I. Het Taaleigen.

I. Het Taaleigen.Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen1: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelendez(zr, rz, rs),die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewoner, b.v. rooster:rzeuster; berispen:berzispen; kar:karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemscheř. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.1. Het Friesche taaleigen.Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. HetLandfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooralJoh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon (ʼs Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer deoverige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee.Theod. Siebsverklaart den naamFresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitschefreisôn“in gevaar zweven”, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch—met name het Northumbrisch—bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:skieëp;jaar:jieër;rijk:riek; voet:foeët;huis:hoes; deel:deel;steen:stieën;oog:eeag;sturen:stjoere;hand:haan; oud:aald;vogel:foegel;hond:hoenenz.2De drie persoonsuitgangen eindigen in hetmeervoudallen op een toonloozee. Denwordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonloozeeweggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groepskblijft in ʼt begin, midden en einde der woorden:skieëp, woskje, fisk;chwordtks:okse, en nietssals elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,—zegt men niet: “Frisia non cantat”?DitLandfrieschofBoerenfrieschheeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand vanWinklerhier de namen vermelden vanGysbert Japicx, “den frieschen Vondel”;Tjeerd Ritskeʼs Velstra, “den frieschen Poot”;Waling Dijkstra, “den frieschen Fritz Reuter”. Verder de gebroedersHalbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, enTiete Roelofʼs Dijkstra, oprichter van hetSelskip for frîske tael- end skriftekinnisse.Friesch.(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven doorF. U. Lourensz).De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn:skvoorsch; de scherpe uitspraak vanvenzalsfensin het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: “Dou hât dat wel laten kunnen” (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraakbien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen metStrandhollandsch(ofStrandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk,Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelschewals beginletter. Dan volgt hetNoordhollandschmet de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten vanBrederobekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.Zaansch.(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.Maar ik kom nog even terug op hetAmsterdamschdialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop doorJoh. Winklerin zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van hetbedrijfop de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheidentongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere.J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier hetJodenhoekschuit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog hetKattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger hetRapenburgscheenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. HetNieuwmarktschwordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is hetBierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. HetKomkommerbuurtschhoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. HetFranschepadschwerd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen,aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden hetKalverstraatsch, hetGebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardigeDuvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten,négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie,duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoekschjargonprevelden”:Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijkeHasseltsch, de volkstaal hetBeeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. ZieGittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.2.Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang-ien,en doorlief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekteain het Oostdrentsch denoa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in hetTwentsch den helderena-klank bewaard heeft. Dus: Twentschdage, hane, Drentschdoage, hoane.Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2een 3epersoon gaan uit opt. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonloozee:estoan(gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgangentot een sonantischen: dushoorenwordtheurn. Verder zijnîenûniet gediphthongeerd en zegt men derhalvemien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden vanalenolvoor een volgendedent, b.v.old(oud) entalter(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weerGallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.Achterhoeksch I.(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.Achterhoeksch II.(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang-envan den 1stenen 3enpersoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van deevóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor denai-klank, tegenover de Saksischeeeenei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2denpersoon meervoudjimme, en doorvoet, boektegenovervootenbook.Westerwoldsch.(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.3.Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltischeplaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,—hier: de schrale, sombere heidevelden—zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. “De bodem der N.-W.-Veluwe”, schrijftW. van Schothorst, “is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!” (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, deschoefgenaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijktmen dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming vanKeltisch-Frankischdialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen derh, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.1. Het voorvoegselgebij het deelwoord.2. Het wegvallen dernvan den uitgang -en, behalve vóor klinkers,h,bend. Vergelijk: degroeëtenboum, dendȯmmemins, degroeëteminse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?—Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit opeofen,t,eofen.3. Dedtusschen twee medeklinkers wordtj(i) of verdwijnt:moede,moeje,moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aanbloeden:bloejen, zelfswoedend:woejend.4. De groepenalenolworden totauenouvóordoft. Dus:aldengoldworden in zuiver Frankischoudengoudof nauwverwante klanken.5. Langeîenûzijn meestal tweeklanken geworden, dus:mijn huis, tegenover Saksischmien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zieTe Winkel, Inleiding II. bl. 304 enN. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.6. De tweeklankauwordtoo, b.v.dood,oog, tegenover Frieschdeead,eeag.7. De groepftgaat over incht. Dus:koopen:gekocht; verderlucht,gracht,hechtenz. Slechts hier en daar bleef een sporadischefbehouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant:zoft(zacht); Sliedrecht:zoft, gekoft(gekocht); Veluwschkoftenvoorkochten. Ook wordt dechsgeassimileerd totss, vgl.Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zieTe Winkel, Inleiding II, bl. 304;Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.8. De Westgermaanscheâwordt vertegenwoordigd doorâenoa, b.v.schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort menschaep.Nu meentVan Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat dezeaeeen ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: deHollandsch-Frankischedialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormenjijenjou.Te Winkelnoemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstigeversierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met deae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van dehen den Urker-Gooischenae-klank inschaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigeni- enu-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling vanWinklerlijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hieroverVan Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.

