Chapter 8

ʼk Kom om mijnen snik!Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,Maar ʼet zalder u wel berouwen!Die niet en geeft, die es en beest,Dat es N.N. om te meest!Sint Andriesnachtspeelt ook een voorname rol in de tooverwereld, al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.Sint Elooi (l Dec.).De H. Eligius werd in 588 in het Westen van Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningenClotariusenDagobertlieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben thans meestal den 29stenJuni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.Te Mechelen hadden volgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde rijmpjes.Sint Barbara (4 Dec.)werd door haar heidenschen vader in een toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamdeBarbara-takken:kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, op Kerstmis zullen bloeien,—treffende kerstening en symboliseering van het vruchtbaarheidsidee.Sint Nikolaas (6 Dec.).. Een groote, krachtige gestalte te paard,den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.Na de overwinning van het Christendom in de IXeen Xeeeuw, toen het werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die schimmel een onbeheerde zaak, eenres derelicta primi occupantis,slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook sage—heiligen, koningen, legerhoofden en anderen—een eereplaats gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de vereering van Sint Nikolaas.Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel vanKarel Quinte, als deze uit denGudinsberg (Wuodenesberg) komt. Sinterklaas komt van verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, dan ook Condé:Drie appelkens van Condé,Breng mijn broerkens ook wat mee.(West-Vlaanderen).Om appelkens van Condé,Breng er mij een gʼheel schootjen mee!(Oost-Vlaanderen).Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:Gank oet riejeNoa ʼt lendje van Picardië.Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:Sinter Klaas zen peerdje,Dat häd een kranke poot,Laten we doa voor bejen,Dat het beter weurdt.(Hasselt.—ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 121).Beter lijkt me de Venloosche lezing:En Sinterklaos zie(n) pêrd,Det hêt ʼn kwoaje voot,En as me doa veur bêjt,Dan wuurdt dê ouk weer good.In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hijrijdtgeschenken, met name voor kinderen. Depakjesavondonzer noordelijke provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te goed doet. Men vergelijke hiermee deKlausenmannlein Hohenzollern, deNicolaus-Lebkuchenin Hessen-Nassau enz.Evenals de Wilde Jager en Sint MaartenrijdtSinterklaas door den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den huiselijken haard af. Bijhet plaatsen van vulkachels en het aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking “een schoen zetten bij iemand” synoniem is van “iemand iets afbedelen.” Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten “voor Sinterklaas zijn paard.” Plaatselijk in heel ons land, maar met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, “voor Wode en zijn paard,” dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk een schamel, overigens onschuldigsurvivalte zien hebben van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Oudnoorsche EddaSleipnis verdr, “Sleipnirʼs spijs” genoemd werd.Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:Sinte Niklaas,Nobele baas,Breng iets in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje (limoentje).Sinte Niklaas kapoentje,Rijd wat in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje,Een nootje om te kraken,Het zal zoo lekker smaken!Sinterklaas bisschop,Zet uw hooge muts op,Trek uw besten tabbaard aan,Rijd er mee naar Amsterdam,Van Amsterdam naar Spanje,Appeltjes van Oranje!Sinterklaas, goed heilig man,Trek uw besten tabbaard aan,Geef de kleine kinderen wat,Geef de grooten een schop voor het gat,Laat ze daarmee loopen,Kousen en schoenen verkoopen.Sint Niklaas, mijn goede man,Wilt ge me wel wat geven,Dan dien ik u al mijn leven;Geef je me niet,Dan dien ik je niet,Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman geheeten, in de RijnprovincieHans Muff, in den ElzasHans Trapp, elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ikhier nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en plak hervormd.Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:Wij sullen ons scheepken wel stierenAl over die wilde see,Al op Sinterklaes manieren,Soo gaet er ons soetlief meê.Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.ZieEelco Verwijs, Sinterklaas (ʼs Gravenhage 1863);Schrijnen, De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898);Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 252 vlg.Sint Lucia (13 Dec.)is een echte volksheilige. Zij heeft tal van attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie van haar naam (vanlux“licht”). Vandaar, meentDe Smedt, de gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251, 244.—Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria een plechtige mis gezongen, die den naam draagt vanGuldenmis:niet omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar “gulden” beteekent hier “voortreffelijk”, “krachtig”. Zij wordt ook deRorate-misgenoemd, omdat zij begint met de woordenRorate cocli. In de noordelijke provinciën heet zij ook wel deSchippersmis. De Westvlaamsche naam isDuvekedaals-messe,omdat in het mysteriespel der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, bij de woorden: “De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des Allerhoogsten zal u overschaduwen”, uit de hoogte een duif, door licht omgeven, over Maria werd neergelaten.VolgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, welke de boodschap bracht, te zingen:Ave Maria, gratia plena!(Wees gegroet Maria, vol van genade),en het volk valt in en zingt verder:Benedicta tu in mulieribus!(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).St. Thomasdag (21 Dec.)wordt beschouwd als de inleiding tot het tijdperk derTwaalf Nachten. De geesten drijven hun spel, tooverij en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas op een vurigen wagen door de lucht rijdt,—een bijzonder aspekt van het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijdsdegene, die ʼs morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderenDomesesel(Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch Limburg nog thans den langslaperThomas; analoog is het gebruik, waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school kwam,Paus Silvestergeheeten werd. EnK. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: “Die op dezen dag [St. Silvester] in ʼt een of ander de laatste bevonden wordt, heetSilvesteren moet beschenken.” Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, die eveneens denLuilaktreft, die den eersten meidag verslaapt. Ook dePinksterbruidis een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal van den H. Thomas, die “te laat kwam”, toen de anderen reeds vergaderd waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: “De Maandag na Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd.” Op Palmzondag begint het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.Het begrip “ʼs morgens te laat komen” trad meer en meer op den voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te Brugge iemandthomassen. Het feest heet “Sluiterkensavond”, “Sluiterkensdag”, “Buitensluit”, enz. Het te laat komen wordt op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: ʼt is Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: ʼt is Mannetjeszondag; den derden de dochters: ʼt is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: ʼt is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te Velthoven wordt de meester op den feestdagder Onnoozele Kinderen buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, en nog minder met het feest heeft uitstaan. ZieDe Bo, West-Vlaamsch Idioticon; zie ookDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 319 vlg.Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook nog hieruit, dat men te Venloo den 21stenDecember kinderen naar den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar “het wijfje, dat daar peperkoek spint”. De overeenkomst is hier sprekend met den 1enApril: “Verzendekensdag,” waarover nader.Kerstmis (25 Dec.). Den 25stenDecember begon het groote Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk derTwaalf Nachtenopende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en groeiende zonnelicht—hetgeen doorMogke.a. wordt betwist—laat ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij bevinden ons in waarheid in hetbevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middelom de geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte van Christus op 25 December in de IVeeeuw door de Kerk werd ingevoerd, aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest bergt menig Oudgermaansch overleefsel.Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op kerstavond een plant in water te zetten, die den naam vanRoos van Jerichodraagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid-ZwitserscheVal di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland is deRoos van Jerichogeen onbekende. De berichten over dit gebruik klimmen op tot het begin der XVIIeeeuw.De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreiddenzich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:Anastatica. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden male bij ʼs Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.Op de vraag: “Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water gezet?” dient m.i. een drieledig antwoord. DeRoos van Jerichois het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het treffende Oudduitsche kerklied: “Es ist ein ros entsprungen—aus einer wurzel zart” enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij de geboorte des Heeren doortintelt: “DʼErd grünet und bringet rössle,—der Heyland kompt von Himmel” enz. Dan, op kerstavond bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: Christus is de boom des levens. “Hij staat in het midden der Kerk”, zegtHugo van St. Viktor, “zooals de levensboom stond in het midden van het paradijs”. Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en hetAllräunchen;in Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan ʼt gonzen en zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; te Moelingen (B.-L.) roept de haan: “ʼt Kindeke Jezus isgeboren,” waarop de duif vraagt: “Moe, moe?” (waar, waar?), en het lammetje antwoordt: “Te Bêthlehêm”. In Brabant richten de schapen hun oogen naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders beschadigd wordt doorDerk met den Beer—een soort voorrijder van de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de diepte van vijvers en bronnen.De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Hetkerstblokof dekersttobbe, DuitschJulblock, Weihnachtsblockenz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor wordt bepaald: “dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden.” Heden nog worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt men vankerststokjes. Ook in de oostelijke provincies wordt hier of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat denkerstboombetreft, deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan Sinterklaas.—In sommigedeelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom bekend is, “rijden” de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden ʼs morgens denengeltjeskoekop hun peluw.In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:Engeltjen, engeltjen Gabrieël,Woont zooverre van mijn kasteel,Op mijn kasteel alleene!Bak mij een koekjen kleeneEn een koekjen groot,Om te leggenOp Moeder Mariaatjes schoot!Te Gent noemt men dezen koekengelbewaarderskoek. Gaan de Belgische kinderen op kerstdag “Zalig Hoogtij” wenschen, dan zingen zij:Heerderkens van buiten,Spoedt u op de been,Met trommelkens en met fluitenRecht naar Bethleëm;Want daar is geborenDen God van al,Die ons het levenHeeft gegevenIn den stal.Ik heb hier nog drie eieren,Warm uit den nest;Ik heb hier nog een kalfken,Dat is vet gemest;Ik heb hier nog wat vlaaikensIn mijn korfken staan,Om te vereerenHet kindeken teere,Laat ons gaan!Als zij nog heel klein zijn:Met den tikkenhaan in de handKomen wij den herder groeten;Met den tikkenhaan in de handGroeten den herder van het land.Tik, tik, tik, tikkeliere,Groeten den herder van het land.Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in velegebaksvormen, ik noem slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reedsKiliaanvele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De Noordhollandsche benaming isdeuvekater; in Delft en Schielandkersttimp. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en uitriep: “Kerstbrood, mijn brood”, en den titel van “broodjeskoning” ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zieJos. Russel, De heerlijkheid Geleen, bl. 73.Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,Dan hebben we volop,Dan slacht miên vader ʼn verksken,En dan krieg ik de kop.ZieA. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht,passim:Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragenvan den Dag XI, bl. 52;Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge, bl. 319;De Cock, Volkskunde, 229.St. Stefanusdag (26 Dec.)heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond en roepen “heio”, waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, men denke slechts aan het Romeinschepro frugibus lustrare agros: de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,—zonder daarom een “verkapte god” te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus (Baldr?); zieGrimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.Het rondrijden met de paarden, denStephanusrit, vindt men in Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten van ons land noemen de boerenjongens het “Sint-Steffen rieën” of “Sinte-Steffen jagen.”—Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan de koeien en zeggen tegen de boeren: “Ik steffen jôe kôe”, en bij arbeiders, die geen koe hebben,: “Ik steffen jôe.” Te Borger (D.) ziet men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met eenbosje hooi onder den arm. Zij gaan van ʼt eene huis naar het andere, het eerst naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:Hum, kôe, hum.Sint Steffen is gekomenHard geloopen; duur verkoopen,Honderd gulden veur dieë kôe,En een dikke stoetbruggʼ toe.Te Oosterhesselen komt hier nog bij:Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,Dan gef de kôe ook botter en melk.Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken en zegt: “Ik heb jôe kôenen steft”; waarop hij door de boerin wordt onthaald.Sint Jan Evangelist (27 Dec.). Een eigenaardig gebruik op dezen dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder de formule: “bibe amorem sancti Johannis, in nomine patrisetc.”: “drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz.” Hetzelfde gebruik leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, het woord “minne” heeft met “genegenheid, liefde” niets gemeen, maar wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het DuitscheSt.-Johannisliebe, vandaar de termamorin de Limburgsche formule:bibe amorem sancti Johannisenz. Het woord is afkomstig van den Indogermaanschen wortelmen, met de beteekenis“denken, overdenken, zich herinneren”; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de beteekenis van “beminnen.”Men dronk eertijds de “minne” der goden, vooral van Wôdan-Odhin; hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten wij, dat zij althans sedert de XVeeeuw, toen de christelijke tint de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken drempel overschreed.Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, dat hij—evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël—een zeer geliefde volksheilige is. Den 29stenDecember dronk men eertijds in Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de termminnezelf. Was het niet natuurlijk, dat der godenminna, door het Latijnscheamorweergegeven, bij voorkeur op den apostel der liefde overging? Ook vindt mendilectioenpotus caritatis. Zoo verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhandook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.Allerkinderen (28 Dec.)vertoont een beslist christelijk karakter en herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, in het pak hunner ouders gestoken, als “vader en moeder” over straat loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, waar men zingt:ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,Geeft de moerkens en de vaarkens wat!Geeft wat, houdt wat,ʼt Naaste jaar nog wat!Ik weet daar nog een goede vrouw.Die mij zoo geern wat geven zou.Zij zal mij wel wat geven;Hoelang mag zij leven?Honderd jaar en éenen dag,Zoolang als ze kaas en brookes mag.Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den “Kinderbisschop”, ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste Vespers bij de woorden van hetMagnificat: “Hij heeft heerschers van tronen neergehaald en geringen verheven”, en behield hem tot de tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een post voor:Itemden biscop vanden scoelkinderen van Sint Donaas ... XVIJ schellinghen”; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor de Dordsche “scoelnaars ende horen biscop”. Hij draagt dan ook den naam van “Bisschop van de scholieren”, “Bisschop van de koorknapen”, enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd als St. Gregoriusdag, waarover nader.OudejaarsavondenNieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.).Ik wensch U al te gaarEen zalig Nieuwe Jaar;In voorspoed en verdrietVergeet den Schepper niet!klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog het nachtelijk uur aankondigde.Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde “onnutte superstitiën” of “ongeregelheden”, te velde trokken, zijn er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar nog “aan datzelfde euvel mank ging”. Het is heden ten dage vooral nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van nieuwjaarsliedjes bijDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.Herdersem:Op eenen nieuwjaarsavond,Dan zullen wij vroolijk zijn,Met een geboren magedEn een klein kindeken klein.Wie zal dat kindeken dragen?De dochter al van Jeroen!De klokken zullen luien,Den kerkweg zullen wij doen.

