I. Raadsels en Spreekwoorden.

I. Raadsels en Spreekwoorden.Deraadselsbehooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken—ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden—zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:Daar vloog een vogel VederloosOp een boom Bladerloos,Toen kwam een juffrouw Mondeloos,Die at den vogel VederloosVan den boom Bladerloos.Ik schrijf “Vederloos” enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kersRoodrok, het varkenKnorrepot, de appelGladkop, de ooievaarHap-op, de donderHolderdebolder, de wiegWikkeldewakkel, de kikvorschHipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaanMijnheer De Wit, het waterJuffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankendebenamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:Daar was een man, en ʼt was geen man,Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,Hij droeg water zonder vat;Rà, rà, wat is dat?(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:Die het maakt behoeft het niet,Die het vraagt behoudt het niet,Die het koopt begeert het niet,Die het heeft die weet het niet.(Een doodkist).In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.1. Debeschrijvenderaadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. “Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen”, schrijftAmaat Joos, “de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulendat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en ʼt niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;—den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;—de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken ʼt onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];—de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.”Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naarde geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.1.HolderdebolderLiep over den zolder;En zeven mansheerenDie konden Holderdebolder niet keeren.(De donder).2.Verre boven de drieschenHoorde ik een peerdeken brieschen;Daar is noch wijf noch man,Die dat peerdeken breidelen kan.(De donder.—België).3.Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.(Hemel, maan, sterren).Belgische vorm:Laken, dat ge niet vouwen kunt,Een appel, dien ge niet schellen kunt,En geld, dat ge niet tellen kunt.4.Tusschen hier en RomenStaan zeven hooge boomen;ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.(Het zevengesternte).5.Achter in mijn vaders tuin,Daar staat een boom met kralen,En die die kralen tellen kan,Die is de baas van allen.(De sterren).6.Lapken, lapken,Duizend lapken,ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.(Een wolk.—Dendermonde).7.Tusschen hemel en aardStaat een lange groene gaard.ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,Je zult het niet raden, al waart je met zessen.(De regenboog.—Limburg).8.Ons Lieve Vrouwken van LakenSpreidt een wit lakenOp land en zand,Maar niet op den waterkant.(De sneeuw.—Antwerpen).9.Daar staat een juffrouw in de deur,Met een witte schorldoek veur.Hoe meer dat ze staat,Hoe meer dat ze vergaat.(De sneeuw).10.Eene plankeVan Godes danke;Het en is noch hout noch eeke,Noch eeke noch hout.Als gij het kunt raden,Geef ik u eene ton met goud.(Het ijs.—België).11.Daar gaat een ding om het huis,Dat kijkt door alle gaatjes.(De zon).12.Rondom de meulenLiepen twee pèretjes speulen.Der is geen eenen ouwen man,Die déé twee pèëren keeren kan.(De zon en de maan.—Zeeland).13.Toen ik was jóng en schóon,Droeg ík een bláuwe króon.Toen ík was óud en stíjf,Slóegen ze me óp het líjf.Tóen ik wás genóeg gedrágen,Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.(Het vlas).14.Eerst zoo wit als vlas,Dan zoo groen als gras,Dan zoo rood als bloed,En dan zoo zwart als roet.(De braambes).15.Van binnen wit, van buiten zwart,Drie ruggen en geen start.(De boekweitkorrel).16.Der sit in jifferke yn ʼt grien,Mei in mooi read rokje oan.Als men ze knypt den skriemt se,En dôch het se in stiennen hert.(De kers.—Friesland).17.Daar staat een boom in ʼt Westen,Met twee en vijftig nesten,Ieder nest met zeven jongen,Râ, wat namen zij ontvongen?(Het jaar).Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.Ons bekend rijmpje:18.Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,Daar is geen eene timmerman,Die Hummeltje Tummeltje maken kan,waarvan een Vlaamsche lezing luidt:19.Hippekentippeken op de bank,Hippekentippeken onder de bank;Daar is geen smid in Ingeland,Die Hippekentippeken maken kan,vertoont in Brunswijk den vorm:Hummelke Trummelke lag upʼr bank,Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;Et was kein doktor inʼn gansen land,De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.In Engeland luidt het raadsel aldus:Humpty Dumpty sate on a wall,Humpty Dumpty had a great fall,Three score men and three score moreCannot place Humpty Dumpty as he was before.Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:20.Ik klopte al op een witte deur,Daar kwam een bruine pater veur.Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:21.Achter in mijn vaders tuinDaar staat een boom met groente;Hier een boom, daar een boom,Ieder boom een tak;Hier een tak, daar een tak,Ieder tak een nest;Hier een nest, daar een nest,Ieder nest een ei;Hier een ei, daar een ei,Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;Râ, râ, wat is dat?Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:22.Oude, grijze, grauwe,Staat alle nachten in de dauwe,Heeft vleesch noch bloedEn is voor alle menschen goed.(De molen).23.Er vloog een vogel snelAl over de diepe del (de zee);Hij droeg botten en beenenEn had er zelve geene.(Het schip).24.Achter molens duunDèr leit in oud peerd bruun,Zonder kop en zonder steert,Al syn ribben leggen verkeerd.(Een omgeploegd stuk land.—Ameland).25.Daar waren eens vier zustertjes,Die klommen op hooge mutstertjes;Daar waren eens vier broertjes,Die klommen op hooge stoeltjes;Ze naaiden zijden kapjesVan honderd duizend lapjes,Zonder naald en zonder twijn:Je zult het niet raden, al ben je fijn.(De spin, die haar net maakt).26.Er ging een mannetje door den damMet een fluweelen wammesje an.(De mol).Of ook:27.Jan De BruinZat in den tuin,Hij had geen paard of ploeg,En toch bouwde hij land genoeg.(De mol).28.Daar is een dingDat pinktDat knipt en winktEn lacht en vinkt ...ʼk Zou alzoo wel willen pinken,Knippen en winkenLonken en vinken,Gelijk dat dingDat pinktEn knipt en winktEn lonkt en vinkt.(Een Ster—Vlaanderen).29.Daar gíng een mánnetje óver den díjkMét zijn óogjes kíjkerdekíjk,Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.(Het schaap).30.Het is, waarin het water vloeit,Het is, waarop de bloeme bloeit,Het is, waarop bij dag en nachtDe moede mensch de rust verwacht,Het is, gelijk men dikwijls zegt,Van dat, waarin men dooden legt.(Het hout.—Land van Waas).Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:31.Dribbel drabbel dribbelgat,Hwêr komst dou fen dinne?—Ut de ierde,Swart forbarnde tsjettelkop.(Friesland).Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:32.—Du kromme, du lange,Van waar komde gegangen?—Ei du met dijn geschoren gat,Waarom vraagde mij dat?De Zeeuwsche vorm luidt:33.—Joe kromme, joe slomme,Wèr kom je van dèn gezwomme?—Joe afgeschoren schietgat,Wèrom verwiet je me dat?Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:—Lanke krummumme, wo wutte hen?—Korte vorschorne, wo frägste nâ,Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.2. Deverhalenderaadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.34.De kist, die leefde,Die er in zat, beefde;De kist, die at,Die er in zat,Bad.(Jonas in den visch.—België).Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.35.In ʼt Land van CadsantGing een man over zijn landMet ʼnen ginger,Met ʼnen springer,Met ʼnen hoepsasa;Hij hield iets in zijn handen;Hij ging al zoo zeereOm zijn land te keeren.(Hij ging met een paard en een riek).36.Hoop en vrees zat op den wagen:Hij zag tweebeen vierbeen dragen.Heeren raadt en zegt het mij,Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels dendetritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,—antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bijhet ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:37.Ik ging en ik kwamWaar ik vijf levenden uit éenen doode nam;Die vijf maakten mijn drij vrij;Weet ge ʼt, zegt het mij.Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:38.Toen ik henenging en wederkwam,Vijf levenden uit den doode nam,De zesde maakte den zevende vrij,Nu, heeren, raadt en zegt het mij.Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:39.Gezogen, gezogen,Landsheeren bedrogen,Kind geweestEn moeder geworden.Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:40.Heeren bedrogen,Muren doorzogen,Wiens kind ik ben,Wiens moeder ik wierd.“Muren doorzogen”, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pootentweebeen, driebeenenz. genoemd worden. Zoo b.v.:41.Tweebeen zit op driebeenEn trekt aan vierbeen.(Het melkmeisje).42.Tweebeen zat op driebeen,Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,Toen nam tweebeen driebeen,Om er vierbeen mee te smijten.(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden doorGuido Gezellekwelvragengenoemd. Het zijn inderdaadkwelraadselsin zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:43.KeízerKárelhád eenhónd,HóehéetKeízerKarelshond?De naam van den hond wasHoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: “Ik leg het woord al in uw mond”, of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:44.Krom omgebogen,Vlecht door getogen (getrokken),Wan ik jou ʼt zekg,Zul ei ʼt niet roan.(De wan).Zeer bekend is nog het kattenraadsel:45.Daar ging een mannetje over de brug,Met zeven katten op zijn rug,En ieder kat had zeven jongen,Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?(Twee).Op de tweeduidigheid van het woordheetenspekuleert het raadsel:46.Koolwarmoes, die koud isEn drie dagen oud is,Hoe heeten ze dat in Brabant?(Boven het vuur).Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:47.Aʼmsterdám, die gróote stád,Met hóeveel létters spélt men dát?(Met drie: d a t).Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).—49. Wat voor haar had Mozesʼ hond? (Hondenhaar).—50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).—51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).—52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).—53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (Despijkers in de schoenen).—54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).—55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).—57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).—58. Wie steekt er ʼs morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).—59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).—60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letterm). Zoo ook:62.ʼt Is in de vrouw en niet in den man,ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,ʼt Is in Karel en niet in Jan;Zeg mij wie dit raden kan.(De letterr).4. In deraadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: “Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons doorWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooigroot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:Het maantje dat schijnt er zoo helder,Het paardje dat loopt er zoo snelder,Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.Raad eens, wat is dat?—Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,—in geen zeven jaar,—al ben je fijn,—al werdt je dol,—tot Baafmis,—tot Sinter Merten,—tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr.Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900–1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; enA. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. VerderDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 257;A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45;Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in despreekwoordenvan een volk openbaart zich vooral de volkswijsheiden praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn “gevleugelde woorden”, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek vanDr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord iseenkunstvormvan de taal van den gemeenen man—, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. NochTuinmanʼs, nochHarreboméʼsspreekwoordenboek, nochStoettʼsmagistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: “beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht” vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in “kap en kogel (kat en kogel) verliezen”, “met bed en bult vertrekken” enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnschecras credo, ofsanus salvus, dat in het Franschsain et saufwerd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking “zooals hetreiltenzeilt” (of “treilt en zeilt”, Zuidnederl. “reist en zeilt”) op een rijmloos: “zooals hetrijdtenzeilt”, d.i. zooals het schip voor anker ligt (“rijdt”) en zooals het zeilt; zieStoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: “wat niet weet, wat niet deert”,—“komt tijd, komt raad”, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooralVerdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormenin onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht doorA. Joosin zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de “Gepaarde woorden of wederwoorden” bevat, ontleen ik het volgende.Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).