I. Het Taaleigen.Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen1: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelendez(zr, rz, rs),die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewoner, b.v. rooster:rzeuster; berispen:berzispen; kar:karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemscheř. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.1. Het Friesche taaleigen.Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. HetLandfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooralJoh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon (ʼs Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer deoverige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee.Theod. Siebsverklaart den naamFresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitschefreisôn“in gevaar zweven”, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch—met name het Northumbrisch—bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:skieëp;jaar:jieër;rijk:riek; voet:foeët;huis:hoes; deel:deel;steen:stieën;oog:eeag;sturen:stjoere;hand:haan; oud:aald;vogel:foegel;hond:hoenenz.2De drie persoonsuitgangen eindigen in hetmeervoudallen op een toonloozee. Denwordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonloozeeweggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groepskblijft in ʼt begin, midden en einde der woorden:skieëp, woskje, fisk;chwordtks:okse, en nietssals elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,—zegt men niet: “Frisia non cantat”?DitLandfrieschofBoerenfrieschheeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand vanWinklerhier de namen vermelden vanGysbert Japicx, “den frieschen Vondel”;Tjeerd Ritskeʼs Velstra, “den frieschen Poot”;Waling Dijkstra, “den frieschen Fritz Reuter”. Verder de gebroedersHalbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, enTiete Roelofʼs Dijkstra, oprichter van hetSelskip for frîske tael- end skriftekinnisse.Friesch.(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven doorF. U. Lourensz).De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn:skvoorsch; de scherpe uitspraak vanvenzalsfensin het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: “Dou hât dat wel laten kunnen” (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraakbien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen metStrandhollandsch(ofStrandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk,Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelschewals beginletter. Dan volgt hetNoordhollandschmet de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten vanBrederobekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.Zaansch.(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.Maar ik kom nog even terug op hetAmsterdamschdialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop doorJoh. Winklerin zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van hetbedrijfop de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheidentongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere.J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier hetJodenhoekschuit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog hetKattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger hetRapenburgscheenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. HetNieuwmarktschwordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is hetBierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. HetKomkommerbuurtschhoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. HetFranschepadschwerd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen,aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden hetKalverstraatsch, hetGebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardigeDuvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten,négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie,duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoekschjargonprevelden”:Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijkeHasseltsch, de volkstaal hetBeeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. ZieGittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.2.Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang-ien,en doorlief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekteain het Oostdrentsch denoa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in hetTwentsch den helderena-klank bewaard heeft. Dus: Twentschdage, hane, Drentschdoage, hoane.Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2een 3epersoon gaan uit opt. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonloozee:estoan(gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgangentot een sonantischen: dushoorenwordtheurn. Verder zijnîenûniet gediphthongeerd en zegt men derhalvemien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden vanalenolvoor een volgendedent, b.v.old(oud) entalter(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weerGallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.Achterhoeksch I.(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.Achterhoeksch II.(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang-envan den 1stenen 3enpersoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van deevóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor denai-klank, tegenover de Saksischeeeenei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2denpersoon meervoudjimme, en doorvoet, boektegenovervootenbook.Westerwoldsch.(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.3.Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltischeplaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,—hier: de schrale, sombere heidevelden—zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. “De bodem der N.-W.-Veluwe”, schrijftW. van Schothorst, “is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!” (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, deschoefgenaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijktmen dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming vanKeltisch-Frankischdialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen derh, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.1. Het voorvoegselgebij het deelwoord.2. Het wegvallen dernvan den uitgang -en, behalve vóor klinkers,h,bend. Vergelijk: degroeëtenboum, dendȯmmemins, degroeëteminse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?—Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit opeofen,t,eofen.3. Dedtusschen twee medeklinkers wordtj(i) of verdwijnt:moede,moeje,moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aanbloeden:bloejen, zelfswoedend:woejend.4. De groepenalenolworden totauenouvóordoft. Dus:aldengoldworden in zuiver Frankischoudengoudof nauwverwante klanken.5. Langeîenûzijn meestal tweeklanken geworden, dus:mijn huis, tegenover Saksischmien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zieTe Winkel, Inleiding II. bl. 304 enN. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.6. De tweeklankauwordtoo, b.v.dood,oog, tegenover Frieschdeead,eeag.7. De groepftgaat over incht. Dus:koopen:gekocht; verderlucht,gracht,hechtenz. Slechts hier en daar bleef een sporadischefbehouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant:zoft(zacht); Sliedrecht:zoft, gekoft(gekocht); Veluwschkoftenvoorkochten. Ook wordt dechsgeassimileerd totss, vgl.Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zieTe Winkel, Inleiding II, bl. 304;Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.8. De Westgermaanscheâwordt vertegenwoordigd doorâenoa, b.v.schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort menschaep.Nu meentVan Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat dezeaeeen ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: deHollandsch-Frankischedialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormenjijenjou.Te Winkelnoemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstigeversierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met deae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van dehen den Urker-Gooischenae-klank inschaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigeni- enu-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling vanWinklerlijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hieroverVan Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.