ʼk Kom om mijnen snik!Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,Maar ʼet zalder u wel berouwen!Die niet en geeft, die es en beest,Dat es N.N. om te meest!Sint Andriesnachtspeelt ook een voorname rol in de tooverwereld, al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.Sint Elooi (l Dec.).De H. Eligius werd in 588 in het Westen van Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningenClotariusenDagobertlieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben thans meestal den 29stenJuni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.Te Mechelen hadden volgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde rijmpjes.Sint Barbara (4 Dec.)werd door haar heidenschen vader in een toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamdeBarbara-takken:kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, op Kerstmis zullen bloeien,—treffende kerstening en symboliseering van het vruchtbaarheidsidee.Sint Nikolaas (6 Dec.).. Een groote, krachtige gestalte te paard,den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.Na de overwinning van het Christendom in de IXeen Xeeeuw, toen het werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die schimmel een onbeheerde zaak, eenres derelicta primi occupantis,slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook sage—heiligen, koningen, legerhoofden en anderen—een eereplaats gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de vereering van Sint Nikolaas.Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel vanKarel Quinte, als deze uit denGudinsberg (Wuodenesberg) komt. Sinterklaas komt van verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, dan ook Condé:Drie appelkens van Condé,Breng mijn broerkens ook wat mee.(West-Vlaanderen).Om appelkens van Condé,Breng er mij een gʼheel schootjen mee!(Oost-Vlaanderen).Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:Gank oet riejeNoa ʼt lendje van Picardië.Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:Sinter Klaas zen peerdje,Dat häd een kranke poot,Laten we doa voor bejen,Dat het beter weurdt.(Hasselt.—ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 121).Beter lijkt me de Venloosche lezing:En Sinterklaos zie(n) pêrd,Det hêt ʼn kwoaje voot,En as me doa veur bêjt,Dan wuurdt dê ouk weer good.In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hijrijdtgeschenken, met name voor kinderen. Depakjesavondonzer noordelijke provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te goed doet. Men vergelijke hiermee deKlausenmannlein Hohenzollern, deNicolaus-Lebkuchenin Hessen-Nassau enz.Evenals de Wilde Jager en Sint MaartenrijdtSinterklaas door den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den huiselijken haard af. Bijhet plaatsen van vulkachels en het aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking “een schoen zetten bij iemand” synoniem is van “iemand iets afbedelen.” Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten “voor Sinterklaas zijn paard.” Plaatselijk in heel ons land, maar met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, “voor Wode en zijn paard,” dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk een schamel, overigens onschuldigsurvivalte zien hebben van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Oudnoorsche EddaSleipnis verdr, “Sleipnirʼs spijs” genoemd werd.Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:Sinte Niklaas,Nobele baas,Breng iets in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje (limoentje).Sinte Niklaas kapoentje,Rijd wat in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje,Een nootje om te kraken,Het zal zoo lekker smaken!Sinterklaas bisschop,Zet uw hooge muts op,Trek uw besten tabbaard aan,Rijd er mee naar Amsterdam,Van Amsterdam naar Spanje,Appeltjes van Oranje!Sinterklaas, goed heilig man,Trek uw besten tabbaard aan,Geef de kleine kinderen wat,Geef de grooten een schop voor het gat,Laat ze daarmee loopen,Kousen en schoenen verkoopen.Sint Niklaas, mijn goede man,Wilt ge me wel wat geven,Dan dien ik u al mijn leven;Geef je me niet,Dan dien ik je niet,Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman geheeten, in de RijnprovincieHans Muff, in den ElzasHans Trapp, elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ikhier nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en plak hervormd.Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:Wij sullen ons scheepken wel stierenAl over die wilde see,Al op Sinterklaes manieren,Soo gaet er ons soetlief meê.Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.ZieEelco Verwijs, Sinterklaas (ʼs Gravenhage 1863);Schrijnen, De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898);Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 252 vlg.Sint Lucia (13 Dec.)is een echte volksheilige. Zij heeft tal van attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie van haar naam (vanlux“licht”). Vandaar, meentDe Smedt, de gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251, 244.—Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria een plechtige mis gezongen, die den naam draagt vanGuldenmis:niet omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar “gulden” beteekent hier “voortreffelijk”, “krachtig”. Zij wordt ook deRorate-misgenoemd, omdat zij begint met de woordenRorate cocli. In de noordelijke provinciën heet zij ook wel deSchippersmis. De Westvlaamsche naam isDuvekedaals-messe,omdat in het mysteriespel der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, bij de woorden: “De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des Allerhoogsten zal u overschaduwen”, uit de hoogte een duif, door licht omgeven, over Maria werd neergelaten.VolgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, welke de boodschap bracht, te zingen:Ave Maria, gratia plena!(Wees gegroet Maria, vol van genade),en het volk valt in en zingt verder:Benedicta tu in mulieribus!(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).St. Thomasdag (21 Dec.)wordt beschouwd als de inleiding tot het tijdperk derTwaalf Nachten. De geesten drijven hun spel, tooverij en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas op een vurigen wagen door de lucht rijdt,—een bijzonder aspekt van het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijdsdegene, die ʼs morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderenDomesesel(Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch Limburg nog thans den langslaperThomas; analoog is het gebruik, waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school kwam,Paus Silvestergeheeten werd. EnK. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: “Die op dezen dag [St. Silvester] in ʼt een of ander de laatste bevonden wordt, heetSilvesteren moet beschenken.” Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, die eveneens denLuilaktreft, die den eersten meidag verslaapt. Ook dePinksterbruidis een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal van den H. Thomas, die “te laat kwam”, toen de anderen reeds vergaderd waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: “De Maandag na Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd.” Op Palmzondag begint het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.Het begrip “ʼs morgens te laat komen” trad meer en meer op den voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te Brugge iemandthomassen. Het feest heet “Sluiterkensavond”, “Sluiterkensdag”, “Buitensluit”, enz. Het te laat komen wordt op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: ʼt is Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: ʼt is Mannetjeszondag; den derden de dochters: ʼt is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: ʼt is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te Velthoven wordt de meester op den feestdagder Onnoozele Kinderen buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, en nog minder met het feest heeft uitstaan. ZieDe Bo, West-Vlaamsch Idioticon; zie ookDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 319 vlg.Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook nog hieruit, dat men te Venloo den 21stenDecember kinderen naar den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar “het wijfje, dat daar peperkoek spint”. De overeenkomst is hier sprekend met den 1enApril: “Verzendekensdag,” waarover nader.Kerstmis (25 Dec.). Den 25stenDecember begon het groote Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk derTwaalf Nachtenopende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en groeiende zonnelicht—hetgeen doorMogke.a. wordt betwist—laat ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij bevinden ons in waarheid in hetbevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middelom de geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte van Christus op 25 December in de IVeeeuw door de Kerk werd ingevoerd, aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest bergt menig Oudgermaansch overleefsel.Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op kerstavond een plant in water te zetten, die den naam vanRoos van Jerichodraagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid-ZwitserscheVal di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland is deRoos van Jerichogeen onbekende. De berichten over dit gebruik klimmen op tot het begin der XVIIeeeuw.De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreiddenzich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:Anastatica. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden male bij ʼs Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.Op de vraag: “Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water gezet?” dient m.i. een drieledig antwoord. DeRoos van Jerichois het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het treffende Oudduitsche kerklied: “Es ist ein ros entsprungen—aus einer wurzel zart” enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij de geboorte des Heeren doortintelt: “DʼErd grünet und bringet rössle,—der Heyland kompt von Himmel” enz. Dan, op kerstavond bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: Christus is de boom des levens. “Hij staat in het midden der Kerk”, zegtHugo van St. Viktor, “zooals de levensboom stond in het midden van het paradijs”. Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en hetAllräunchen;in Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan ʼt gonzen en zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; te Moelingen (B.-L.) roept de haan: “ʼt Kindeke Jezus isgeboren,” waarop de duif vraagt: “Moe, moe?” (waar, waar?), en het lammetje antwoordt: “Te Bêthlehêm”. In Brabant richten de schapen hun oogen naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders beschadigd wordt doorDerk met den Beer—een soort voorrijder van de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de diepte van vijvers en bronnen.De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Hetkerstblokof dekersttobbe, DuitschJulblock, Weihnachtsblockenz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor wordt bepaald: “dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden.” Heden nog worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt men vankerststokjes. Ook in de oostelijke provincies wordt hier of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat denkerstboombetreft, deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan Sinterklaas.—In sommigedeelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom bekend is, “rijden” de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden ʼs morgens denengeltjeskoekop hun peluw.In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:Engeltjen, engeltjen Gabrieël,Woont zooverre van mijn kasteel,Op mijn kasteel alleene!Bak mij een koekjen kleeneEn een koekjen groot,Om te leggenOp Moeder Mariaatjes schoot!Te Gent noemt men dezen koekengelbewaarderskoek. Gaan de Belgische kinderen op kerstdag “Zalig Hoogtij” wenschen, dan zingen zij:Heerderkens van buiten,Spoedt u op de been,Met trommelkens en met fluitenRecht naar Bethleëm;Want daar is geborenDen God van al,Die ons het levenHeeft gegevenIn den stal.Ik heb hier nog drie eieren,Warm uit den nest;Ik heb hier nog een kalfken,Dat is vet gemest;Ik heb hier nog wat vlaaikensIn mijn korfken staan,Om te vereerenHet kindeken teere,Laat ons gaan!Als zij nog heel klein zijn:Met den tikkenhaan in de handKomen wij den herder groeten;Met den tikkenhaan in de handGroeten den herder van het land.Tik, tik, tik, tikkeliere,Groeten den herder van het land.Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in velegebaksvormen, ik noem slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reedsKiliaanvele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De Noordhollandsche benaming isdeuvekater; in Delft en Schielandkersttimp. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en uitriep: “Kerstbrood, mijn brood”, en den titel van “broodjeskoning” ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zieJos. Russel, De heerlijkheid Geleen, bl. 73.Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,Dan hebben we volop,Dan slacht miên vader ʼn verksken,En dan krieg ik de kop.ZieA. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht,passim:Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragenvan den Dag XI, bl. 52;Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge, bl. 319;De Cock, Volkskunde, 229.St. Stefanusdag (26 Dec.)heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond en roepen “heio”, waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, men denke slechts aan het Romeinschepro frugibus lustrare agros: de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,—zonder daarom een “verkapte god” te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus (Baldr?); zieGrimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.Het rondrijden met de paarden, denStephanusrit, vindt men in Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten van ons land noemen de boerenjongens het “Sint-Steffen rieën” of “Sinte-Steffen jagen.”—Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan de koeien en zeggen tegen de boeren: “Ik steffen jôe kôe”, en bij arbeiders, die geen koe hebben,: “Ik steffen jôe.” Te Borger (D.) ziet men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met eenbosje hooi onder den arm. Zij gaan van ʼt eene huis naar het andere, het eerst naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:Hum, kôe, hum.Sint Steffen is gekomenHard geloopen; duur verkoopen,Honderd gulden veur dieë kôe,En een dikke stoetbruggʼ toe.Te Oosterhesselen komt hier nog bij:Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,Dan gef de kôe ook botter en melk.Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken en zegt: “Ik heb jôe kôenen steft”; waarop hij door de boerin wordt onthaald.Sint Jan Evangelist (27 Dec.). Een eigenaardig gebruik op dezen dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder de formule: “bibe amorem sancti Johannis, in nomine patrisetc.”: “drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz.” Hetzelfde gebruik leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, het woord “minne” heeft met “genegenheid, liefde” niets gemeen, maar wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het DuitscheSt.-Johannisliebe, vandaar de termamorin de Limburgsche formule:bibe amorem sancti Johannisenz. Het woord is afkomstig van den Indogermaanschen wortelmen, met de beteekenis“denken, overdenken, zich herinneren”; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de beteekenis van “beminnen.”Men dronk eertijds de “minne” der goden, vooral van Wôdan-Odhin; hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten wij, dat zij althans sedert de XVeeeuw, toen de christelijke tint de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken drempel overschreed.Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, dat hij—evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël—een zeer geliefde volksheilige is. Den 29stenDecember dronk men eertijds in Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de termminnezelf. Was het niet natuurlijk, dat der godenminna, door het Latijnscheamorweergegeven, bij voorkeur op den apostel der liefde overging? Ook vindt mendilectioenpotus caritatis. Zoo verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhandook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.Allerkinderen (28 Dec.)vertoont een beslist christelijk karakter en herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, in het pak hunner ouders gestoken, als “vader en moeder” over straat loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, waar men zingt:ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,Geeft de moerkens en de vaarkens wat!Geeft wat, houdt wat,ʼt Naaste jaar nog wat!Ik weet daar nog een goede vrouw.Die mij zoo geern wat geven zou.Zij zal mij wel wat geven;Hoelang mag zij leven?Honderd jaar en éenen dag,Zoolang als ze kaas en brookes mag.Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den “Kinderbisschop”, ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste Vespers bij de woorden van hetMagnificat: “Hij heeft heerschers van tronen neergehaald en geringen verheven”, en behield hem tot de tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een post voor:Itemden biscop vanden scoelkinderen van Sint Donaas ... XVIJ schellinghen”; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor de Dordsche “scoelnaars ende horen biscop”. Hij draagt dan ook den naam van “Bisschop van de scholieren”, “Bisschop van de koorknapen”, enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd als St. Gregoriusdag, waarover nader.OudejaarsavondenNieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.).Ik wensch U al te gaarEen zalig Nieuwe Jaar;In voorspoed en verdrietVergeet den Schepper niet!klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog het nachtelijk uur aankondigde.Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde “onnutte superstitiën” of “ongeregelheden”, te velde trokken, zijn er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar nog “aan datzelfde euvel mank ging”. Het is heden ten dage vooral nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van nieuwjaarsliedjes bijDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.Herdersem:Op eenen nieuwjaarsavond,Dan zullen wij vroolijk zijn,Met een geboren magedEn een klein kindeken klein.Wie zal dat kindeken dragen?De dochter al van Jeroen!De klokken zullen luien,Den kerkweg zullen wij doen.

