Als wij op ʼt kerkhof kwamen,Wie zagen wij daar staan?Jezus van NazarenenAan ʼt kruis genageld staan.Met eenen doornenkrooneOp Jezus hoofd gedaan,Vol rozen en roo nelen (leeljen)Om naar den hemel te gaan.Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.Maria was gezetenMet ʼt kindjen op den schoot,Om pappeken te laten eten,Gekookt met wittebrood.Daar zat een rattekeAan Jezus pappeke!Maria maak het klaar,Met deze zalige nieuwjaar.Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:Op eenen nieuwe jareSloeg een bakker zijn wijf,Met eenen eiken kluppelZoo deerlijk op haar lijf!De vrouw begon te kermen,“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”De bakker zonder ontfermenSloeg nog wel tienmaal meer.De vrouw kroop onder den oven,De bakker van achternaar!Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],Met dezen nieuwe jaar.Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderenlukken, liefkoeken, in Oost-Vlaanderennieuwjaarkesgeheeten: kleine wafeltjes, in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding verdienen denijjaorskôkenenkniêpertiês, despekkendikken, spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben enjuffertiêsuit den Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond oftäofeltiêsaovend(Raalte, Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele gezin uitgaathen kôkenofhen taofelen. Op een ijzeren plaat brandt er vuur, en in het front prijkt dekôokstomp, tot dit doel reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten hetkôokiêzerofnijjaorsiêzer. Elders begint de smulpartij met eenpoddik(pudding), dan volgt rijst en daarna ʼtbeestenvleesch, de hoofdschotel.De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; zoo b.v.: “Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden Is U Friend Sal morgen U verachten” (Twente). Ook elders bakt menvollaards,prauwelsenijzerkoekjes, te Groningenolde wieven, te Velthoven (N.-B.)towten.Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun “heio” roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het eeuwenoude liedje:Ich kwaam al aangeloupe,Ich sêg ʼt see rouke,Ich sêg wal aan den oave wis,Dat er get gebakken is.Isser niks gebakke,Dan gèft ene korf vol appele,Is de korf te klein of te groot,Dan gèft mig ene volle schoot.Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,Ge zult verdienen het eeuwig leven.Het eeuwig leven is bitter gewonnen,Voor een gulden een draad gesponnen.Kijk eens in je korfje,Daar liggen drie appeltjes in,Even groot, kralo, vrouwke lo,Geef wat, houd wat,Volgend jaar weer wat.Men noemt dit b.v. te Buggenumringzingen(ring=soort krakeling); na het zingen volgt hetgrabbelen, Maasbree:griebelen. Meestal krijgen de kinderenringen, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk (N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, “de gouden [goede?] engel” rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook elders, te Deventer b.v., schiet men nog “van het olde in ʼt nije”, of men “schieët het olde uut”. Dit schieten wordt thans nog slechts als vreugdeteeken beschouwd.Het “nieuwjaar afwinnen” is nog steeds in zwang. Bij het nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ooknieuwjaarsmoppenheeten.Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het Westvlaamschestrijneofstrene(rondom Veurne), dat door het Franscheétrennesop het Latijnschestrenaeteruggaat: zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, bl. 13;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.Driekoningendag (6 Jan.). De kinderschaar, die langs de huizen trekt en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den oudenrommelpotoffoekepot, neemt op Driekoningendag een geheel bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk element: ik bedoel het bekendesterzingen, op het oogenblik tot België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie jongens, als koningen verkleed—en éen hunner is met roet zwart gemaakt—, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatischevoorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, dat op Driekoningenavond driemisdienaarsin hun koorgewaad met ster, lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:Wij komen getreden met onze sterre,Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.(wij hadden Hem gaerne).Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,Herodes, de koning, kwam zelvers veur.Herodes, die sprak met valscher hart:“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,“Het is er de Koning van Oriënt.”Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,Daar zag men de starre stille staan,Ja stille staan.(Pauze.)Och starre, jij moet er niet stille staan,Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.Tot Bethlehem, in die schoone stad,Daar Maria met haar klein kindeke zat.Hoe kleiner kind, hoe grooter God:Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.Noordwijk:Daar al de Joden mee hebben gespot.Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat inHet Hofken der geestelijcker Liedekens(Loven 1577), bl. 28; het begint:Het quamen drij Coninghen uut verre landen,Nu wiegen, nu wieghen wij,om Gode te doen een offerande.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, mijn toeverlaetis Maria soon.Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,Nu wiegen, nu wieghen wij,Al bijt verlichten van eender sterre.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, enz.Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,Nu wiegen, nu wieghen wij,Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.Des waren zij droef.Alle mijnen troost, enz.ZieVan Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042.Dr. Boekenoogenwijst er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nogKnuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria Magdalena (eveneens met talrijke varianten):Op eenen Driekoningenavond,Op eenen Driekoningendag,Toen zat Maria MagdalenaAl op Heer Jezusʼ graf.Sta op, Maria Magdalena,Sta op van den bitteren dood!Uw zondekens zijn u vergeven,Al waren zij nog zoo groot.Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het herhaaldelijk geparodieerd.Aan de nieuwjaarsvuren herinnert hetkaarsjespringen; immers de engere Joeltijdperiode, die den 6denJanuari eindigt, is het eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijkDertiendagofDertiennachtgenoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij nog aangehaald alsDertiendagh. Te Zwolle was het kaarsjespringen dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was het algemeen in het Noorden van ons land. Dekoningskaarsjeswaren, volgensTer Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, waarvan de middelste zwart geverfd was en “het Moorken” ofMelckert(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs degebenedijdeofheylighe keerskens. Bij het dansen zong men:Kaarsies, kaarsies, drie aan een,Springen wij er over heen heen.Al wie daar niet over kan,Die en weet er nou niemendal van.In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden zong men:Keerske, keerske over het keersbeenke,En al wie daar niet over en kan,Die weet er niet van!En al wie daar niet over en kan,Die blijft er van,Die blijft er van!Keerske, keerske over het keersbeenke!Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 115.In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent men ten slotte nog het volgende rijmpje:Drie koningen, drie koningen,Geef mij een nieuwen hoed.Mijn oude is versleten,Mijn moeder mag ʼt niet weten,Mijn vader heeft het geldOp den rooster geteld.Of wel (Noord-Brabant):Vader mag het niet weten,Moeder is niet thuis,Piep zegt de muisIn ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot “hun Coninxfeeste”. Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde den oudenWalich Sieuwertszzeer, en hij beklaagde zich dan ook, dat nog in ʼt begin der XVIIeeeuw voorname en officiëele personen zich niet schaamden, “op Derthienden avent Coningsken te spelen, en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen ende te onderhouden.”“ʼt Was wel de moeite waard”, schrijftTer Gouw, “zich overzooʼn onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon verborgen was; bij de boeren heette ʼt “de bonekoek”, in de steden “ʼt coninxbrood”; en de boon was het, die “het lot van conig te sijn” besliste.” (Volksvermaken, bl. 175). HetDriekoningenbroodis nog niet in onbruik.Boonenkoekenkoningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat gevent; dan hoort men aanhoudend:Koningsbrieven en kroon en kroon!Koningsbrieven en kroon!De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: “Op slechts enkele plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de “keuningsprentjes of -briefkens”, reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,—elk voorzien van een passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjesdoorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik dienden de hovelingen te roepen: ““De koning drinkt.”” De zot zag toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een koolstreep in ʼt aangezicht gemerkt.” Zie verder zijne Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden2(Gent 1908), bl. 171. Men denke ook aan de doeken vanJordaens: “De koning drinkt.”De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit van het Vruchtbaarheidstijdperk.Het “koninkje spelen” is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, een overblijfsel van de heidenscheSaturnalia, dat door den Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens het koningsspel was te Rome overoud;Suetoniusnoemt dit “het spel om gezag en heerschappij”. Het verloten geschiedde meestal door middel van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.Wellicht berust op de gebruiken gedurende deSaturnalia-feesten ook nog het geven van geschenken opSt. Pontianus en St. Agnesdag (14 en 21 Jan.), het “Ponsen en Angen” of “Ponsen en Nieten”, vroeger in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van de H.H. Pontianus enAgnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde vrouwen.Vrouwkensavond (19 Jan.), te Brussel gevierd, naar verluidt ter herinnering aan den 19denJanuari 1101, toen de Brusselaren, aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na ʼt avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.Koppermaandagheet de Maandag na Driekoningen:kopperkensdagh, kopperkensmaendagh.Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oudekopperen“smullen, drinken, pret maken” uit te gaan, dat vankop“beker” kan komen. Een volksetymologische vervorming iskoppeltjesmaandag, wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenalskoperen maandag, naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag(Groningen),verloren-, verzworen-, verkoren-, jaFlora-maandag. Te Diest zegt men nogblijde maandag. “Verloren” Maandag werd verklaard door het daags te voren gelezen evangelie van het “verloren” kind Jezus, of omdat deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat “verloren” weer volksetymologisch verbasterd is uit “versworen”, de benaming, die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen zegt men:Egyptische Maandag, omdat men daar een omgang hield, en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],Noch in dei,Dan is kopermoandei wei [weg].ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 167.Antonius-abt (17 Jan.)behoort in België tot de meest populaire heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men ditAntoniuszwijnongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7enJanuari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.Sint-Sebastianus (20 Jan.),de met pijlen doorschoten martelaar, wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke gewestenvan Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen op. Hun “koning” is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: “Hij heeft den vogel af.” Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.Pauli Bekeering (25 Jan.).Ook deze dag is eendies criticus. een beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De Tirolers verzekeren van den 25stenJanuari:Paul bekehrʼ,Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.V. Reinsberg-Düringsfeldverhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: “ils sont contents sʼil est clair, mais très tristes si le contraire a lieu”(Calendrier belgeI, bl. 76).De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, onvervalscht fetissisme. ImmersSchotelvermeldt in zijn Tilburgsche Avondstonden, bl. 12, dat men “elders een strooien Paulus aan den haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij hem in het vuur”. Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin der XVIeeeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten rond te dragen. Geschieddezulks bij helder weêr, dan begoten zij het met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen eenPaulusofPaulusjein huis te brengen, “binnen te brengen”. Dit was een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, dan moest de vrouw des huizes ʼs avonds koeken bakken, enz.Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche folkloristenRegenzaubernoemen, waarover nader. Zie over Pauli Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.Maria Lichtmis(2 Febr.). Dat dit feest voor een heidensch in de plaats trad, waarom en hoe, leert PausInnocentius IIIin een preek op Maria-Zuivering: “De heidenen hadden de maand Februari aan de goden der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd dit feestAmburbalegenoemd. Maar wijl onze heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria.”NaarDe Cockvermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg het woord “lichtmis” de beteekenis van “losbol”. Hierop wijst ook de Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-Schud-de-panne.Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. “Wanneer op O.L. Vrouw Lichtmis de zon op het misboek schijnt”, zegt men in Limburg, “dan kruipt de vos nog zes weken in zijn hol.” En verder: “Op Lichtmisdag ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon”.—“Lichtmis donker, maakt den boer tot jonker”; enz. enz. Wij komen hierop terug in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.—Een Duitsch rijmpje zegt:Wenn die Tage langen.Kommt der Winter gegangen,en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen Nieuwjaar en Vrouwendag hetklootschietenplaats. Elk speler krijgt een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, wordt de prijs toegekend.Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers wareneveneens groote minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpenschietklootengenoemd; zie vooralTer Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.Sint Blasius (3 Febr.).De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren of huidontstekingen, die “blazen”, d.i. blaren, genoemd worden. In Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband door de Vlaamsche spreekwijze: “Blasius blaast”, als het omstreeks 3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa tegen de roos.Henri Estiennegeeft over dit verschijnsel de voor zijn tijd merkwaardige opmerking: “A quelques saincts on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait un nom approchant du sien.” Zie vooralGittéeʼs belangrijk artikel: “Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen”, in deZeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.Vastenavondbestaat uit de drie “vette” dagen (Zondag, Maandag en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde deSpurcalia in Februario, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de termspurcaliahet aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vormsprokkelmaand, Middelnederl.sporkelmaent, is niet geloofwaardig. Men vindt ook reeds vroeg Vastelavond, met de bekende variatie vannenl, die ook invasteldagenschrikkeljaar, en in het Middelnederl.werkeldachworden aangetroffen.Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, datJulius Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598het ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering eenRomeinschlentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en offermaaltijden kenmerkte.Mogkhoudt deze periode voor een feest der wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden vanSebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren heb aangehaald.Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: “ʼt Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.— De kinderen zetten in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts zijne ronde doet en iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen achterlaat”; aldusDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 71.—Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woordCarnaval, dit is afkomstig van het Toskaanschecarnevale. dat waarschijnlijk eenigszins haplologisch voorcarnelevalestaat; en deze vorm zelf is door progressieve assimilatie uitcarnelevareontstaan: “het opruimen van het vleesch.” Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als “vleesch, vaarwel!”:carne+vale. Zij zien hierin een volkshumoristische uitdrukking der kloostertaal. —De Romaansche benamingen van den Vastenavond werden voortreffelijk behandeld doorMerloinWörter und Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt.Ik herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk doorPieter Breughel den Oudengepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.1. Iets zeer eigenaardigs is demaskerade, het vermomd over straat loopen. “Zot loopen” was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog heden van “Vastenavondgekken”.Maar “de tegenwoordige maskeraden zijn slechts de schaduw van de vroegere”, zegtDe Cock, Volkskunde, bl. 239; “de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen confettiʼs in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heeten”. Dit vermommings-gebruik is stellig uit Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan “den goeden ouden tijd” herinnerde, misschien wel een overblijfsel van deSaturnalia(bl. 148) of van het Romeinsche “Narrenfeest” (feriae stultorum) op den 17denFebruari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de “Vette Donderdagen”, omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.2.Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen opVetten Dinsdagten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering.Befaamd zijn devastenavondkoeken, verschillend van naam en van vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: “Zij vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond”; in Limburg heeft men het somwijlen “zoo druk als de pan op Vastenavond”. Ook in Engeland is Vastenavond-Dinsdag de grootePancake-dag. Die dagen gaan in Brabant en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes aan de deuren pannekoek bedelen: “Spek en eier en braadworst is goeie vastenavondkost”, meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit blijkt ook uit devastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot (bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijkfoekedagwordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,Ik heb geen geld om brood te koopen.Rommelpotterij, rommelpotterij,Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, Rolde en Norg (D.)hotfotofhottefot, te Dieverfortelpot, teZoutkamppooverpot, in Noord-Holland veelalrompot. Men bezigt hem ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, bl. 115.De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden gekenmerkt door het refrein: “ho, man, ho!” Zoo b.v.:De Schout van Leiden heeft een bult,Ho, man, ho!Die is met ouwe lappen gevuld,Ho, man, ho! enz.En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:
Als wij op ʼt kerkhof kwamen,Wie zagen wij daar staan?Jezus van NazarenenAan ʼt kruis genageld staan.Met eenen doornenkrooneOp Jezus hoofd gedaan,Vol rozen en roo nelen (leeljen)Om naar den hemel te gaan.Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.Maria was gezetenMet ʼt kindjen op den schoot,Om pappeken te laten eten,Gekookt met wittebrood.Daar zat een rattekeAan Jezus pappeke!Maria maak het klaar,Met deze zalige nieuwjaar.Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:Op eenen nieuwe jareSloeg een bakker zijn wijf,Met eenen eiken kluppelZoo deerlijk op haar lijf!De vrouw begon te kermen,“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”De bakker zonder ontfermenSloeg nog wel tienmaal meer.De vrouw kroop onder den oven,De bakker van achternaar!Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],Met dezen nieuwe jaar.Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderenlukken, liefkoeken, in Oost-Vlaanderennieuwjaarkesgeheeten: kleine wafeltjes, in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding verdienen denijjaorskôkenenkniêpertiês, despekkendikken, spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben enjuffertiêsuit den Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond oftäofeltiêsaovend(Raalte, Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele gezin uitgaathen kôkenofhen taofelen. Op een ijzeren plaat brandt er vuur, en in het front prijkt dekôokstomp, tot dit doel reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten hetkôokiêzerofnijjaorsiêzer. Elders begint de smulpartij met eenpoddik(pudding), dan volgt rijst en daarna ʼtbeestenvleesch, de hoofdschotel.De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; zoo b.v.: “Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden Is U Friend Sal morgen U verachten” (Twente). Ook elders bakt menvollaards,prauwelsenijzerkoekjes, te Groningenolde wieven, te Velthoven (N.-B.)towten.Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun “heio” roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het eeuwenoude liedje:Ich kwaam al aangeloupe,Ich sêg ʼt see rouke,Ich sêg wal aan den oave wis,Dat er get gebakken is.Isser niks gebakke,Dan gèft ene korf vol appele,Is de korf te klein of te groot,Dan gèft mig ene volle schoot.Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,Ge zult verdienen het eeuwig leven.Het eeuwig leven is bitter gewonnen,Voor een gulden een draad gesponnen.Kijk eens in je korfje,Daar liggen drie appeltjes in,Even groot, kralo, vrouwke lo,Geef wat, houd wat,Volgend jaar weer wat.Men noemt dit b.v. te Buggenumringzingen(ring=soort krakeling); na het zingen volgt hetgrabbelen, Maasbree:griebelen. Meestal krijgen de kinderenringen, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk (N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, “de gouden [goede?] engel” rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook elders, te Deventer b.v., schiet men nog “van het olde in ʼt nije”, of men “schieët het olde uut”. Dit schieten wordt thans nog slechts als vreugdeteeken beschouwd.Het “nieuwjaar afwinnen” is nog steeds in zwang. Bij het nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ooknieuwjaarsmoppenheeten.Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het Westvlaamschestrijneofstrene(rondom Veurne), dat door het Franscheétrennesop het Latijnschestrenaeteruggaat: zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, bl. 13;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.Driekoningendag (6 Jan.). De kinderschaar, die langs de huizen trekt en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den oudenrommelpotoffoekepot, neemt op Driekoningendag een geheel bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk element: ik bedoel het bekendesterzingen, op het oogenblik tot België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie jongens, als koningen verkleed—en éen hunner is met roet zwart gemaakt—, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatischevoorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, dat op Driekoningenavond driemisdienaarsin hun koorgewaad met ster, lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:Wij komen getreden met onze sterre,Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.(wij hadden Hem gaerne).Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,Herodes, de koning, kwam zelvers veur.Herodes, die sprak met valscher hart:“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,“Het is er de Koning van Oriënt.”Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,Daar zag men de starre stille staan,Ja stille staan.(Pauze.)Och starre, jij moet er niet stille staan,Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.Tot Bethlehem, in die schoone stad,Daar Maria met haar klein kindeke zat.Hoe kleiner kind, hoe grooter God:Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.Noordwijk:Daar al de Joden mee hebben gespot.Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat inHet Hofken der geestelijcker Liedekens(Loven 1577), bl. 28; het begint:Het quamen drij Coninghen uut verre landen,Nu wiegen, nu wieghen wij,om Gode te doen een offerande.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, mijn toeverlaetis Maria soon.Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,Nu wiegen, nu wieghen wij,Al bijt verlichten van eender sterre.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, enz.Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,Nu wiegen, nu wieghen wij,Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.Des waren zij droef.Alle mijnen troost, enz.ZieVan Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042.Dr. Boekenoogenwijst er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nogKnuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria Magdalena (eveneens met talrijke varianten):Op eenen Driekoningenavond,Op eenen Driekoningendag,Toen zat Maria MagdalenaAl op Heer Jezusʼ graf.Sta op, Maria Magdalena,Sta op van den bitteren dood!Uw zondekens zijn u vergeven,Al waren zij nog zoo groot.Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het herhaaldelijk geparodieerd.Aan de nieuwjaarsvuren herinnert hetkaarsjespringen; immers de engere Joeltijdperiode, die den 6denJanuari eindigt, is het eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijkDertiendagofDertiennachtgenoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij nog aangehaald alsDertiendagh. Te Zwolle was het kaarsjespringen dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was het algemeen in het Noorden van ons land. Dekoningskaarsjeswaren, volgensTer Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, waarvan de middelste zwart geverfd was en “het Moorken” ofMelckert(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs degebenedijdeofheylighe keerskens. Bij het dansen zong men:Kaarsies, kaarsies, drie aan een,Springen wij er over heen heen.Al wie daar niet over kan,Die en weet er nou niemendal van.In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden zong men:Keerske, keerske over het keersbeenke,En al wie daar niet over en kan,Die weet er niet van!En al wie daar niet over en kan,Die blijft er van,Die blijft er van!Keerske, keerske over het keersbeenke!Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 115.In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent men ten slotte nog het volgende rijmpje:Drie koningen, drie koningen,Geef mij een nieuwen hoed.Mijn oude is versleten,Mijn moeder mag ʼt niet weten,Mijn vader heeft het geldOp den rooster geteld.Of wel (Noord-Brabant):Vader mag het niet weten,Moeder is niet thuis,Piep zegt de muisIn ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot “hun Coninxfeeste”. Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde den oudenWalich Sieuwertszzeer, en hij beklaagde zich dan ook, dat nog in ʼt begin der XVIIeeeuw voorname en officiëele personen zich niet schaamden, “op Derthienden avent Coningsken te spelen, en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen ende te onderhouden.”“ʼt Was wel de moeite waard”, schrijftTer Gouw, “zich overzooʼn onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon verborgen was; bij de boeren heette ʼt “de bonekoek”, in de steden “ʼt coninxbrood”; en de boon was het, die “het lot van conig te sijn” besliste.” (Volksvermaken, bl. 175). HetDriekoningenbroodis nog niet in onbruik.Boonenkoekenkoningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat gevent; dan hoort men aanhoudend:Koningsbrieven en kroon en kroon!Koningsbrieven en kroon!De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: “Op slechts enkele plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de “keuningsprentjes of -briefkens”, reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,—elk voorzien van een passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjesdoorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik dienden de hovelingen te roepen: ““De koning drinkt.”” De zot zag toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een koolstreep in ʼt aangezicht gemerkt.” Zie verder zijne Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden2(Gent 1908), bl. 171. Men denke ook aan de doeken vanJordaens: “De koning drinkt.”De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit van het Vruchtbaarheidstijdperk.Het “koninkje spelen” is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, een overblijfsel van de heidenscheSaturnalia, dat door den Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens het koningsspel was te Rome overoud;Suetoniusnoemt dit “het spel om gezag en heerschappij”. Het verloten geschiedde meestal door middel van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.Wellicht berust op de gebruiken gedurende deSaturnalia-feesten ook nog het geven van geschenken opSt. Pontianus en St. Agnesdag (14 en 21 Jan.), het “Ponsen en Angen” of “Ponsen en Nieten”, vroeger in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van de H.H. Pontianus enAgnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde vrouwen.Vrouwkensavond (19 Jan.), te Brussel gevierd, naar verluidt ter herinnering aan den 19denJanuari 1101, toen de Brusselaren, aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na ʼt avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.Koppermaandagheet de Maandag na Driekoningen:kopperkensdagh, kopperkensmaendagh.Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oudekopperen“smullen, drinken, pret maken” uit te gaan, dat vankop“beker” kan komen. Een volksetymologische vervorming iskoppeltjesmaandag, wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenalskoperen maandag, naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag(Groningen),verloren-, verzworen-, verkoren-, jaFlora-maandag. Te Diest zegt men nogblijde maandag. “Verloren” Maandag werd verklaard door het daags te voren gelezen evangelie van het “verloren” kind Jezus, of omdat deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat “verloren” weer volksetymologisch verbasterd is uit “versworen”, de benaming, die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen zegt men:Egyptische Maandag, omdat men daar een omgang hield, en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],Noch in dei,Dan is kopermoandei wei [weg].ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 167.Antonius-abt (17 Jan.)behoort in België tot de meest populaire heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men ditAntoniuszwijnongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7enJanuari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.Sint-Sebastianus (20 Jan.),de met pijlen doorschoten martelaar, wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke gewestenvan Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen op. Hun “koning” is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: “Hij heeft den vogel af.” Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.Pauli Bekeering (25 Jan.).Ook deze dag is eendies criticus. een beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De Tirolers verzekeren van den 25stenJanuari:Paul bekehrʼ,Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.V. Reinsberg-Düringsfeldverhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: “ils sont contents sʼil est clair, mais très tristes si le contraire a lieu”(Calendrier belgeI, bl. 76).De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, onvervalscht fetissisme. ImmersSchotelvermeldt in zijn Tilburgsche Avondstonden, bl. 12, dat men “elders een strooien Paulus aan den haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij hem in het vuur”. Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin der XVIeeeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten rond te dragen. Geschieddezulks bij helder weêr, dan begoten zij het met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen eenPaulusofPaulusjein huis te brengen, “binnen te brengen”. Dit was een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, dan moest de vrouw des huizes ʼs avonds koeken bakken, enz.Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche folkloristenRegenzaubernoemen, waarover nader. Zie over Pauli Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.Maria Lichtmis(2 Febr.). Dat dit feest voor een heidensch in de plaats trad, waarom en hoe, leert PausInnocentius IIIin een preek op Maria-Zuivering: “De heidenen hadden de maand Februari aan de goden der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd dit feestAmburbalegenoemd. Maar wijl onze heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria.”NaarDe Cockvermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg het woord “lichtmis” de beteekenis van “losbol”. Hierop wijst ook de Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-Schud-de-panne.Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. “Wanneer op O.L. Vrouw Lichtmis de zon op het misboek schijnt”, zegt men in Limburg, “dan kruipt de vos nog zes weken in zijn hol.” En verder: “Op Lichtmisdag ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon”.—“Lichtmis donker, maakt den boer tot jonker”; enz. enz. Wij komen hierop terug in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.—Een Duitsch rijmpje zegt:Wenn die Tage langen.Kommt der Winter gegangen,en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen Nieuwjaar en Vrouwendag hetklootschietenplaats. Elk speler krijgt een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, wordt de prijs toegekend.Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers wareneveneens groote minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpenschietklootengenoemd; zie vooralTer Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.Sint Blasius (3 Febr.).De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren of huidontstekingen, die “blazen”, d.i. blaren, genoemd worden. In Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband door de Vlaamsche spreekwijze: “Blasius blaast”, als het omstreeks 3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa tegen de roos.Henri Estiennegeeft over dit verschijnsel de voor zijn tijd merkwaardige opmerking: “A quelques saincts on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait un nom approchant du sien.” Zie vooralGittéeʼs belangrijk artikel: “Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen”, in deZeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.Vastenavondbestaat uit de drie “vette” dagen (Zondag, Maandag en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde deSpurcalia in Februario, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de termspurcaliahet aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vormsprokkelmaand, Middelnederl.sporkelmaent, is niet geloofwaardig. Men vindt ook reeds vroeg Vastelavond, met de bekende variatie vannenl, die ook invasteldagenschrikkeljaar, en in het Middelnederl.werkeldachworden aangetroffen.Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, datJulius Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598het ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering eenRomeinschlentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en offermaaltijden kenmerkte.Mogkhoudt deze periode voor een feest der wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden vanSebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren heb aangehaald.Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: “ʼt Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.— De kinderen zetten in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts zijne ronde doet en iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen achterlaat”; aldusDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 71.—Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woordCarnaval, dit is afkomstig van het Toskaanschecarnevale. dat waarschijnlijk eenigszins haplologisch voorcarnelevalestaat; en deze vorm zelf is door progressieve assimilatie uitcarnelevareontstaan: “het opruimen van het vleesch.” Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als “vleesch, vaarwel!”:carne+vale. Zij zien hierin een volkshumoristische uitdrukking der kloostertaal. —De Romaansche benamingen van den Vastenavond werden voortreffelijk behandeld doorMerloinWörter und Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt.Ik herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk doorPieter Breughel den Oudengepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.1. Iets zeer eigenaardigs is demaskerade, het vermomd over straat loopen. “Zot loopen” was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog heden van “Vastenavondgekken”.Maar “de tegenwoordige maskeraden zijn slechts de schaduw van de vroegere”, zegtDe Cock, Volkskunde, bl. 239; “de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen confettiʼs in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heeten”. Dit vermommings-gebruik is stellig uit Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan “den goeden ouden tijd” herinnerde, misschien wel een overblijfsel van deSaturnalia(bl. 148) of van het Romeinsche “Narrenfeest” (feriae stultorum) op den 17denFebruari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de “Vette Donderdagen”, omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.2.Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen opVetten Dinsdagten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering.Befaamd zijn devastenavondkoeken, verschillend van naam en van vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: “Zij vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond”; in Limburg heeft men het somwijlen “zoo druk als de pan op Vastenavond”. Ook in Engeland is Vastenavond-Dinsdag de grootePancake-dag. Die dagen gaan in Brabant en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes aan de deuren pannekoek bedelen: “Spek en eier en braadworst is goeie vastenavondkost”, meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit blijkt ook uit devastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot (bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijkfoekedagwordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,Ik heb geen geld om brood te koopen.Rommelpotterij, rommelpotterij,Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, Rolde en Norg (D.)hotfotofhottefot, te Dieverfortelpot, teZoutkamppooverpot, in Noord-Holland veelalrompot. Men bezigt hem ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, bl. 115.De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden gekenmerkt door het refrein: “ho, man, ho!” Zoo b.v.:De Schout van Leiden heeft een bult,Ho, man, ho!Die is met ouwe lappen gevuld,Ho, man, ho! enz.En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:
Als wij op ʼt kerkhof kwamen,Wie zagen wij daar staan?Jezus van NazarenenAan ʼt kruis genageld staan.Met eenen doornenkrooneOp Jezus hoofd gedaan,Vol rozen en roo nelen (leeljen)Om naar den hemel te gaan.Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.Maria was gezetenMet ʼt kindjen op den schoot,Om pappeken te laten eten,Gekookt met wittebrood.Daar zat een rattekeAan Jezus pappeke!Maria maak het klaar,Met deze zalige nieuwjaar.Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:Op eenen nieuwe jareSloeg een bakker zijn wijf,Met eenen eiken kluppelZoo deerlijk op haar lijf!De vrouw begon te kermen,“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”De bakker zonder ontfermenSloeg nog wel tienmaal meer.De vrouw kroop onder den oven,De bakker van achternaar!Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],Met dezen nieuwe jaar.Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderenlukken, liefkoeken, in Oost-Vlaanderennieuwjaarkesgeheeten: kleine wafeltjes, in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding verdienen denijjaorskôkenenkniêpertiês, despekkendikken, spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben enjuffertiêsuit den Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond oftäofeltiêsaovend(Raalte, Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele gezin uitgaathen kôkenofhen taofelen. Op een ijzeren plaat brandt er vuur, en in het front prijkt dekôokstomp, tot dit doel reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten hetkôokiêzerofnijjaorsiêzer. Elders begint de smulpartij met eenpoddik(pudding), dan volgt rijst en daarna ʼtbeestenvleesch, de hoofdschotel.De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; zoo b.v.: “Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden Is U Friend Sal morgen U verachten” (Twente). Ook elders bakt menvollaards,prauwelsenijzerkoekjes, te Groningenolde wieven, te Velthoven (N.-B.)towten.Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun “heio” roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het eeuwenoude liedje:Ich kwaam al aangeloupe,Ich sêg ʼt see rouke,Ich sêg wal aan den oave wis,Dat er get gebakken is.Isser niks gebakke,Dan gèft ene korf vol appele,Is de korf te klein of te groot,Dan gèft mig ene volle schoot.Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,Ge zult verdienen het eeuwig leven.Het eeuwig leven is bitter gewonnen,Voor een gulden een draad gesponnen.Kijk eens in je korfje,Daar liggen drie appeltjes in,Even groot, kralo, vrouwke lo,Geef wat, houd wat,Volgend jaar weer wat.Men noemt dit b.v. te Buggenumringzingen(ring=soort krakeling); na het zingen volgt hetgrabbelen, Maasbree:griebelen. Meestal krijgen de kinderenringen, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk (N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, “de gouden [goede?] engel” rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook elders, te Deventer b.v., schiet men nog “van het olde in ʼt nije”, of men “schieët het olde uut”. Dit schieten wordt thans nog slechts als vreugdeteeken beschouwd.Het “nieuwjaar afwinnen” is nog steeds in zwang. Bij het nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ooknieuwjaarsmoppenheeten.Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het Westvlaamschestrijneofstrene(rondom Veurne), dat door het Franscheétrennesop het Latijnschestrenaeteruggaat: zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, bl. 13;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.Driekoningendag (6 Jan.). De kinderschaar, die langs de huizen trekt en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den oudenrommelpotoffoekepot, neemt op Driekoningendag een geheel bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk element: ik bedoel het bekendesterzingen, op het oogenblik tot België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie jongens, als koningen verkleed—en éen hunner is met roet zwart gemaakt—, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatischevoorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, dat op Driekoningenavond driemisdienaarsin hun koorgewaad met ster, lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:Wij komen getreden met onze sterre,Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.(wij hadden Hem gaerne).Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,Herodes, de koning, kwam zelvers veur.Herodes, die sprak met valscher hart:“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,“Het is er de Koning van Oriënt.”Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,Daar zag men de starre stille staan,Ja stille staan.(Pauze.)Och starre, jij moet er niet stille staan,Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.Tot Bethlehem, in die schoone stad,Daar Maria met haar klein kindeke zat.Hoe kleiner kind, hoe grooter God:Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.Noordwijk:Daar al de Joden mee hebben gespot.Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat inHet Hofken der geestelijcker Liedekens(Loven 1577), bl. 28; het begint:Het quamen drij Coninghen uut verre landen,Nu wiegen, nu wieghen wij,om Gode te doen een offerande.