I. Het Taaleigen.Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen1: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelendez(zr, rz, rs),die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewoner, b.v. rooster:rzeuster; berispen:berzispen; kar:karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemscheř. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.1. Het Friesche taaleigen.Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. HetLandfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooralJoh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon (ʼs Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer deoverige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee.Theod. Siebsverklaart den naamFresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitschefreisôn“in gevaar zweven”, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch—met name het Northumbrisch—bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:skieëp;jaar:jieër;rijk:riek; voet:foeët;huis:hoes; deel:deel;steen:stieën;oog:eeag;sturen:stjoere;hand:haan; oud:aald;vogel:foegel;hond:hoenenz.2De drie persoonsuitgangen eindigen in hetmeervoudallen op een toonloozee. Denwordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonloozeeweggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groepskblijft in ʼt begin, midden en einde der woorden:skieëp, woskje, fisk;chwordtks:okse, en nietssals elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,—zegt men niet: “Frisia non cantat”?DitLandfrieschofBoerenfrieschheeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand vanWinklerhier de namen vermelden vanGysbert Japicx, “den frieschen Vondel”;Tjeerd Ritskeʼs Velstra, “den frieschen Poot”;Waling Dijkstra, “den frieschen Fritz Reuter”. Verder de gebroedersHalbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, enTiete Roelofʼs Dijkstra, oprichter van hetSelskip for frîske tael- end skriftekinnisse.Friesch.(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven doorF. U. Lourensz).De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn:skvoorsch; de scherpe uitspraak vanvenzalsfensin het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: “Dou hât dat wel laten kunnen” (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraakbien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen metStrandhollandsch(ofStrandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk,Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelschewals beginletter. Dan volgt hetNoordhollandschmet de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten vanBrederobekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.Zaansch.(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.Maar ik kom nog even terug op hetAmsterdamschdialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop doorJoh. Winklerin zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van hetbedrijfop de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheidentongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere.J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier hetJodenhoekschuit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog hetKattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger hetRapenburgscheenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. HetNieuwmarktschwordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is hetBierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. HetKomkommerbuurtschhoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. HetFranschepadschwerd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen,aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden hetKalverstraatsch, hetGebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardigeDuvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten,négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie,duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoekschjargonprevelden”:Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijkeHasseltsch, de volkstaal hetBeeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. ZieGittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.2.Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang-ien,en doorlief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekteain het Oostdrentsch denoa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in hetTwentsch den helderena-klank bewaard heeft. Dus: Twentschdage, hane, Drentschdoage, hoane.Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2een 3epersoon gaan uit opt. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonloozee:estoan(gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgangentot een sonantischen: dushoorenwordtheurn. Verder zijnîenûniet gediphthongeerd en zegt men derhalvemien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden vanalenolvoor een volgendedent, b.v.old(oud) entalter(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weerGallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.Achterhoeksch I.(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.Achterhoeksch II.(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang-envan den 1stenen 3enpersoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van deevóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor denai-klank, tegenover de Saksischeeeenei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2denpersoon meervoudjimme, en doorvoet, boektegenovervootenbook.Westerwoldsch.(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.3.Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltischeplaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,—hier: de schrale, sombere heidevelden—zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. “De bodem der N.-W.-Veluwe”, schrijftW. van Schothorst, “is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!” (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, deschoefgenaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijktmen dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming vanKeltisch-Frankischdialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen derh, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.1. Het voorvoegselgebij het deelwoord.2. Het wegvallen dernvan den uitgang -en, behalve vóor klinkers,h,bend. Vergelijk: degroeëtenboum, dendȯmmemins, degroeëteminse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?—Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit opeofen,t,eofen.3. Dedtusschen twee medeklinkers wordtj(i) of verdwijnt:moede,moeje,moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aanbloeden:bloejen, zelfswoedend:woejend.4. De groepenalenolworden totauenouvóordoft. Dus:aldengoldworden in zuiver Frankischoudengoudof nauwverwante klanken.5. Langeîenûzijn meestal tweeklanken geworden, dus:mijn huis, tegenover Saksischmien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zieTe Winkel, Inleiding II. bl. 304 enN. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.6. De tweeklankauwordtoo, b.v.dood,oog, tegenover Frieschdeead,eeag.7. De groepftgaat over incht. Dus:koopen:gekocht; verderlucht,gracht,hechtenz. Slechts hier en daar bleef een sporadischefbehouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant:zoft(zacht); Sliedrecht:zoft, gekoft(gekocht); Veluwschkoftenvoorkochten. Ook wordt dechsgeassimileerd totss, vgl.Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zieTe Winkel, Inleiding II, bl. 304;Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.8. De Westgermaanscheâwordt vertegenwoordigd doorâenoa, b.v.schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort menschaep.Nu meentVan Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat dezeaeeen ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: deHollandsch-Frankischedialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormenjijenjou.Te Winkelnoemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstigeversierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met deae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van dehen den Urker-Gooischenae-klank inschaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigeni- enu-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling vanWinklerlijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hieroverVan Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.

Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.

Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen1: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelendez(zr, rz, rs),die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewoner, b.v. rooster:rzeuster; berispen:berzispen; kar:karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de BoheemscheÅ™. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.

1. Het Friesche taaleigen.Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. HetLandfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.

De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooralJoh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon (ʼs Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer deoverige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?

Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee.Theod. Siebsverklaart den naamFresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitschefreisôn“in gevaar zweven”, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch—met name het Northumbrisch—bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap:skieëp;jaar:jieër;rijk:riek; voet:foeët;huis:hoes; deel:deel;steen:stieën;oog:eeag;sturen:stjoere;hand:haan; oud:aald;vogel:foegel;hond:hoenenz.2De drie persoonsuitgangen eindigen in hetmeervoudallen op een toonloozee. Denwordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonloozeeweggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groepskblijft in ʼt begin, midden en einde der woorden:skieëp, woskje, fisk;chwordtks:okse, en nietssals elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,—zegt men niet: “Frisia non cantat”?

DitLandfrieschofBoerenfrieschheeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand vanWinklerhier de namen vermelden vanGysbert Japicx, “den frieschen Vondel”;Tjeerd Ritskeʼs Velstra, “den frieschen Poot”;Waling Dijkstra, “den frieschen Fritz Reuter”. Verder de gebroedersHalbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, enTiete Roelofʼs Dijkstra, oprichter van hetSelskip for frîske tael- end skriftekinnisse.

Friesch.(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven doorF. U. Lourensz).De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn:skvoorsch; de scherpe uitspraak vanvenzalsfensin het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: “Dou hât dat wel laten kunnen” (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraakbien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen metStrandhollandsch(ofStrandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk,Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelschewals beginletter. Dan volgt hetNoordhollandschmet de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten vanBrederobekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.

(Voor “Nederlandsche Volkskunde” geschreven doorF. U. Lourensz).

De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.

De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.

De klokken fen Sint-Odolf.It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.

It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în ʼe earste helte fen ʼe9eieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.—By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.—Dit plak în ʼe Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as “it tsjerkhôf fen Ald-Starum” oanwîsd en hja komme as ʼt kin, der net tichte bij.—

Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în ʼt bigjin gjin neidélige gefolgen.

Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan ʼe biskop fen Utert forklapt;—dy, tîge lilk wier do ʼt er det hearde, en rîp: “Dan binne dy klokken des dîvels”.—Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în ʼe groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în ʼt snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy ʼt in bulte kwea die.

Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.

Omke siet te Himelum en neef op ʼe Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.—Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen ʼe klokken liet er în ʼt wetter fen ʼe Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în ʼe onderwrâld torjuchte.

Sint dy tyd hearre de fiskers op ʼe Fluessen en de biwenners van de Galamadammen ʼs nachts soms in dof gebombam în ʼe djipte.

Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.

Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în ʼe Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.—Dan is der blydskip în ʼe hel.

Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn:skvoorsch; de scherpe uitspraak vanvenzalsfensin het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: “Dou hât dat wel laten kunnen” (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraakbien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.

Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen metStrandhollandsch(ofStrandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk,Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelschewals beginletter. Dan volgt hetNoordhollandschmet de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten vanBrederobekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.

Zaansch.(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.Maar ik kom nog even terug op hetAmsterdamschdialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop doorJoh. Winklerin zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van hetbedrijfop de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheidentongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere.J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier hetJodenhoekschuit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog hetKattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger hetRapenburgscheenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. HetNieuwmarktschwordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is hetBierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. HetKomkommerbuurtschhoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. HetFranschepadschwerd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen,aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden hetKalverstraatsch, hetGebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardigeDuvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten,négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie,duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoekschjargonprevelden”:Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijkeHasseltsch, de volkstaal hetBeeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. ZieGittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.2.Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang-ien,en doorlief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekteain het Oostdrentsch denoa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in hetTwentsch den helderena-klank bewaard heeft. Dus: Twentschdage, hane, Drentschdoage, hoane.Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2een 3epersoon gaan uit opt. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonloozee:estoan(gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgangentot een sonantischen: dushoorenwordtheurn. Verder zijnîenûniet gediphthongeerd en zegt men derhalvemien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden vanalenolvoor een volgendedent, b.v.old(oud) entalter(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weerGallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.