ʼk Kom om mijnen snik!Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,Maar ʼet zalder u wel berouwen!Die niet en geeft, die es en beest,Dat es N.N. om te meest!Sint Andriesnachtspeelt ook een voorname rol in de tooverwereld, al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.Sint Elooi (l Dec.).De H. Eligius werd in 588 in het Westen van Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningenClotariusenDagobertlieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben thans meestal den 29stenJuni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.Te Mechelen hadden volgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde rijmpjes.Sint Barbara (4 Dec.)werd door haar heidenschen vader in een toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamdeBarbara-takken:kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, op Kerstmis zullen bloeien,—treffende kerstening en symboliseering van het vruchtbaarheidsidee.Sint Nikolaas (6 Dec.).. Een groote, krachtige gestalte te paard,den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.Na de overwinning van het Christendom in de IXeen Xeeeuw, toen het werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die schimmel een onbeheerde zaak, eenres derelicta primi occupantis,slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook sage—heiligen, koningen, legerhoofden en anderen—een eereplaats gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de vereering van Sint Nikolaas.Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel vanKarel Quinte, als deze uit denGudinsberg (Wuodenesberg) komt. Sinterklaas komt van verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, dan ook Condé:Drie appelkens van Condé,Breng mijn broerkens ook wat mee.(West-Vlaanderen).Om appelkens van Condé,Breng er mij een gʼheel schootjen mee!(Oost-Vlaanderen).Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:Gank oet riejeNoa ʼt lendje van Picardië.Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:Sinter Klaas zen peerdje,Dat häd een kranke poot,Laten we doa voor bejen,Dat het beter weurdt.(Hasselt.—ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 121).Beter lijkt me de Venloosche lezing:En Sinterklaos zie(n) pêrd,Det hêt ʼn kwoaje voot,En as me doa veur bêjt,Dan wuurdt dê ouk weer good.In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hijrijdtgeschenken, met name voor kinderen. Depakjesavondonzer noordelijke provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te goed doet. Men vergelijke hiermee deKlausenmannlein Hohenzollern, deNicolaus-Lebkuchenin Hessen-Nassau enz.Evenals de Wilde Jager en Sint MaartenrijdtSinterklaas door den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den huiselijken haard af. Bijhet plaatsen van vulkachels en het aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking “een schoen zetten bij iemand” synoniem is van “iemand iets afbedelen.” Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten “voor Sinterklaas zijn paard.” Plaatselijk in heel ons land, maar met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, “voor Wode en zijn paard,” dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk een schamel, overigens onschuldigsurvivalte zien hebben van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Oudnoorsche EddaSleipnis verdr, “Sleipnirʼs spijs” genoemd werd.Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:Sinte Niklaas,Nobele baas,Breng iets in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje (limoentje).Sinte Niklaas kapoentje,Rijd wat in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje,Een nootje om te kraken,Het zal zoo lekker smaken!Sinterklaas bisschop,Zet uw hooge muts op,Trek uw besten tabbaard aan,Rijd er mee naar Amsterdam,Van Amsterdam naar Spanje,Appeltjes van Oranje!Sinterklaas, goed heilig man,Trek uw besten tabbaard aan,Geef de kleine kinderen wat,Geef de grooten een schop voor het gat,Laat ze daarmee loopen,Kousen en schoenen verkoopen.Sint Niklaas, mijn goede man,Wilt ge me wel wat geven,Dan dien ik u al mijn leven;Geef je me niet,Dan dien ik je niet,Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman geheeten, in de RijnprovincieHans Muff, in den ElzasHans Trapp, elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ikhier nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en plak hervormd.Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:Wij sullen ons scheepken wel stierenAl over die wilde see,Al op Sinterklaes manieren,Soo gaet er ons soetlief meê.Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.ZieEelco Verwijs, Sinterklaas (ʼs Gravenhage 1863);Schrijnen, De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898);Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 252 vlg.Sint Lucia (13 Dec.)is een echte volksheilige. Zij heeft tal van attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie van haar naam (vanlux“licht”). Vandaar, meentDe Smedt, de gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251, 244.—Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria een plechtige mis gezongen, die den naam draagt vanGuldenmis:niet omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar “gulden” beteekent hier “voortreffelijk”, “krachtig”. Zij wordt ook deRorate-misgenoemd, omdat zij begint met de woordenRorate cocli. In de noordelijke provinciën heet zij ook wel deSchippersmis. De Westvlaamsche naam isDuvekedaals-messe,omdat in het mysteriespel der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, bij de woorden: “De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des Allerhoogsten zal u overschaduwen”, uit de hoogte een duif, door licht omgeven, over Maria werd neergelaten.VolgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, welke de boodschap bracht, te zingen:Ave Maria, gratia plena!(Wees gegroet Maria, vol van genade),en het volk valt in en zingt verder:Benedicta tu in mulieribus!(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).St. Thomasdag (21 Dec.)wordt beschouwd als de inleiding tot het tijdperk derTwaalf Nachten. De geesten drijven hun spel, tooverij en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas op een vurigen wagen door de lucht rijdt,—een bijzonder aspekt van het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijdsdegene, die ʼs morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderenDomesesel(Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch Limburg nog thans den langslaperThomas; analoog is het gebruik, waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school kwam,Paus Silvestergeheeten werd. EnK. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: “Die op dezen dag [St. Silvester] in ʼt een of ander de laatste bevonden wordt, heetSilvesteren moet beschenken.” Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, die eveneens denLuilaktreft, die den eersten meidag verslaapt. Ook dePinksterbruidis een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal van den H. Thomas, die “te laat kwam”, toen de anderen reeds vergaderd waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: “De Maandag na Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd.” Op Palmzondag begint het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.Het begrip “ʼs morgens te laat komen” trad meer en meer op den voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te Brugge iemandthomassen. Het feest heet “Sluiterkensavond”, “Sluiterkensdag”, “Buitensluit”, enz. Het te laat komen wordt op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: ʼt is Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: ʼt is Mannetjeszondag; den derden de dochters: ʼt is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: ʼt is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te Velthoven wordt de meester op den feestdagder Onnoozele Kinderen buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, en nog minder met het feest heeft uitstaan. ZieDe Bo, West-Vlaamsch Idioticon; zie ookDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 319 vlg.Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook nog hieruit, dat men te Venloo den 21stenDecember kinderen naar den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar “het wijfje, dat daar peperkoek spint”. De overeenkomst is hier sprekend met den 1enApril: “Verzendekensdag,” waarover nader.Kerstmis (25 Dec.). Den 25stenDecember begon het groote Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk derTwaalf Nachtenopende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en groeiende zonnelicht—hetgeen doorMogke.a. wordt betwist—laat ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij bevinden ons in waarheid in hetbevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middelom de geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte van Christus op 25 December in de IVeeeuw door de Kerk werd ingevoerd, aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest bergt menig Oudgermaansch overleefsel.Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op kerstavond een plant in water te zetten, die den naam vanRoos van Jerichodraagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid-ZwitserscheVal di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland is deRoos van Jerichogeen onbekende. De berichten over dit gebruik klimmen op tot het begin der XVIIeeeuw.De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreiddenzich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:Anastatica. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden male bij ʼs Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.Op de vraag: “Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water gezet?” dient m.i. een drieledig antwoord. DeRoos van Jerichois het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het treffende Oudduitsche kerklied: “Es ist ein ros entsprungen—aus einer wurzel zart” enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij de geboorte des Heeren doortintelt: “DʼErd grünet und bringet rössle,—der Heyland kompt von Himmel” enz. Dan, op kerstavond bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: Christus is de boom des levens. “Hij staat in het midden der Kerk”, zegtHugo van St. Viktor, “zooals de levensboom stond in het midden van het paradijs”. Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en hetAllräunchen;in Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan ʼt gonzen en zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; te Moelingen (B.-L.) roept de haan: “ʼt Kindeke Jezus isgeboren,” waarop de duif vraagt: “Moe, moe?” (waar, waar?), en het lammetje antwoordt: “Te Bêthlehêm”. In Brabant richten de schapen hun oogen naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders beschadigd wordt doorDerk met den Beer—een soort voorrijder van de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de diepte van vijvers en bronnen.De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Hetkerstblokof dekersttobbe, DuitschJulblock, Weihnachtsblockenz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor wordt bepaald: “dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden.” Heden nog worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt men vankerststokjes. Ook in de oostelijke provincies wordt hier of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat denkerstboombetreft, deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan Sinterklaas.—In sommigedeelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom bekend is, “rijden” de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden ʼs morgens denengeltjeskoekop hun peluw.In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:Engeltjen, engeltjen Gabrieël,Woont zooverre van mijn kasteel,Op mijn kasteel alleene!Bak mij een koekjen kleeneEn een koekjen groot,Om te leggenOp Moeder Mariaatjes schoot!Te Gent noemt men dezen koekengelbewaarderskoek. Gaan de Belgische kinderen op kerstdag “Zalig Hoogtij” wenschen, dan zingen zij:Heerderkens van buiten,Spoedt u op de been,Met trommelkens en met fluitenRecht naar Bethleëm;Want daar is geborenDen God van al,Die ons het levenHeeft gegevenIn den stal.Ik heb hier nog drie eieren,Warm uit den nest;Ik heb hier nog een kalfken,Dat is vet gemest;Ik heb hier nog wat vlaaikensIn mijn korfken staan,Om te vereerenHet kindeken teere,Laat ons gaan!Als zij nog heel klein zijn:Met den tikkenhaan in de handKomen wij den herder groeten;Met den tikkenhaan in de handGroeten den herder van het land.Tik, tik, tik, tikkeliere,Groeten den herder van het land.Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in velegebaksvormen, ik noem slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reedsKiliaanvele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De Noordhollandsche benaming isdeuvekater; in Delft en Schielandkersttimp. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en uitriep: “Kerstbrood, mijn brood”, en den titel van “broodjeskoning” ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zieJos. Russel, De heerlijkheid Geleen, bl. 73.Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,Dan hebben we volop,Dan slacht miên vader ʼn verksken,En dan krieg ik de kop.ZieA. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht,passim:Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragenvan den Dag XI, bl. 52;Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge, bl. 319;De Cock, Volkskunde, 229.St. Stefanusdag (26 Dec.)heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond en roepen “heio”, waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, men denke slechts aan het Romeinschepro frugibus lustrare agros: de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,—zonder daarom een “verkapte god” te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus (Baldr?); zieGrimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.Het rondrijden met de paarden, denStephanusrit, vindt men in Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten van ons land noemen de boerenjongens het “Sint-Steffen rieën” of “Sinte-Steffen jagen.”—Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan de koeien en zeggen tegen de boeren: “Ik steffen jôe kôe”, en bij arbeiders, die geen koe hebben,: “Ik steffen jôe.” Te Borger (D.) ziet men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met eenbosje hooi onder den arm. Zij gaan van ʼt eene huis naar het andere, het eerst naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:Hum, kôe, hum.Sint Steffen is gekomenHard geloopen; duur verkoopen,Honderd gulden veur dieë kôe,En een dikke stoetbruggʼ toe.Te Oosterhesselen komt hier nog bij:Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,Dan gef de kôe ook botter en melk.Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken en zegt: “Ik heb jôe kôenen steft”; waarop hij door de boerin wordt onthaald.Sint Jan Evangelist (27 Dec.). Een eigenaardig gebruik op dezen dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder de formule: “bibe amorem sancti Johannis, in nomine patrisetc.”: “drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz.” Hetzelfde gebruik leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, het woord “minne” heeft met “genegenheid, liefde” niets gemeen, maar wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het DuitscheSt.-Johannisliebe, vandaar de termamorin de Limburgsche formule:bibe amorem sancti Johannisenz. Het woord is afkomstig van den Indogermaanschen wortelmen, met de beteekenis“denken, overdenken, zich herinneren”; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de beteekenis van “beminnen.”Men dronk eertijds de “minne” der goden, vooral van Wôdan-Odhin; hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten wij, dat zij althans sedert de XVeeeuw, toen de christelijke tint de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken drempel overschreed.Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, dat hij—evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël—een zeer geliefde volksheilige is. Den 29stenDecember dronk men eertijds in Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de termminnezelf. Was het niet natuurlijk, dat der godenminna, door het Latijnscheamorweergegeven, bij voorkeur op den apostel der liefde overging? Ook vindt mendilectioenpotus caritatis. Zoo verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhandook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.Allerkinderen (28 Dec.)vertoont een beslist christelijk karakter en herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, in het pak hunner ouders gestoken, als “vader en moeder” over straat loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, waar men zingt:ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,Geeft de moerkens en de vaarkens wat!Geeft wat, houdt wat,ʼt Naaste jaar nog wat!Ik weet daar nog een goede vrouw.Die mij zoo geern wat geven zou.Zij zal mij wel wat geven;Hoelang mag zij leven?Honderd jaar en éenen dag,Zoolang als ze kaas en brookes mag.Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den “Kinderbisschop”, ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste Vespers bij de woorden van hetMagnificat: “Hij heeft heerschers van tronen neergehaald en geringen verheven”, en behield hem tot de tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een post voor:Itemden biscop vanden scoelkinderen van Sint Donaas ... XVIJ schellinghen”; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor de Dordsche “scoelnaars ende horen biscop”. Hij draagt dan ook den naam van “Bisschop van de scholieren”, “Bisschop van de koorknapen”, enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd als St. Gregoriusdag, waarover nader.OudejaarsavondenNieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.).Ik wensch U al te gaarEen zalig Nieuwe Jaar;In voorspoed en verdrietVergeet den Schepper niet!klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog het nachtelijk uur aankondigde.Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde “onnutte superstitiën” of “ongeregelheden”, te velde trokken, zijn er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar nog “aan datzelfde euvel mank ging”. Het is heden ten dage vooral nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van nieuwjaarsliedjes bijDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.Herdersem:Op eenen nieuwjaarsavond,Dan zullen wij vroolijk zijn,Met een geboren magedEn een klein kindeken klein.Wie zal dat kindeken dragen?De dochter al van Jeroen!De klokken zullen luien,Den kerkweg zullen wij doen.