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, mijn toeverlaetis Maria soon.Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,Nu wiegen, nu wieghen wij,Al bijt verlichten van eender sterre.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, enz.Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,Nu wiegen, nu wieghen wij,Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.Des waren zij droef.Alle mijnen troost, enz.ZieVan Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042.Dr. Boekenoogenwijst er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nogKnuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria Magdalena (eveneens met talrijke varianten):Op eenen Driekoningenavond,Op eenen Driekoningendag,Toen zat Maria MagdalenaAl op Heer Jezusʼ graf.Sta op, Maria Magdalena,Sta op van den bitteren dood!Uw zondekens zijn u vergeven,Al waren zij nog zoo groot.Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het herhaaldelijk geparodieerd.Aan de nieuwjaarsvuren herinnert hetkaarsjespringen; immers de engere Joeltijdperiode, die den 6denJanuari eindigt, is het eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijkDertiendagofDertiennachtgenoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij nog aangehaald alsDertiendagh. Te Zwolle was het kaarsjespringen dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was het algemeen in het Noorden van ons land. Dekoningskaarsjeswaren, volgensTer Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, waarvan de middelste zwart geverfd was en “het Moorken” ofMelckert(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs degebenedijdeofheylighe keerskens. Bij het dansen zong men:Kaarsies, kaarsies, drie aan een,Springen wij er over heen heen.Al wie daar niet over kan,Die en weet er nou niemendal van.In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden zong men:Keerske, keerske over het keersbeenke,En al wie daar niet over en kan,Die weet er niet van!En al wie daar niet over en kan,Die blijft er van,Die blijft er van!Keerske, keerske over het keersbeenke!Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 115.In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent men ten slotte nog het volgende rijmpje:Drie koningen, drie koningen,Geef mij een nieuwen hoed.Mijn oude is versleten,Mijn moeder mag ʼt niet weten,Mijn vader heeft het geldOp den rooster geteld.Of wel (Noord-Brabant):Vader mag het niet weten,Moeder is niet thuis,Piep zegt de muisIn ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot “hun Coninxfeeste”. Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde den oudenWalich Sieuwertszzeer, en hij beklaagde zich dan ook, dat nog in ʼt begin der XVIIeeeuw voorname en officiëele personen zich niet schaamden, “op Derthienden avent Coningsken te spelen, en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen ende te onderhouden.”“ʼt Was wel de moeite waard”, schrijftTer Gouw, “zich overzooʼn onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon verborgen was; bij de boeren heette ʼt “de bonekoek”, in de steden “ʼt coninxbrood”; en de boon was het, die “het lot van conig te sijn” besliste.” (Volksvermaken, bl. 175). HetDriekoningenbroodis nog niet in onbruik.Boonenkoekenkoningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat gevent; dan hoort men aanhoudend:Koningsbrieven en kroon en kroon!Koningsbrieven en kroon!De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: “Op slechts enkele plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de “keuningsprentjes of -briefkens”, reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,—elk voorzien van een passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjesdoorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik dienden de hovelingen te roepen: ““De koning drinkt.”” De zot zag toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een koolstreep in ʼt aangezicht gemerkt.” Zie verder zijne Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden2(Gent 1908), bl. 171. Men denke ook aan de doeken vanJordaens: “De koning drinkt.”De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit van het Vruchtbaarheidstijdperk.Het “koninkje spelen” is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, een overblijfsel van de heidenscheSaturnalia, dat door den Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens het koningsspel was te Rome overoud;Suetoniusnoemt dit “het spel om gezag en heerschappij”. Het verloten geschiedde meestal door middel van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.Wellicht berust op de gebruiken gedurende deSaturnalia-feesten ook nog het geven van geschenken opSt. Pontianus en St. Agnesdag (14 en 21 Jan.), het “Ponsen en Angen” of “Ponsen en Nieten”, vroeger in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van de H.H. Pontianus enAgnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde vrouwen.Vrouwkensavond (19 Jan.), te Brussel gevierd, naar verluidt ter herinnering aan den 19denJanuari 1101, toen de Brusselaren, aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na ʼt avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.Koppermaandagheet de Maandag na Driekoningen:kopperkensdagh, kopperkensmaendagh.Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oudekopperen“smullen, drinken, pret maken” uit te gaan, dat vankop“beker” kan komen. Een volksetymologische vervorming iskoppeltjesmaandag, wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenalskoperen maandag, naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag(Groningen),verloren-, verzworen-, verkoren-, jaFlora-maandag. Te Diest zegt men nogblijde maandag. “Verloren” Maandag werd verklaard door het daags te voren gelezen evangelie van het “verloren” kind Jezus, of omdat deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat “verloren” weer volksetymologisch verbasterd is uit “versworen”, de benaming, die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen zegt men:Egyptische Maandag, omdat men daar een omgang hield, en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],Noch in dei,Dan is kopermoandei wei [weg].ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 167.Antonius-abt (17 Jan.)behoort in België tot de meest populaire heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men ditAntoniuszwijnongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7enJanuari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.Sint-Sebastianus (20 Jan.),de met pijlen doorschoten martelaar, wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke gewestenvan Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen op. Hun “koning” is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: “Hij heeft den vogel af.” Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.Pauli Bekeering (25 Jan.).Ook deze dag is eendies criticus. een beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De Tirolers verzekeren van den 25stenJanuari:Paul bekehrʼ,Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.V. Reinsberg-Düringsfeldverhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: “ils sont contents sʼil est clair, mais très tristes si le contraire a lieu”(Calendrier belgeI, bl. 76).De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, onvervalscht fetissisme. ImmersSchotelvermeldt in zijn Tilburgsche Avondstonden, bl. 12, dat men “elders een strooien Paulus aan den haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij hem in het vuur”. Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin der XVIeeeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten rond te dragen. Geschieddezulks bij helder weêr, dan begoten zij het met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen eenPaulusofPaulusjein huis te brengen, “binnen te brengen”. Dit was een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, dan moest de vrouw des huizes ʼs avonds koeken bakken, enz.Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche folkloristenRegenzaubernoemen, waarover nader. Zie over Pauli Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.Maria Lichtmis(2 Febr.). Dat dit feest voor een heidensch in de plaats trad, waarom en hoe, leert PausInnocentius IIIin een preek op Maria-Zuivering: “De heidenen hadden de maand Februari aan de goden der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd dit feestAmburbalegenoemd. Maar wijl onze heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria.”NaarDe Cockvermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg het woord “lichtmis” de beteekenis van “losbol”. Hierop wijst ook de Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-Schud-de-panne.Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. “Wanneer op O.L. Vrouw Lichtmis de zon op het misboek schijnt”, zegt men in Limburg, “dan kruipt de vos nog zes weken in zijn hol.” En verder: “Op Lichtmisdag ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon”.—“Lichtmis donker, maakt den boer tot jonker”; enz. enz. Wij komen hierop terug in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.—Een Duitsch rijmpje zegt:Wenn die Tage langen.Kommt der Winter gegangen,en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen Nieuwjaar en Vrouwendag hetklootschietenplaats. Elk speler krijgt een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, wordt de prijs toegekend.Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers wareneveneens groote minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpenschietklootengenoemd; zie vooralTer Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.Sint Blasius (3 Febr.).De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren of huidontstekingen, die “blazen”, d.i. blaren, genoemd worden. In Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband door de Vlaamsche spreekwijze: “Blasius blaast”, als het omstreeks 3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa tegen de roos.Henri Estiennegeeft over dit verschijnsel de voor zijn tijd merkwaardige opmerking: “A quelques saincts on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait un nom approchant du sien.” Zie vooralGittéeʼs belangrijk artikel: “Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen”, in deZeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.Vastenavondbestaat uit de drie “vette” dagen (Zondag, Maandag en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde deSpurcalia in Februario, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de termspurcaliahet aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vormsprokkelmaand, Middelnederl.sporkelmaent, is niet geloofwaardig. Men vindt ook reeds vroeg Vastelavond, met de bekende variatie vannenl, die ook invasteldagenschrikkeljaar, en in het Middelnederl.werkeldachworden aangetroffen.Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, datJulius Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598het ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering eenRomeinschlentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en offermaaltijden kenmerkte.Mogkhoudt deze periode voor een feest der wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden vanSebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren heb aangehaald.Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: “ʼt Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.— De kinderen zetten in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts zijne ronde doet en iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen achterlaat”; aldusDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 71.—Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woordCarnaval, dit is afkomstig van het Toskaanschecarnevale. dat waarschijnlijk eenigszins haplologisch voorcarnelevalestaat; en deze vorm zelf is door progressieve assimilatie uitcarnelevareontstaan: “het opruimen van het vleesch.” Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als “vleesch, vaarwel!”:carne+vale. Zij zien hierin een volkshumoristische uitdrukking der kloostertaal. —De Romaansche benamingen van den Vastenavond werden voortreffelijk behandeld doorMerloinWörter und Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt.Ik herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk doorPieter Breughel den Oudengepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.1. Iets zeer eigenaardigs is demaskerade, het vermomd over straat loopen. “Zot loopen” was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog heden van “Vastenavondgekken”.Maar “de tegenwoordige maskeraden zijn slechts de schaduw van de vroegere”, zegtDe Cock, Volkskunde, bl. 239; “de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen confettiʼs in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heeten”. Dit vermommings-gebruik is stellig uit Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan “den goeden ouden tijd” herinnerde, misschien wel een overblijfsel van deSaturnalia(bl. 148) of van het Romeinsche “Narrenfeest” (feriae stultorum) op den 17denFebruari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de “Vette Donderdagen”, omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.2.Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen opVetten Dinsdagten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering.Befaamd zijn devastenavondkoeken, verschillend van naam en van vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: “Zij vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond”; in Limburg heeft men het somwijlen “zoo druk als de pan op Vastenavond”. Ook in Engeland is Vastenavond-Dinsdag de grootePancake-dag. Die dagen gaan in Brabant en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes aan de deuren pannekoek bedelen: “Spek en eier en braadworst is goeie vastenavondkost”, meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit blijkt ook uit devastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot (bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijkfoekedagwordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,Ik heb geen geld om brood te koopen.Rommelpotterij, rommelpotterij,Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, Rolde en Norg (D.)hotfotofhottefot, te Dieverfortelpot, teZoutkamppooverpot, in Noord-Holland veelalrompot. Men bezigt hem ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, bl. 115.De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden gekenmerkt door het refrein: “ho, man, ho!” Zoo b.v.:De Schout van Leiden heeft een bult,Ho, man, ho!Die is met ouwe lappen gevuld,Ho, man, ho! enz.En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein:
Als wij op ʼt kerkhof kwamen,Wie zagen wij daar staan?Jezus van NazarenenAan ʼt kruis genageld staan.
Als wij op ʼt kerkhof kwamen,Wie zagen wij daar staan?Jezus van NazarenenAan ʼt kruis genageld staan.
Als wij op ʼt kerkhof kwamen,
Wie zagen wij daar staan?
Jezus van Nazarenen
Aan ʼt kruis genageld staan.