(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).

Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

Oitje met een Jachie.ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.Maar wie zou ʼet jachie oitreste?Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

ʼt Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.

Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onderjachieofglaze jachieverstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.

Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.

Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeengelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zooʼn oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, ʼt gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, ʼt Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan “gepot” wordt voor vele soort van zaken.

Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alledikke-nieuwe-centen, om aan ʼt des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.

ʼt Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en ʼt was ook wel te begraipe. Op zooʼn kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is ʼt alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is ʼt nag zoo. Maar met zooʼn kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.

Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met ʼet jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze ʼet esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.

Dus, ʼet jachie en die het roeie most, ware ʼehuurd voor Vraidag; den most het beure—weer of gien weer;—ze hadde er al goeie lucht op.

Maar wie zou ʼet jachie oitreste?

Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: “Nou, den zei ik ʼet wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;—wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar.”

“Goed”, zegge de are, “of-esproke”.

De Vraidag kwam. ʼt Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan ʼt klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.

De knecht kwam met ʼet jachie en nou wier de boel ʼelade. Wel man, ʼet zag er maar avvenant oit.

“Hè”, zai Griet, “ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe.”

De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.

Je konne wel zien, dat ze ʼet alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om ʼt lekker oitje en dat ze nou al zooʼn lol hadde.

Op iens zait Neel: “Groote groen in ʼt hoissie, weer is me knippie?”—Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.

“Wat,” vrage de are, “je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?” “Nee,” zegt deuze, maar daʼs nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. ʼk Heb het leete legge op ʼt bontje, vlak bij ʼt hoochie van den smoiger. Daʼs een malle boel.—Maar wacht eres. ʼk Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule.”

“Nou,” zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt,“je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene.”

“Wet,” zait Neel, “ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene.”

“Hou nou je groote babbelbek maar es dicht,” zait Griet. “Deer hê-je een avvekaatje.”

“Zoip, zwager, oome Jan is jarig!”

Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an ʼt kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.

Maar ik kom nog even terug op hetAmsterdamschdialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop doorJoh. Winklerin zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van hetbedrijfop de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Janʼs Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheidentongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere.J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier hetJodenhoekschuit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog hetKattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: “moet je ook geschoren worden” luidt in den Kattenburgschen tongval: “mój jók geskórre wórre”. Hiervan verschilde vroeger hetRapenburgscheenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. HetNieuwmarktschwordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is hetBierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. HetKomkommerbuurtschhoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: ʼt Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. HetFranschepadschwerd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen,aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden hetKalverstraatsch, hetGebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardigeDuvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, “doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten,négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers dʼindustrie,duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ““verdrijvers van wandgedierten” ”, savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoekschjargonprevelden”:Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.

Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijkeHasseltsch, de volkstaal hetBeeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die “obbe Beek” wonen. ZieGittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.

2.Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang-ien,en doorlief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekteain het Oostdrentsch denoa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in hetTwentsch den helderena-klank bewaard heeft. Dus: Twentschdage, hane, Drentschdoage, hoane.Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het “lösse hoes”, de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft—type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)—stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.

Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2een 3epersoon gaan uit opt. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonloozee:estoan(gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgangentot een sonantischen: dushoorenwordtheurn. Verder zijnîenûniet gediphthongeerd en zegt men derhalvemien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden vanalenolvoor een volgendedent, b.v.old(oud) entalter(schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weerGallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).

Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.

Achterhoeksch I.(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.

(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).

Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.

Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.

Ho ze knikkert in Eibarge.ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,H. P. t. B.