ʼk Kom om mijnen snik!

ʼk Kom om mijnen snik!

ʼk Kom om mijnen snik!

Wie geeft, wordt bedankt; wie niet geeft, wordt onthaald op;

Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,Maar ʼet zalder u wel berouwen!Die niet en geeft, die es en beest,Dat es N.N. om te meest!

Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,Maar ʼet zalder u wel berouwen!Die niet en geeft, die es en beest,Dat es N.N. om te meest!

Wilde nie geên, ge meugt ʼet houwen,

Maar ʼet zalder u wel berouwen!

Die niet en geeft, die es en beest,

Dat es N.N. om te meest!

Sint Andriesnachtspeelt ook een voorname rol in de tooverwereld, al mogen wij niet vergeten, dat het rekenen met nachten wel het oorspronkelijke was; vgl. Volk en Taal I, bl. 11, 12.

Sint Elooi (l Dec.).De H. Eligius werd in 588 in het Westen van Frankrijk geboren en toonde reeds als knaap groote vaardigheid in de teeken- en goudbewerkerskunst. De koningenClotariusenDagobertlieten hem kunstvoorwerpen voor zich vervaardigen, o.a. een gouden zetel. Naderhand stichtte hij een klooster en werd bisschop van Noyon. De volkssage maakt hem tot een gewonen smid, vooral hoefsmid, en vereerde hem tevens het patroonschap over de paarden. Vooral bekend, en ook vaak in lijn en beeld gebracht, is de legende, hoe de heilige een koppig paard, dat hij beslaan moest, den poot afsneed, zonder het een druppel bloed te doen verliezen. Dan besloeg hij den hoef op het aanbeeld en zette de twee stukken weer aan elkaar.