Met eenen doornenkrooneOp Jezus hoofd gedaan,Vol rozen en roo nelen (leeljen)Om naar den hemel te gaan.
Met eenen doornenkrooneOp Jezus hoofd gedaan,Vol rozen en roo nelen (leeljen)Om naar den hemel te gaan.
Met eenen doornenkroone
Op Jezus hoofd gedaan,
Vol rozen en roo nelen (leeljen)
Om naar den hemel te gaan.
Echte kinderrijmjes vindt men in de Kempen. Zoo b.v.
Maria was gezetenMet ʼt kindjen op den schoot,Om pappeken te laten eten,Gekookt met wittebrood.Daar zat een rattekeAan Jezus pappeke!Maria maak het klaar,Met deze zalige nieuwjaar.
Maria was gezetenMet ʼt kindjen op den schoot,Om pappeken te laten eten,Gekookt met wittebrood.Daar zat een rattekeAan Jezus pappeke!Maria maak het klaar,Met deze zalige nieuwjaar.
Maria was gezeten
Met ʼt kindjen op den schoot,
Om pappeken te laten eten,
Gekookt met wittebrood.
Daar zat een ratteke
Aan Jezus pappeke!
Maria maak het klaar,
Met deze zalige nieuwjaar.
Van geheel anderen aard is het zeer verspreide:
Op eenen nieuwe jareSloeg een bakker zijn wijf,Met eenen eiken kluppelZoo deerlijk op haar lijf!
Op eenen nieuwe jareSloeg een bakker zijn wijf,Met eenen eiken kluppelZoo deerlijk op haar lijf!
Op eenen nieuwe jare
Sloeg een bakker zijn wijf,
Met eenen eiken kluppel
Zoo deerlijk op haar lijf!
De vrouw begon te kermen,“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”De bakker zonder ontfermenSloeg nog wel tienmaal meer.
De vrouw begon te kermen,“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”De bakker zonder ontfermenSloeg nog wel tienmaal meer.
De vrouw begon te kermen,
“Ach bakker ʼt doet mij zoo zeer!”
De bakker zonder ontfermen
Sloeg nog wel tienmaal meer.
De vrouw kroop onder den oven,De bakker van achternaar!Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],Met dezen nieuwe jaar.
De vrouw kroop onder den oven,De bakker van achternaar!Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],Met dezen nieuwe jaar.
De vrouw kroop onder den oven,
De bakker van achternaar!
Daar kwamen zij uitgestoven [bestoven?],
Met dezen nieuwe jaar.
Al zingende gaan de kinderen rond bij de inwoners van het dorp. Zij ontvangen noten, appelen, krakelingen enz., maar ook nieuwjaarskoeken, in West-Vlaanderenlukken, liefkoeken, in Oost-Vlaanderennieuwjaarkesgeheeten: kleine wafeltjes, in een bijzonder wafelijzer gebakken. Eene bijzondere vermelding verdienen denijjaorskôkenenkniêpertiês, despekkendikken, spekpannekoeken, vetkrabben, oliekrabben enjuffertiêsuit den Achterhoek, verorberd op oudejaarsavond oftäofeltiêsaovend(Raalte, Ommen, Collendoorn enz.), wanneer meiden en knechts, ja het heele gezin uitgaathen kôkenofhen taofelen. Op een ijzeren plaat brandt er vuur, en in het front prijkt dekôokstomp, tot dit doel reeds in den zomer uitgezocht en gedroogd. Hierop komt te rusten hetkôokiêzerofnijjaorsiêzer. Elders begint de smulpartij met eenpoddik(pudding), dan volgt rijst en daarna ʼtbeestenvleesch, de hoofdschotel.
De koekijzers zijn versierd met kunstig graveerwerk en inschriften, wier spiegelschrift door den nieuwjaarskoek leesbaar wordt weergegeven; zoo b.v.: “Segt niemand U Geheim nog U geheime gedachte. Die heden Is U Friend Sal morgen U verachten” (Twente). Ook elders bakt menvollaards,prauwelsenijzerkoekjes, te Groningenolde wieven, te Velthoven (N.-B.)towten.
Men ziet het, wij zijn volop in het vruchtbaarheidstijdperk. Dit blijkt ook hieruit, dat te Roosteren (L.) de kinderen hun “heio” roepende op nieuwjaarsdag rond gaan, te Echt, Einighausen, Nunhem,Buggenum, Beegden (L.) enz. op Silvesteravond. Dan zingt men het eeuwenoude liedje:
Ich kwaam al aangeloupe,Ich sêg ʼt see rouke,Ich sêg wal aan den oave wis,Dat er get gebakken is.Isser niks gebakke,Dan gèft ene korf vol appele,Is de korf te klein of te groot,Dan gèft mig ene volle schoot.
Ich kwaam al aangeloupe,Ich sêg ʼt see rouke,Ich sêg wal aan den oave wis,Dat er get gebakken is.Isser niks gebakke,Dan gèft ene korf vol appele,Is de korf te klein of te groot,Dan gèft mig ene volle schoot.
Ich kwaam al aangeloupe,
Ich sêg ʼt see rouke,
Ich sêg wal aan den oave wis,
Dat er get gebakken is.
Isser niks gebakke,
Dan gèft ene korf vol appele,
Is de korf te klein of te groot,
Dan gèft mig ene volle schoot.
Te Soerendonk (N.-B.) luidt dan het Schuddekorfslied:
Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,Ge zult verdienen het eeuwig leven.Het eeuwig leven is bitter gewonnen,Voor een gulden een draad gesponnen.Kijk eens in je korfje,Daar liggen drie appeltjes in,Even groot, kralo, vrouwke lo,Geef wat, houd wat,Volgend jaar weer wat.
Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,Ge zult verdienen het eeuwig leven.Het eeuwig leven is bitter gewonnen,Voor een gulden een draad gesponnen.Kijk eens in je korfje,Daar liggen drie appeltjes in,Even groot, kralo, vrouwke lo,Geef wat, houd wat,Volgend jaar weer wat.
Vrouwke, vrouwke, nieuwjaar geven,
Ge zult verdienen het eeuwig leven.
Het eeuwig leven is bitter gewonnen,
Voor een gulden een draad gesponnen.
Kijk eens in je korfje,
Daar liggen drie appeltjes in,
Even groot, kralo, vrouwke lo,
Geef wat, houd wat,
Volgend jaar weer wat.
Men noemt dit b.v. te Buggenumringzingen(ring=soort krakeling); na het zingen volgt hetgrabbelen, Maasbree:griebelen. Meestal krijgen de kinderenringen, maar ook ander snoepgoed. Te Koedijk (N.-H.) gaat in den nieuwjaarsnacht de plaatsvervanger van Sinterklaas, “de gouden [goede?] engel” rond, om de kinderen wat lekkers te rijden.
Eindelijk, met het vruchtbaarheidsbegrip staat, naar men weet, ook in verband het schieten in den nieuwjaarsnacht, veelal verboden, maar in het zuidelijk volksgebied nog doorgaans gebruikelijk. Ook elders, te Deventer b.v., schiet men nog “van het olde in ʼt nije”, of men “schieët het olde uut”. Dit schieten wordt thans nog slechts als vreugdeteeken beschouwd.
Het “nieuwjaar afwinnen” is nog steeds in zwang. Bij het nieuwjaarsbezoek worden veelal (Staphorst enz.) koeken opgedischt, te Venloo een bepaalde soort moppen, die dan ooknieuwjaarsmoppenheeten.
Eén eigenaardigen gebaksnaam liet ik nog onbesproken, n.l. het Westvlaamschestrijneofstrene(rondom Veurne), dat door het Franscheétrennesop het Latijnschestrenaeteruggaat: zoo heetten de kleine, maar aangename geschenken, die men elkaar in het oude Rome op Nieuwjaarsdag vereerde. Immers bij de gebruiken der jaarswisseling dient men niet alleen rekening te houden met de Christelijke en Germaansche bestanddeelen, maar ook met den invloed, uitgeoefend door de Romeinsche kalenderviering, die den god Janus golden. Zie Driem. Bladen VIII, bl. 62; V, bl. 80; II, bl. 1 vlg.;Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg, bl. 13;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 109.
Driekoningendag (6 Jan.). De kinderschaar, die langs de huizen trekt en daar om brandhout of versnaperingen vraagt, somtijds nog met den oudenrommelpotoffoekepot, neemt op Driekoningendag een geheel bijzonderen vorm aan door een sterkere vermenging met het Christelijk element: ik bedoel het bekendesterzingen, op het oogenblik tot België en sommige plaatsen in de zuidelijke provinciën beperkt. Drie jongens, als koningen verkleed—en éen hunner is met roet zwart gemaakt—, gaan van huis tot huis en dragen aan een staak een ster, uit papier gesneden, en met goud en zilver versierd. Trekken ze aan een koord, dan draait de ster als een molen. Zij dragen de namen der H.H. Driekoningen: Caspar, Melchior en Balthasar.
Eenmaal kende men de sterdragers in alle steden en gewesten van Groot-Nederland. Het lied, dat zij zongen, en dat nòg gezongen wordt, is in tallooze varianten overgeleverd, maar kan althans in hoofdtrekken worden gerekonstrueerd. Het is subliem van roerenden eenvoud. Treffend vooral is het sterk op den voorgrond zich dringende lyrisch-dramatische karakter: en inderdaad, uit de dramatischevoorstelling der Aanbidding van de Drie Koningen is het ontstaan, heeft het zich gevormd en vervormd. Oorspronkelijk krijgen wij dan buiten het kerkgebouw een rondgang van koorknapen en scholieren, later van de jeugd in het algemeen. Te Weert bestond in 1840 nog het gebruik, dat op Driekoningenavond driemisdienaarsin hun koorgewaad met ster, lantaarn en proviandkorf van huis tot huis trokken.
Het lied, dat in de Zaanstreek en langs de Noordzee het zuiverst bewaard bleef, moet oorspronkelijk ongeveer geluid hebben als volgt:
Wij komen getreden met onze sterre,Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.(wij hadden Hem gaerne).
Wij komen getreden met onze sterre,Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.(wij hadden Hem gaerne).
Wij komen getreden met onze sterre,
Wij zoeken Heer Jezus, wij komen van verre.
(wij hadden Hem gaerne).
Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Wij kwamen al voor Herodes zijn deur,
Herodes, de koning, kwam zelvers veur.
Herodes, die sprak met valscher hart:“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—
Herodes, die sprak met valscher hart:“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—
Herodes, die sprak met valscher hart:
“Hoe ziet er de jongste van drieën zoo zwart?”—
“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,“Het is er de Koning van Oriënt.”
“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,“Het is er de Koning van Oriënt.”
“Hij ziet er wel zwart, maar hij is welbekend,
“Het is er de Koning van Oriënt.”
Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,Daar zag men de starre stille staan,Ja stille staan.
Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,Daar zag men de starre stille staan,Ja stille staan.
Wij kwamen den hoogen berg opgegaan,
Daar zag men de starre stille staan,
Ja stille staan.
(Pauze.)
Och starre, jij moet er niet stille staan,Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.
Och starre, jij moet er niet stille staan,Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.
Och starre, jij moet er niet stille staan,
Je moet er met ons tot Bethlehem gaan.
