De Volkstaal.De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover hettaaleigenstaat dealgemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van ʼt staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch de algemeene taal of Koine.Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde—in de beteekenis van hooger beschaafde—taal ofkultuurtaal. “Algemeen” wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; “beschaafd” wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en kultuurtaal.Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het “algemeen beschaafd”, wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede familiesgebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan eenkultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,—al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,—overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hierkant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. “De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn”, schreefGuido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt opgenomen doorHugo Verriestschrijft deze: “Moet hij daarom alsparticularistgedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde eenparticularist, en de nachtehaal de grootste van allen”. Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg “vrij wel”, want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van eenGezelle, Streuvelsen zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.—Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde “Sondersprachen”, waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal vanDr. J. Van Ginneken.Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt dehoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn volkswijsheiden volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. “Jede Provinz”, zegtGoethe, “liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft”. In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.
De Volkstaal.De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover hettaaleigenstaat dealgemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van ʼt staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch de algemeene taal of Koine.Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde—in de beteekenis van hooger beschaafde—taal ofkultuurtaal. “Algemeen” wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; “beschaafd” wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en kultuurtaal.Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het “algemeen beschaafd”, wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede familiesgebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan eenkultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,—al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,—overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hierkant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. “De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn”, schreefGuido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt opgenomen doorHugo Verriestschrijft deze: “Moet hij daarom alsparticularistgedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde eenparticularist, en de nachtehaal de grootste van allen”. Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg “vrij wel”, want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van eenGezelle, Streuvelsen zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.—Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde “Sondersprachen”, waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal vanDr. J. Van Ginneken.Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt dehoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn volkswijsheiden volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. “Jede Provinz”, zegtGoethe, “liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft”. In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.
De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover hettaaleigenstaat dealgemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van ʼt staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch de algemeene taal of Koine.
Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde—in de beteekenis van hooger beschaafde—taal ofkultuurtaal. “Algemeen” wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; “beschaafd” wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en kultuurtaal.
Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het “algemeen beschaafd”, wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede familiesgebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan eenkultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.
De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,—al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.
De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.
Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.
Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,—overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hierkant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. “De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn”, schreefGuido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt opgenomen doorHugo Verriestschrijft deze: “Moet hij daarom alsparticularistgedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde eenparticularist, en de nachtehaal de grootste van allen”. Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg “vrij wel”, want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van eenGezelle, Streuvelsen zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.—
Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde “Sondersprachen”, waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.
Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal vanDr. J. Van Ginneken.
Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt dehoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.
Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn volkswijsheiden volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. “Jede Provinz”, zegtGoethe, “liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft”. In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.