De feestdag van Sint-Elooi wordt op het Vlaamsche platteland door smeden, voerlieden en paardeboeren nog gevierd, o.a. te Poeke, Vinkt, Vosselare, Burst, Herdersem, Grembergen en Tielrode. Wat betreft de zoogenaamde paardenprocessies ter eere van den heilige, deze hebben thans meestal den 29stenJuni, dus op St. Petrus en Paulus plaats. De boeren leggen dan met hun rijdieren in vollen draf driemaal den grooten processieweg af, vatten daarna post voor de kerkdeur, worden gezegend en rijden dan stapvoets driemaal om de kerk.

Te Mechelen hadden volgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 295, de leerjongens de gewoonte, dien dag van meester tot meester te gaan om een fooi te vragen onder het zingen van bepaalde rijmpjes.

Sint Barbara (4 Dec.)werd door haar heidenschen vader in een toren opgesloten; vandaar, dat de metselaars en timmerlieden haar tot patrones kozen. Te Keulen is zij met haar geschenken de voorloopster van Sinterklaas. In Limburg snijdt men de zoogenaamdeBarbara-takken:kersen- of berkentwijgen, die in water of in vochtige aarde gezet, op Kerstmis zullen bloeien,—treffende kerstening en symboliseering van het vruchtbaarheidsidee.

Sint Nikolaas (6 Dec.).. Een groote, krachtige gestalte te paard,den staf in de hand, den mijter op het hoofd, den ruim-geplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor. Hij lijkt inderdaad veel op de figuur van Wôdan, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijn beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwe schimmel Sleipnir.

Na de overwinning van het Christendom in de IXeen Xeeeuw, toen het werkelijk geloof aan Wôdan en zijn kring was verloren gegaan, was die schimmel een onbeheerde zaak, eenres derelicta primi occupantis,slechts bereden door een half-goddelijke, half-daemonische schim, die zich nog hier of daar in het folklore vertoont (zie bl. 72), maar welke het niet moeilijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij een aanzienlijke rol gespeeld hadden in kerkelijke of staatkundige geschiedenis of ook sage—heiligen, koningen, legerhoofden en anderen—een eereplaats gegund; en zoo heeft Sleipnir ook als substraat gediend voor de vereering van Sint Nikolaas.

Het paard is voor den heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond. Het laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel vanKarel Quinte, als deze uit denGudinsberg (Wuodenesberg) komt. Sinterklaas komt van verre, van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen en kastanjes meebrengt. In onze Sinterklaasliedjes is dit meestal Spanje, dan ook Condé:

Drie appelkens van Condé,Breng mijn broerkens ook wat mee.

Drie appelkens van Condé,Breng mijn broerkens ook wat mee.

Drie appelkens van Condé,

Breng mijn broerkens ook wat mee.

(West-Vlaanderen).

Om appelkens van Condé,Breng er mij een gʼheel schootjen mee!

Om appelkens van Condé,Breng er mij een gʼheel schootjen mee!

Om appelkens van Condé,

Breng er mij een gʼheel schootjen mee!

(Oost-Vlaanderen).

Te Venloo laat men hem weer terugkeeren naar Picardië:

Gank oet riejeNoa ʼt lendje van Picardië.

Gank oet riejeNoa ʼt lendje van Picardië.

Gank oet rieje

Noa ʼt lendje van Picardië.

Tegen voetzeer schijnt het paard niet beveiligd:

Sinter Klaas zen peerdje,Dat häd een kranke poot,Laten we doa voor bejen,Dat het beter weurdt.

Sinter Klaas zen peerdje,Dat häd een kranke poot,Laten we doa voor bejen,Dat het beter weurdt.

Sinter Klaas zen peerdje,

Dat häd een kranke poot,

Laten we doa voor bejen,

Dat het beter weurdt.

(Hasselt.—ʼt Daghet in den Oosten IV, bl. 121).

Beter lijkt me de Venloosche lezing:

En Sinterklaos zie(n) pêrd,Det hêt ʼn kwoaje voot,En as me doa veur bêjt,Dan wuurdt dê ouk weer good.

En Sinterklaos zie(n) pêrd,Det hêt ʼn kwoaje voot,En as me doa veur bêjt,Dan wuurdt dê ouk weer good.

En Sinterklaos zie(n) pêrd,

Det hêt ʼn kwoaje voot,

En as me doa veur bêjt,

Dan wuurdt dê ouk weer good.

In ons land is Sinterklaas het voornaamste schenkingsfeest; hijrijdtgeschenken, met name voor kinderen. Depakjesavondonzer noordelijke provinciën is een late, gladstrijkende en prozaïsche vervorming. Aan het vruchtbaarheidstijdperk herinnert verder de peperkoek in zijn tal van grillige vormen en benamingen, waaraan oud en jong zich te goed doet. Men vergelijke hiermee deKlausenmannlein Hohenzollern, deNicolaus-Lebkuchenin Hessen-Nassau enz.

Evenals de Wilde Jager en Sint MaartenrijdtSinterklaas door den schoorsteen. En inderdaad, de schoorsteen is de koker der geestenwereld, de verbindingsweg tusschen de hoogere wezens en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrijliggenden haard, de aloude offerstede, steeds het gezellige middelpunt van het intieme huiselijke leven. Is het wonder. dat de schoorsteen een groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorschouwen? Dat toovermiddelen bij voorkeur in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den huiselijken haard af. Bijhet plaatsen van vulkachels en het aanleggen van centrale-verwarming nemen zij al schielijk de vlucht.

Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet, vanwaar de uitdrukking “een schoen zetten bij iemand” synoniem is van “iemand iets afbedelen.” Nu staat de schoen van Sinterklaas in het folklore niet alleen. Ook de Wilde Jager vult schoenen en laarzen, en wel met goud. Op Kerst- en Silvesteravond, en ook wel op Thomasavond, werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen over het hoofd, om te zien, wat hun te wachten staat. Maar hoofdzaak is, dat de schoen hier op de eerste plaats dient om het voeder te bevatten “voor Sinterklaas zijn paard.” Plaatselijk in heel ons land, maar met name in de zuidelijke provinciën en in België, wordt in schoen of klomp haver, hooi, wortelen enz. voor het dier gereed gezet. Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië, en ook nog in Twente bestaande oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het veelal uitdrukkelijk heet, “voor Wode en zijn paard,” dan dunkt me, dat ook hier weer de oorsprong van een volksgebruik naar het land moet verlegd worden. Op dit hooioffer kom ik te gelegener plaatse nader terug; hier volge slechts de slotsom, dat wij in het hooi voor het paard van den heilige hoogstwaarschijnlijk een schamel, overigens onschuldigsurvivalte zien hebben van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Oudnoorsche EddaSleipnis verdr, “Sleipnirʼs spijs” genoemd werd.

Bij het schoenzetten behooren enkele liedjes, waarvan hier de voornaamste, meest algemeen verspreide lezing:

Sinte Niklaas,Nobele baas,Breng iets in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje (limoentje).

Sinte Niklaas,Nobele baas,Breng iets in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje (limoentje).

Sinte Niklaas,

Nobele baas,

Breng iets in mijn schoentje,

Een appeltje of een citroentje (limoentje).

Sinte Niklaas kapoentje,Rijd wat in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje,Een nootje om te kraken,Het zal zoo lekker smaken!

Sinte Niklaas kapoentje,Rijd wat in mijn schoentje,Een appeltje of een citroentje,Een nootje om te kraken,Het zal zoo lekker smaken!

Sinte Niklaas kapoentje,

Rijd wat in mijn schoentje,

Een appeltje of een citroentje,

Een nootje om te kraken,

Het zal zoo lekker smaken!

Sinterklaas bisschop,Zet uw hooge muts op,Trek uw besten tabbaard aan,Rijd er mee naar Amsterdam,Van Amsterdam naar Spanje,Appeltjes van Oranje!

Sinterklaas bisschop,Zet uw hooge muts op,Trek uw besten tabbaard aan,Rijd er mee naar Amsterdam,Van Amsterdam naar Spanje,Appeltjes van Oranje!

Sinterklaas bisschop,

Zet uw hooge muts op,

Trek uw besten tabbaard aan,

Rijd er mee naar Amsterdam,

Van Amsterdam naar Spanje,

Appeltjes van Oranje!

Sinterklaas, goed heilig man,Trek uw besten tabbaard aan,Geef de kleine kinderen wat,Geef de grooten een schop voor het gat,Laat ze daarmee loopen,Kousen en schoenen verkoopen.

Sinterklaas, goed heilig man,Trek uw besten tabbaard aan,Geef de kleine kinderen wat,Geef de grooten een schop voor het gat,Laat ze daarmee loopen,Kousen en schoenen verkoopen.

Sinterklaas, goed heilig man,

Trek uw besten tabbaard aan,

Geef de kleine kinderen wat,

Geef de grooten een schop voor het gat,

Laat ze daarmee loopen,

Kousen en schoenen verkoopen.

Sint Niklaas, mijn goede man,Wilt ge me wel wat geven,Dan dien ik u al mijn leven;Geef je me niet,Dan dien ik je niet,Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.

Sint Niklaas, mijn goede man,Wilt ge me wel wat geven,Dan dien ik u al mijn leven;Geef je me niet,Dan dien ik je niet,Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.

Sint Niklaas, mijn goede man,

Wilt ge me wel wat geven,

Dan dien ik u al mijn leven;

Geef je me niet,

Dan dien ik je niet,

Dan ben je mijn Sint-Niklaasje niet.

Sinterklaas rijdt rond met zijn knecht, in ons land meest Pieterman geheeten, in de RijnprovincieHans Muff, in den ElzasHans Trapp, elders anders. In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond een baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten enz. onder de jeugd rond deelt. Wij hebben hier stellig te doen met een elfische gedaante. Sinterklaas of Pieterman dragen de roede, evenals Sint Maarten. In Zwitserland draagt St. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg. Over de beteekenis dezer roede is boven gesproken (bl. 116). Laat ikhier nog slechts bijvoegen, dat te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas boerenknapen met zweepen de velden doortrekken, om de groeikracht te bevorderen. Volgens TlLLE, Die Geschichte der deutschen Weihnacht, bl. 196, heeft het Protestantisme de levens- en vruchtbaarheidsroede van onzen heilige tot strafinstrument en plak hervormd.

Sinterklaas, eindelijk, is ook de patroon der schippers, en dit attribuut heeft er zeker niet weinig toe bij gedragen, dat zijn feest te Amsterdam zoo uitermate populair is. Het schipperliedje luidde:

Wij sullen ons scheepken wel stierenAl over die wilde see,Al op Sinterklaes manieren,Soo gaet er ons soetlief meê.