ʼn Klein zetjen eleden sloog ʼt half eene op ten Eibargschen toorn; ʼt warkvolk is allemaole noa ʼt hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met ʼt etten edaone wèzen, want ze holt zich om ʼt zeggen: “Ellef uur den pot op ʼt vuur, um twalef uur wat etten”. Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs ʼt hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar heʼj den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor heʼj ʼm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: “ik magge ʼt eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei heʼj noo nog nooit ezeene; ʼk heb ʼm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat ʼn mooien!” “We doot kuultjen scheeten” zeg Batjen, “Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold,” zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?” schreeuwt Lulefken. “No, too dan moar,” zeg Batjen, “dan wil ik ʼt laatste oetsmîten, heur!” “ʼk Heb ʼt anders al lange ezeg” schreeuwt Henne, “maorʼt kan mie ok neet schellen, ʼk komme toch wal bôven alles!” Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan heʼj ok nog meer kans dat ze melken mot. “Hier zal de kip wezen,” zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee daʼs ʼt kortste bie, daʼi meugt liggen. “Ik zal wal ʼt eerste oetsmîten,” zeg Bennad. He geet achter ʼt pötjen staon en smit met den sleiferklei ʼn pas of tine wît. Doar maakte êʼn streepken. “Daor gao ʼk boaven,” röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren,verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik ʼm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: “Daʼs ok wît genog” en de andere lacht en zegt: “Henne wat buʼj toch ʼne onwîzen.” Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. “Wacht” dech e, “ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp “ʼk gao op de kip, dar!” Zeezoo, no kan ʼt beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, ʼt geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. “Melken, melken” röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van ʼt heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. “Noo, mîne vîve heʼk,” schreeuwt Henne, too ʼt köpken völt, “no mot ie Lulef.” Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? “Ze hebt ʼm emeut Bennad,” röp e, “mozze motte weerumme.” “Dat leeg ie.” “Daʼs al.” “Ik zeg oe van neet.” “No,” zeg Lulef, ik nemme mîne vîve”, en he löp ter asʼn haze hen. “Neet grîpen” schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges ʼt heele pötjen op; “dan mot Lulef moar översmîten.” Lulef smit maor raakt niks. “Onreg verdeelt zich,” schreeuwt Batjen. “ʼt Is toch gemeen, hè had ʼt anders secuur edaone, leelekert,” röp Lulef, “Lig toch neet te schennebekken,” zeg Henne, “ie mot smîten Bennad.” Kik ʼm es loeren en mikken, ʼt Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. “Kom jongens, noe nog ʼn pötjen,” rup Henne al weer, “der bunt er nog meer biêkommen, dat zal ʼne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!ʼ,

H. P. t. B.

Achterhoeksch II.(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang-envan den 1stenen 3enpersoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van deevóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor denai-klank, tegenover de Saksischeeeenei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2denpersoon meervoudjimme, en doorvoet, boektegenovervootenbook.

(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)

Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.

Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.

Hanenèfken en Hennenichjen.(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk moar met gaon?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”Veerder kump um en hane integen, die zei:“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”“Zaʼk maor mee goan?”“Jao, sprink maor achter op de kaore.”En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.En too wasse ha(r)dstikke dood.G. J. Klokman.

(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).

Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekāre en kokten samen de pot. Toe de beeste ʼs arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. “Zee, nichte,” zei Hanenèfken, “doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt”.

Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of ʼt pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. ʼt Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.

En ʼs margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.

En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.

Zie, ij konnen nîet wetten, dat koʼj nêet.

ʼt Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.

Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.

Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: “haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder.”

“Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet”, zei Hanenèfken. “Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!” Toe pikten Hanenèfken ʼt eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.

Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen ʼt vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.

Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.

Hanenèfken kwam buuten en ʼt velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei “Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?”

“Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”

“Zaʼk moar met gaon?”

“Jao, sprink maor achter op de kaore.”

Veerder kump um en hane integen, die zei:

“Hanenèfken, waor moʼj nao töo?”

“Ik gao nao ʼt huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme.”

“Zaʼk maor mee goan?”

“Jao, sprink maor achter op de kaore.”

En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.

Zoo kwammen ze bij ʼt huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.

“Hoe dook der met,” zeg Hanenèfken.

“Ik witte raod”, zei de Hane, “ik zal deur ʼt hôondergat kroepen en de deure lös doen”.

Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.

“Hoe doew der now met?” zeg Hanenèfken.

“Daor zölle wij wel veur zorgen” zekt die metereden bunt.

ʼt Ei geet in ʼt vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.

De hekkele geet met de rugge in ʼt bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op ʼt rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.

ʼs Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en “poef!” zeg et ei en vlug um in de oogen. “O! min oogen” krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: “O! mîn eers, mîn eers!” Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. “O! mîn rugge, mîn rugge!”

Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. “Smît um mîn maor boo”, schreeuwt de hane, “dan zaʼk um nog anders toetakelen!”

Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.

En too wasse ha(r)dstikke dood.

G. J. Klokman.

Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.

Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang-envan den 1stenen 3enpersoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van deevóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor denai-klank, tegenover de Saksischeeeenei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2denpersoon meervoudjimme, en doorvoet, boektegenovervootenbook.