—Biezen en bijzen.—Hij is begraven zonder bimmen of bommen.—Blikken noch blozen.—Boe noch ba zeggen.—Buigen of bersten.—Vóor dag en dauw.—Door dik en dun.—Ditjeʼs en datjeʼs.—Van alles dubbel en dik hebben.—Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).—Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). —Groen en geel.—Daar zal hen noch haan over kraaien.—Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).—Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).—Kant en klaar.—Hij gaat naar kerk noch kluis.—Kijven en krakeelen.—Kind noch kraai hebben.—Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.—Klitsen en kletsen (met de zweep).—Klodderen en kladderen.—Spreken over koetjes en kalfjes.—Kort en klein slaan.—Voor kost en kleeren zorgen.—Kris en kras.—Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).—Lief en leed.—Listen en lagen.—Lonken en liefoogen.—Lui en lekker.—Vergaan met man en muis.—Perk en paal stellen.—Van Pontius naar Pilatus sturen.—Met potten en pannen.—In rep en roer.—Rijden en rotsen.—Schade en schande.—Schobben en schooien.—Slag om slinger vechten (hevig).—Dat gaat zonder slag of stoot.—Sloffen en sleffen (al slepende gaan).—Stijf en stom staan.—Taal noch teeken geven.—Vast en veilig.—Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).—Visch noch vleesch zijn.—Het is altijd vuur en vlam.—Vrij en vrank.—Wankelen en weifelen.—Hij gaat door weêr en wind.—Hij weet van wijken noch wankelen.—In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).—Wisjes en wasjes.—Zuur en zoet.—Zuchten en zagen (ontevreden zijn).—Zwieren en zwaaien.—Zwoegen en zweeten.Eindrijmen. Blikken en flikkeren.—Bobbels en knobbels.—Brassen en plassen.—Dringen en wringen.—Drinken en klinken.—Hij kan gaan noch staan.—Garen en sparen.—Gedrang en geprang.—Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).—Met geld en geweld.—In geur en fleur staan.—God noch gebod ontzien.—Goed en bloed geven.—Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).—In handel en wandel.—Zich verdedigen met hand en tand.—Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).—Tegen heug en meug.—Van hoeten noch toeten weten.—Hoog en droog zitten.—Hotst het niet, dan botst het.—Hou en trouw.—Huis noch kluis hebben.— Jan en alleman.—Kikken noch mikken.—Zich kunnen kleeden en reeden.—Knotteren en stotteren (lastig zijn).—Krinkelen en winkelen (bochten maken).—Land en zand koopen (rijk worden).—ʼt Is alles krank en mank.—Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).—Iets van naadje tot draadje uitleggen.—Naam en faam verliezen.—Met pak en zak vertrekken.—Met raad en daad iemand bijstaan.—Rapen en schrapen (gierig zijn).—Rooken en smoken.—Wij hoorden ruit noch muit (niets).—Schot noch lot betalen (niets).—Schrijven en wrijven.—Smeren en teren (smullen).—Stank voor dank.—ʼt Vriest steen en been.—Steen en been klagen.—Loopen langs stegen en wegen.—Met tijd en vlijt.—Vrij en blij.—De zaak zooals zij waait en draait.—Wasschen en plassen.—Wroegen en zwoegen (hard werken).—Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.—Altijd zot of bot zijn.—Zwieren en tieren.Halve rijmen. Dag en nacht werken.—ʼt Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).—Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.—ʼt Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).—Iets volhouden bij hoog en bij laag.—Jokken en gekken.—Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende “met huid en haar”).—Met stukken en brokken.—Tusschen waken en slapen.Rijmlooze weder woorden. ʼt Is uit en amen.—Iets voor een appel en een ei verkoopen.—Baas en meester zijn.—Iets achter banken en stoelen steken.—Begekken en bespotten.—Over berg en dal.—Op dag en uur.—Door deur en venster slaat de rook naar buiten.—Na lang dingen en bieden.—Iemands doen en laten kennen.—Hij is al lang dood en begraven.—Eenzaam en verlaten.—Eer en faam verliezen.—Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).—Door eksters en kraaien uitgescholden worden.—Eten en smullen.—ʼt Is gedurig gaan en komen.—Iemand bedreigen met galg en rad.—Gelaarsd en gespoord.—ʼt Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).—Bij leven en welzijn.—Iemand kennen van haar tot pluim.—Vol haat en nijd zijn.—Daar zijn haken en oogen aan.—Hals over kop.—Met handen en voeten.—Have en goed.—Hij geeft om hel noch duivel.—Een leven, dat hooren en zien vergaat.—Een man van ijzer en staal.—Als kat en hond zijn.—Men moet kiezen of deelen.—Met koets en paard.—Het heeft kop noch staart.—Met kousen en schoenen in den hemel komen.—Lachen en boerten.—Iets wagen op leven en dood.—Mager en gezond.—Iemand man en paard noemen.—Bedorven in merg en been.—Moord en brand roepen.—Bij nacht en ontij.—Oud en wijs genoeg zijn.—Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.—Proper en net.—Rust noch duur hebben.—Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).—Slaven en wroeten.—Stellig en vast.—Vergaan tot stof en asch.—Loopen langs straten en wegen.—Op tijd en uur.—Verhuizen met tafel en bed.—Van toeten noch blazen weten.—Vast en zeker.—Met vedel en fluit.—Van iemands vleesch en bloed zijn.—Vloeken en zweren.—Vrede en peis (peis en vree).—Bij weêr en ontij.—Iets doen uit wrok en nijd.—Zang en dans, zang en spel.—Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). —Zonde en jammer.Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: “waar het hart van vol is, loopt de mond van over”;—“die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in” enz., zie b.v.Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), enC. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van VaderCatsis niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.Bij deSaksersmet hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:ʼt Mot nen grooten sprekkert wezen, diê ʼt nen zwiêgert verbettert.In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.Aj ʼn ekster uutstuurt, krie ʼj ʼn bonte vogel weer in huus.Aj ʼt gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij nietbij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor “als het wintert”: “as de witte bijen vleegt?” Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.Het dak: Doar is te völ dak op ʼt hoes (er zijn te veel luisteraars).De onderschuur:Wisse bis doe baas—in ʼt onderschoer as de hond er nig is(Denekamp).De hilde (zoldering boven den koestal):Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.De haard:Ieder raakt de assche op ziênen kooken.—Den ʼt vuur schelt (mankeert), zoch ʼt in de assche.—An de pan sloan, dat ʼn kettel der van rapt(grootspreken, ook wel lasteren).De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: “met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.” Het gelag betalen is “het haal schoeren.”Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:Wat hes door? “Niks.” Door kans de kat met doodvoeren.Der um hen drêjen as de kat um ʼn gleuinigen pap.Ai-j de kat op ʼt spek bindt, dan wil het ʼt nich vretten.Alles moêst, wat van katten komp.Van ʼt hondengeleuve wezzen.ʼt Geet um as ʼt hondebiêten (op beurt).Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, “eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen”, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zieDr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolkingder Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: “hij heeft het achterhek mede gekregen”;—iemand in gevaar brengen: “iemand het vuur op de hilde beuten”;—wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: “hij wil poesten en houden het meel in den mond”; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: “poesten en houden het meel in denzak”. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uitpoestenof met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.—De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: “huis is karnemelks borge” (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begripsterven: “de vork neerleggen”.Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: “hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen”;—hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: “hoe meer werk, hoe meer honig”;—wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: “die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken”.Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. “As-te Grönnegers ʼt lief vol (h)ebbʼn, goan ze vot”, klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: “ʼt is nou oart, moar ʼt zal wel voart worʼn”, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: “frisch weer zeggʼn ze nog, al klappertannʼn ze van koalle”. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.Het besliste, vastberadene, stuggeFrieschekarakter uitzich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.Der iz modder oonne kloet(als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).Teecken je dij kaets(aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.Hij makket schien fjild(hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).It giet oer koarren in klampen(het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.Dij het ien swiere boppelest(hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die “topzwaar” is).Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.Al tijden isser op sijn afterschip(hij komt altijd te laat).Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.—Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:Quaelck won, quaelck spon(kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae(oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).Hij kin doeke noch swimme(hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).Sa scheper, sa hoen(zoo schaapherder, zoo hond).Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frisschezeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat “men moet zeilen, terwijl de wind dient.” Maakt iemand veel verteringen, dan “haalt hij zijn zeil in top”; versukkelt hij zijn tijd, dan “gaat hij met de laatste schepen onder zeil”; inslapen is “onder zeil gaan”; toornig opstuiven “met opgestoken zeilen komen aanzetten”; bedaren is “het zeil inbinden”; en verder:“stijf onder zeil zijn”;—“achteruit zeilen”;—“klein zeil voeren”;—“zeil op iets maken”;— “een oog in ʼt zeil houden”;—“alle zeilen bijzetten”;—“iemand in de zijde zeilen”;—“met een nat zeil loopen”;—“langs den wal zeilen”;—“met zeilen voor den mast liggen”;—“bakzeil halen”;—“in iemands zeilen waaien.” Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. “Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil,” meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: “dat is geen zeil voor dat schip.”Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. “Iemand aanklampen”;—“iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden”;—“iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in ʼt vaarwater zitten, een steek onder water geven”;—“het anker lichten, laten vallen”;—“roeien met de riemen, die men heeft”;—“tegen den stroom oproeien”; —“in het riet sturen”;—“met denachtschuitkomen”;—“leelijke streken op zijn kompas hebben”;—“aan het roer zitten”;—“de vlag strijken”;—“bijdraaien”;—“de huik naar den wind hangen”;—“voorde haaien zijn”;—“naar wal sturen”;—“kant noch wal raken”;—“aan lager wal zijn”;—“de beste stuurlui staan aan wal”;—“oude schepen blijven aan land”;—“uitkaaien”; —“iemand aan den dijk zetten”;—“op ʼt droge zitten.”Luide spreekt ook het visschersbedrijf. “Visschen, terwijl het water blond is”;—“een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen”; —“een visch (snoek) vangen”;—“visch moet zwemmen”; —“geen vin verroeren”;—“in troebel water is het goed visschen”; —“glad als een aal”;—“iemand aan zijn angel krijgen”;— “geld (boter) bij de visch”;—“aan den haak slaan”;—“achter het net visschen”—“het neusje van den zalm.”Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: “het ijs breken”;—“zich op glad ijs wagen”;— “op oud ijs vriest het licht”;—“over ijs van éen nacht gaan”;— “beslagen ten ijs komen”;—“een scheeve (rare) schaats rijden”. Betrekking op den veestapel hebben: “de koe bij de horens vatten”;— “de koetjes loopen in mijn weiden”;—“zijn koetjes op het droge hebben”;—“over koetjes en kalfjes praten”;—“als de kalveren op het ijs dansen”;—“oude koeien uit den sloot halen”. Belangrijk is vooral de zegswijze “veel koeien, veel moeien”, niet slechts, omdat hiermoeienbewaard is gebleven, het meervoud vanmoeie“moeite”, vergelijk het HoogduitscheMühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.Holland is ook het land van de windmolens: “dat is wind op zijn molen”;—“de molen is door den vang” (de zaken loopen verkeerd);—“hij heeft een slag van den molen weg (beet)”;— “hij loopt met molentjes”. Maar Holland is vooral het waterland, “door den mensch ontwoekerd aan de zee”, schrijft bewonderendEdmondo de Amicis, “een kunstland, door de Hollanders gewrocht,in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven”. Bevat het spreekwoord “die ʼt water deert, die ʼt water keert” niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.—Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord “Gods water over Gods land (akker) laten loopen”? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek:Rust Roest.—En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: “goed rond, goed Zeeuwsch?”Bij de zuidelijkeFranken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.2Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).