Tot Bethlehem, in die schoone stad,Daar Maria met haar klein kindeke zat.
Tot Bethlehem, in die schoone stad,Daar Maria met haar klein kindeke zat.
Tot Bethlehem, in die schoone stad,
Daar Maria met haar klein kindeke zat.
Hoe kleiner kind, hoe grooter God:Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.
Hoe kleiner kind, hoe grooter God:Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.
Hoe kleiner kind, hoe grooter God:
Een zalig Nieuwjaar verleen ons God.
Noordwijk:
Daar al de Joden mee hebben gespot.
Daar al de Joden mee hebben gespot.
Daar al de Joden mee hebben gespot.
Dit lied is nauw verwant met een ander, dat opgeteekend staat inHet Hofken der geestelijcker Liedekens(Loven 1577), bl. 28; het begint:
Het quamen drij Coninghen uut verre landen,Nu wiegen, nu wieghen wij,om Gode te doen een offerande.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, mijn toeverlaetis Maria soon.
Het quamen drij Coninghen uut verre landen,Nu wiegen, nu wieghen wij,om Gode te doen een offerande.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, mijn toeverlaetis Maria soon.
Het quamen drij Coninghen uut verre landen,
Nu wiegen, nu wieghen wij,
om Gode te doen een offerande.
Des waren sij vro.
Alle mijnen troost, mijn toeverlaet
is Maria soon.
Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,Nu wiegen, nu wieghen wij,Al bijt verlichten van eender sterre.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, enz.
Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,Nu wiegen, nu wieghen wij,Al bijt verlichten van eender sterre.Des waren sij vro.Alle mijnen troost, enz.
Sij quamen van Ooste, sij quamen van verre,
Nu wiegen, nu wieghen wij,
Al bijt verlichten van eender sterre.
Des waren sij vro.
Alle mijnen troost, enz.
Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,Nu wiegen, nu wieghen wij,Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.Des waren zij droef.Alle mijnen troost, enz.
Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,Nu wiegen, nu wieghen wij,Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.Des waren zij droef.Alle mijnen troost, enz.
Maer doen sij binnen Jerusalem quamen,
Nu wiegen, nu wieghen wij,
Die claerheyt der sterre sij niet en vernamen.
Des waren zij droef.
Alle mijnen troost, enz.
ZieVan Duyse, Het Oude Nederl. Lied, bl. 2042.Dr. Boekenoogenwijst er zeer terecht op, hoe het refrein aantoont, dat het lied ook gezongen is bij het wiegen van het Kerstkindje in de kerk; zie het Jubelnummer van Volkskunde, bl. 24 vlg., waar hij ook op voortreffelijke wijze de verschillende parodieën van het sterrelied behandelt; vergel. nogKnuttel, Het Geestelijke Lied enz., bl. 106.
De rondgaande kinderen zongen en zingen ook veelal het lied van Maria Magdalena (eveneens met talrijke varianten):
Op eenen Driekoningenavond,Op eenen Driekoningendag,Toen zat Maria MagdalenaAl op Heer Jezusʼ graf.
Op eenen Driekoningenavond,Op eenen Driekoningendag,Toen zat Maria MagdalenaAl op Heer Jezusʼ graf.
Op eenen Driekoningenavond,
Op eenen Driekoningendag,
Toen zat Maria Magdalena
Al op Heer Jezusʼ graf.
Sta op, Maria Magdalena,Sta op van den bitteren dood!Uw zondekens zijn u vergeven,Al waren zij nog zoo groot.
Sta op, Maria Magdalena,Sta op van den bitteren dood!Uw zondekens zijn u vergeven,Al waren zij nog zoo groot.
Sta op, Maria Magdalena,
Sta op van den bitteren dood!
Uw zondekens zijn u vergeven,
Al waren zij nog zoo groot.
Een meer volledige, juister wellicht meer uitgewerkte lezing van dit lied vindt men in Volk en Taal I, bl. 53; in bedelliedjes werd het herhaaldelijk geparodieerd.
Aan de nieuwjaarsvuren herinnert hetkaarsjespringen; immers de engere Joeltijdperiode, die den 6denJanuari eindigt, is het eigenlijke nieuwjaarstijdperk. Als besluit van dit tijdperk wordt Driekoningendag in Vlaanderen dan ook plaatselijkDertiendagofDertiennachtgenoemd; ook in oude Nederlandsche kalenders wordt hij nog aangehaald alsDertiendagh. Te Zwolle was het kaarsjespringen dan ook op oudejaarsavond gebruikelijk: naar men ziet, hangt het noch met den H. Martinus, noch met de Driekoningen samen, maar is het een rudimentaire vorm van de aloude feest- en offervuren. Op Driekoningendag kent men het nog te Breda, Huissen enz.; eertijds was het algemeen in het Noorden van ons land. Dekoningskaarsjeswaren, volgensTer Gouw, Volksvermaken, bl. 177, kaarsen met drie armen, waarvan de middelste zwart geverfd was en “het Moorken” ofMelckert(d.i. Melchior) heette. Zóo was het gebruik eenigermate gekerstend. In de Middeleeuwen noemde men deze kaarsjes zelfs degebenedijdeofheylighe keerskens. Bij het dansen zong men:
Kaarsies, kaarsies, drie aan een,Springen wij er over heen heen.Al wie daar niet over kan,Die en weet er nou niemendal van.
Kaarsies, kaarsies, drie aan een,Springen wij er over heen heen.Al wie daar niet over kan,Die en weet er nou niemendal van.
Kaarsies, kaarsies, drie aan een,
Springen wij er over heen heen.
Al wie daar niet over kan,
Die en weet er nou niemendal van.
In België verdwijnt het gebruik of is het verdwenen. Te Sint Truiden zong men:
Keerske, keerske over het keersbeenke,En al wie daar niet over en kan,Die weet er niet van!
Keerske, keerske over het keersbeenke,En al wie daar niet over en kan,Die weet er niet van!
Keerske, keerske over het keersbeenke,
En al wie daar niet over en kan,
Die weet er niet van!
En al wie daar niet over en kan,Die blijft er van,Die blijft er van!Keerske, keerske over het keersbeenke!
En al wie daar niet over en kan,Die blijft er van,Die blijft er van!Keerske, keerske over het keersbeenke!
En al wie daar niet over en kan,
Die blijft er van,
Die blijft er van!
Keerske, keerske over het keersbeenke!
Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 115.
In Noord-Brabant, Antwerpen, Belgisch Limburg en West-Vlaanderen kent men ten slotte nog het volgende rijmpje:
Drie koningen, drie koningen,Geef mij een nieuwen hoed.Mijn oude is versleten,Mijn moeder mag ʼt niet weten,Mijn vader heeft het geldOp den rooster geteld.
Drie koningen, drie koningen,Geef mij een nieuwen hoed.Mijn oude is versleten,Mijn moeder mag ʼt niet weten,Mijn vader heeft het geldOp den rooster geteld.
Drie koningen, drie koningen,
Geef mij een nieuwen hoed.
Mijn oude is versleten,
Mijn moeder mag ʼt niet weten,
Mijn vader heeft het geld
Op den rooster geteld.
Of wel (Noord-Brabant):
Vader mag het niet weten,Moeder is niet thuis,Piep zegt de muisIn ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).
Vader mag het niet weten,Moeder is niet thuis,Piep zegt de muisIn ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).
Vader mag het niet weten,
Moeder is niet thuis,
Piep zegt de muis
In ʼt zomerhuis (in ʼt voorhuis).
Driekoningen werd in de Middeleeuwen niet alleen in de kerk, maar ook daarbuiten in ruimen kring luisterrijk gevierd. Op Driekoningenavond heerschte vreugde alom, in de paleizen, maar ook in de schamele woningen der armen. De steden gaven aan de kloosters, en de kloosters verstrekten aan de arme lieden brood en bier tot “hun Coninxfeeste”. Dat dit ook naderhand nog voortduurde, ergerde den oudenWalich Sieuwertszzeer, en hij beklaagde zich dan ook, dat nog in ʼt begin der XVIIeeeuw voorname en officiëele personen zich niet schaamden, “op Derthienden avent Coningsken te spelen, en haer voor Godt en de menschen niet en schamen dit naer te volgen ende te onderhouden.”
“ʼt Was wel de moeite waard”, schrijftTer Gouw, “zich overzooʼn onschuldig huiselijk vermaak zoo te ergeren! En nog langen, zeer langen tijd, nadat Walich en zijn boek reeds lang vergeten waren, speelden dan ook de Hollanders nog even vrolijk koninkje als weleer. De bakker leverde, of de huismoeder bakte zelve, een brood, waarin een boon verborgen was; bij de boeren heette ʼt “de bonekoek”, in de steden “ʼt coninxbrood”; en de boon was het, die “het lot van conig te sijn” besliste.” (Volksvermaken, bl. 175). HetDriekoningenbroodis nog niet in onbruik.
Boonenkoekenkoningsbrieven, die verkocht of getrokken worden, en waardoor de rollen van koning, koningin, hofnar, asschepoester, Zwarte Piet (herinnering aan den zwarten koning?) enz. verdeeld worden, zijn in Noord-Brabant en Limburg nog veelal gebruikelijk. Te Antwerpen worden op den vooravond de koningsbrieven door de kinderen op straat gevent; dan hoort men aanhoudend:
Koningsbrieven en kroon en kroon!Koningsbrieven en kroon!
Koningsbrieven en kroon en kroon!Koningsbrieven en kroon!
Koningsbrieven en kroon en kroon!
Koningsbrieven en kroon!
De Cock, Volkskunde, bl. 235 bericht hierover nader: “Op slechts enkele plaatsen van het Vlaamsche Land (in Brabant en West-Vlaanderen) is de boonkoek nog bekend. Daarnaast bestaat echter een andere manier om den koning aan te duiden, n.l. door het trekken van de “keuningsprentjes of -briefkens”, reeds in 1469 in de gemeenterekeningen van Veurne vermeld, en, wat meer zegt, in een oude kroniek van Doornik in 1281 al een oud gebruik geheeten. Dit wordt nog heden in verscheiden steden en dorpen van de beide Vlaanderen aangetroffen. Een volledig stel gedrukte koningsbriefjes bevat afbeeldingen voor zestien personages, n.l. den koning met zijn hovelingen en bedienden: raadsman, sekretaris, rent- en hofmeester, schenker, voorsnijder, biechtvader, medecijn, portier, bode, zanger, speelman, zot en kok,—elk voorzien van een passend vierregelig versje, dat min of meer de rol aangeeft, die men te vervullen krijgt. In de dorpen, waar gedrukte koningsbriefjesdoorgaans ontbreken, worden deze eenvoudig geschreven, vaak in een zeer populairen, boertigen vorm. Na trekking der briefjes zijn de rollen verdeeld; de koning moet zijn onderdanen te drinken geven en drinkt zelf de eerste teug: thans gewoonlijk gesuikerde jenever met een lepel uit een kom geschept en hieruit opgeslurpt. Op dat oogenblik dienden de hovelingen te roepen: ““De koning drinkt.”” De zot zag toe, of niemand daaraan te kort schoot en de nalatige werd met een koolstreep in ʼt aangezicht gemerkt.” Zie verder zijne Spreekwoorden en zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden2(Gent 1908), bl. 171. Men denke ook aan de doeken vanJordaens: “De koning drinkt.”