Westerwoldsch.(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.3.Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltischeplaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,—hier: de schrale, sombere heidevelden—zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. “De bodem der N.-W.-Veluwe”, schrijftW. van Schothorst, “is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!” (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, deschoefgenaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijktmen dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming vanKeltisch-Frankischdialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen derh, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.1. Het voorvoegselgebij het deelwoord.2. Het wegvallen dernvan den uitgang -en, behalve vóor klinkers,h,bend. Vergelijk: degroeëtenboum, dendȯmmemins, degroeëteminse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?—Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit opeofen,t,eofen.3. Dedtusschen twee medeklinkers wordtj(i) of verdwijnt:moede,moeje,moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aanbloeden:bloejen, zelfswoedend:woejend.4. De groepenalenolworden totauenouvóordoft. Dus:aldengoldworden in zuiver Frankischoudengoudof nauwverwante klanken.5. Langeîenûzijn meestal tweeklanken geworden, dus:mijn huis, tegenover Saksischmien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zieTe Winkel, Inleiding II. bl. 304 enN. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.6. De tweeklankauwordtoo, b.v.dood,oog, tegenover Frieschdeead,eeag.7. De groepftgaat over incht. Dus:koopen:gekocht; verderlucht,gracht,hechtenz. Slechts hier en daar bleef een sporadischefbehouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant:zoft(zacht); Sliedrecht:zoft, gekoft(gekocht); Veluwschkoftenvoorkochten. Ook wordt dechsgeassimileerd totss, vgl.Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zieTe Winkel, Inleiding II, bl. 304;Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.8. De Westgermaanscheâwordt vertegenwoordigd doorâenoa, b.v.schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort menschaep.Nu meentVan Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat dezeaeeen ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: deHollandsch-Frankischedialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormenjijenjou.Te Winkelnoemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstigeversierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met deae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van dehen den Urker-Gooischenae-klank inschaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigeni- enu-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling vanWinklerlijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hieroverVan Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.

(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).

Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.

Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.

Op Aovondproot.ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”A. H. Smith.

ʼt Was Dunderdagaovend. ʼt Vroor dat ʼt knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as ʼn bikkel. Snij lag dʼr nich; ʼt weide ook nich en nò was ʼt zoo heur in de lucht, dat mʼ duudelk heuren kön, dat ʼt leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhadʼn.

Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor ʼt anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze dʼr best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um ʼn beetkʼn te proten en ʼn kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol ʼn bösschop.

Ik gao dʼr ook hen; ʼk wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan ʼk ijs wat mit proten over ʼt ies en ʼt weer en wat ʼt ʼr meer veur ʼn dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.

“Gaot man zitten jongs; trekt man ʼn stoele bie ʼt vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog ʼn kijnstobbe op ʼt vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......” “Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen.”

Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: “wolt ook aansteken, Geert?”

“Nee,” zeg Geert, “ʼk heb ʼn kolle” (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op ʼt olle stee. “Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist ʼn de hörn kropen, magst bedijnen van aovend”. De tange geit in ʼt vuur, komp ʼt ʼr mit ʼn koolkʼn vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. “Hij! doe stichst brand, daor lig ʼn kole vuur bie dien klompe op de vlouer.” “O, wacht man, laot de tange man staon, ʼt geit zoo wol”, en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. “Verbraanst dien zokke.” “Nee,ʼt schal wol gouw gaon. Hafʼ we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit ʼn kole vuur aanvegen.” “Wat dee dij hond dan?” “Hest nooit van dij looze hond heurd?” zeg Pijter, as mʼ tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao ʼt kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum.” “O, dat kan onze boer zien hond ook wol.” “Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit ʼn kole vuur. As ʼt ʼr ʼn kole oet ʼt heerdkʼn op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op ʼt vuur.” “Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!” “Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet.” “Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat ʼr op dien piepkop steit, daor heb ʼk al zoo lank tegen aankeken.” “Daor, kiek man ijs goud, ʼt kan best wezen, dat ʼt nog familie van die is.” “Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van—ik zij wel ʼt is—horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst ʼr mit loopen duurst.” “Wat mijnst dan wel ʼt is”, zeg Pijter. “De olle knecht, gijn ijne anders.” “Laot ijs zijn”, zeg Hinderk. “Verdold, Geert hef gliek, ʼt is hum.” “Man, wat mot dij schaope dʼr toch bie,” zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit ʼt hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, “ʼk heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En ʼt is net of het zit te fluitspeulen.” “Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs ʼn maol op ʼn aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat.” “Man hest hum zölf wijl ijs zijn?” Geert zee niks. Man opijns: “Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter ʼt iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik sʼ aovends daor nooit weer achter ʼt hoes langs gao.” “Hou zag he dʼr dan oet, net as op mien piepkop?” Dat kön ʼk zoo nich zijn, man ʼk schal joe vertellen wat ʼk zijn heb. ʼt Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op ʼt oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao ʼt iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef,dat Janoom zien vader doar ijs ʼn hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter ʼt iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat ʼt was. Um dʼr te komen mös he ʼt hekskʼn deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, ʼn geschatter en daor springt dʼ olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he dʼr mit um argewijerd; in ʼt leste har he ʼt hekskʼn mit dʼ ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht.” Hef dien boer die dat verteld?” zeg Pijter. “Jao en dij lug nich.” Geert har ʼn grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. “Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef.” “Ja, doe wolt niks leuven, dat wij ʼk wol, man wat ik dʼr zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns ʼn kop boven ʼt iemhok oet komen. Ik wör dʼr kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij dʼr beleefd har, ʼt was net op ʼk aan de knijen tou deur ʼt zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was ʼn dʼr twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou ʼk veur onze valdeure kwöm, har ʼk aan ieder haor ʼn zwijtdrup. ʼk Bin boven over de underdeure hensprongen, ʼk heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen.” “En dat is de duvel west?” “Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben.” “Och, kerel, ʼt was Steffen, daar hebt ʼn jong en ʼn wicht mit ʼn ander staon te vrijen. Schost dʼr man gerust hen gaon wezen, meschijn har ʼt wicht die ook wol ʼn smok geven.” “Jawol, ik har ʼn smok kregen van ʼn hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö ʼn hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln.” “Ik heb hum al ʼn maol zijn” zeg Pijter hijl dreuge. “Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?” “ʼk Heb hum de nakke umdreid”. “Verrek um mie, nö heb ʼk genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!”