I. Raadsels en Spreekwoorden.Deraadselsbehooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken—ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden—zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:Daar vloog een vogel VederloosOp een boom Bladerloos,Toen kwam een juffrouw Mondeloos,Die at den vogel VederloosVan den boom Bladerloos.Ik schrijf “Vederloos” enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kersRoodrok, het varkenKnorrepot, de appelGladkop, de ooievaarHap-op, de donderHolderdebolder, de wiegWikkeldewakkel, de kikvorschHipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaanMijnheer De Wit, het waterJuffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankendebenamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:Daar was een man, en ʼt was geen man,Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,Hij droeg water zonder vat;Rà, rà, wat is dat?(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:Die het maakt behoeft het niet,Die het vraagt behoudt het niet,Die het koopt begeert het niet,Die het heeft die weet het niet.(Een doodkist).In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.1. Debeschrijvenderaadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. “Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen”, schrijftAmaat Joos, “de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulendat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en ʼt niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;—den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;—de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken ʼt onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];—de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.”Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naarde geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.1.HolderdebolderLiep over den zolder;En zeven mansheerenDie konden Holderdebolder niet keeren.(De donder).2.Verre boven de drieschenHoorde ik een peerdeken brieschen;Daar is noch wijf noch man,Die dat peerdeken breidelen kan.(De donder.—België).3.Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.(Hemel, maan, sterren).Belgische vorm:Laken, dat ge niet vouwen kunt,Een appel, dien ge niet schellen kunt,En geld, dat ge niet tellen kunt.4.Tusschen hier en RomenStaan zeven hooge boomen;ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.(Het zevengesternte).5.Achter in mijn vaders tuin,Daar staat een boom met kralen,En die die kralen tellen kan,Die is de baas van allen.(De sterren).6.Lapken, lapken,Duizend lapken,ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.(Een wolk.—Dendermonde).7.Tusschen hemel en aardStaat een lange groene gaard.ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,Je zult het niet raden, al waart je met zessen.(De regenboog.—Limburg).8.Ons Lieve Vrouwken van LakenSpreidt een wit lakenOp land en zand,Maar niet op den waterkant.(De sneeuw.—Antwerpen).9.Daar staat een juffrouw in de deur,Met een witte schorldoek veur.Hoe meer dat ze staat,Hoe meer dat ze vergaat.(De sneeuw).10.Eene plankeVan Godes danke;Het en is noch hout noch eeke,Noch eeke noch hout.Als gij het kunt raden,Geef ik u eene ton met goud.(Het ijs.—België).11.Daar gaat een ding om het huis,Dat kijkt door alle gaatjes.(De zon).12.Rondom de meulenLiepen twee pèretjes speulen.Der is geen eenen ouwen man,Die déé twee pèëren keeren kan.(De zon en de maan.—Zeeland).13.Toen ik was jóng en schóon,Droeg ík een bláuwe króon.Toen ík was óud en stíjf,Slóegen ze me óp het líjf.Tóen ik wás genóeg gedrágen,Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.(Het vlas).14.Eerst zoo wit als vlas,Dan zoo groen als gras,Dan zoo rood als bloed,En dan zoo zwart als roet.(De braambes).15.Van binnen wit, van buiten zwart,Drie ruggen en geen start.(De boekweitkorrel).16.Der sit in jifferke yn ʼt grien,Mei in mooi read rokje oan.Als men ze knypt den skriemt se,En dôch het se in stiennen hert.(De kers.—Friesland).17.Daar staat een boom in ʼt Westen,Met twee en vijftig nesten,Ieder nest met zeven jongen,Râ, wat namen zij ontvongen?(Het jaar).Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.Ons bekend rijmpje:18.Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,Daar is geen eene timmerman,Die Hummeltje Tummeltje maken kan,waarvan een Vlaamsche lezing luidt:19.Hippekentippeken op de bank,Hippekentippeken onder de bank;Daar is geen smid in Ingeland,Die Hippekentippeken maken kan,vertoont in Brunswijk den vorm:Hummelke Trummelke lag upʼr bank,Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;Et was kein doktor inʼn gansen land,De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.In Engeland luidt het raadsel aldus:Humpty Dumpty sate on a wall,Humpty Dumpty had a great fall,Three score men and three score moreCannot place Humpty Dumpty as he was before.Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:20.Ik klopte al op een witte deur,Daar kwam een bruine pater veur.Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:21.Achter in mijn vaders tuinDaar staat een boom met groente;Hier een boom, daar een boom,Ieder boom een tak;Hier een tak, daar een tak,Ieder tak een nest;Hier een nest, daar een nest,Ieder nest een ei;Hier een ei, daar een ei,Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;Râ, râ, wat is dat?Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:22.Oude, grijze, grauwe,Staat alle nachten in de dauwe,Heeft vleesch noch bloedEn is voor alle menschen goed.(De molen).23.Er vloog een vogel snelAl over de diepe del (de zee);Hij droeg botten en beenenEn had er zelve geene.(Het schip).24.Achter molens duunDèr leit in oud peerd bruun,Zonder kop en zonder steert,Al syn ribben leggen verkeerd.(Een omgeploegd stuk land.—Ameland).25.Daar waren eens vier zustertjes,Die klommen op hooge mutstertjes;Daar waren eens vier broertjes,Die klommen op hooge stoeltjes;Ze naaiden zijden kapjesVan honderd duizend lapjes,Zonder naald en zonder twijn:Je zult het niet raden, al ben je fijn.(De spin, die haar net maakt).26.Er ging een mannetje door den damMet een fluweelen wammesje an.(De mol).Of ook:27.Jan De BruinZat in den tuin,Hij had geen paard of ploeg,En toch bouwde hij land genoeg.(De mol).28.Daar is een dingDat pinktDat knipt en winktEn lacht en vinkt ...ʼk Zou alzoo wel willen pinken,Knippen en winkenLonken en vinken,Gelijk dat dingDat pinktEn knipt en winktEn lonkt en vinkt.(Een Ster—Vlaanderen).29.Daar gíng een mánnetje óver den díjkMét zijn óogjes kíjkerdekíjk,Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.(Het schaap).30.Het is, waarin het water vloeit,Het is, waarop de bloeme bloeit,Het is, waarop bij dag en nachtDe moede mensch de rust verwacht,Het is, gelijk men dikwijls zegt,Van dat, waarin men dooden legt.(Het hout.—Land van Waas).Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:31.Dribbel drabbel dribbelgat,Hwêr komst dou fen dinne?—Ut de ierde,Swart forbarnde tsjettelkop.(Friesland).Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:32.—Du kromme, du lange,Van waar komde gegangen?—Ei du met dijn geschoren gat,Waarom vraagde mij dat?De Zeeuwsche vorm luidt:33.—Joe kromme, joe slomme,Wèr kom je van dèn gezwomme?—Joe afgeschoren schietgat,Wèrom verwiet je me dat?Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:—Lanke krummumme, wo wutte hen?—Korte vorschorne, wo frägste nâ,Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.2. Deverhalenderaadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.34.De kist, die leefde,Die er in zat, beefde;De kist, die at,Die er in zat,Bad.(Jonas in den visch.—België).Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.35.In ʼt Land van CadsantGing een man over zijn landMet ʼnen ginger,Met ʼnen springer,Met ʼnen hoepsasa;Hij hield iets in zijn handen;Hij ging al zoo zeereOm zijn land te keeren.(Hij ging met een paard en een riek).36.Hoop en vrees zat op den wagen:Hij zag tweebeen vierbeen dragen.Heeren raadt en zegt het mij,Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels dendetritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,—antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bijhet ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:37.Ik ging en ik kwamWaar ik vijf levenden uit éenen doode nam;Die vijf maakten mijn drij vrij;Weet ge ʼt, zegt het mij.Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:38.Toen ik henenging en wederkwam,Vijf levenden uit den doode nam,De zesde maakte den zevende vrij,Nu, heeren, raadt en zegt het mij.Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:39.Gezogen, gezogen,Landsheeren bedrogen,Kind geweestEn moeder geworden.Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:40.Heeren bedrogen,Muren doorzogen,Wiens kind ik ben,Wiens moeder ik wierd.“Muren doorzogen”, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pootentweebeen, driebeenenz. genoemd worden. Zoo b.v.:41.Tweebeen zit op driebeenEn trekt aan vierbeen.(Het melkmeisje).42.Tweebeen zat op driebeen,Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,Toen nam tweebeen driebeen,Om er vierbeen mee te smijten.(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden doorGuido Gezellekwelvragengenoemd. Het zijn inderdaadkwelraadselsin zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:43.KeízerKárelhád eenhónd,HóehéetKeízerKarelshond?De naam van den hond wasHoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: “Ik leg het woord al in uw mond”, of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:44.Krom omgebogen,Vlecht door getogen (getrokken),Wan ik jou ʼt zekg,Zul ei ʼt niet roan.(De wan).Zeer bekend is nog het kattenraadsel:45.Daar ging een mannetje over de brug,Met zeven katten op zijn rug,En ieder kat had zeven jongen,Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?(Twee).Op de tweeduidigheid van het woordheetenspekuleert het raadsel:46.Koolwarmoes, die koud isEn drie dagen oud is,Hoe heeten ze dat in Brabant?(Boven het vuur).Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:47.Aʼmsterdám, die gróote stád,Met hóeveel létters spélt men dát?(Met drie: d a t).Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).—49. Wat voor haar had Mozesʼ hond? (Hondenhaar).—50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).—51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).—52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).—53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (Despijkers in de schoenen).—54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).—55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).—57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).—58. Wie steekt er ʼs morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).—59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).—60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letterm). Zoo ook:62.ʼt Is in de vrouw en niet in den man,ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,ʼt Is in Karel en niet in Jan;Zeg mij wie dit raden kan.(De letterr).4. In deraadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: “Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons doorWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooigroot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:Het maantje dat schijnt er zoo helder,Het paardje dat loopt er zoo snelder,Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.Raad eens, wat is dat?—Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,—in geen zeven jaar,—al ben je fijn,—al werdt je dol,—tot Baafmis,—tot Sinter Merten,—tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr.Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900–1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; enA. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. VerderDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 257;A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45;Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in despreekwoordenvan een volk openbaart zich vooral de volkswijsheiden praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn “gevleugelde woorden”, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek vanDr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord iseenkunstvormvan de taal van den gemeenen man—, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. NochTuinmanʼs, nochHarreboméʼsspreekwoordenboek, nochStoettʼsmagistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: “beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht” vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in “kap en kogel (kat en kogel) verliezen”, “met bed en bult vertrekken” enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnschecras credo, ofsanus salvus, dat in het Franschsain et saufwerd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking “zooals hetreiltenzeilt” (of “treilt en zeilt”, Zuidnederl. “reist en zeilt”) op een rijmloos: “zooals hetrijdtenzeilt”, d.i. zooals het schip voor anker ligt (“rijdt”) en zooals het zeilt; zieStoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: “wat niet weet, wat niet deert”,—“komt tijd, komt raad”, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooralVerdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormenin onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht doorA. Joosin zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de “Gepaarde woorden of wederwoorden” bevat, ontleen ik het volgende.Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).—Biezen en bijzen.—Hij is begraven zonder bimmen of bommen.—Blikken noch blozen.—Boe noch ba zeggen.—Buigen of bersten.—Vóor dag en dauw.—Door dik en dun.—Ditjeʼs en datjeʼs.—Van alles dubbel en dik hebben.—Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).—Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). —Groen en geel.—Daar zal hen noch haan over kraaien.—Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).—Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).—Kant en klaar.—Hij gaat naar kerk noch kluis.—Kijven en krakeelen.—Kind noch kraai hebben.—Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.—Klitsen en kletsen (met de zweep).—Klodderen en kladderen.—Spreken over koetjes en kalfjes.—Kort en klein slaan.—Voor kost en kleeren zorgen.—Kris en kras.—Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).—Lief en leed.—Listen en lagen.—Lonken en liefoogen.—Lui en lekker.—Vergaan met man en muis.—Perk en paal stellen.—Van Pontius naar Pilatus sturen.—Met potten en pannen.—In rep en roer.—Rijden en rotsen.—Schade en schande.—Schobben en schooien.—Slag om slinger vechten (hevig).—Dat gaat zonder slag of stoot.—Sloffen en sleffen (al slepende gaan).—Stijf en stom staan.—Taal noch teeken geven.—Vast en veilig.—Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).—Visch noch vleesch zijn.—Het is altijd vuur en vlam.—Vrij en vrank.—Wankelen en weifelen.—Hij gaat door weêr en wind.—Hij weet van wijken noch wankelen.—In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).—Wisjes en wasjes.—Zuur en zoet.—Zuchten en zagen (ontevreden zijn).—Zwieren en zwaaien.—Zwoegen en zweeten.Eindrijmen. Blikken en flikkeren.—Bobbels en knobbels.—Brassen en plassen.—Dringen en wringen.—Drinken en klinken.—Hij kan gaan noch staan.—Garen en sparen.—Gedrang en geprang.—Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).—Met geld en geweld.—In geur en fleur staan.—God noch gebod ontzien.—Goed en bloed geven.—Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).—In handel en wandel.—Zich verdedigen met hand en tand.—Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).—Tegen heug en meug.—Van hoeten noch toeten weten.—Hoog en droog zitten.—Hotst het niet, dan botst het.—Hou en trouw.—Huis noch kluis hebben.— Jan en alleman.—Kikken noch mikken.—Zich kunnen kleeden en reeden.—Knotteren en stotteren (lastig zijn).—Krinkelen en winkelen (bochten maken).—Land en zand koopen (rijk worden).—ʼt Is alles krank en mank.—Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).—Iets van naadje tot draadje uitleggen.—Naam en faam verliezen.—Met pak en zak vertrekken.—Met raad en daad iemand bijstaan.—Rapen en schrapen (gierig zijn).—Rooken en smoken.—Wij hoorden ruit noch muit (niets).—Schot noch lot betalen (niets).—Schrijven en wrijven.—Smeren en teren (smullen).—Stank voor dank.—ʼt Vriest steen en been.—Steen en been klagen.—Loopen langs stegen en wegen.—Met tijd en vlijt.—Vrij en blij.—De zaak zooals zij waait en draait.—Wasschen en plassen.—Wroegen en zwoegen (hard werken).—Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.—Altijd zot of bot zijn.—Zwieren en tieren.Halve rijmen. Dag en nacht werken.—ʼt Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).—Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.—ʼt Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).—Iets volhouden bij hoog en bij laag.—Jokken en gekken.—Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende “met huid en haar”).—Met stukken en brokken.—Tusschen waken en slapen.Rijmlooze weder woorden. ʼt Is uit en amen.—Iets voor een appel en een ei verkoopen.—Baas en meester zijn.—Iets achter banken en stoelen steken.—Begekken en bespotten.—Over berg en dal.—Op dag en uur.—Door deur en venster slaat de rook naar buiten.—Na lang dingen en bieden.—Iemands doen en laten kennen.—Hij is al lang dood en begraven.—Eenzaam en verlaten.—Eer en faam verliezen.—Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).—Door eksters en kraaien uitgescholden worden.—Eten en smullen.—ʼt Is gedurig gaan en komen.—Iemand bedreigen met galg en rad.—Gelaarsd en gespoord.—ʼt Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).—Bij leven en welzijn.—Iemand kennen van haar tot pluim.—Vol haat en nijd zijn.—Daar zijn haken en oogen aan.—Hals over kop.—Met handen en voeten.—Have en goed.—Hij geeft om hel noch duivel.—Een leven, dat hooren en zien vergaat.—Een man van ijzer en staal.—Als kat en hond zijn.—Men moet kiezen of deelen.—Met koets en paard.—Het heeft kop noch staart.—Met kousen en schoenen in den hemel komen.—Lachen en boerten.—Iets wagen op leven en dood.—Mager en gezond.—Iemand man en paard noemen.—Bedorven in merg en been.—Moord en brand roepen.—Bij nacht en ontij.—Oud en wijs genoeg zijn.—Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.—Proper en net.—Rust noch duur hebben.—Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).—Slaven en wroeten.—Stellig en vast.—Vergaan tot stof en asch.—Loopen langs straten en wegen.—Op tijd en uur.—Verhuizen met tafel en bed.—Van toeten noch blazen weten.—Vast en zeker.—Met vedel en fluit.—Van iemands vleesch en bloed zijn.—Vloeken en zweren.—Vrede en peis (peis en vree).—Bij weêr en ontij.—Iets doen uit wrok en nijd.—Zang en dans, zang en spel.—Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). —Zonde en jammer.Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: “waar het hart van vol is, loopt de mond van over”;—“die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in” enz., zie b.v.Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), enC. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van VaderCatsis niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.Bij deSaksersmet hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:ʼt Mot nen grooten sprekkert wezen, diê ʼt nen zwiêgert verbettert.In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.Aj ʼn ekster uutstuurt, krie ʼj ʼn bonte vogel weer in huus.Aj ʼt gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij nietbij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor “als het wintert”: “as de witte bijen vleegt?” Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.Het dak: Doar is te völ dak op ʼt hoes (er zijn te veel luisteraars).De onderschuur:Wisse bis doe baas—in ʼt onderschoer as de hond er nig is(Denekamp).De hilde (zoldering boven den koestal):Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.De haard:Ieder raakt de assche op ziênen kooken.—Den ʼt vuur schelt (mankeert), zoch ʼt in de assche.—An de pan sloan, dat ʼn kettel der van rapt(grootspreken, ook wel lasteren).De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: “met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.” Het gelag betalen is “het haal schoeren.”Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:Wat hes door? “Niks.” Door kans de kat met doodvoeren.Der um hen drêjen as de kat um ʼn gleuinigen pap.Ai-j de kat op ʼt spek bindt, dan wil het ʼt nich vretten.Alles moêst, wat van katten komp.Van ʼt hondengeleuve wezzen.ʼt Geet um as ʼt hondebiêten (op beurt).Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, “eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen”, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zieDr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolkingder Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: “hij heeft het achterhek mede gekregen”;—iemand in gevaar brengen: “iemand het vuur op de hilde beuten”;—wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: “hij wil poesten en houden het meel in den mond”; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: “poesten en houden het meel in denzak”. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uitpoestenof met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.—De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: “huis is karnemelks borge” (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begripsterven: “de vork neerleggen”.Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: “hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen”;—hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: “hoe meer werk, hoe meer honig”;—wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: “die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken”.Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. “As-te Grönnegers ʼt lief vol (h)ebbʼn, goan ze vot”, klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: “ʼt is nou oart, moar ʼt zal wel voart worʼn”, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: “frisch weer zeggʼn ze nog, al klappertannʼn ze van koalle”. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.Het besliste, vastberadene, stuggeFrieschekarakter uitzich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.Der iz modder oonne kloet(als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).Teecken je dij kaets(aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.Hij makket schien fjild(hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).It giet oer koarren in klampen(het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.Dij het ien swiere boppelest(hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die “topzwaar” is).Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.Al tijden isser op sijn afterschip(hij komt altijd te laat).Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.—Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:Quaelck won, quaelck spon(kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae(oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).Hij kin doeke noch swimme(hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).Sa scheper, sa hoen(zoo schaapherder, zoo hond).Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frisschezeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat “men moet zeilen, terwijl de wind dient.” Maakt iemand veel verteringen, dan “haalt hij zijn zeil in top”; versukkelt hij zijn tijd, dan “gaat hij met de laatste schepen onder zeil”; inslapen is “onder zeil gaan”; toornig opstuiven “met opgestoken zeilen komen aanzetten”; bedaren is “het zeil inbinden”; en verder:“stijf onder zeil zijn”;—“achteruit zeilen”;—“klein zeil voeren”;—“zeil op iets maken”;— “een oog in ʼt zeil houden”;—“alle zeilen bijzetten”;—“iemand in de zijde zeilen”;—“met een nat zeil loopen”;—“langs den wal zeilen”;—“met zeilen voor den mast liggen”;—“bakzeil halen”;—“in iemands zeilen waaien.” Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. “Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil,” meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: “dat is geen zeil voor dat schip.”Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. “Iemand aanklampen”;—“iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden”;—“iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in ʼt vaarwater zitten, een steek onder water geven”;—“het anker lichten, laten vallen”;—“roeien met de riemen, die men heeft”;—“tegen den stroom oproeien”; —“in het riet sturen”;—“met denachtschuitkomen”;—“leelijke streken op zijn kompas hebben”;—“aan het roer zitten”;—“de vlag strijken”;—“bijdraaien”;—“de huik naar den wind hangen”;—“voorde haaien zijn”;—“naar wal sturen”;—“kant noch wal raken”;—“aan lager wal zijn”;—“de beste stuurlui staan aan wal”;—“oude schepen blijven aan land”;—“uitkaaien”; —“iemand aan den dijk zetten”;—“op ʼt droge zitten.”Luide spreekt ook het visschersbedrijf. “Visschen, terwijl het water blond is”;—“een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen”; —“een visch (snoek) vangen”;—“visch moet zwemmen”; —“geen vin verroeren”;—“in troebel water is het goed visschen”; —“glad als een aal”;—“iemand aan zijn angel krijgen”;— “geld (boter) bij de visch”;—“aan den haak slaan”;—“achter het net visschen”—“het neusje van den zalm.”Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: “het ijs breken”;—“zich op glad ijs wagen”;— “op oud ijs vriest het licht”;—“over ijs van éen nacht gaan”;— “beslagen ten ijs komen”;—“een scheeve (rare) schaats rijden”. Betrekking op den veestapel hebben: “de koe bij de horens vatten”;— “de koetjes loopen in mijn weiden”;—“zijn koetjes op het droge hebben”;—“over koetjes en kalfjes praten”;—“als de kalveren op het ijs dansen”;—“oude koeien uit den sloot halen”. Belangrijk is vooral de zegswijze “veel koeien, veel moeien”, niet slechts, omdat hiermoeienbewaard is gebleven, het meervoud vanmoeie“moeite”, vergelijk het HoogduitscheMühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.Holland is ook het land van de windmolens: “dat is wind op zijn molen”;—“de molen is door den vang” (de zaken loopen verkeerd);—“hij heeft een slag van den molen weg (beet)”;— “hij loopt met molentjes”. Maar Holland is vooral het waterland, “door den mensch ontwoekerd aan de zee”, schrijft bewonderendEdmondo de Amicis, “een kunstland, door de Hollanders gewrocht,in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven”. Bevat het spreekwoord “die ʼt water deert, die ʼt water keert” niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.—Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord “Gods water over Gods land (akker) laten loopen”? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek:Rust Roest.—En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: “goed rond, goed Zeeuwsch?”Bij de zuidelijkeFranken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.2Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).