Wij sullen ons scheepken wel stierenAl over die wilde see,Al op Sinterklaes manieren,Soo gaet er ons soetlief meê.

Wij sullen ons scheepken wel stieren

Al over die wilde see,

Al op Sinterklaes manieren,

Soo gaet er ons soetlief meê.

Dit patroonschap is zonder twijfel te danken aan het bekende verhaal, waarvolgens de heilige, op reis naar het H. Land, een door hem voorspelden storm door zijn gebed deed bedaren.

ZieEelco Verwijs, Sinterklaas (ʼs Gravenhage 1863);Schrijnen, De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond 1898);Ter Gouw, De Volksvermaken, bl. 252 vlg.

Sint Lucia (13 Dec.)is een echte volksheilige. Zij heeft tal van attributen van de godin Holda-Perchta overgenomen. In Nederland en België wordt zij bij oogziekten aangeroepen, op grond der etymologie van haar naam (vanlux“licht”). Vandaar, meentDe Smedt, de gewoonte, haar voor te stellen met twee oogen in de hand of op een schotel; en hiervandaan komt de legende, volgens welke zij zich de oogen zou hebben uitgerukt, om zich aan de lagen van een door hare schoonheid betooverd jongeling te onttrekken. Zie mijne Essays en Studiën, bl. 68, 251, 244.—

Den eersten der Quatertemperdagen in den Advent, dus Quatertemperwoensdag vóór het kerstfeest, wordt ter eere der H. Maria een plechtige mis gezongen, die den naam draagt vanGuldenmis:niet omdat zij vroeger met gulden letters in de missalen stond geschreven, of van wege de gulden pracht der misgewaden; maar “gulden” beteekent hier “voortreffelijk”, “krachtig”. Zij wordt ook deRorate-misgenoemd, omdat zij begint met de woordenRorate cocli. In de noordelijke provinciën heet zij ook wel deSchippersmis. De Westvlaamsche naam isDuvekedaals-messe,omdat in het mysteriespel der Boodschap, dat eertijds in Vlaanderen met haar verbonden was, bij de woorden: “De H. Geest zal over u nederdalen en de macht des Allerhoogsten zal u overschaduwen”, uit de hoogte een duif, door licht omgeven, over Maria werd neergelaten.

VolgensV. Reinsberg-Düringsfeld, Das festliche Jahr, bl. 424, is dit mysteriespel in sommige katholieke landen nog gebruikelijk. Zoodra de zegen gegeven is, begint een knaap, die den engel voorstelt, welke de boodschap bracht, te zingen:

Ave Maria, gratia plena!(Wees gegroet Maria, vol van genade),

Ave Maria, gratia plena!(Wees gegroet Maria, vol van genade),

Ave Maria, gratia plena!

(Wees gegroet Maria, vol van genade),

en het volk valt in en zingt verder:

Benedicta tu in mulieribus!(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).

Benedicta tu in mulieribus!(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).

Benedicta tu in mulieribus!

(Gezegend zijt Gij onder de vrouwen).

St. Thomasdag (21 Dec.)wordt beschouwd als de inleiding tot het tijdperk derTwaalf Nachten. De geesten drijven hun spel, tooverij en bijgeloof vieren hoogtij. Deze dag is een lotsdag, geschikt om de toekomst te doorschouwen. In Bohemen meent men, dat Sint Thomas op een vurigen wagen door de lucht rijdt,—een bijzonder aspekt van het volksgeloof aan de Wilde Jacht en haar voorrijder. In Oostenrijk en Mecklenburg is op Thomasavond het schoenwerpen (bl. 123) nog meer gebruikelijk dan op Nikolaas- of Sylvesteravond.

Het is de kortste dag van het jaar en daarom geldt het als een schande, op dezen dag lang te slapen. Evenals in Westfalen eertijdsdegene, die ʼs morgens dien dag het laatst ter school kwam, door de kinderenDomesesel(Thomasezel) genoemd werd, zoo noemt men in Hollandsch Limburg nog thans den langslaperThomas; analoog is het gebruik, waarvolgens jaren geleden in Noord-Brabant de jongen, die op den laatsten dag van het jaar, Sint Silvester, het laatst ter school kwam,Paus Silvestergeheeten werd. EnK. de Gheldere, Dietsce Rime (Brugge 1896), bl. 148 vermeldt: “Die op dezen dag [St. Silvester] in ʼt een of ander de laatste bevonden wordt, heetSilvesteren moet beschenken.” Het is een straf voor de lang-slapers en telaat-komers, die eveneens denLuilaktreft, die den eersten meidag verslaapt. Ook dePinksterbruidis een langslaapster, waarover nader. Natuurlijk heeft men dit gebruik in verband gebracht met het Evangelieverhaal van den H. Thomas, die “te laat kwam”, toen de anderen reeds vergaderd waren. In Rond den Heerd IV, bl. 130 wordt nog vermeld: “De Maandag na Palmen-zondag hiet te Brugge over oude tijden Kalfdag; die op Kalfdag laatst in schole of te huis kwam was kalf, wierd kalf gescholden, en, in die hoedanigheid, geplaagd en gezeerd.” Op Palmzondag begint het tijdperk van het eigenlijke Lentefeest.

Het begrip “ʼs morgens te laat komen” trad meer en meer op den voorgrond; en zoo komt het, dat men heden ten dage hier vader en moeder, ginder den onderwijzer buitensluit. Men noemt dit te Brugge iemandthomassen. Het feest heet “Sluiterkensavond”, “Sluiterkensdag”, “Buitensluit”, enz. Het te laat komen wordt op de eene of andere wijze afgekocht. Merkwaardig zijn nog de Sluitertjensdagen vóor Aschwoensdag (dus in het begin der lente) in West-Vlaanderen. Den eersten dag sluit men de moeder uit: ʼt is Wijvekenszaterdag; den tweeden den vader: ʼt is Mannetjeszondag; den derden de dochters: ʼt is Meisjesmaandag; den vierden de zoons: ʼt is Knechtjesdijsendag. Te Waasmunster worden op Zaterdag vóor Nieuwjaar, en Maandag en Dinsdag daarna de vrouwen (Zaterdag), de meisjes (Dinsdag) en de jongens (Maandag) buitengesloten. Te Velthoven wordt de meester op den feestdagder Onnoozele Kinderen buitengesloten, bewijs te meer, dat dit gebruik niets met den dag, en nog minder met het feest heeft uitstaan. ZieDe Bo, West-Vlaamsch Idioticon; zie ookDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 152, 252; Volkskunde XIV, bl. 111;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge II, bl. 319 vlg.

Eindelijk, de verwantschap van Midwinter- en Lentefeest blijkt o.a. ook nog hieruit, dat men te Venloo den 21stenDecember kinderen naar den Lichtenberg stuurt, om te gaan zien naar “het wijfje, dat daar peperkoek spint”. De overeenkomst is hier sprekend met den 1enApril: “Verzendekensdag,” waarover nader.

Kerstmis (25 Dec.). Den 25stenDecember begon het groote Germaansche Midwinterfeest ter eere der chthonische godheden, het groote zielenfeest of Joelfeest, dat het tijdperk derTwaalf Nachtenopende. Ook hier heeft de groote vroolijkheid, waarmee de feestenreeks werd gevierd, hoofdzakelijk haar oorsprong in het genieten der gaven voor het groote winteroffer, alsmede in redenen van ekonomischen aard: de groote slachttijd, die met de winterfeestviering samenviel. Of dit feest ook een zonnefeest was, ter eere van het terugkeerende en groeiende zonnelicht—hetgeen doorMogke.a. wordt betwist—laat ik buiten bespreking. Maar een feit is het, dat geofferd werd aan de geesten voor de vruchtbaarheid, en dat in de kerstgebruiken van heden nog schuil gaat een zekere vereering van de groei- en teelkracht der natuur. De aarde slaapt nu, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met jeugdige, frissche kruiden en bloemen te tooien: wij bevinden ons in waarheid in hetbevruchtingstijdperk. Zooals ik reeds zeide, heeft het schieten in de lucht en in de boomen, het luiden met klok en bel rechtstreeks reiniging, zuivering van kwade geesten en andere schadelijke invloeden (evenals het berooken), en daardoor vruchtbaarheid ten doel ook. Ook met het binden van stroobanden om de boomen en met het slaan der boomen op kerstnacht wordt bevruchting beoogd. Gerucht, in welken vorm dan ook, is een probaat middelom de geesten te verdrijven: het lossen van geweerschoten, in het Noorden van ons land en in Zuid-Brabant nog veelal gebruikelijk, is hiervan slechts een moderne vorm. Op kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koebellen door de dorpen. Over de Barbara-takken is reeds gesproken. De Westvlaming zet op St. Luciadag een kersen- of appeltakje in water, en beweert, dat het in den kerstnacht zal uitbotten. Meestal echter snijdt men een twijgje in den kerstnacht af, dat, in water gezet, op O.L. Vrouwe Lichtmis zal bloeien. Als men dien nacht den tak van een vruchtboom in water zet, meent men in Limburg, zal een goed fruitjaar niet uitblijven.

Nu is het geenszins te verwonderen, dat, toen het feest van de geboorte van Christus op 25 December in de IVeeeuw door de Kerk werd ingevoerd, aldra de gekerstende volksfantasie gebruiken en volksvoorstellingen ten deele in christelijken zin herschiep. De christelijk feestmystiek is ten deele volksmystiek; en vooral de volksmystiek van het Kerstfeest bergt menig Oudgermaansch overleefsel.

Een voorbeeld. In Limburg vindt men nog kwijnende het gebruik, op kerstavond een plant in water te zetten, die den naam vanRoos van Jerichodraagt. Tegen middernacht spreiden de korte vertakkingen der plant zich uit en vertoont ze een bloeivorm als van een roos. Hetzelfde gebruik is in zwang in het Zuid-ZwitserscheVal di Poschiavo. Terwijl men op de ontplooing der bloem wacht, worden kerstliederen gezongen, of men brengt den tijd in gebed en overweging door. Ook in Duitschland is deRoos van Jerichogeen onbekende. De berichten over dit gebruik klimmen op tot het begin der XVIIeeeuw.

De hygroskopisciteit der plant, het sluiten en vrij plotseling heropenen harer bladeren, haar vluchtig herleven werd steeds als iets wonderbaars beschouwd en zoo kreeg zij een eereplaats tusschen de tooverplanten en speelt ze een voorname rol in de waarzeggerij, in de droomverklaring vooral. Maar tevens is zij de plant der dichtkunst, van het volksgeloof en van de legende. Wonderbare nevelen spreiddenzich als een zilveren waas geheimzinnig om stengel en knop. Men beschouwde haar als het zinnebeeld der opstanding, vanwaar haar naam:Anastatica. Volgens de sage ontlook de eerste bloem bij de geboorte van Christus; zij sloot zich bij de kruisiging en ontlook ten tweeden male bij ʼs Heeren Verrijzenis. Bij de vlucht naar Egypte ontsproot zij in de woestijn op de plaatsen, die Maria met haar voet had aangeraakt.