“Wolt ʼt nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, “ʼt is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je dʼr nog ʼn kopkʼn in, dan keer ʼk nich um.” “Jewol, jong, vertel man op.”

“Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze ʼn meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij ʼk nich meer; ʼk wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. ʼt Was ʼn viet ding, man ʼn beetkeʼn eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie ʼn schrik aanjagd, dij ʼk heur nie gouw vergaf.

Ik kwöm ijs op ʼn aovond um tien uur ʼt loug (deel van ʼt dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende ʼt eerst oet van benauwdheid en ʼt göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man ʼt duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en ʼk wör duvelsch. Ik zee: “satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die—koom man op, satan! en anders griep ik die....” en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan ʼn ander bonden wadʼn. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in ʼt kaarnhoes ʼn verdacht gegnies en dou ʼk kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik ʼt ʼr ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou ʼk dij meid dʼ ander dag alleine achter ʼt hoes trof, zee ʼk tegen heur: as ʼk die ʼn raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs ʼn schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en ʼk heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur dʼolle, umda ʼk hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterdhar.” “Jijzes, Pijter,” zee Geert, “wat bist doe ʼn kerel. Kiek, as mie ʼt overkomen was, ik was vot nao ʼt veurenne vlogen en har de boer roupen.” “Ja, zoo geit ʼt jong, as mʼ de boudel nich underzöcht. ʼn Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he ʼs aovends van de Pekel komen was langs ʼn binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit ʼt ʼr op of en wat is ʼt? ʼn Lijk schaopkʼn dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as ʼt ʼr zoowat is, gao dʼr dan rustig op of en underzuik ʼt en dan scholt zijn, dat ʼt allemaol ʼn natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!” Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. “Ketijer veur tiene? Dan wot ʼt mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in ʼn saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom.”

“Wacht,” zegt Geert, “ik gao mit, dan heb ʼk zoo wied gezelschop.” “Ja, ik gao ook mit,” zeg Pijter, “baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan ʼk dij Zaoterdag wol weerum haolen? Dʼr mout halve zolen en hakken under.”

“ʼt Schal wel gaon. Gòjenaovend.”

A. H. Smith.

3.Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltischeplaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,—hier: de schrale, sombere heidevelden—zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. “De bodem der N.-W.-Veluwe”, schrijftW. van Schothorst, “is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!” (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).

Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, deschoefgenaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.

Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijktmen dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming vanKeltisch-Frankischdialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen derh, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.

Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.

1. Het voorvoegselgebij het deelwoord.

2. Het wegvallen dernvan den uitgang -en, behalve vóor klinkers,h,bend. Vergelijk: degroeëtenboum, dendȯmmemins, degroeëteminse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?—Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit opeofen,t,eofen.

3. Dedtusschen twee medeklinkers wordtj(i) of verdwijnt:moede,moeje,moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aanbloeden:bloejen, zelfswoedend:woejend.

4. De groepenalenolworden totauenouvóordoft. Dus:aldengoldworden in zuiver Frankischoudengoudof nauwverwante klanken.

5. Langeîenûzijn meestal tweeklanken geworden, dus:mijn huis, tegenover Saksischmien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zieTe Winkel, Inleiding II. bl. 304 enN. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.

6. De tweeklankauwordtoo, b.v.dood,oog, tegenover Frieschdeead,eeag.

7. De groepftgaat over incht. Dus:koopen:gekocht; verderlucht,gracht,hechtenz. Slechts hier en daar bleef een sporadischefbehouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant:zoft(zacht); Sliedrecht:zoft, gekoft(gekocht); Veluwschkoftenvoorkochten. Ook wordt dechsgeassimileerd totss, vgl.Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zieTe Winkel, Inleiding II, bl. 304;Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.

8. De Westgermaanscheâwordt vertegenwoordigd doorâenoa, b.v.schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort menschaep.

Nu meentVan Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat dezeaeeen ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: deHollandsch-Frankischedialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormenjijenjou.

Te Winkelnoemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.

Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstigeversierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met deae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van dehen den Urker-Gooischenae-klank inschaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigeni- enu-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling vanWinklerlijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?

Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hieroverVan Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.


Back to IndexNext