I. Raadsels en Spreekwoorden.Deraadselsbehooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken—ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden—zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:Daar vloog een vogel VederloosOp een boom Bladerloos,Toen kwam een juffrouw Mondeloos,Die at den vogel VederloosVan den boom Bladerloos.Ik schrijf “Vederloos” enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kersRoodrok, het varkenKnorrepot, de appelGladkop, de ooievaarHap-op, de donderHolderdebolder, de wiegWikkeldewakkel, de kikvorschHipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaanMijnheer De Wit, het waterJuffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankendebenamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:Daar was een man, en ʼt was geen man,Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,Hij droeg water zonder vat;Rà, rà, wat is dat?(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:Die het maakt behoeft het niet,Die het vraagt behoudt het niet,Die het koopt begeert het niet,Die het heeft die weet het niet.(Een doodkist).In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.1. Debeschrijvenderaadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. “Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen”, schrijftAmaat Joos, “de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulendat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en ʼt niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;—den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;—de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken ʼt onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];—de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.”Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naarde geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.1.HolderdebolderLiep over den zolder;En zeven mansheerenDie konden Holderdebolder niet keeren.(De donder).2.Verre boven de drieschenHoorde ik een peerdeken brieschen;Daar is noch wijf noch man,Die dat peerdeken breidelen kan.(De donder.—België).3.Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.(Hemel, maan, sterren).Belgische vorm:Laken, dat ge niet vouwen kunt,Een appel, dien ge niet schellen kunt,En geld, dat ge niet tellen kunt.4.Tusschen hier en RomenStaan zeven hooge boomen;ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.(Het zevengesternte).5.Achter in mijn vaders tuin,Daar staat een boom met kralen,En die die kralen tellen kan,Die is de baas van allen.(De sterren).6.Lapken, lapken,Duizend lapken,ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.(Een wolk.—Dendermonde).7.Tusschen hemel en aardStaat een lange groene gaard.ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,Je zult het niet raden, al waart je met zessen.(De regenboog.—Limburg).8.Ons Lieve Vrouwken van LakenSpreidt een wit lakenOp land en zand,Maar niet op den waterkant.(De sneeuw.—Antwerpen).9.Daar staat een juffrouw in de deur,Met een witte schorldoek veur.Hoe meer dat ze staat,Hoe meer dat ze vergaat.(De sneeuw).10.Eene plankeVan Godes danke;Het en is noch hout noch eeke,Noch eeke noch hout.Als gij het kunt raden,Geef ik u eene ton met goud.(Het ijs.—België).11.Daar gaat een ding om het huis,Dat kijkt door alle gaatjes.(De zon).12.Rondom de meulenLiepen twee pèretjes speulen.Der is geen eenen ouwen man,Die déé twee pèëren keeren kan.(De zon en de maan.—Zeeland).13.Toen ik was jóng en schóon,Droeg ík een bláuwe króon.Toen ík was óud en stíjf,Slóegen ze me óp het líjf.Tóen ik wás genóeg gedrágen,Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.(Het vlas).14.Eerst zoo wit als vlas,Dan zoo groen als gras,Dan zoo rood als bloed,En dan zoo zwart als roet.(De braambes).15.Van binnen wit, van buiten zwart,Drie ruggen en geen start.(De boekweitkorrel).16.Der sit in jifferke yn ʼt grien,Mei in mooi read rokje oan.Als men ze knypt den skriemt se,En dôch het se in stiennen hert.(De kers.—Friesland).17.Daar staat een boom in ʼt Westen,Met twee en vijftig nesten,Ieder nest met zeven jongen,Râ, wat namen zij ontvongen?(Het jaar).Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.Ons bekend rijmpje:18.Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,Daar is geen eene timmerman,Die Hummeltje Tummeltje maken kan,waarvan een Vlaamsche lezing luidt:19.Hippekentippeken op de bank,Hippekentippeken onder de bank;Daar is geen smid in Ingeland,Die Hippekentippeken maken kan,vertoont in Brunswijk den vorm:Hummelke Trummelke lag upʼr bank,Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;Et was kein doktor inʼn gansen land,De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.In Engeland luidt het raadsel aldus:Humpty Dumpty sate on a wall,Humpty Dumpty had a great fall,Three score men and three score moreCannot place Humpty Dumpty as he was before.Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:20.Ik klopte al op een witte deur,Daar kwam een bruine pater veur.Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:21.Achter in mijn vaders tuinDaar staat een boom met groente;Hier een boom, daar een boom,Ieder boom een tak;Hier een tak, daar een tak,Ieder tak een nest;Hier een nest, daar een nest,Ieder nest een ei;Hier een ei, daar een ei,Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;Râ, râ, wat is dat?Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:22.Oude, grijze, grauwe,Staat alle nachten in de dauwe,Heeft vleesch noch bloedEn is voor alle menschen goed.(De molen).23.Er vloog een vogel snelAl over de diepe del (de zee);Hij droeg botten en beenenEn had er zelve geene.(Het schip).24.Achter molens duunDèr leit in oud peerd bruun,Zonder kop en zonder steert,Al syn ribben leggen verkeerd.(Een omgeploegd stuk land.—Ameland).25.Daar waren eens vier zustertjes,Die klommen op hooge mutstertjes;Daar waren eens vier broertjes,Die klommen op hooge stoeltjes;Ze naaiden zijden kapjesVan honderd duizend lapjes,Zonder naald en zonder twijn:Je zult het niet raden, al ben je fijn.(De spin, die haar net maakt).26.Er ging een mannetje door den damMet een fluweelen wammesje an.(De mol).Of ook:27.Jan De BruinZat in den tuin,Hij had geen paard of ploeg,En toch bouwde hij land genoeg.(De mol).28.Daar is een dingDat pinktDat knipt en winktEn lacht en vinkt ...ʼk Zou alzoo wel willen pinken,Knippen en winkenLonken en vinken,Gelijk dat dingDat pinktEn knipt en winktEn lonkt en vinkt.(Een Ster—Vlaanderen).29.Daar gíng een mánnetje óver den díjkMét zijn óogjes kíjkerdekíjk,Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.(Het schaap).30.Het is, waarin het water vloeit,Het is, waarop de bloeme bloeit,Het is, waarop bij dag en nachtDe moede mensch de rust verwacht,Het is, gelijk men dikwijls zegt,Van dat, waarin men dooden legt.(Het hout.—Land van Waas).Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:31.Dribbel drabbel dribbelgat,Hwêr komst dou fen dinne?—Ut de ierde,Swart forbarnde tsjettelkop.(Friesland).Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:32.—Du kromme, du lange,Van waar komde gegangen?—Ei du met dijn geschoren gat,Waarom vraagde mij dat?De Zeeuwsche vorm luidt:33.—Joe kromme, joe slomme,Wèr kom je van dèn gezwomme?—Joe afgeschoren schietgat,Wèrom verwiet je me dat?Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:—Lanke krummumme, wo wutte hen?—Korte vorschorne, wo frägste nâ,Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.2. Deverhalenderaadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.34.De kist, die leefde,Die er in zat, beefde;De kist, die at,Die er in zat,Bad.(Jonas in den visch.—België).Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.35.In ʼt Land van CadsantGing een man over zijn landMet ʼnen ginger,Met ʼnen springer,Met ʼnen hoepsasa;Hij hield iets in zijn handen;Hij ging al zoo zeereOm zijn land te keeren.(Hij ging met een paard en een riek).36.Hoop en vrees zat op den wagen:Hij zag tweebeen vierbeen dragen.Heeren raadt en zegt het mij,Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels dendetritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,—antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bijhet ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:37.Ik ging en ik kwamWaar ik vijf levenden uit éenen doode nam;Die vijf maakten mijn drij vrij;Weet ge ʼt, zegt het mij.Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:38.Toen ik henenging en wederkwam,Vijf levenden uit den doode nam,De zesde maakte den zevende vrij,Nu, heeren, raadt en zegt het mij.Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:39.Gezogen, gezogen,Landsheeren bedrogen,Kind geweestEn moeder geworden.Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:40.Heeren bedrogen,Muren doorzogen,Wiens kind ik ben,Wiens moeder ik wierd.“Muren doorzogen”, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pootentweebeen, driebeenenz. genoemd worden. Zoo b.v.:41.Tweebeen zit op driebeenEn trekt aan vierbeen.(Het melkmeisje).42.Tweebeen zat op driebeen,Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,Toen nam tweebeen driebeen,Om er vierbeen mee te smijten.(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden doorGuido Gezellekwelvragengenoemd. Het zijn inderdaadkwelraadselsin zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:43.KeízerKárelhád eenhónd,HóehéetKeízerKarelshond?De naam van den hond wasHoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: “Ik leg het woord al in uw mond”, of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:44.Krom omgebogen,Vlecht door getogen (getrokken),Wan ik jou ʼt zekg,Zul ei ʼt niet roan.(De wan).Zeer bekend is nog het kattenraadsel:45.Daar ging een mannetje over de brug,Met zeven katten op zijn rug,En ieder kat had zeven jongen,Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?(Twee).Op de tweeduidigheid van het woordheetenspekuleert het raadsel:46.Koolwarmoes, die koud isEn drie dagen oud is,Hoe heeten ze dat in Brabant?(Boven het vuur).Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:47.Aʼmsterdám, die gróote stád,Met hóeveel létters spélt men dát?(Met drie: d a t).Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).—49. Wat voor haar had Mozesʼ hond? (Hondenhaar).—50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).—51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).—52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).—53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (Despijkers in de schoenen).—54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).—55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).—57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).—58. Wie steekt er ʼs morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).—59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).—60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letterm). Zoo ook:62.ʼt Is in de vrouw en niet in den man,ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,ʼt Is in Karel en niet in Jan;Zeg mij wie dit raden kan.(De letterr).4. In deraadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: “Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons doorWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooigroot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:Het maantje dat schijnt er zoo helder,Het paardje dat loopt er zoo snelder,Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.Raad eens, wat is dat?—Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,—in geen zeven jaar,—al ben je fijn,—al werdt je dol,—tot Baafmis,—tot Sinter Merten,—tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr.Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900–1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; enA. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. VerderDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 257;A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45;Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in despreekwoordenvan een volk openbaart zich vooral de volkswijsheiden praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn “gevleugelde woorden”, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek vanDr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord iseenkunstvormvan de taal van den gemeenen man—, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. NochTuinmanʼs, nochHarreboméʼsspreekwoordenboek, nochStoettʼsmagistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: “beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht” vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in “kap en kogel (kat en kogel) verliezen”, “met bed en bult vertrekken” enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnschecras credo, ofsanus salvus, dat in het Franschsain et saufwerd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking “zooals hetreiltenzeilt” (of “treilt en zeilt”, Zuidnederl. “reist en zeilt”) op een rijmloos: “zooals hetrijdtenzeilt”, d.i. zooals het schip voor anker ligt (“rijdt”) en zooals het zeilt; zieStoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: “wat niet weet, wat niet deert”,—“komt tijd, komt raad”, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooralVerdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormenin onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht doorA. Joosin zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de “Gepaarde woorden of wederwoorden” bevat, ontleen ik het volgende.Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).