De koningskoek komt nog elders voor. In Engeland vooral bakt men koningskoeken van allerlei grootte en vorm, als een waardig besluit van het Vruchtbaarheidstijdperk.
Het “koninkje spelen” is waarschijnlijk een Romeinsch bestanddeel, een overblijfsel van de heidenscheSaturnalia, dat door den Driekoningendag een christelijk vernisje kreeg. Dan toch vierde men te Rome de zegeningen van den gulden voortijd: toen de god Saturnus onder de menschen leefde en overal vrijheid en gelijkheid bloeide. Vooral de slaven hadden het dien dag goed, werden door de meesters als huns gelijken of zelfs als meerderen behandeld en door hen aan tafel bediend. Feestgelagen waren in dezen tijd aan de orde van den dag, en veelal liet men bij deze dan het lot beslissen, wie koning der tafel werd, feestkoning, tevens ceremoniemeester. Trouwens het koningsspel was te Rome overoud;Suetoniusnoemt dit “het spel om gezag en heerschappij”. Het verloten geschiedde meestal door middel van boonen, die een sakrale beteekenis hadden.
Wellicht berust op de gebruiken gedurende deSaturnalia-feesten ook nog het geven van geschenken opSt. Pontianus en St. Agnesdag (14 en 21 Jan.), het “Ponsen en Angen” of “Ponsen en Nieten”, vroeger in Nederland en België gebruikelijk; mogelijk stoelen de gebruiken dezer dagen ook op het feestelijk overbrengen der relikwiëen van de H.H. Pontianus enAgnes. Eigenlijk gaven de mannen op 21 Januari geschenken aan de vrouwen en meisjes, terwijl zij op 14 Januari een tegengeschenk ontvingen van de door hen op Koppermaandag begiftigde vrouwen.
Vrouwkensavond (19 Jan.), te Brussel gevierd, naar verluidt ter herinnering aan den 19denJanuari 1101, toen de Brusselaren, aan het zwaard der Saracenen ontkomen, onverhoopt naar huis terugkeerden. Telken jare luiden nog heden des avonds alle klokken van Brussel een half uur lang. De vrouwen zijn uitsluitend baas, en na ʼt avondmaal trachten zij zelve hun echtgenooten naar bed te dragen.
Koppermaandagheet de Maandag na Driekoningen:kopperkensdagh, kopperkensmaendagh.Men verklaart dezen naam aldus, dat deze Maandag ongeschikt werd geacht om koppen te zetten, zoodat de koppers vrijaf hadden. Wellicht is het juister van het oudekopperen“smullen, drinken, pret maken” uit te gaan, dat vankop“beker” kan komen. Een volksetymologische vervorming iskoppeltjesmaandag, wegens het bijeenkomen van het gemeene volk, evenalskoperen maandag, naar de kopermunt, die dan als fooi gegeven wordt. Andere namen zijn:gekke maandag, raasmaandag, kopjesmaandag(Groningen),verloren-, verzworen-, verkoren-, jaFlora-maandag. Te Diest zegt men nogblijde maandag. “Verloren” Maandag werd verklaard door het daags te voren gelezen evangelie van het “verloren” kind Jezus, of omdat deze dag van wege de feestelijkheden van de eedsaflegging der lagere ambtenaren toch verloren was. Deze laatste verklaring is zeer zeker te verkiezen, wanneer men tevens in het oog houdt, dat “verloren” weer volksetymologisch verbasterd is uit “versworen”, de benaming, die in de oudste dokumenten voorkomt en op genoemde eedsaflegging betrekking heeft. Men doet goed dezen Maandag te beschouwen als den heksluiter van het nieuwjaarstijdperk, wat dan ook het best strookt met de ambtsaanvaarding der beambten. In sommige deelen van Vlaanderen zegt men:Egyptische Maandag, omdat men daar een omgang hield, en ten deele nog houdt, die de vlucht naar Egypte voorstelde.
Te Amsterdam had eertijds op dezen dag een optocht der leprozen plaats, te Utrecht en elders liep men gemaskerd door de straten. In Gelderland en Limburg werd koppermaandag nog niet lang geleden luidruchtig met ganstrekken en katknuppelen gevierd. Merkwaardig is het zeker, dat dan te Haltert, Oosterzeele en andere dorpen van Oost-Vlaanderen de schoolmeester door de leerlingen wordt gebonden, hetgeen aan de gebruiken op St. Thomasdag herinnert (bl. 126). In Nederland, waar de dag voorheen door alle gilden gevierd werd, blijft heden hoofdzakelijk nog de viering door zetters en boekdrukkers over. Wel trekken nog in enkele Friesche dorpen de kinderen geruchtmakend en met ketens rammelend door de straten. Te Holwerd zingt men hierbij:
Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],Noch in dei,Dan is kopermoandei wei [weg].
Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],Noch in dei,Dan is kopermoandei wei [weg].
Kopermoandei, blikken tiisdei [Dinsdag],
Noch in dei,
Dan is kopermoandei wei [weg].
ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 167.
Antonius-abt (17 Jan.)behoort in België tot de meest populaire heiligen. Vele broederschappen of gilden van Sint Antonius drinken dien dag haar halve ton gildebier. Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men ditAntoniuszwijnongehinderd rondloopen. In België, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek enz.) wordt den I7enJanuari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.
Sint-Sebastianus (20 Jan.),de met pijlen doorschoten martelaar, wordt door de schuttersgilden, wier patroon hij is, plechtig gevierd. De schuttersgilden bloeien nog in België en in de zuidelijke gewestenvan Nederland. Vaak luisteren zij de processies of religieuze ommegangen met haar vaandels, trom, fluit, wapens en versierselen op. Hun “koning” is met zilveren platen omhangen. Eén plaat, met zilveren vogel, is het teeken, dat hij op het gildefeest den vogel met zijn boog heeft afgeschoten, vanwaar de uitdrukking: “Hij heeft den vogel af.” Vooral des zomers worden door de handboogschutterijen druk bezochte prijskampen gehouden; op dit onderwerp kom ik naderhand terug.
Pauli Bekeering (25 Jan.).Ook deze dag is eendies criticus. een beslissende dag voor het weêr. Hier geldt natuurlijk alleen de datum, het tijdstip, niet de geschiedenis van den heilige, niet zijne attributen, niet de volksetymologie van zijn naam, zooals dit b.v. het geval is met de H.H. Clara, Lucia, Andries, Mathijs en Katharina. De Tirolers verzekeren van den 25stenJanuari:
Paul bekehrʼ,Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.
Paul bekehrʼ,Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.
Paul bekehrʼ,
Der halbe Winter hin, der halbe Winter her.
V. Reinsberg-Düringsfeldverhaalt nog, dat de Belgische wijnbouwers dezen dag beschouwen als beslissend voor den wijnoogst: “ils sont contents sʼil est clair, mais très tristes si le contraire a lieu”(Calendrier belgeI, bl. 76).
De heilige wordt ook gestraft, als hij niet voor goed weêr zorgt. Wij hebben hier een sprekend geval van het mishandelen of straffen van heiligen, door hun beeltenissen te onteeren of te kastijden: typisch, onvervalscht fetissisme. ImmersSchotelvermeldt in zijn Tilburgsche Avondstonden, bl. 12, dat men “elders een strooien Paulus aan den haard plaatste, terwijl de vrouw koeken bakte. Was het goed weêr, dan wierp zij een pan met boter over hem heen, of sloeg hem met een geboterden koek in het aangezigt. Was het weer slecht, dan wierp zij hem in het vuur”. Ter vergelijking diene het bericht, dat in het begin der XVIeeeuw de inwoners eener kleine Duitsche stad gewoon waren op St. Maartensdag het beeld van den heilige openlijk langs de straten rond te dragen. Geschieddezulks bij helder weêr, dan begoten zij het met wijn; maar regende het, dan wierpen zij het met slijk en modder.
Zoo valt licht op een gebruik, dat te Jutfaas (Utrecht) vroeger en wellicht thans nog bij de boerenbewoners heerschende is. Op Pauli Bekeeringsdag placht men bij vrienden en kennissen eenPaulusofPaulusjein huis te brengen, “binnen te brengen”. Dit was een grootere of kleinere pop, die men in een hoek van het vertrek plaatste. Gebeurde zulks, zonder dat de brenger nat werd gegooid, dan moest de vrouw des huizes ʼs avonds koeken bakken, enz.
Zooals uit het bovenstaande blijkt, gold dit koeken bakken, dit met water gooien oorspronkelijk den heilige, of liever de pop, die den heilige voorstelde. Wellicht is deze wijze van mishandelen ontleend aan een vaak terugkeerend vruchtbaarheidsgebruik, dat de Duitsche folkloristenRegenzaubernoemen, waarover nader. Zie over Pauli Bekeering mijn opstel in het Jubelnummer van Volkskundc, bl. 21 vlg.
Maria Lichtmis(2 Febr.). Dat dit feest voor een heidensch in de plaats trad, waarom en hoe, leert PausInnocentius IIIin een preek op Maria-Zuivering: “De heidenen hadden de maand Februari aan de goden der onderwereld toegewijd, omdat, naar zij ten onrechte meenden, in het begin dier maand Proserpina door Pluto geroofd was; men geloofde, dat hare moeder Ceres haar den ganschen nacht in Sicilië had gezocht met brandende fakkels. Ter gedachtenis daaraan hielden zij [de heidenen] in het begin der maand een ommegang door de stad met brandende fakkels. Daarom werd dit feestAmburbalegenoemd. Maar wijl onze heilige voorouders deze gewoonte niet geheel en al konden uitroeien, hebben zij bepaald, dat men ter eere der H. Maagd Maria brandende kaarsen dragen zou. En zoo geschiedt thans ter eere der H. Maagd, wat vroeger plaats had ter eere Van Ceres. En wat eerst gebeurde ter eere van Proserpina, wordt thans gedaan tot lof van Maria.”
NaarDe Cockvermeldt, bestaat in België plaatselijk het gebruik,de op 2 Februari gewijde lichtkaars te ontsteken vóor het kisten van het lijk en dan enkele droppels in de kist te laten leken; soms laat men op dezelfde wijze, bij de bereiding van het zaaigraan, wat smeltend was tusschcn de korrels afdruipen; zie Volkskunde, bl. 237.
Vroeger verlieten of verwisselden de dienstboden op dezen dag hun dienst. Dit was wel een der oorzaken van de baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Holland en Vlaanderen. Zoo kreeg het woord “lichtmis” de beteekenis van “losbol”. Hierop wijst ook de Westvlaamsche benaming: O.L. Vrouw-Schud-de-panne.
Deze dag is vermaard in de volksweêrkunde. “Wanneer op O.L. Vrouw Lichtmis de zon op het misboek schijnt”, zegt men in Limburg, “dan kruipt de vos nog zes weken in zijn hol.” En verder: “Op Lichtmisdag ziet de boer liever den wolf in zijn schaapstal dan de zon”.—“Lichtmis donker, maakt den boer tot jonker”; enz. enz. Wij komen hierop terug in het hoofdstuk over de Volksweêrkunde.—
Een Duitsch rijmpje zegt:
Wenn die Tage langen.Kommt der Winter gegangen,
Wenn die Tage langen.Kommt der Winter gegangen,
Wenn die Tage langen.