Op de vraag: “Waarom wordt deze plant in den kerstnacht in water gezet?” dient m.i. een drieledig antwoord. DeRoos van Jerichois het zinnebeeld van de geboorte van Christus; men denke slechts aan het treffende Oudduitsche kerklied: “Es ist ein ros entsprungen—aus einer wurzel zart” enz. Ook deed de vrome christelijke volksverbeelding de geheele natuur deel hebben aan de vreugde, die den mensch bij de geboorte des Heeren doortintelt: “DʼErd grünet und bringet rössle,—der Heyland kompt von Himmel” enz. Dan, op kerstavond bereikt het volksgeloof aan de groei- en bloeikracht der natuur haar toppunt: deze tijd is immers het kulminatiepunt van het vruchtbaarheidstijdperk. Maar dit geloof is hier op eigenaardige wijze door het volk gekerstend. Ook de mystieke beteekenis blijft niet uit: Christus is de boom des levens. “Hij staat in het midden der Kerk”, zegtHugo van St. Viktor, “zooals de levensboom stond in het midden van het paradijs”. Tot de uitverkoren gewassen, die in den kerstnacht in bloei raken, behoort ook nog de doornstruik en hetAllräunchen;in Tirol bloeit zelfs het varenkruid. In Overijssel zegt men, dat dan de vlierboom uitbot: immers het kruis was van vlierhout. Volgens een oude Bruggesche overlevering openen alle bloemen hare kelken en knoppen.

Eindelijk, de kerstnacht is vermaard in de tooverwereld. Te middernacht wordt alle water wijn. De bijen gaan aan ʼt gonzen en zingen kerstliedekens; in West-Vlaanderen spreken de paarden, en de schapen zitten geknield; in Limburg staan de koeien op stal te praten; te Moelingen (B.-L.) roept de haan: “ʼt Kindeke Jezus isgeboren,” waarop de duif vraagt: “Moe, moe?” (waar, waar?), en het lammetje antwoordt: “Te Bêthlehêm”. In Brabant richten de schapen hun oogen naar de ster uit het Oosten, en te Brugge richt het vee zich op, om het kindeke te groeten. Te Heel, Beek en elders in Limburg wordt het veevoeder buitengezet, dat het gezegend worde; nog elders is dit gebruik in zwang. Het schoenwerpen wordt toegepast. In de Graafschap bergen de boeren alle gereedschap op, omdat zij meenen, dat dit anders beschadigd wordt doorDerk met den Beer—een soort voorrijder van de Wilde Jacht. Vuurbollen vliegen rond. Klokgelui stijgt op uit de diepte van vijvers en bronnen.

De vereering van de teelkracht der natuur treedt ook sterk op den voorgrond bij de gebruiken van het kerstblok en den kerstboom. Hetkerstblokof dekersttobbe, DuitschJulblock, Weihnachtsblockenz., herinnert aan de offervuren; maar daarenboven vertegenwoordigt het een algemeen verspreide, immers Indogermaansclie symboliek: het nieuwe leven, door den wederkeerenden zonnegloed de vegetatiewereld ingestort. In dezen zin kan het Kerstfeest toch ook een zonnefeest genoemd worden, al was de zon niet het hoofdobjekt der vereering. Dat het kerstblok eertijds in Limburg bekend was, blijkt o.m. uit eene uitspraak der schepenen van Susteren in een charter van 1264. Hierdoor wordt bepaald: “dat elk der ingezetenen een dooden boom uit het bosch mocht halen, om tegen kerstmis in zijn huis te verbranden.” Heden nog worden o.a. te Belfeld, Echt, Weert, Heithuizen enz. de beste stukken hout voor kerstmis bewaard. In andere deelen van ons land spreekt men vankerststokjes. Ook in de oostelijke provincies wordt hier of daar de kersttobbe nog op den haard gelegd. Overblijfsels van het verkoolde blok hebben onheil-afwerende en vruchtbaarheidschenkende kracht: zij worden op den akker gestrooid. Wat denkerstboombetreft, deze is in ons land nog van verschen datum en komt uit Duitschland. Hij heeft vele trekken met den meiboom gemeen. De kerstboom vervangt dan Sinterklaas.—In sommigedeelen van Vlaanderen, waar geen kerstboom bekend is, “rijden” de engeltjes op kerstnacht; de kinderen vinden ʼs morgens denengeltjeskoekop hun peluw.

In verband hiermee zingen de kinderen te Veurne op kerstavond:

Engeltjen, engeltjen Gabrieël,Woont zooverre van mijn kasteel,Op mijn kasteel alleene!Bak mij een koekjen kleeneEn een koekjen groot,Om te leggenOp Moeder Mariaatjes schoot!

Engeltjen, engeltjen Gabrieël,Woont zooverre van mijn kasteel,Op mijn kasteel alleene!Bak mij een koekjen kleeneEn een koekjen groot,Om te leggenOp Moeder Mariaatjes schoot!

Engeltjen, engeltjen Gabrieël,

Woont zooverre van mijn kasteel,

Op mijn kasteel alleene!

Bak mij een koekjen kleene

En een koekjen groot,

Om te leggen

Op Moeder Mariaatjes schoot!

Te Gent noemt men dezen koekengelbewaarderskoek. Gaan de Belgische kinderen op kerstdag “Zalig Hoogtij” wenschen, dan zingen zij:

Heerderkens van buiten,Spoedt u op de been,Met trommelkens en met fluitenRecht naar Bethleëm;Want daar is geborenDen God van al,Die ons het levenHeeft gegevenIn den stal.

Heerderkens van buiten,Spoedt u op de been,Met trommelkens en met fluitenRecht naar Bethleëm;Want daar is geborenDen God van al,Die ons het levenHeeft gegevenIn den stal.

Heerderkens van buiten,

Spoedt u op de been,

Met trommelkens en met fluiten

Recht naar Bethleëm;

Want daar is geboren

Den God van al,

Die ons het leven

Heeft gegeven

In den stal.

Ik heb hier nog drie eieren,Warm uit den nest;Ik heb hier nog een kalfken,Dat is vet gemest;Ik heb hier nog wat vlaaikensIn mijn korfken staan,Om te vereerenHet kindeken teere,Laat ons gaan!

Ik heb hier nog drie eieren,Warm uit den nest;Ik heb hier nog een kalfken,Dat is vet gemest;Ik heb hier nog wat vlaaikensIn mijn korfken staan,Om te vereerenHet kindeken teere,Laat ons gaan!

Ik heb hier nog drie eieren,

Warm uit den nest;

Ik heb hier nog een kalfken,

Dat is vet gemest;

Ik heb hier nog wat vlaaikens

In mijn korfken staan,

Om te vereeren

Het kindeken teere,

Laat ons gaan!

Als zij nog heel klein zijn:

Met den tikkenhaan in de handKomen wij den herder groeten;Met den tikkenhaan in de handGroeten den herder van het land.Tik, tik, tik, tikkeliere,Groeten den herder van het land.

Met den tikkenhaan in de handKomen wij den herder groeten;Met den tikkenhaan in de handGroeten den herder van het land.Tik, tik, tik, tikkeliere,Groeten den herder van het land.

Met den tikkenhaan in de hand

Komen wij den herder groeten;

Met den tikkenhaan in de hand

Groeten den herder van het land.

Tik, tik, tik, tikkeliere,

Groeten den herder van het land.

Het vruchtbaarheidsbegrip uit zich in velegebaksvormen, ik noem slechts de in ons land zoo bekende kerstbrooden, kerstkransen, en de Vlaamsch-Brabantsche kerstkoeken, van welke reedsKiliaanvele benamingen geeft; de kerst-wikken, kerst-stoeten enz. De Noordhollandsche benaming isdeuvekater; in Delft en Schielandkersttimp. Een bijzondere vermelding verdient het kerstbroodje van Geleen (L.). Dit werd op kerstdag na de Vespers door den koster uit den kerktoren aan de verzamelde jeugd van Geleen, Lutterade en Krawinkel toegeworpen, nadat hij het gedurende zes weken in den oven had laten hard worden; tot loon voor zijn moeite mocht hij in elk huis der parochie een brood ophalen. Het behalen van dit kerstbrood werd met moed en vuur betwist, terwijl de overwinnaar, na reusachtige inspanning daarvan meester geworden, het boven zijn hoofd verhief en uitriep: “Kerstbrood, mijn brood”, en den titel van “broodjeskoning” ontving. Dit gebruik is in 1842 afgeschaft; zieJos. Russel, De heerlijkheid Geleen, bl. 73.

Het ekonomisch karakter (Kerstmis als slachttijd) uit zich o.a. in het eten van zwijnskop, waarbij dan b.v. te Zelhem gezongen werd:

Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,Dan hebben we volop,Dan slacht miên vader ʼn verksken,En dan krieg ik de kop.

Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,Dan hebben we volop,Dan slacht miên vader ʼn verksken,En dan krieg ik de kop.

Kärsöaventjen, Kärsöaventjen,

Dan hebben we volop,

Dan slacht miên vader ʼn verksken,

En dan krieg ik de kop.

ZieA. Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht,passim:Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 237 en Volkskunde XVII, bl. 161;Aug. Gittée, Nederlandsche Kerstgebruiken, in Vragenvan den Dag XI, bl. 52;Mannhardt, Baumkultus, bl. 224 vlg.;V. Reinsberg-Düringsfeld, Calendrier belge, bl. 319;De Cock, Volkskunde, 229.

St. Stefanusdag (26 Dec.)heeft ook zijn vruchtbaarheidsuitingen. Te Merkelbeek, Brunsum, Oirsbeek (L.) gaan dan de kinderen het dorp rond en roepen “heio”, waarop hun appelen en noten worden toegeworpen. Te Neeroeteren (B.L.) halen alle kinderen een broodje bij den molenaar. Voorheen at men op Stefanusdag in den Eifel tweërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden.

Deze dag, waarop eertijds de Sint Stefanus Minne werd gedronken, is ook, mèt Sint Elooi, de paardendag. Dan werd eertijds hooi en haver voor de paarden gewijd; maar vooral worden op dezen dag omritten te paard gehouden om huis en dorpsgebied, ten einde de landerijen tegen schadelijke invloeden te bewaren en hare vruchtbaarheid te verzekeren. Zulke omgangen ten behoeve der vruchtbaarheid zijn overoud, men denke slechts aan het Romeinschepro frugibus lustrare agros: de akkers rondtrekken voor het gedijen der veldvruchten. Zoo kwam het hoogst waarschijnlijk, dat Sint Stefanus beschermheilige der paarden werd, al is het niet te ontkennen, dat hij ook enkele trekken van een of ander Germaanschen god heeft aangenomen,—zonder daarom een “verkapte god” te zijn, zooals schijngeleerdheid wel eens betoogt. In zekere zegenspreuk heelt Michaël (Wôdan?) het paard van Stefanus (Baldr?); zieGrimm, Deutsche Mythologie II, bl. 1033, vgl. 1030.

Het rondrijden met de paarden, denStephanusrit, vindt men in Zweden, Holstein, Engeland, Estland, Finland enz. In het Oosten van ons land noemen de boerenjongens het “Sint-Steffen rieën” of “Sinte-Steffen jagen.”—

Arme kinderen geven dezen dag een stukje brood of een topje hooi aan de koeien en zeggen tegen de boeren: “Ik steffen jôe kôe”, en bij arbeiders, die geen koe hebben,: “Ik steffen jôe.” Te Borger (D.) ziet men vroeg in den morgen kleine jongens rondloopen met eenbosje hooi onder den arm. Zij gaan van ʼt eene huis naar het andere, het eerst naar de deel om de koeien te steffen (stèffenen), al zingende:

Hum, kôe, hum.Sint Steffen is gekomenHard geloopen; duur verkoopen,Honderd gulden veur dieë kôe,En een dikke stoetbruggʼ toe.

Hum, kôe, hum.Sint Steffen is gekomenHard geloopen; duur verkoopen,Honderd gulden veur dieë kôe,En een dikke stoetbruggʼ toe.

Hum, kôe, hum.

Sint Steffen is gekomen

Hard geloopen; duur verkoopen,

Honderd gulden veur dieë kôe,

En een dikke stoetbruggʼ toe.

Te Oosterhesselen komt hier nog bij:

Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,Dan gef de kôe ook botter en melk.

Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,Dan gef de kôe ook botter en melk.

Met dikke boter, die mag ik, en die mag elk,

Dan gef de kôe ook botter en melk.

Dan legt de knaap een weinig hooi voor elke koe, gaat naar de keuken en zegt: “Ik heb jôe kôenen steft”; waarop hij door de boerin wordt onthaald.

Sint Jan Evangelist (27 Dec.). Een eigenaardig gebruik op dezen dag, dat dreigt welhaast te zullen verdwijnen, bestaat of bestond nog kortelings in sommige plaatsen van Hollandsch Limburg, met name te Simpelveld, Mechelen, Vijlen, Munstergeleen en Oirsbeek. Het volk drinkt dan ter kerke uit een beker met gewijden wijn, onder de formule: “bibe amorem sancti Johannis, in nomine patrisetc.”: “drink St. Jans Minne, in den naam des Vaders enz.” Hetzelfde gebruik leeft nog op verscheidene plaatsen in Duitschland, vooral in Zwaben.

Evenals de St. Geerten Minne, St. Michaëls Minne, St. Martinus Minne en St. Stefanus Minne is de St. Jans Minne oorspronkelijk een herinneringsdronk, een offerdronk, aan de goden gewijd. Immers, het woord “minne” heeft met “genegenheid, liefde” niets gemeen, maar wordt slechts volksetymologisch hiermee verbonden; vandaar het DuitscheSt.-Johannisliebe, vandaar de termamorin de Limburgsche formule:bibe amorem sancti Johannisenz. Het woord is afkomstig van den Indogermaanschen wortelmen, met de beteekenis“denken, overdenken, zich herinneren”; slechts in het Westgermaansch ontwikkelde zich de beteekenis van “beminnen.”

Men dronk eertijds de “minne” der goden, vooral van Wôdan-Odhin; hij toch was de doodengod, en ook aan de afgestorvenen werd deze offerdronk gebracht: reden, waarom het tijdperk der Twaalf Nachten daartoe bij uitstek geschikt mocht heeten. Na hun bekeering wijdden de Germanen dezen dronk aan Christus en de heiligen, doch niet meer als offerdronk, maar als herinneringsdronk. De volksfantasie kan met volle recht het vaderschap van de verkerstening dezer minnedronken voor zich opeischen. Voor het meerendeel bleven zij volksgebruiken in den engeren zin des woords; slechts van de St. Jans Minne weten wij, dat zij althans sedert de XVeeeuw, toen de christelijke tint de oorspronkelijke beteekenis geheel gedekt had, den kerkelijken drempel overschreed.

Ter verklaring van het kwalijk begrepen gebruik werd naderhand de legende uitgedacht, als zou een zekere afgodendienaar, Aristodemus genaamd, den H. Johannes vergiftigden wijn hebben aangeboden, met de verklaring, christen te willen worden, wanneer de heilige den beker zonder letsel zou ledigen. Deze dronk vervolgens den giftbeker, zonder dat hem eenig nadeel overkwam. Volgens een andere lezing zou de lieveling des Heeren den wijn gezegend hebben, waarop het vergif uit den beker spatte in de gedaante eener slang. St. Jan wordt daarom veeltijds met een beker en een slang daar boven afgebeeld.

Waarom de offer- en herinneringsdronk van het Joeltijdperk nu juist op den H. Johannes is overdragen, is wel hieraan te danken, dat hij—evenals St. Stefanus, St. Maarten, St. Michaël—een zeer geliefde volksheilige is. Den 29stenDecember dronk men eertijds in Brabant nog St. Davids-minne. Maar een gewichtige faktor was ook de termminnezelf. Was het niet natuurlijk, dat der godenminna, door het Latijnscheamorweergegeven, bij voorkeur op den apostel der liefde overging? Ook vindt mendilectioenpotus caritatis. Zoo verklaart men tevens m.i. het best, dat de St. Jans Minne naderhandook verzoeningsdronk werd; zie mijne Essays en Studiën, bl. 221 vlg.

Allerkinderen (28 Dec.)vertoont een beslist christelijk karakter en herinnert aan de vermoording der Onnoozele Kinderen te Bethlehem. Dan viert men in de weeshuizen feest. In de families zijn de kinderen baas, of eigenlijk het jongste kind, dat dan mag zeggen, wat dien dag gegeten wordt: de kinderen voeren het huiskommando. In Zuid-Nederland, Noord-Brabant en Limburg leeft nog het gebruik, dat de kinderen dan, in het pak hunner ouders gestoken, als “vader en moeder” over straat loopen en zich bij hun familieleden laten zien. Plaatselijk is dit gebruik in een bedelpartij ontaard; zoo b.v. in het Land van Waas, waar men zingt:

ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,Geeft de moerkens en de vaarkens wat!Geeft wat, houdt wat,ʼt Naaste jaar nog wat!Ik weet daar nog een goede vrouw.Die mij zoo geern wat geven zou.Zij zal mij wel wat geven;Hoelang mag zij leven?Honderd jaar en éenen dag,Zoolang als ze kaas en brookes mag.

ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,Geeft de moerkens en de vaarkens wat!Geeft wat, houdt wat,ʼt Naaste jaar nog wat!Ik weet daar nog een goede vrouw.Die mij zoo geern wat geven zou.Zij zal mij wel wat geven;Hoelang mag zij leven?Honderd jaar en éenen dag,Zoolang als ze kaas en brookes mag.

ʼt Is vandaag Onnoozele-Kinderdag,

Geeft de moerkens en de vaarkens wat!

Geeft wat, houdt wat,

ʼt Naaste jaar nog wat!

Ik weet daar nog een goede vrouw.

Die mij zoo geern wat geven zou.

Zij zal mij wel wat geven;

Hoelang mag zij leven?

Honderd jaar en éenen dag,

Zoolang als ze kaas en brookes mag.

Men vergelijke hiermee de liedjes op Schuddekorfsdag, b.v. bl. 108 vlg.

Verder dient vermeld het Middeleeuwsch gebruik van den “Kinderbisschop”, ook in de noordelijke provinciën bekend, b.v. te Oldenzaal, Utrecht, Dordrecht enz. Een kind beneden de twaalf jaar fungeerde dien dag in de kerk als bisschop en zat met myter en staf op den bisschoppelijken troon. Hij ontving den staf in de eerste Vespers bij de woorden van hetMagnificat: “Hij heeft heerschers van tronen neergehaald en geringen verheven”, en behield hem tot de tweede Vespers. Reeds in 1304 komt in de stadsrekening van Brugge een post voor:Itemden biscop vanden scoelkinderen van Sint Donaas ... XVIJ schellinghen”; en eveneens wordt in 1363 een gift vermeld voor de Dordsche “scoelnaars ende horen biscop”. Hij draagt dan ook den naam van “Bisschop van de scholieren”, “Bisschop van de koorknapen”, enz. Ook in andere landen was de kinderbisschop bekend. Het gebruik klimt tot de oudste tijden op en is m.i. evenzeer van christelijken oorsprong. Men bedenke ook, dat het feest der Onnoozele Kinderen op 28 December reeds op den oudsten kalender der kerk van Karthago voorkomt en in het Westen overal deze plaats handhaaft.

Daarentegen leven hier en daar nog enkele typische Midwintergebruiken, b.v. het geven van geschenken en het slaan met roede en zweep als tuchtiging voor de langslapers; zie Rond den Heerd I, bl. 26. Eindelijk op enkele plaatsen, b.v. te Herdersem (O.-V.), wordt deze dag gevierd als St. Gregoriusdag, waarover nader.

OudejaarsavondenNieuwjaarsdag (31 Dec. en 1 Jan.).

Ik wensch U al te gaarEen zalig Nieuwe Jaar;In voorspoed en verdrietVergeet den Schepper niet!

Ik wensch U al te gaarEen zalig Nieuwe Jaar;In voorspoed en verdrietVergeet den Schepper niet!

Ik wensch U al te gaar

Een zalig Nieuwe Jaar;

In voorspoed en verdriet

Vergeet den Schepper niet!

klonk het op nieuwjaarsnacht door de straten, toen de klepperman nog het nachtelijk uur aankondigde.

Eertijds was het nieuwjaar-zingen over geheel Nederland sterk verspreid. Maar sedert kerkeraad en regeering hiertegen, als zijnde “onnutte superstitiën” of “ongeregelheden”, te velde trokken, zijn er in Noord-Nederland nog slechts schamele resten van overgebleven; zoo verzekert b.v. de Drentsche Volksalmanak van 1842, dat men daar nog “aan datzelfde euvel mank ging”. Het is heden ten dage vooral nog in België gebruikelijk; men raadplege de rijke verzameling van nieuwjaarsliedjes bijDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 7 vlg. Slechts een enkel wensch ik hieraan te ontleenen.

Herdersem:

Op eenen nieuwjaarsavond,Dan zullen wij vroolijk zijn,Met een geboren magedEn een klein kindeken klein.

Op eenen nieuwjaarsavond,Dan zullen wij vroolijk zijn,Met een geboren magedEn een klein kindeken klein.

Op eenen nieuwjaarsavond,

Dan zullen wij vroolijk zijn,

Met een geboren maged

En een klein kindeken klein.

Wie zal dat kindeken dragen?De dochter al van Jeroen!De klokken zullen luien,Den kerkweg zullen wij doen.

Wie zal dat kindeken dragen?De dochter al van Jeroen!De klokken zullen luien,Den kerkweg zullen wij doen.

Wie zal dat kindeken dragen?

De dochter al van Jeroen!

De klokken zullen luien,

Den kerkweg zullen wij doen.


Back to IndexNext