—Biezen en bijzen.—Hij is begraven zonder bimmen of bommen.—Blikken noch blozen.—Boe noch ba zeggen.—Buigen of bersten.—Vóor dag en dauw.—Door dik en dun.—Ditjeʼs en datjeʼs.—Van alles dubbel en dik hebben.—Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).—Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). —Groen en geel.—Daar zal hen noch haan over kraaien.—Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).—Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).—Kant en klaar.—Hij gaat naar kerk noch kluis.—Kijven en krakeelen.—Kind noch kraai hebben.—Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.—Klitsen en kletsen (met de zweep).—Klodderen en kladderen.—Spreken over koetjes en kalfjes.—Kort en klein slaan.—Voor kost en kleeren zorgen.—Kris en kras.—Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).—Lief en leed.—Listen en lagen.—Lonken en liefoogen.—Lui en lekker.—Vergaan met man en muis.—Perk en paal stellen.—Van Pontius naar Pilatus sturen.—Met potten en pannen.—In rep en roer.—Rijden en rotsen.—Schade en schande.—Schobben en schooien.—Slag om slinger vechten (hevig).—Dat gaat zonder slag of stoot.—Sloffen en sleffen (al slepende gaan).—Stijf en stom staan.—Taal noch teeken geven.—Vast en veilig.—Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).—Visch noch vleesch zijn.—Het is altijd vuur en vlam.—Vrij en vrank.—Wankelen en weifelen.—Hij gaat door weêr en wind.—Hij weet van wijken noch wankelen.—In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).—Wisjes en wasjes.—Zuur en zoet.—Zuchten en zagen (ontevreden zijn).—Zwieren en zwaaien.—Zwoegen en zweeten.Eindrijmen. Blikken en flikkeren.—Bobbels en knobbels.—Brassen en plassen.—Dringen en wringen.—Drinken en klinken.—Hij kan gaan noch staan.—Garen en sparen.—Gedrang en geprang.—Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).—Met geld en geweld.—In geur en fleur staan.—God noch gebod ontzien.—Goed en bloed geven.—Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).—In handel en wandel.—Zich verdedigen met hand en tand.—Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).—Tegen heug en meug.—Van hoeten noch toeten weten.—Hoog en droog zitten.—Hotst het niet, dan botst het.—Hou en trouw.—Huis noch kluis hebben.— Jan en alleman.—Kikken noch mikken.—Zich kunnen kleeden en reeden.—Knotteren en stotteren (lastig zijn).—Krinkelen en winkelen (bochten maken).—Land en zand koopen (rijk worden).—ʼt Is alles krank en mank.—Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).—Iets van naadje tot draadje uitleggen.—Naam en faam verliezen.—Met pak en zak vertrekken.—Met raad en daad iemand bijstaan.—Rapen en schrapen (gierig zijn).—Rooken en smoken.—Wij hoorden ruit noch muit (niets).—Schot noch lot betalen (niets).—Schrijven en wrijven.—Smeren en teren (smullen).—Stank voor dank.—ʼt Vriest steen en been.—Steen en been klagen.—Loopen langs stegen en wegen.—Met tijd en vlijt.—Vrij en blij.—De zaak zooals zij waait en draait.—Wasschen en plassen.—Wroegen en zwoegen (hard werken).—Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.—Altijd zot of bot zijn.—Zwieren en tieren.Halve rijmen. Dag en nacht werken.—ʼt Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).—Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.—ʼt Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).—Iets volhouden bij hoog en bij laag.—Jokken en gekken.—Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende “met huid en haar”).—Met stukken en brokken.—Tusschen waken en slapen.Rijmlooze weder woorden. ʼt Is uit en amen.—Iets voor een appel en een ei verkoopen.—Baas en meester zijn.—Iets achter banken en stoelen steken.—Begekken en bespotten.—Over berg en dal.—Op dag en uur.—Door deur en venster slaat de rook naar buiten.—Na lang dingen en bieden.—Iemands doen en laten kennen.—Hij is al lang dood en begraven.—Eenzaam en verlaten.—Eer en faam verliezen.—Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).—Door eksters en kraaien uitgescholden worden.—Eten en smullen.—ʼt Is gedurig gaan en komen.—Iemand bedreigen met galg en rad.—Gelaarsd en gespoord.—ʼt Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).—Bij leven en welzijn.—Iemand kennen van haar tot pluim.—Vol haat en nijd zijn.—Daar zijn haken en oogen aan.—Hals over kop.—Met handen en voeten.—Have en goed.—Hij geeft om hel noch duivel.—Een leven, dat hooren en zien vergaat.—Een man van ijzer en staal.—Als kat en hond zijn.—Men moet kiezen of deelen.—Met koets en paard.—Het heeft kop noch staart.—Met kousen en schoenen in den hemel komen.—Lachen en boerten.—Iets wagen op leven en dood.—Mager en gezond.—Iemand man en paard noemen.—Bedorven in merg en been.—Moord en brand roepen.—Bij nacht en ontij.—Oud en wijs genoeg zijn.—Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.—Proper en net.—Rust noch duur hebben.—Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).—Slaven en wroeten.—Stellig en vast.—Vergaan tot stof en asch.—Loopen langs straten en wegen.—Op tijd en uur.—Verhuizen met tafel en bed.—Van toeten noch blazen weten.—Vast en zeker.—Met vedel en fluit.—Van iemands vleesch en bloed zijn.—Vloeken en zweren.—Vrede en peis (peis en vree).—Bij weêr en ontij.—Iets doen uit wrok en nijd.—Zang en dans, zang en spel.—Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). —Zonde en jammer.Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: “waar het hart van vol is, loopt de mond van over”;—“die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in” enz., zie b.v.Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), enC. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van VaderCatsis niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.Bij deSaksersmet hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:ʼt Mot nen grooten sprekkert wezen, diê ʼt nen zwiêgert verbettert.In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.Aj ʼn ekster uutstuurt, krie ʼj ʼn bonte vogel weer in huus.Aj ʼt gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij nietbij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor “als het wintert”: “as de witte bijen vleegt?” Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.Het dak: Doar is te völ dak op ʼt hoes (er zijn te veel luisteraars).De onderschuur:Wisse bis doe baas—in ʼt onderschoer as de hond er nig is(Denekamp).De hilde (zoldering boven den koestal):Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.De haard:Ieder raakt de assche op ziênen kooken.—Den ʼt vuur schelt (mankeert), zoch ʼt in de assche.—An de pan sloan, dat ʼn kettel der van rapt(grootspreken, ook wel lasteren).De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: “met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.” Het gelag betalen is “het haal schoeren.”Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:Wat hes door? “Niks.” Door kans de kat met doodvoeren.Der um hen drêjen as de kat um ʼn gleuinigen pap.Ai-j de kat op ʼt spek bindt, dan wil het ʼt nich vretten.Alles moêst, wat van katten komp.Van ʼt hondengeleuve wezzen.ʼt Geet um as ʼt hondebiêten (op beurt).Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, “eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen”, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zieDr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolkingder Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: “hij heeft het achterhek mede gekregen”;—iemand in gevaar brengen: “iemand het vuur op de hilde beuten”;—wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: “hij wil poesten en houden het meel in den mond”; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: “poesten en houden het meel in denzak”. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uitpoestenof met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.—De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: “huis is karnemelks borge” (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begripsterven: “de vork neerleggen”.Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: “hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen”;—hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: “hoe meer werk, hoe meer honig”;—wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: “die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken”.Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. “As-te Grönnegers ʼt lief vol (h)ebbʼn, goan ze vot”, klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: “ʼt is nou oart, moar ʼt zal wel voart worʼn”, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: “frisch weer zeggʼn ze nog, al klappertannʼn ze van koalle”. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.Het besliste, vastberadene, stuggeFrieschekarakter uitzich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.Der iz modder oonne kloet(als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).Teecken je dij kaets(aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.Hij makket schien fjild(hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).It giet oer koarren in klampen(het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.Dij het ien swiere boppelest(hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die “topzwaar” is).Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.Al tijden isser op sijn afterschip(hij komt altijd te laat).Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.—Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:Quaelck won, quaelck spon(kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae(oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).Hij kin doeke noch swimme(hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).Sa scheper, sa hoen(zoo schaapherder, zoo hond).Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frisschezeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat “men moet zeilen, terwijl de wind dient.” Maakt iemand veel verteringen, dan “haalt hij zijn zeil in top”; versukkelt hij zijn tijd, dan “gaat hij met de laatste schepen onder zeil”; inslapen is “onder zeil gaan”; toornig opstuiven “met opgestoken zeilen komen aanzetten”; bedaren is “het zeil inbinden”; en verder:“stijf onder zeil zijn”;—“achteruit zeilen”;—“klein zeil voeren”;—“zeil op iets maken”;— “een oog in ʼt zeil houden”;—“alle zeilen bijzetten”;—“iemand in de zijde zeilen”;—“met een nat zeil loopen”;—“langs den wal zeilen”;—“met zeilen voor den mast liggen”;—“bakzeil halen”;—“in iemands zeilen waaien.” Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. “Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil,” meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: “dat is geen zeil voor dat schip.”Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. “Iemand aanklampen”;—“iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden”;—“iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in ʼt vaarwater zitten, een steek onder water geven”;—“het anker lichten, laten vallen”;—“roeien met de riemen, die men heeft”;—“tegen den stroom oproeien”; —“in het riet sturen”;—“met denachtschuitkomen”;—“leelijke streken op zijn kompas hebben”;—“aan het roer zitten”;—“de vlag strijken”;—“bijdraaien”;—“de huik naar den wind hangen”;—“voorde haaien zijn”;—“naar wal sturen”;—“kant noch wal raken”;—“aan lager wal zijn”;—“de beste stuurlui staan aan wal”;—“oude schepen blijven aan land”;—“uitkaaien”; —“iemand aan den dijk zetten”;—“op ʼt droge zitten.”Luide spreekt ook het visschersbedrijf. “Visschen, terwijl het water blond is”;—“een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen”; —“een visch (snoek) vangen”;—“visch moet zwemmen”; —“geen vin verroeren”;—“in troebel water is het goed visschen”; —“glad als een aal”;—“iemand aan zijn angel krijgen”;— “geld (boter) bij de visch”;—“aan den haak slaan”;—“achter het net visschen”—“het neusje van den zalm.”Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: “het ijs breken”;—“zich op glad ijs wagen”;— “op oud ijs vriest het licht”;—“over ijs van éen nacht gaan”;— “beslagen ten ijs komen”;—“een scheeve (rare) schaats rijden”. Betrekking op den veestapel hebben: “de koe bij de horens vatten”;— “de koetjes loopen in mijn weiden”;—“zijn koetjes op het droge hebben”;—“over koetjes en kalfjes praten”;—“als de kalveren op het ijs dansen”;—“oude koeien uit den sloot halen”. Belangrijk is vooral de zegswijze “veel koeien, veel moeien”, niet slechts, omdat hiermoeienbewaard is gebleven, het meervoud vanmoeie“moeite”, vergelijk het HoogduitscheMühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.Holland is ook het land van de windmolens: “dat is wind op zijn molen”;—“de molen is door den vang” (de zaken loopen verkeerd);—“hij heeft een slag van den molen weg (beet)”;— “hij loopt met molentjes”. Maar Holland is vooral het waterland, “door den mensch ontwoekerd aan de zee”, schrijft bewonderendEdmondo de Amicis, “een kunstland, door de Hollanders gewrocht,in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven”. Bevat het spreekwoord “die ʼt water deert, die ʼt water keert” niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.—Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord “Gods water over Gods land (akker) laten loopen”? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek:Rust Roest.—En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: “goed rond, goed Zeeuwsch?”Bij de zuidelijkeFranken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.2Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).

Deraadselsbehooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken—ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden—zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.

Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.

Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:

Daar vloog een vogel VederloosOp een boom Bladerloos,Toen kwam een juffrouw Mondeloos,Die at den vogel VederloosVan den boom Bladerloos.

Daar vloog een vogel VederloosOp een boom Bladerloos,Toen kwam een juffrouw Mondeloos,Die at den vogel VederloosVan den boom Bladerloos.

Daar vloog een vogel Vederloos

Op een boom Bladerloos,

Toen kwam een juffrouw Mondeloos,

Die at den vogel Vederloos

Van den boom Bladerloos.

Ik schrijf “Vederloos” enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kersRoodrok, het varkenKnorrepot, de appelGladkop, de ooievaarHap-op, de donderHolderdebolder, de wiegWikkeldewakkel, de kikvorschHipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaanMijnheer De Wit, het waterJuffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankendebenamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.

Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:

Daar was een man, en ʼt was geen man,Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,Hij droeg water zonder vat;Rà, rà, wat is dat?

Daar was een man, en ʼt was geen man,Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,Hij droeg water zonder vat;Rà, rà, wat is dat?

Daar was een man, en ʼt was geen man,

Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,

Hij droeg water zonder vat;

Rà, rà, wat is dat?

(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).

Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:

Die het maakt behoeft het niet,Die het vraagt behoudt het niet,Die het koopt begeert het niet,Die het heeft die weet het niet.

Die het maakt behoeft het niet,Die het vraagt behoudt het niet,Die het koopt begeert het niet,Die het heeft die weet het niet.

Die het maakt behoeft het niet,

Die het vraagt behoudt het niet,

Die het koopt begeert het niet,

Die het heeft die weet het niet.

(Een doodkist).

In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.

1. Debeschrijvenderaadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. “Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen”, schrijftAmaat Joos, “de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulendat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en ʼt niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;—den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;—de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken ʼt onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];—de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.”

Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naarde geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.

1.

HolderdebolderLiep over den zolder;En zeven mansheerenDie konden Holderdebolder niet keeren.

HolderdebolderLiep over den zolder;En zeven mansheerenDie konden Holderdebolder niet keeren.

Holderdebolder

Liep over den zolder;

En zeven mansheeren

Die konden Holderdebolder niet keeren.

(De donder).

2.

Verre boven de drieschenHoorde ik een peerdeken brieschen;Daar is noch wijf noch man,Die dat peerdeken breidelen kan.

Verre boven de drieschenHoorde ik een peerdeken brieschen;Daar is noch wijf noch man,Die dat peerdeken breidelen kan.

Verre boven de drieschen

Hoorde ik een peerdeken brieschen;

Daar is noch wijf noch man,

Die dat peerdeken breidelen kan.

(De donder.—België).

3.

Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.

Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.

Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,

Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,

Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.

(Hemel, maan, sterren).

Belgische vorm:

Laken, dat ge niet vouwen kunt,Een appel, dien ge niet schellen kunt,En geld, dat ge niet tellen kunt.

Laken, dat ge niet vouwen kunt,Een appel, dien ge niet schellen kunt,En geld, dat ge niet tellen kunt.

Laken, dat ge niet vouwen kunt,

Een appel, dien ge niet schellen kunt,

En geld, dat ge niet tellen kunt.

4.

Tusschen hier en RomenStaan zeven hooge boomen;ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.

Tusschen hier en RomenStaan zeven hooge boomen;ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.

Tusschen hier en Romen

Staan zeven hooge boomen;

ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,

Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.

(Het zevengesternte).

5.

Achter in mijn vaders tuin,Daar staat een boom met kralen,En die die kralen tellen kan,Die is de baas van allen.

Achter in mijn vaders tuin,Daar staat een boom met kralen,En die die kralen tellen kan,Die is de baas van allen.

Achter in mijn vaders tuin,

Daar staat een boom met kralen,

En die die kralen tellen kan,

Die is de baas van allen.

(De sterren).

6.

Lapken, lapken,Duizend lapken,ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.

Lapken, lapken,Duizend lapken,ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.

Lapken, lapken,

Duizend lapken,

ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,

ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.

(Een wolk.—Dendermonde).

7.

Tusschen hemel en aardStaat een lange groene gaard.ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,Je zult het niet raden, al waart je met zessen.

Tusschen hemel en aardStaat een lange groene gaard.ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,Je zult het niet raden, al waart je met zessen.

Tusschen hemel en aard

Staat een lange groene gaard.

ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,

Je zult het niet raden, al waart je met zessen.

(De regenboog.—Limburg).

8.

Ons Lieve Vrouwken van LakenSpreidt een wit lakenOp land en zand,Maar niet op den waterkant.

Ons Lieve Vrouwken van LakenSpreidt een wit lakenOp land en zand,Maar niet op den waterkant.

Ons Lieve Vrouwken van Laken

Spreidt een wit laken

Op land en zand,

Maar niet op den waterkant.

(De sneeuw.—Antwerpen).

9.

Daar staat een juffrouw in de deur,Met een witte schorldoek veur.Hoe meer dat ze staat,Hoe meer dat ze vergaat.

Daar staat een juffrouw in de deur,Met een witte schorldoek veur.Hoe meer dat ze staat,Hoe meer dat ze vergaat.

Daar staat een juffrouw in de deur,

Met een witte schorldoek veur.

Hoe meer dat ze staat,

Hoe meer dat ze vergaat.

(De sneeuw).

10.

Eene plankeVan Godes danke;Het en is noch hout noch eeke,Noch eeke noch hout.Als gij het kunt raden,Geef ik u eene ton met goud.

Eene plankeVan Godes danke;Het en is noch hout noch eeke,Noch eeke noch hout.Als gij het kunt raden,Geef ik u eene ton met goud.

Eene planke

Van Godes danke;

Het en is noch hout noch eeke,

Noch eeke noch hout.

Als gij het kunt raden,

Geef ik u eene ton met goud.

(Het ijs.—België).

11.

Daar gaat een ding om het huis,Dat kijkt door alle gaatjes.

Daar gaat een ding om het huis,Dat kijkt door alle gaatjes.

Daar gaat een ding om het huis,

Dat kijkt door alle gaatjes.

(De zon).

12.

Rondom de meulenLiepen twee pèretjes speulen.Der is geen eenen ouwen man,Die déé twee pèëren keeren kan.

Rondom de meulenLiepen twee pèretjes speulen.Der is geen eenen ouwen man,Die déé twee pèëren keeren kan.

Rondom de meulen

Liepen twee pèretjes speulen.

Der is geen eenen ouwen man,

Die déé twee pèëren keeren kan.

(De zon en de maan.—Zeeland).

13.

Toen ik was jóng en schóon,Droeg ík een bláuwe króon.Toen ík was óud en stíjf,Slóegen ze me óp het líjf.Tóen ik wás genóeg gedrágen,Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.

Toen ik was jóng en schóon,Droeg ík een bláuwe króon.Toen ík was óud en stíjf,Slóegen ze me óp het líjf.Tóen ik wás genóeg gedrágen,Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.

Toen ik was jóng en schóon,

Droeg ík een bláuwe króon.

Toen ík was óud en stíjf,

Slóegen ze me óp het líjf.

Tóen ik wás genóeg gedrágen,

Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.

(Het vlas).

14.

Eerst zoo wit als vlas,Dan zoo groen als gras,Dan zoo rood als bloed,En dan zoo zwart als roet.

Eerst zoo wit als vlas,Dan zoo groen als gras,Dan zoo rood als bloed,En dan zoo zwart als roet.

Eerst zoo wit als vlas,

Dan zoo groen als gras,

Dan zoo rood als bloed,

En dan zoo zwart als roet.

(De braambes).

15.

Van binnen wit, van buiten zwart,Drie ruggen en geen start.

Van binnen wit, van buiten zwart,Drie ruggen en geen start.

Van binnen wit, van buiten zwart,

Drie ruggen en geen start.

(De boekweitkorrel).

16.

Der sit in jifferke yn ʼt grien,Mei in mooi read rokje oan.Als men ze knypt den skriemt se,En dôch het se in stiennen hert.

Der sit in jifferke yn ʼt grien,Mei in mooi read rokje oan.Als men ze knypt den skriemt se,En dôch het se in stiennen hert.

Der sit in jifferke yn ʼt grien,

Mei in mooi read rokje oan.

Als men ze knypt den skriemt se,

En dôch het se in stiennen hert.

(De kers.—Friesland).

17.

Daar staat een boom in ʼt Westen,Met twee en vijftig nesten,Ieder nest met zeven jongen,Râ, wat namen zij ontvongen?

Daar staat een boom in ʼt Westen,Met twee en vijftig nesten,Ieder nest met zeven jongen,Râ, wat namen zij ontvongen?

Daar staat een boom in ʼt Westen,

Met twee en vijftig nesten,

Ieder nest met zeven jongen,

Râ, wat namen zij ontvongen?

(Het jaar).

Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.

Ons bekend rijmpje:

18.

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,Daar is geen eene timmerman,Die Hummeltje Tummeltje maken kan,

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,Daar is geen eene timmerman,Die Hummeltje Tummeltje maken kan,

Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,

Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,

Daar is geen eene timmerman,

Die Hummeltje Tummeltje maken kan,

waarvan een Vlaamsche lezing luidt:

19.

Hippekentippeken op de bank,Hippekentippeken onder de bank;Daar is geen smid in Ingeland,Die Hippekentippeken maken kan,

Hippekentippeken op de bank,Hippekentippeken onder de bank;Daar is geen smid in Ingeland,Die Hippekentippeken maken kan,

Hippekentippeken op de bank,

Hippekentippeken onder de bank;

Daar is geen smid in Ingeland,

Die Hippekentippeken maken kan,

vertoont in Brunswijk den vorm:

Hummelke Trummelke lag upʼr bank,Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;Et was kein doktor inʼn gansen land,De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.

Hummelke Trummelke lag upʼr bank,Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;Et was kein doktor inʼn gansen land,De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.

Hummelke Trummelke lag upʼr bank,

Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;

Et was kein doktor inʼn gansen land,

De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.

In Engeland luidt het raadsel aldus:

Humpty Dumpty sate on a wall,Humpty Dumpty had a great fall,Three score men and three score moreCannot place Humpty Dumpty as he was before.

Humpty Dumpty sate on a wall,Humpty Dumpty had a great fall,Three score men and three score moreCannot place Humpty Dumpty as he was before.

Humpty Dumpty sate on a wall,

Humpty Dumpty had a great fall,

Three score men and three score more

Cannot place Humpty Dumpty as he was before.

Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:

20.

Ik klopte al op een witte deur,Daar kwam een bruine pater veur.

Ik klopte al op een witte deur,Daar kwam een bruine pater veur.

Ik klopte al op een witte deur,

Daar kwam een bruine pater veur.

Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:

21.

Achter in mijn vaders tuinDaar staat een boom met groente;Hier een boom, daar een boom,Ieder boom een tak;Hier een tak, daar een tak,Ieder tak een nest;Hier een nest, daar een nest,Ieder nest een ei;Hier een ei, daar een ei,Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;Râ, râ, wat is dat?

Achter in mijn vaders tuinDaar staat een boom met groente;Hier een boom, daar een boom,Ieder boom een tak;Hier een tak, daar een tak,Ieder tak een nest;Hier een nest, daar een nest,Ieder nest een ei;Hier een ei, daar een ei,Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;Râ, râ, wat is dat?

Achter in mijn vaders tuin

Daar staat een boom met groente;

Hier een boom, daar een boom,

Ieder boom een tak;

Hier een tak, daar een tak,

Ieder tak een nest;

Hier een nest, daar een nest,

Ieder nest een ei;

Hier een ei, daar een ei,

Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;

Râ, râ, wat is dat?

Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:

22.

Oude, grijze, grauwe,Staat alle nachten in de dauwe,Heeft vleesch noch bloedEn is voor alle menschen goed.

Oude, grijze, grauwe,Staat alle nachten in de dauwe,Heeft vleesch noch bloedEn is voor alle menschen goed.

Oude, grijze, grauwe,

Staat alle nachten in de dauwe,

Heeft vleesch noch bloed

En is voor alle menschen goed.

(De molen).

23.

Er vloog een vogel snelAl over de diepe del (de zee);Hij droeg botten en beenenEn had er zelve geene.

Er vloog een vogel snelAl over de diepe del (de zee);Hij droeg botten en beenenEn had er zelve geene.

Er vloog een vogel snel

Al over de diepe del (de zee);

Hij droeg botten en beenen

En had er zelve geene.

(Het schip).

24.

Achter molens duunDèr leit in oud peerd bruun,Zonder kop en zonder steert,Al syn ribben leggen verkeerd.

Achter molens duunDèr leit in oud peerd bruun,Zonder kop en zonder steert,Al syn ribben leggen verkeerd.

Achter molens duun

Dèr leit in oud peerd bruun,

Zonder kop en zonder steert,

Al syn ribben leggen verkeerd.

(Een omgeploegd stuk land.—Ameland).

25.

Daar waren eens vier zustertjes,Die klommen op hooge mutstertjes;Daar waren eens vier broertjes,Die klommen op hooge stoeltjes;Ze naaiden zijden kapjesVan honderd duizend lapjes,Zonder naald en zonder twijn:Je zult het niet raden, al ben je fijn.

Daar waren eens vier zustertjes,Die klommen op hooge mutstertjes;Daar waren eens vier broertjes,Die klommen op hooge stoeltjes;Ze naaiden zijden kapjesVan honderd duizend lapjes,Zonder naald en zonder twijn:Je zult het niet raden, al ben je fijn.

Daar waren eens vier zustertjes,

Die klommen op hooge mutstertjes;

Daar waren eens vier broertjes,

Die klommen op hooge stoeltjes;

Ze naaiden zijden kapjes

Van honderd duizend lapjes,

Zonder naald en zonder twijn:

Je zult het niet raden, al ben je fijn.

(De spin, die haar net maakt).

26.

Er ging een mannetje door den damMet een fluweelen wammesje an.

Er ging een mannetje door den damMet een fluweelen wammesje an.

Er ging een mannetje door den dam

Met een fluweelen wammesje an.

(De mol).

Of ook:

27.

Jan De BruinZat in den tuin,Hij had geen paard of ploeg,En toch bouwde hij land genoeg.

Jan De BruinZat in den tuin,Hij had geen paard of ploeg,En toch bouwde hij land genoeg.

Jan De Bruin

Zat in den tuin,

Hij had geen paard of ploeg,

En toch bouwde hij land genoeg.

(De mol).

28.

Daar is een dingDat pinktDat knipt en winktEn lacht en vinkt ...ʼk Zou alzoo wel willen pinken,Knippen en winkenLonken en vinken,Gelijk dat dingDat pinktEn knipt en winktEn lonkt en vinkt.

Daar is een dingDat pinktDat knipt en winktEn lacht en vinkt ...ʼk Zou alzoo wel willen pinken,Knippen en winkenLonken en vinken,Gelijk dat dingDat pinktEn knipt en winktEn lonkt en vinkt.

Daar is een ding

Dat pinkt

Dat knipt en winkt

En lacht en vinkt ...

ʼk Zou alzoo wel willen pinken,

Knippen en winken

Lonken en vinken,

Gelijk dat ding

Dat pinkt

En knipt en winkt

En lonkt en vinkt.

(Een Ster—Vlaanderen).

29.

Daar gíng een mánnetje óver den díjkMét zijn óogjes kíjkerdekíjk,Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.

Daar gíng een mánnetje óver den díjkMét zijn óogjes kíjkerdekíjk,Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.

Daar gíng een mánnetje óver den díjk

Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,

Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;

Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.

(Het schaap).

30.

Het is, waarin het water vloeit,Het is, waarop de bloeme bloeit,Het is, waarop bij dag en nachtDe moede mensch de rust verwacht,Het is, gelijk men dikwijls zegt,Van dat, waarin men dooden legt.

Het is, waarin het water vloeit,Het is, waarop de bloeme bloeit,Het is, waarop bij dag en nachtDe moede mensch de rust verwacht,Het is, gelijk men dikwijls zegt,Van dat, waarin men dooden legt.

Het is, waarin het water vloeit,

Het is, waarop de bloeme bloeit,

Het is, waarop bij dag en nacht

De moede mensch de rust verwacht,

Het is, gelijk men dikwijls zegt,

Van dat, waarin men dooden legt.

(Het hout.—Land van Waas).

Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:

31.

Dribbel drabbel dribbelgat,Hwêr komst dou fen dinne?—Ut de ierde,Swart forbarnde tsjettelkop.

Dribbel drabbel dribbelgat,Hwêr komst dou fen dinne?—Ut de ierde,Swart forbarnde tsjettelkop.

Dribbel drabbel dribbelgat,

Hwêr komst dou fen dinne?

—Ut de ierde,

Swart forbarnde tsjettelkop.

(Friesland).

Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:

32.

—Du kromme, du lange,Van waar komde gegangen?—Ei du met dijn geschoren gat,Waarom vraagde mij dat?

—Du kromme, du lange,Van waar komde gegangen?—Ei du met dijn geschoren gat,Waarom vraagde mij dat?

—Du kromme, du lange,

Van waar komde gegangen?

—Ei du met dijn geschoren gat,

Waarom vraagde mij dat?

De Zeeuwsche vorm luidt:

33.

—Joe kromme, joe slomme,Wèr kom je van dèn gezwomme?—Joe afgeschoren schietgat,Wèrom verwiet je me dat?

—Joe kromme, joe slomme,Wèr kom je van dèn gezwomme?—Joe afgeschoren schietgat,Wèrom verwiet je me dat?

—Joe kromme, joe slomme,

Wèr kom je van dèn gezwomme?

—Joe afgeschoren schietgat,

Wèrom verwiet je me dat?

Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:

—Lanke krummumme, wo wutte hen?—Korte vorschorne, wo frägste nâ,Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

—Lanke krummumme, wo wutte hen?—Korte vorschorne, wo frägste nâ,Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

—Lanke krummumme, wo wutte hen?

—Korte vorschorne, wo frägste nâ,

Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.

2. Deverhalenderaadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.

34.

De kist, die leefde,Die er in zat, beefde;De kist, die at,Die er in zat,Bad.

De kist, die leefde,Die er in zat, beefde;De kist, die at,Die er in zat,Bad.

De kist, die leefde,

Die er in zat, beefde;

De kist, die at,

Die er in zat,

Bad.

(Jonas in den visch.—België).

Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.

35.

In ʼt Land van CadsantGing een man over zijn landMet ʼnen ginger,Met ʼnen springer,Met ʼnen hoepsasa;Hij hield iets in zijn handen;Hij ging al zoo zeereOm zijn land te keeren.

In ʼt Land van CadsantGing een man over zijn landMet ʼnen ginger,Met ʼnen springer,Met ʼnen hoepsasa;Hij hield iets in zijn handen;Hij ging al zoo zeereOm zijn land te keeren.

In ʼt Land van Cadsant

Ging een man over zijn land

Met ʼnen ginger,

Met ʼnen springer,

Met ʼnen hoepsasa;

Hij hield iets in zijn handen;

Hij ging al zoo zeere

Om zijn land te keeren.

(Hij ging met een paard en een riek).

36.

Hoop en vrees zat op den wagen:Hij zag tweebeen vierbeen dragen.Heeren raadt en zegt het mij,Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.

Hoop en vrees zat op den wagen:Hij zag tweebeen vierbeen dragen.Heeren raadt en zegt het mij,Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.

Hoop en vrees zat op den wagen:

Hij zag tweebeen vierbeen dragen.

Heeren raadt en zegt het mij,

Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.

Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels dendetritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,—antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).

Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.

Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bijhet ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:

37.

Ik ging en ik kwamWaar ik vijf levenden uit éenen doode nam;Die vijf maakten mijn drij vrij;Weet ge ʼt, zegt het mij.

Ik ging en ik kwamWaar ik vijf levenden uit éenen doode nam;Die vijf maakten mijn drij vrij;Weet ge ʼt, zegt het mij.

Ik ging en ik kwam

Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;

Die vijf maakten mijn drij vrij;

Weet ge ʼt, zegt het mij.

Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:

38.

Toen ik henenging en wederkwam,Vijf levenden uit den doode nam,De zesde maakte den zevende vrij,Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Toen ik henenging en wederkwam,Vijf levenden uit den doode nam,De zesde maakte den zevende vrij,Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Toen ik henenging en wederkwam,

Vijf levenden uit den doode nam,

De zesde maakte den zevende vrij,

Nu, heeren, raadt en zegt het mij.

Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:

39.

Gezogen, gezogen,Landsheeren bedrogen,Kind geweestEn moeder geworden.

Gezogen, gezogen,Landsheeren bedrogen,Kind geweestEn moeder geworden.

Gezogen, gezogen,

Landsheeren bedrogen,

Kind geweest

En moeder geworden.

Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:

40.

Heeren bedrogen,Muren doorzogen,Wiens kind ik ben,Wiens moeder ik wierd.

Heeren bedrogen,Muren doorzogen,Wiens kind ik ben,Wiens moeder ik wierd.

Heeren bedrogen,

Muren doorzogen,

Wiens kind ik ben,

Wiens moeder ik wierd.

“Muren doorzogen”, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.

Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pootentweebeen, driebeenenz. genoemd worden. Zoo b.v.:

41.

Tweebeen zit op driebeenEn trekt aan vierbeen.

Tweebeen zit op driebeenEn trekt aan vierbeen.

Tweebeen zit op driebeen

En trekt aan vierbeen.

(Het melkmeisje).

42.

Tweebeen zat op driebeen,Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,Toen nam tweebeen driebeen,Om er vierbeen mee te smijten.

Tweebeen zat op driebeen,Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,Toen nam tweebeen driebeen,Om er vierbeen mee te smijten.

Tweebeen zat op driebeen,

Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,

Toen nam tweebeen driebeen,

Om er vierbeen mee te smijten.

(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).

3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden doorGuido Gezellekwelvragengenoemd. Het zijn inderdaadkwelraadselsin zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.

Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:

43.

KeízerKárelhád eenhónd,HóehéetKeízerKarelshond?

KeízerKárelhád eenhónd,HóehéetKeízerKarelshond?

KeízerKárelhád eenhónd,

HóehéetKeízerKarelshond?

De naam van den hond wasHoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: “Ik leg het woord al in uw mond”, of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.

Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:

44.

Krom omgebogen,Vlecht door getogen (getrokken),Wan ik jou ʼt zekg,Zul ei ʼt niet roan.

Krom omgebogen,Vlecht door getogen (getrokken),Wan ik jou ʼt zekg,Zul ei ʼt niet roan.

Krom omgebogen,

Vlecht door getogen (getrokken),

Wan ik jou ʼt zekg,

Zul ei ʼt niet roan.

(De wan).

Zeer bekend is nog het kattenraadsel:

45.

Daar ging een mannetje over de brug,Met zeven katten op zijn rug,En ieder kat had zeven jongen,Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?

Daar ging een mannetje over de brug,Met zeven katten op zijn rug,En ieder kat had zeven jongen,Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?

Daar ging een mannetje over de brug,

Met zeven katten op zijn rug,

En ieder kat had zeven jongen,

Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?

(Twee).

Op de tweeduidigheid van het woordheetenspekuleert het raadsel:

46.

Koolwarmoes, die koud isEn drie dagen oud is,Hoe heeten ze dat in Brabant?

Koolwarmoes, die koud isEn drie dagen oud is,Hoe heeten ze dat in Brabant?

Koolwarmoes, die koud is

En drie dagen oud is,

Hoe heeten ze dat in Brabant?

(Boven het vuur).

Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:

47.

Aʼmsterdám, die gróote stád,Met hóeveel létters spélt men dát?

Aʼmsterdám, die gróote stád,Met hóeveel létters spélt men dát?

Aʼmsterdám, die gróote stád,

Met hóeveel létters spélt men dát?

(Met drie: d a t).

Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).—49. Wat voor haar had Mozesʼ hond? (Hondenhaar).—50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).—51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).—52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).—53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (Despijkers in de schoenen).—54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).—55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).

Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).—57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).—58. Wie steekt er ʼs morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).—59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).—60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).

Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letterm). Zoo ook:

62.

ʼt Is in de vrouw en niet in den man,ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,ʼt Is in Karel en niet in Jan;Zeg mij wie dit raden kan.

ʼt Is in de vrouw en niet in den man,ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,ʼt Is in Karel en niet in Jan;Zeg mij wie dit raden kan.

ʼt Is in de vrouw en niet in den man,

ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,

ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,

ʼt Is in Karel en niet in Jan;

Zeg mij wie dit raden kan.

(De letterr).

4. In deraadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: “Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons doorWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:

Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooigroot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:

Het maantje dat schijnt er zoo helder,Het paardje dat loopt er zoo snelder,Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Het maantje dat schijnt er zoo helder,Het paardje dat loopt er zoo snelder,Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Het maantje dat schijnt er zoo helder,

Het paardje dat loopt er zoo snelder,

Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?

Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.

Raad eens, wat is dat?—

Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.

Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,—in geen zeven jaar,—al ben je fijn,—al werdt je dol,—tot Baafmis,—tot Sinter Merten,—tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.

Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr.Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900–1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; enA. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. VerderDijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 257;A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45;Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.

Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in despreekwoordenvan een volk openbaart zich vooral de volkswijsheiden praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.

De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn “gevleugelde woorden”, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek vanDr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.

Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord iseenkunstvormvan de taal van den gemeenen man—, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.

Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. NochTuinmanʼs, nochHarreboméʼsspreekwoordenboek, nochStoettʼsmagistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.

Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: “beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht” vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in “kap en kogel (kat en kogel) verliezen”, “met bed en bult vertrekken” enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnschecras credo, ofsanus salvus, dat in het Franschsain et saufwerd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking “zooals hetreiltenzeilt” (of “treilt en zeilt”, Zuidnederl. “reist en zeilt”) op een rijmloos: “zooals hetrijdtenzeilt”, d.i. zooals het schip voor anker ligt (“rijdt”) en zooals het zeilt; zieStoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: “wat niet weet, wat niet deert”,—“komt tijd, komt raad”, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooralVerdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.

Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormenin onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht doorA. Joosin zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de “Gepaarde woorden of wederwoorden” bevat, ontleen ik het volgende.

Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).—Biezen en bijzen.—Hij is begraven zonder bimmen of bommen.—Blikken noch blozen.—Boe noch ba zeggen.—Buigen of bersten.—Vóor dag en dauw.—Door dik en dun.—Ditjeʼs en datjeʼs.—Van alles dubbel en dik hebben.—Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).—Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). —Groen en geel.—Daar zal hen noch haan over kraaien.—Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).—Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).—Kant en klaar.—Hij gaat naar kerk noch kluis.—Kijven en krakeelen.—Kind noch kraai hebben.—Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.—Klitsen en kletsen (met de zweep).—Klodderen en kladderen.—Spreken over koetjes en kalfjes.—Kort en klein slaan.—Voor kost en kleeren zorgen.—Kris en kras.—Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).—Lief en leed.—Listen en lagen.—Lonken en liefoogen.—Lui en lekker.—Vergaan met man en muis.—Perk en paal stellen.—Van Pontius naar Pilatus sturen.—Met potten en pannen.—In rep en roer.—Rijden en rotsen.—Schade en schande.—Schobben en schooien.—Slag om slinger vechten (hevig).—Dat gaat zonder slag of stoot.—Sloffen en sleffen (al slepende gaan).—Stijf en stom staan.—Taal noch teeken geven.—Vast en veilig.—Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).—Visch noch vleesch zijn.—Het is altijd vuur en vlam.—Vrij en vrank.—Wankelen en weifelen.—Hij gaat door weêr en wind.—Hij weet van wijken noch wankelen.—In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).—Wisjes en wasjes.—Zuur en zoet.—Zuchten en zagen (ontevreden zijn).—Zwieren en zwaaien.—Zwoegen en zweeten.

Eindrijmen. Blikken en flikkeren.—Bobbels en knobbels.—Brassen en plassen.—Dringen en wringen.—Drinken en klinken.—Hij kan gaan noch staan.—Garen en sparen.—Gedrang en geprang.—Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).—Met geld en geweld.—In geur en fleur staan.—God noch gebod ontzien.—Goed en bloed geven.—Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).—In handel en wandel.—Zich verdedigen met hand en tand.—Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).—Tegen heug en meug.—Van hoeten noch toeten weten.—Hoog en droog zitten.—Hotst het niet, dan botst het.—Hou en trouw.—Huis noch kluis hebben.— Jan en alleman.—Kikken noch mikken.—Zich kunnen kleeden en reeden.—Knotteren en stotteren (lastig zijn).—Krinkelen en winkelen (bochten maken).—Land en zand koopen (rijk worden).—ʼt Is alles krank en mank.—Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).—Iets van naadje tot draadje uitleggen.—Naam en faam verliezen.—Met pak en zak vertrekken.—Met raad en daad iemand bijstaan.—Rapen en schrapen (gierig zijn).—Rooken en smoken.—Wij hoorden ruit noch muit (niets).—Schot noch lot betalen (niets).—Schrijven en wrijven.—Smeren en teren (smullen).—Stank voor dank.—ʼt Vriest steen en been.—Steen en been klagen.—Loopen langs stegen en wegen.—Met tijd en vlijt.—Vrij en blij.—De zaak zooals zij waait en draait.—Wasschen en plassen.—Wroegen en zwoegen (hard werken).—Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.—Altijd zot of bot zijn.—Zwieren en tieren.

Halve rijmen. Dag en nacht werken.—ʼt Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).—Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.—ʼt Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).—Iets volhouden bij hoog en bij laag.—Jokken en gekken.—Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende “met huid en haar”).—Met stukken en brokken.—Tusschen waken en slapen.

Rijmlooze weder woorden. ʼt Is uit en amen.—Iets voor een appel en een ei verkoopen.—Baas en meester zijn.—Iets achter banken en stoelen steken.—Begekken en bespotten.—Over berg en dal.—Op dag en uur.—Door deur en venster slaat de rook naar buiten.—Na lang dingen en bieden.—Iemands doen en laten kennen.—Hij is al lang dood en begraven.—Eenzaam en verlaten.—Eer en faam verliezen.—Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).—Door eksters en kraaien uitgescholden worden.—Eten en smullen.—ʼt Is gedurig gaan en komen.—Iemand bedreigen met galg en rad.—Gelaarsd en gespoord.—ʼt Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).—Bij leven en welzijn.—Iemand kennen van haar tot pluim.—Vol haat en nijd zijn.—Daar zijn haken en oogen aan.—Hals over kop.—Met handen en voeten.—Have en goed.—Hij geeft om hel noch duivel.—Een leven, dat hooren en zien vergaat.—Een man van ijzer en staal.—Als kat en hond zijn.—Men moet kiezen of deelen.—Met koets en paard.—Het heeft kop noch staart.—Met kousen en schoenen in den hemel komen.—Lachen en boerten.—Iets wagen op leven en dood.—Mager en gezond.—Iemand man en paard noemen.—Bedorven in merg en been.—Moord en brand roepen.—Bij nacht en ontij.—Oud en wijs genoeg zijn.—Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.—Proper en net.—Rust noch duur hebben.—Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).—Slaven en wroeten.—Stellig en vast.—Vergaan tot stof en asch.—Loopen langs straten en wegen.—Op tijd en uur.—Verhuizen met tafel en bed.—Van toeten noch blazen weten.—Vast en zeker.—Met vedel en fluit.—Van iemands vleesch en bloed zijn.—Vloeken en zweren.—Vrede en peis (peis en vree).—Bij weêr en ontij.—Iets doen uit wrok en nijd.—Zang en dans, zang en spel.—Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). —Zonde en jammer.

Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: “waar het hart van vol is, loopt de mond van over”;—“die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in” enz., zie b.v.Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), enC. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van VaderCatsis niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.

Bij deSaksersmet hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:

ʼt Mot nen grooten sprekkert wezen, diê ʼt nen zwiêgert verbettert.

In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.

Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.

Aj ʼn ekster uutstuurt, krie ʼj ʼn bonte vogel weer in huus.

Aj ʼt gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).

Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!

Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.

Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij nietbij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor “als het wintert”: “as de witte bijen vleegt?” Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.

Het dak: Doar is te völ dak op ʼt hoes (er zijn te veel luisteraars).

De onderschuur:Wisse bis doe baas—in ʼt onderschoer as de hond er nig is(Denekamp).

De hilde (zoldering boven den koestal):Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.

De haard:Ieder raakt de assche op ziênen kooken.—Den ʼt vuur schelt (mankeert), zoch ʼt in de assche.—An de pan sloan, dat ʼn kettel der van rapt(grootspreken, ook wel lasteren).

De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: “met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.” Het gelag betalen is “het haal schoeren.”

Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:

Wat hes door? “Niks.” Door kans de kat met doodvoeren.

Der um hen drêjen as de kat um ʼn gleuinigen pap.

Ai-j de kat op ʼt spek bindt, dan wil het ʼt nich vretten.

Alles moêst, wat van katten komp.

Van ʼt hondengeleuve wezzen.

ʼt Geet um as ʼt hondebiêten (op beurt).

Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.

Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.

Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, “eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen”, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zieDr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I,passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolkingder Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: “hij heeft het achterhek mede gekregen”;—iemand in gevaar brengen: “iemand het vuur op de hilde beuten”;—wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: “hij wil poesten en houden het meel in den mond”; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: “poesten en houden het meel in denzak”. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uitpoestenof met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.—De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: “huis is karnemelks borge” (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begripsterven: “de vork neerleggen”.

Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: “hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen”;—hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: “hoe meer werk, hoe meer honig”;—wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: “die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken”.

Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. “As-te Grönnegers ʼt lief vol (h)ebbʼn, goan ze vot”, klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: “ʼt is nou oart, moar ʼt zal wel voart worʼn”, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: “frisch weer zeggʼn ze nog, al klappertannʼn ze van koalle”. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.

Het besliste, vastberadene, stuggeFrieschekarakter uitzich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.

Der iz modder oonne kloet(als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).

Teecken je dij kaets(aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).

It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.

Hij makket schien fjild(hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).

It giet oer koarren in klampen(het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).

Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.

Dij het ien swiere boppelest(hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die “topzwaar” is).

Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.

Al tijden isser op sijn afterschip(hij komt altijd te laat).

Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.—

Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:

Quaelck won, quaelck spon(kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).

Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae(oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).

It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).

Hij kin doeke noch swimme(hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).

Sa scheper, sa hoen(zoo schaapherder, zoo hond).

Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frisschezeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat “men moet zeilen, terwijl de wind dient.” Maakt iemand veel verteringen, dan “haalt hij zijn zeil in top”; versukkelt hij zijn tijd, dan “gaat hij met de laatste schepen onder zeil”; inslapen is “onder zeil gaan”; toornig opstuiven “met opgestoken zeilen komen aanzetten”; bedaren is “het zeil inbinden”; en verder:“stijf onder zeil zijn”;—“achteruit zeilen”;—“klein zeil voeren”;—“zeil op iets maken”;— “een oog in ʼt zeil houden”;—“alle zeilen bijzetten”;—“iemand in de zijde zeilen”;—“met een nat zeil loopen”;—“langs den wal zeilen”;—“met zeilen voor den mast liggen”;—“bakzeil halen”;—“in iemands zeilen waaien.” Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. “Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil,” meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: “dat is geen zeil voor dat schip.”

Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. “Iemand aanklampen”;—“iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden”;—“iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in ʼt vaarwater zitten, een steek onder water geven”;—“het anker lichten, laten vallen”;—“roeien met de riemen, die men heeft”;—“tegen den stroom oproeien”; —“in het riet sturen”;—“met denachtschuitkomen”;—“leelijke streken op zijn kompas hebben”;—“aan het roer zitten”;—“de vlag strijken”;—“bijdraaien”;—“de huik naar den wind hangen”;—“voorde haaien zijn”;—“naar wal sturen”;—“kant noch wal raken”;—“aan lager wal zijn”;—“de beste stuurlui staan aan wal”;—“oude schepen blijven aan land”;—“uitkaaien”; —“iemand aan den dijk zetten”;—“op ʼt droge zitten.”

Luide spreekt ook het visschersbedrijf. “Visschen, terwijl het water blond is”;—“een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen”; —“een visch (snoek) vangen”;—“visch moet zwemmen”; —“geen vin verroeren”;—“in troebel water is het goed visschen”; —“glad als een aal”;—“iemand aan zijn angel krijgen”;— “geld (boter) bij de visch”;—“aan den haak slaan”;—“achter het net visschen”—“het neusje van den zalm.”

Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.

Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: “het ijs breken”;—“zich op glad ijs wagen”;— “op oud ijs vriest het licht”;—“over ijs van éen nacht gaan”;— “beslagen ten ijs komen”;—“een scheeve (rare) schaats rijden”. Betrekking op den veestapel hebben: “de koe bij de horens vatten”;— “de koetjes loopen in mijn weiden”;—“zijn koetjes op het droge hebben”;—“over koetjes en kalfjes praten”;—“als de kalveren op het ijs dansen”;—“oude koeien uit den sloot halen”. Belangrijk is vooral de zegswijze “veel koeien, veel moeien”, niet slechts, omdat hiermoeienbewaard is gebleven, het meervoud vanmoeie“moeite”, vergelijk het HoogduitscheMühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.

Holland is ook het land van de windmolens: “dat is wind op zijn molen”;—“de molen is door den vang” (de zaken loopen verkeerd);—“hij heeft een slag van den molen weg (beet)”;— “hij loopt met molentjes”. Maar Holland is vooral het waterland, “door den mensch ontwoekerd aan de zee”, schrijft bewonderendEdmondo de Amicis, “een kunstland, door de Hollanders gewrocht,in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven”. Bevat het spreekwoord “die ʼt water deert, die ʼt water keert” niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.—Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord “Gods water over Gods land (akker) laten loopen”? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.

Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek:Rust Roest.—En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: “goed rond, goed Zeeuwsch?”

Bij de zuidelijkeFranken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.

Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:

Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.2

Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.

Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).


Back to IndexNext