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.

Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand vanEmile Van HeurckenG. J. Boekenoogen, getiteld:Histoire de lʼImagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères(Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizenBrepols, Delhuvenne, Glenisson, Van GenechtenenBeersmanste Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie;ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.

De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen,C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. enC. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firmaRijnderste Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Nomanen Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgeverBroedeleten zijn opvolgerSchuitemakerte Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aanNoothoven van Goorte Leiden. Vermelden wij ten slotte de “Nieuwe Hollandsche kinderprenten” van de Leidsche firmaA. W. Sijthoff.

Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid.Théophile Gautierhad dit verval vermoed en gevreesd: “Fasse le ciel que la civilisation nʼamène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractèreà ces images”. Zie vooralV. HeurckenBoekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.

De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.

Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. “Leur dessin grossier et primitif”, zeggen zoo juist de schrijvers derImagerie populairein hun voorrede, “leur bariolage violent et fantastique ont un charme que nʼont pas les images dʼaujourdhui; un charme et une beauté quʼon apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste dʼuniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de nʼavoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel.” In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.

Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en tevervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.

Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel deHaan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:

Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,Die u tot nijverheid spoort aan.

Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,Die u tot nijverheid spoort aan.

Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,

Die u tot nijverheid spoort aan.

Later was deHondmeer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:

Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hondWacht zeker, tot zijn meester komt.

Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hondWacht zeker, tot zijn meester komt.

Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hond

Wacht zeker, tot zijn meester komt.

Bij een andere voorstelling vindt men:

Ziet hoe dit hondje zittend wacht,En op den wenk zijns meesters acht;Gij kinders, wie gij zijt,Wil allen hieruit leeren,Om ook uws meesters lesTen hoogste te waardeeren.

Ziet hoe dit hondje zittend wacht,En op den wenk zijns meesters acht;Gij kinders, wie gij zijt,Wil allen hieruit leeren,Om ook uws meesters lesTen hoogste te waardeeren.

Ziet hoe dit hondje zittend wacht,

En op den wenk zijns meesters acht;

Gij kinders, wie gij zijt,

Wil allen hieruit leeren,

Om ook uws meesters les

Ten hoogste te waardeeren.

Natuurlijk wordt deKat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:

Geen nutter dier voor rot en muis,Als een mooi katje in uw huis,Want het doorsnuffelt alle hoeken,Om dit gedierte op te zoeken.

Geen nutter dier voor rot en muis,Als een mooi katje in uw huis,Want het doorsnuffelt alle hoeken,Om dit gedierte op te zoeken.

Geen nutter dier voor rot en muis,

Als een mooi katje in uw huis,

Want het doorsnuffelt alle hoeken,

Om dit gedierte op te zoeken.


Back to IndexNext