Kommt der Winter gegangen,
en, inderdaad, ook in ons land begint na Nieuwjaar, als het toenemen der dagen merkbaar is, de eigenlijke periode der volksspelen en wintervermakelijkheden. Zoo had b.v. te Elburg ouder gewoonte tusschen Nieuwjaar en Vrouwendag hetklootschietenplaats. Elk speler krijgt een houten kloot, d.i. een platte, ronde schijf, terwijl de wal als speelterrein dient. Men dient nu in het minst aantal worpen den wal in het vierkant om te schieten, te beginnen aan een der vier poorten. Aan hem, die in het minst aantal worpen den stadsmuur heeft rondgeschoten, wordt de prijs toegekend.
Het klootschieten is wel een onmiddellijke afstammeling van het Oudgcrmaansche steenwerpen. Ook te Ootmarsum en Oldenzaal heeft het lang stand gehouden. De Hollanders en Gooiers wareneveneens groote minnaars van dit spel, in de Zuidhollandsche dorpenschietklootengenoemd; zie vooralTer Gouw, Volksvermaken, bl. 322 vlg.
Sint Blasius (3 Febr.).De volksetymologïe heeft bewerkt, dat de H. Blasius in Vlaanderen wordt aangeroepen als patroon tegen zweren of huidontstekingen, die “blazen”, d.i. blaren, genoemd worden. In Denemarken beschermt hij tegen den blazenden wind, op welk verband door de Vlaamsche spreekwijze: “Blasius blaast”, als het omstreeks 3 Februari sterk waait, een helder licht valt. Zoo wordt ook de H. Lambertus door het volk aangeroepen tegen de lamheid en de H. Rosa tegen de roos.Henri Estiennegeeft over dit verschijnsel de voor zijn tijd merkwaardige opmerking: “A quelques saincts on a assigné les offices suivant leurs noms, comme (pour exemple) quant aux saincts médecins, on a avisé que tel sainct guariroit de la maladie, qui avait un nom approchant du sien.” Zie vooralGittéeʼs belangrijk artikel: “Scherzhaft gebildete und angewendete Eigennamen im Niederländischen”, in deZeitschrift des Vereins für Volkskunde III, bl. 415 vlg.
Vastenavondbestaat uit de drie “vette” dagen (Zondag, Maandag en Dinsdag), die de groote Veertigdaagsche Vasten voorafgaan. De Kerkvergadering van Leptines in 743 veroordeelde deSpurcalia in Februario, waarmee zeer waarschijnlijk de uitspattingen van den Vastenavond bedoeld werden; dat echter de termspurcaliahet aanzijn zou geschonken hebben aan onzen vormsprokkelmaand, Middelnederl.sporkelmaent, is niet geloofwaardig. Men vindt ook reeds vroeg Vastelavond, met de bekende variatie vannenl, die ook invasteldagenschrikkeljaar, en in het Middelnederl.werkeldachworden aangetroffen.
Wij moeten m.i. drie bestanddeelen onderscheiden, die tot het ontstaan der vastenavondfeestviering hebben bijgedragen. Vooreerst een lente-vóorfeest, zooals ook uit menig vruchtbaarheidsgebruik in binnen- en buitenland blijkt; en ik geloof, datJulius Lippert,Christenthum, Volksglaube und Volksbrauch (Berlin 1882), bl. 598het ware treft, wanneer hij in de kern der feestviering eenRomeinschlentefeest ziet, in onze streken geïmporteerd, en dat zich naderhand van het Westen naar het Oosten uitbreidde. Maar dit feest trof in de Germaansche landen de resten van een specifiek-Germaansche feestviering, een feestperiode, die zich door offervuren en offermaaltijden kenmerkte.Mogkhoudt deze periode voor een feest der wederkeerende zon, vooral ook, omdat dan het wagenrad als symbool der zon een rol speelt. Niet onbelangrijk zijn in dit opzicht de woorden vanSebast. Franck, die ik bl. 104 bij het bespreken der noodvuren heb aangehaald.
Maar het Christendom heeft deze feestviering voor het meerendeel teruggedrongen tot vóór het begin van zijn veertigdaagschen Vastentijd, met het gevolg, dat nog slechts enkele overblijfsels aan bepaalde dagen in de Vasten bleven vastgehecht, met name aan Halfvasten: “ʼt Is een feest der Brabantsche en Antwerpsche kinderen, dat met het St. Niklaasfeest kan vergeleken worden.— De kinderen zetten in de schouw hunnen schoen of een korfken met hooi, dit laatste voor het paard van den Greef, die ʼs nachts zijne ronde doet en iets lekkers voor de goede, eene roede voor de slechte kinderen achterlaat”; aldusDe CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 71.—Zoo kreeg ook het geheel der Vastenavondfeestviering een eenigszins christelijke tint. Wat betreft het woordCarnaval, dit is afkomstig van het Toskaanschecarnevale. dat waarschijnlijk eenigszins haplologisch voorcarnelevalestaat; en deze vorm zelf is door progressieve assimilatie uitcarnelevareontstaan: “het opruimen van het vleesch.” Hierbij dient echter vermeld, dat Romanisten van naam nog de voorkeur blijven geven aan de bekende verklaring als “vleesch, vaarwel!”:carne+vale. Zij zien hierin een volkshumoristische uitdrukking der kloostertaal. —De Romaansche benamingen van den Vastenavond werden voortreffelijk behandeld doorMerloinWörter und Sachen III, 1, bl. 88 vlg.; vergel. III, 2, bl. 196.
In de Middeleeuwen bereikte de vastenavondpret haar hoogtepunt.Ik herinner slechts aan de vertooningen der vastenavondkluchten door de Rederijkers, aan de grootsche optochten en aan de dolle uitgelatendheid der feestvierenden in zotskleedij, zoo meesterlijk doorPieter Breughel den Oudengepenseeld. In het protestantsche Noorden is de Vastenavond zoo goed als uitgestorven; niet aldus in het Zuiden, men denke nog, behalve België, aan Den Bosch en Maastricht. In het Rijnland is vooral vermaard de vastenavondpret te Keulen en Maintz.
1. Iets zeer eigenaardigs is demaskerade, het vermomd over straat loopen. “Zot loopen” was de gangbare uitdrukking; wij spreken nog heden van “Vastenavondgekken”.Maar “de tegenwoordige maskeraden zijn slechts de schaduw van de vroegere”, zegtDe Cock, Volkskunde, bl. 239; “de straat geeft ons al niet veel meer te aanschouwen dan piepjonge, schreeuwerige gekken, vaak in poovere, afschuwelijke zotsplunje gestoken, wel eens groepsgewijze met een paar trompetters in een gewoon rijtuig zittend, en links en rechts den wandelaar, vooral de jonge meisjes, een varkensblaas op den rug slaande, of handvollen confettiʼs in het gelaat gooiend: een tooneel, dat veeleer walging- dan lachwekkend mag heeten”. Dit vermommings-gebruik is stellig uit Rome afkomstig, uit de volksfeestviering, die aan “den goeden ouden tijd” herinnerde, misschien wel een overblijfsel van deSaturnalia(bl. 148) of van het Romeinsche “Narrenfeest” (feriae stultorum) op den 17denFebruari. Hierbij zij opgemerkt, dat inderdaad in sommige streken in het buitenland de Vastenavond beschouwd wordt als een verlengstuk van het Joeltijdperk, en de periode tusschen Driekoningen en Aschwoensdag vult. Te Berg en Terblijt (L.) heeten nog de Donderdagen tusschen O.L. Vrouw-Lichtmis en Vastenavond de “Vette Donderdagen”, omdat aardappelen met spek dan de hoofdschotel is.
2.Overvloed van spijs en drank, veelal ontaardend in overdaad, heeft te allen tijde de vastenavondfeestviering gekenmerkt; drinkgelagen en smulpartijen zijn dan aan de orde en stijgen opVetten Dinsdagten top: in waarheid een vruchtbaarheidsfeestviering.Befaamd zijn devastenavondkoeken, verschillend van naam en van vorm (vastenavondtaart, pannekoek, spekkoek, groenkoek, wafels, geknepe-pletskes, poffertjes enz.), die voor de koekepan een eereplaats in onzen spreekwoordenschat veroverden. In België hoort men: “Zij vliegen meer als de heetekoekpan op Vastenavond”; in Limburg heeft men het somwijlen “zoo druk als de pan op Vastenavond”. Ook in Engeland is Vastenavond-Dinsdag de grootePancake-dag. Die dagen gaan in Brabant en Limburg de arme kinderen onder het zingen van vastenavondliedjes aan de deuren pannekoek bedelen: “Spek en eier en braadworst is goeie vastenavondkost”, meent men te Bree (B.L.). Te Reek (N.-B.) worden dan bij partikulieren wel eens worsten, eieren en spek weggehaald, wat doorgaans niet kwalijk genomen wordt. Vroeger werden te Afferden worsten bijeengehaald en aan lange houten gaffels over straat gedragen.
3. Worst is een onmisbaar bestanddeel van het vastenavondmenu. Dit blijkt ook uit devastenavondliedjes, die eigenlijk rommelpotliedjes zijn, d.i. gezongen met begeleiding van den rommelpot of foekepot (bl. 142). Vandaar, dat op de Veluwe de Vastenavond plaatselijkfoekedagwordt genoemd. De foekepot is een aarden pot, half vol water, waarover een varkensblaas is gespannen; in het midden hiervan is een rietstokje bevestigd, dat door den duim en twee nat gemaakte vingers of door de geheele hand wordt gewreven en dan een dof-rommelend geluid veroorzaakt. Ook in het Noorden van ons land is dit instrument bekend en luidt het zeer zeker meest gangbare deuntje:
Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,Ik heb geen geld om brood te koopen.Rommelpotterij, rommelpotterij,Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.
Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,Ik heb geen geld om brood te koopen.Rommelpotterij, rommelpotterij,Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.
Ik heb al zoo lang met den rommelpot geloopen,
Ik heb geen geld om brood te koopen.
Rommelpotterij, rommelpotterij,
Geef mij een oortje, dan ga ik voorbij.
De rommelpot heet te Dalen, Zweeloo, Weerdinge, Eext, Zuidlaren, Rolde en Norg (D.)hotfotofhottefot, te Dieverfortelpot, teZoutkamppooverpot, in Noord-Holland veelalrompot. Men bezigt hem ook omstreeks Paschen, Kerstmis en Nieuwjaar; zie Driem, Bladen II, bl. 115.
De rommelpotliedjes, die zelf niet van dit instrument gewagen, worden gekenmerkt door het refrein: “ho, man, ho!” Zoo b.v.:
De Schout van Leiden heeft een bult,Ho, man, ho!Die is met ouwe lappen gevuld,Ho, man, ho! enz.
De Schout van Leiden heeft een bult,Ho, man, ho!Die is met ouwe lappen gevuld,Ho, man, ho! enz.
De Schout van Leiden heeft een bult,
Ho, man, ho!
Die is met ouwe lappen gevuld,
Ho, man, ho! enz.
En zoo bezat ook het meest bekende en meest verspreide vastenavondliedje oorspronkelijk dit refrein: