II. De Volksfeesten.Wanneer ik spreek van “volksfeesten”, dan bedoel ik hiermee het komplex van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk vande viering van Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen, die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd, ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk eenreligieus, maar ook eenhuiselijkkarakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd, onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins voltrokken. Ik spreek hier dus niet over devolksvermakelijkheden, als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenschtTer Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321–397 en 563–694. Immers deze hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel feesttijden,hoogtijden, een benaming, die zich tot heden staande hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken de eene familie bij de andere nog “zalig hoogtijd” wenschen.Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidagzijn beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11denNovember, dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel op het Kerstfeest overgingen. HetJoelfeestimmers, ontegenzeglijk het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der “Twaalf Nachten” genoemd; de Duitschers spreken van deZwölften, Unternächte, RauchnachteofLosstage. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te oordeelen, zeer waarschijnlijk “het tooverrijke”, dan “het vroolijke” beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt: 1odoor het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en windgodheden werden gebracht; en 2o—reden van ekonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben, zooalsAlex. Tillebeweert in zijn boek over Die Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen, waren los; men dronk deminne, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen; men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan, in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat dezegeheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde —en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van deze voorstelling te geven—in den barren Joeltijd de aarde als sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen gedijen. Met goed recht zou men derhalve van eenbevruchtingstijdperkkunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde: het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen, het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen, dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten: St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30 Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.), St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.), Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28 Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus, maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegtOzanam, waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, diehen voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland metSint Maartensdag(11 November), gewijd aan de vereering van den grooten volksheilige,Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië, den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem, Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht eeuwen lang den naam droegen vanSint Maartens-mannen,evenals die van EgmondSint Alberts-mannenen de LeuvenarenSint Pieters-mannengenoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het krijgsgeroep “Holland! Holland!”, deze beantwoordden het met “Sint Martijn, Sint Martijn!” Zie o.a.Schotel, Tilburgsche Avondstonden, bl. 36 vlg.Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis—Adventstijd in den ruimsten zin—den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus, bisschop van Tours, die in de Veeeuw leefde, bepaalde nl., dat van af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden; naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag, Vrijdag en Zaterdag) reedsuit het einde der IIeeeuw. Naderhand werd deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk, -gans, -gaard enz.Vooreerst dan hetSint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren samen met de Oudgermaanschenoodvuren, Oudsaksischnôdfiur, waarinnôd- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoordnûan“stukwrijven”. Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide, tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.Merkwaardig is hetgeenSebast Frankin zijneWahrhaftige Beschreibunge aller Teile der Welt(1567) over een dezer vuren meedeelt: “Zu Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut, mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist, als ob die Sonne vom Himmel liefe”. Dit noodvuur had het karakter van een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte vegetatie en vruchtbaarheidsgoden,wellicht met name aan Wôdan als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar, dat deIndiculus superstitionum et paganiarum, een opsomming van capitularia uit de VIIeeeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik van vuur door het wrijven van hout:De igno fricato de ligno, id est nôd-fyr. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond- en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men metGrimm,Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: “das reiben der heiligen Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz.” Voegen wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over het vuur heen. Daarentegen is hetfakkelenveelal verdwenen, —in België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz., en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburgʼs Jaarboek I, bl. 72: “Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt, zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden.” Te Obbicht, Papenhoven enz. noemt men ditflakkeren. De toortsen zijn slechts in rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in desteden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd, maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den gloed heenspringt.Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:Sintermertes veugelkeHêt ein roeëd keugelkeEn ein blauw stertjeHoepsa Sintermerte!Appingedam:Sunte Meertens vogeltjeMet ziên kip kap kogeltjeMet ziên rooie rokje,Met ziên vleddern stokje.Ter vergelijking diene nog het doorHalbertsmameegedeelde:Sunte Maartens veugeltjeZat al op een heuveltjeMet zijn rood rokje;en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:Märtiin Märtiins VaegelkenMett siin verguit Snaevelken!Geft us watt un lat us gan,Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in Frankrijk kent men den “oiseau St. Martin” en in Spanje den “pajaro St. Martin.”Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie b.v.Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, bl. 102;Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in LimburgʼsJaarboek 1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, in Limburgʼs Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die “Sant Martisvogel, Mertissvogelin” geven, wekken het gegronde vermoeden, datMartini avisuitMartis avisontstaan is; in alle geval is de specht bedoeld, de bonte specht (picus maior), met zijn donkere, staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord “keugelke” is immers het Middelnederlandschecogele“halskraag, mantelkap”, men denke aan de zegswijze: “kat en kogel verliezen”, ontstaan uit “kap en kogel verliezen”, elders “kap en keuvel”; vergel. ten overvloede het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:Kip, kap, kogel,Sint Maartinsvogel.Zoo ook het Duinkerksche:Sinte-Martens veugeltjeKwam met zijn roo kapeugeltjeGestovenGevlogenAl over den Rijn,Waar dat vette verkens zijn!Goede vrouwe, geeft ons wat,Alle hennen leggen wat!—Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens.Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die in Christusʼ naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking “met zijn bloote armen”. Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, zeggende: “Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij met dit kleed gedekt.” De bedelaar heet in het lied “Sinterkrukken”.Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral in de zoogen.kettingrijmpjes, en zoo wijkt men soms mijlen ver van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zieDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.Vandaag is ʼt Sinter MartenEn morgen Sinter Krukken,Wij komen uit goeder harteEn hadden zoo gaarn een stuksken:Een houtjen of een turfjenIn Sinter Martens kurfjen,En wij zullen van hier niet gaan,Of wij hebben wat opgedaan.Sinter Marten is zoo koud,Geef ʼm een turfjen of een hout,Om zich bij te warmenMet zijn bloote armen.Geef wat, houd wat,Tegen ʼt jaar al weer wat.Of wel:Geef vuur, geef vuur,Sinter Marten is zoo duur.In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal lettergrepen; zie hieroverG. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden 1893), bl. 32.Híer wóont een ríjk mán,Díe véel géven kán.Véel wíl hij gévén,Láng zál hij lévén,Zálig zál hij stérvén,Den hémel zál hij érvén;Gód zál hem lóonénMet hónderddúizend krónén,Met hónderddúizend rókjes an,Dáar komt Sínter Márten áan.Of wel:Met hónderd dúizend líchtjes áan,Dáar komt Sínt Martínus weer áan.Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:Honderd joar en einen daagZit det mêdje op die bank,Loat det mêdje valle,Tröl, trölLoat det mèdje valle (?).Ruim verspreid is verder:Sint Martinus bisschop,Roem van onze landen,Dat wij hier met lichtjes loopenIs voor ons geen schande.————————-Martijn,Turf in den murf [mond] in den maneschijn.Gooi in den most,Gooi in den wijn,Hier woont Sinte Martijn.Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.Alkmaar, Hoorn:Dʼr is brand al in de lantaren,En de vonken, die vliegen dʼr uit,De meisjes loopen om garenEn de jongens om beschuit.—————————Sinte, Sinte Marten,De kalveren dragen starten,De koeien dragen horens,De kerken dragen torens,De torens dragen klokken,De meisjes dragen rokken,De jongens dragen broeken,De wijven schorteldoeken.West-Vlaanderen:Sinte Martens avond,De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,En als mijn moeder wafels bakt,Dan ben ik daar geern omtrent.Stook vier, maak vier,Sinte Maarten komt hier,We zetten hem in een hoekje,We geven hem daar een koekje,En we zetten hem onder de tafele,En we geven hem daar een wafele.Land van Waas:De jongens van de dorpen,Die waren hier al bijeen,Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,Dat is hier al verteerd.Wij zullen gaan leeren hout rapen,Turf rapen,Al op Sint Jans manieren!Vrolijk zullen wij vieren,Gelijk wij ʼs jaren plachten.Een stuk van zijnen mantelAl met zijn billekens bloot!En wilde gij dat niet geven,Dan zijde gij een groote jood!Een houtje of een turf kenIn Sinte Maartens kurfken.Krijgt men niets, dan wordt gezongen:Hier hangt een baksken met zemelen uit,En daar vliegt de gierige duivel uit.Of wel:Een bosje met zwavel,Een bosje met kruit,Hier hangt de gierige duivel uit.Reeds in de XIIIeeeuw wordt de Sint-MaartensdagScuddecorfsdaggenoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschudwerd, d.i. een algemeene uitdeeling onder de armen plaats had1maar een korf met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:O Marten, Marten,Der Korb muss verbrennet sein;Das Geld aus den Taschen,Der Wein in die Flaschen,Die Gans vom Spiess,Da sauf und friss,Wer sich vollsaufen kann,Wird ein rechter Martensmann.—In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje deelt zich mee aan ʼn kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,—en de buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje en “Sinter Mertes veugelke” zingend, zien verlangend naar den schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst,te Sint Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men legt voor het paard van den heilige, die ʼs nachts rondrijdt, hooi en wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders op, in de hoop deze ʼs morgens met geschenken gevuld te vinden. Te Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en beloont of tuchtigt naar verdienste.Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid en van den oogstzegen,—en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door de godheid verleend,—naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint Maartenrijdtdeze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op Palmzondag;rijdenis gelijkwaardig met “geschenken geven”, door welke synonimie het verband tusschen “wind” (rijden door de lucht) en “vruchtbaarheid” in een helder daglicht treedt. “Veel wind, veel ooft”, zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfsSint Maarten in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van het geestenheir, begeleid door zijn knecht.Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten gebakken enSint Maartenshoorntjesgenoemd. Ook in het Freudental (Oostenr. Silezië) mogen deMartinshörndlniet ontbreken. Hiermee hangt samen hetvarkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, zoodat men in Duitschland schertsend vanSpeckmärtenspreekt. Vooral de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:Op Sint MartijnSlacht de arme het zwijn.Te Hoogstade (België) zingt men:Sinte Maarten,Koeken en taarten,Brood en wijn,Al voor Sinte Maartens zwijn!Niet minder past bij de opening van dit tijdperk deSint Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries (d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) omslag in het weer verwachtte enz., enz.—Slechts in Engeland is de gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. deMichaelmass-goose,terwijl den 11enNovember hetMartinmass-beef,gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak der Sint Maartenskerk teWorms (XIIeeeuw) is mede een gans geplaatst.In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en Zwolle. Sommigenpildende beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd aan “Meester” een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland bleef na de Reformatie de “papistische grouwel” van het gans-eten voortbestaan.—Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIeeeuw,Martinus Schoockiiusverhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, er geen bezwaar in te zien; zieEelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, bl. 151 vlg.Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit Westerwolde wijst:Er kwam een gans uit Sassen,Uit Sassen kwam die gans,Hij was zoo wel gewassen,Gewassen was die gans.—Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook deSint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:Sint Martijn, Sint Martijn,Tʼ avond most en morgen wijn.Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon der wijnbouwers en hotelhouders geldt.—Uiteraard ontaardde dan ook het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit b.v. op de bekende schilderij van denBoeren-Breughelin het Museum van Antwerpen is voorgesteld.De historische Martini-dronk, die den naam vanSint Maartens minnedraagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede ofgaarde. Deze staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt.Mannhardtvooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: “Der Schlag mit der Lebensrute” een meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10enNovember wordt deMartinsgertedoor den Beierschen herder aan zijn meester ter hand gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:Kommt der heilig St. MärtenMit seiner Gerten;Soviel Krawitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere!Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steekt sie hinter den Kühbarn,So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter der Stalltür,Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk deLupercizich te Rome op het feest derLupercaliaveroorloofden, slechts in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgensJuvenalis, denLupercisden weg, om zich in de vlakke hand te doen treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: “En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden” (Sat.II, 14).Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: den warenvolkskalender.Sint Katharina (25 Nov.),van Alexandrië, maagd en martelares. Door hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar deCatharinistennog heden bestaan. De Romeinsche keizerMaximinusveroordeelde haar na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers en spinsters als patroonheilige.Evenals de namen der HH. Lucia en Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip “licht, reinheid, helderheid” in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag totdies criticuswerd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: “St. Katharina komt in het wit gekleed”. In Westfalen zegt men: “Katharina hett den winter innen Schraine”. Ook kent men bij ons het rijmpje:Met Sint KatrijnMoeten de koeien aan de lijn.Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen rijmpje:Sinte-Katerijne (of Katelijne),Laat het zonneke schijnen,Laat den regen overgaan,Dat de kinderkens naar school toe gaan!Wie zal hun leeren?Onze lieven Heere.Wie zal ze trouwen?Onze lieve Vrouwe.Wie zal hun te eten geven?Sinte-Pieter, die goede man,Die alle kinderen geeselen kan.Of:Wie zal de misse doen?Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: “Geeft aan de jongens van St. Katrien!” Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen ze nog eens: “Goê Sinte-Katrien!” Krijgen ze niets, dan schreeuwen ze heel hard: “Kwâ Sinte-Katrien!” Eenige jaren geleden zong men nog:Wij komen al rond op Sinte-Katriene,Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.Wij zullen ze luisterlijk vierenAl op een zalige maniere.Of:Al op onze oude manieren.—Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,Huis voor huis al afgegaan,Ter eere van Sinte-Katriene.Geeft watHoudt watTegen ʼt jaar nog wat.Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, bl. 174, 175;De Cock, Volkskunde, 259;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 68, 251.Sint Andries (30 Nov.)is insgelijks een kritische dag: “Sint Andries brengt de vries”, ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te St. Marie-Laathem de jongens rond om eensnik(appel). Zij staan bij elk huis stil en roepen:
II. De Volksfeesten.Wanneer ik spreek van “volksfeesten”, dan bedoel ik hiermee het komplex van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk vande viering van Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen, die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd, ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk eenreligieus, maar ook eenhuiselijkkarakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd, onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins voltrokken. Ik spreek hier dus niet over devolksvermakelijkheden, als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenschtTer Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321–397 en 563–694. Immers deze hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel feesttijden,hoogtijden, een benaming, die zich tot heden staande hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken de eene familie bij de andere nog “zalig hoogtijd” wenschen.Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidagzijn beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11denNovember, dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel op het Kerstfeest overgingen. HetJoelfeestimmers, ontegenzeglijk het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der “Twaalf Nachten” genoemd; de Duitschers spreken van deZwölften, Unternächte, RauchnachteofLosstage. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te oordeelen, zeer waarschijnlijk “het tooverrijke”, dan “het vroolijke” beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt: 1odoor het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en windgodheden werden gebracht; en 2o—reden van ekonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben, zooalsAlex. Tillebeweert in zijn boek over Die Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen, waren los; men dronk deminne, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen; men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan, in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat dezegeheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde —en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van deze voorstelling te geven—in den barren Joeltijd de aarde als sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen gedijen. Met goed recht zou men derhalve van eenbevruchtingstijdperkkunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde: het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen, het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen, dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten: St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30 Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.), St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.), Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28 Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus, maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegtOzanam, waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, diehen voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland metSint Maartensdag(11 November), gewijd aan de vereering van den grooten volksheilige,Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië, den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem, Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht eeuwen lang den naam droegen vanSint Maartens-mannen,evenals die van EgmondSint Alberts-mannenen de LeuvenarenSint Pieters-mannengenoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het krijgsgeroep “Holland! Holland!”, deze beantwoordden het met “Sint Martijn, Sint Martijn!” Zie o.a.Schotel, Tilburgsche Avondstonden, bl. 36 vlg.Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis—Adventstijd in den ruimsten zin—den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus, bisschop van Tours, die in de Veeeuw leefde, bepaalde nl., dat van af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden; naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag, Vrijdag en Zaterdag) reedsuit het einde der IIeeeuw. Naderhand werd deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk, -gans, -gaard enz.Vooreerst dan hetSint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren samen met de Oudgermaanschenoodvuren, Oudsaksischnôdfiur, waarinnôd- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoordnûan“stukwrijven”. Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide, tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.Merkwaardig is hetgeenSebast Frankin zijneWahrhaftige Beschreibunge aller Teile der Welt(1567) over een dezer vuren meedeelt: “Zu Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut, mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist, als ob die Sonne vom Himmel liefe”. Dit noodvuur had het karakter van een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte vegetatie en vruchtbaarheidsgoden,wellicht met name aan Wôdan als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar, dat deIndiculus superstitionum et paganiarum, een opsomming van capitularia uit de VIIeeeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik van vuur door het wrijven van hout:De igno fricato de ligno, id est nôd-fyr. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond- en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men metGrimm,Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: “das reiben der heiligen Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz.” Voegen wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over het vuur heen. Daarentegen is hetfakkelenveelal verdwenen, —in België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz., en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburgʼs Jaarboek I, bl. 72: “Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt, zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden.” Te Obbicht, Papenhoven enz. noemt men ditflakkeren. De toortsen zijn slechts in rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in desteden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd, maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den gloed heenspringt.Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:Sintermertes veugelkeHêt ein roeëd keugelkeEn ein blauw stertjeHoepsa Sintermerte!Appingedam:Sunte Meertens vogeltjeMet ziên kip kap kogeltjeMet ziên rooie rokje,Met ziên vleddern stokje.Ter vergelijking diene nog het doorHalbertsmameegedeelde:Sunte Maartens veugeltjeZat al op een heuveltjeMet zijn rood rokje;en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:Märtiin Märtiins VaegelkenMett siin verguit Snaevelken!Geft us watt un lat us gan,Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in Frankrijk kent men den “oiseau St. Martin” en in Spanje den “pajaro St. Martin.”Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie b.v.Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, bl. 102;Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in LimburgʼsJaarboek 1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, in Limburgʼs Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die “Sant Martisvogel, Mertissvogelin” geven, wekken het gegronde vermoeden, datMartini avisuitMartis avisontstaan is; in alle geval is de specht bedoeld, de bonte specht (picus maior), met zijn donkere, staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord “keugelke” is immers het Middelnederlandschecogele“halskraag, mantelkap”, men denke aan de zegswijze: “kat en kogel verliezen”, ontstaan uit “kap en kogel verliezen”, elders “kap en keuvel”; vergel. ten overvloede het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:Kip, kap, kogel,Sint Maartinsvogel.Zoo ook het Duinkerksche:Sinte-Martens veugeltjeKwam met zijn roo kapeugeltjeGestovenGevlogenAl over den Rijn,Waar dat vette verkens zijn!Goede vrouwe, geeft ons wat,Alle hennen leggen wat!—Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens.Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die in Christusʼ naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking “met zijn bloote armen”. Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, zeggende: “Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij met dit kleed gedekt.” De bedelaar heet in het lied “Sinterkrukken”.Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral in de zoogen.kettingrijmpjes, en zoo wijkt men soms mijlen ver van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zieDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.Vandaag is ʼt Sinter MartenEn morgen Sinter Krukken,Wij komen uit goeder harteEn hadden zoo gaarn een stuksken:Een houtjen of een turfjenIn Sinter Martens kurfjen,En wij zullen van hier niet gaan,Of wij hebben wat opgedaan.Sinter Marten is zoo koud,Geef ʼm een turfjen of een hout,Om zich bij te warmenMet zijn bloote armen.Geef wat, houd wat,Tegen ʼt jaar al weer wat.Of wel:Geef vuur, geef vuur,Sinter Marten is zoo duur.In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal lettergrepen; zie hieroverG. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden 1893), bl. 32.Híer wóont een ríjk mán,Díe véel géven kán.Véel wíl hij gévén,Láng zál hij lévén,Zálig zál hij stérvén,Den hémel zál hij érvén;Gód zál hem lóonénMet hónderddúizend krónén,Met hónderddúizend rókjes an,Dáar komt Sínter Márten áan.Of wel:Met hónderd dúizend líchtjes áan,Dáar komt Sínt Martínus weer áan.Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:Honderd joar en einen daagZit det mêdje op die bank,Loat det mêdje valle,Tröl, trölLoat det mèdje valle (?).Ruim verspreid is verder:Sint Martinus bisschop,Roem van onze landen,Dat wij hier met lichtjes loopenIs voor ons geen schande.————————-Martijn,Turf in den murf [mond] in den maneschijn.Gooi in den most,Gooi in den wijn,Hier woont Sinte Martijn.Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.Alkmaar, Hoorn:Dʼr is brand al in de lantaren,En de vonken, die vliegen dʼr uit,De meisjes loopen om garenEn de jongens om beschuit.—————————Sinte, Sinte Marten,De kalveren dragen starten,De koeien dragen horens,De kerken dragen torens,De torens dragen klokken,De meisjes dragen rokken,De jongens dragen broeken,De wijven schorteldoeken.West-Vlaanderen:Sinte Martens avond,De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,En als mijn moeder wafels bakt,Dan ben ik daar geern omtrent.Stook vier, maak vier,Sinte Maarten komt hier,We zetten hem in een hoekje,We geven hem daar een koekje,En we zetten hem onder de tafele,En we geven hem daar een wafele.Land van Waas:De jongens van de dorpen,Die waren hier al bijeen,Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,Dat is hier al verteerd.Wij zullen gaan leeren hout rapen,Turf rapen,Al op Sint Jans manieren!Vrolijk zullen wij vieren,Gelijk wij ʼs jaren plachten.Een stuk van zijnen mantelAl met zijn billekens bloot!En wilde gij dat niet geven,Dan zijde gij een groote jood!Een houtje of een turf kenIn Sinte Maartens kurfken.Krijgt men niets, dan wordt gezongen:Hier hangt een baksken met zemelen uit,En daar vliegt de gierige duivel uit.Of wel:Een bosje met zwavel,Een bosje met kruit,Hier hangt de gierige duivel uit.Reeds in de XIIIeeeuw wordt de Sint-MaartensdagScuddecorfsdaggenoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschudwerd, d.i. een algemeene uitdeeling onder de armen plaats had1maar een korf met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:O Marten, Marten,Der Korb muss verbrennet sein;Das Geld aus den Taschen,Der Wein in die Flaschen,Die Gans vom Spiess,Da sauf und friss,Wer sich vollsaufen kann,Wird ein rechter Martensmann.—In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje deelt zich mee aan ʼn kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,—en de buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje en “Sinter Mertes veugelke” zingend, zien verlangend naar den schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst,te Sint Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men legt voor het paard van den heilige, die ʼs nachts rondrijdt, hooi en wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders op, in de hoop deze ʼs morgens met geschenken gevuld te vinden. Te Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en beloont of tuchtigt naar verdienste.Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid en van den oogstzegen,—en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door de godheid verleend,—naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint Maartenrijdtdeze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op Palmzondag;rijdenis gelijkwaardig met “geschenken geven”, door welke synonimie het verband tusschen “wind” (rijden door de lucht) en “vruchtbaarheid” in een helder daglicht treedt. “Veel wind, veel ooft”, zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfsSint Maarten in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van het geestenheir, begeleid door zijn knecht.Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten gebakken enSint Maartenshoorntjesgenoemd. Ook in het Freudental (Oostenr. Silezië) mogen deMartinshörndlniet ontbreken. Hiermee hangt samen hetvarkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, zoodat men in Duitschland schertsend vanSpeckmärtenspreekt. Vooral de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:Op Sint MartijnSlacht de arme het zwijn.Te Hoogstade (België) zingt men:Sinte Maarten,Koeken en taarten,Brood en wijn,Al voor Sinte Maartens zwijn!Niet minder past bij de opening van dit tijdperk deSint Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries (d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) omslag in het weer verwachtte enz., enz.—Slechts in Engeland is de gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. deMichaelmass-goose,terwijl den 11enNovember hetMartinmass-beef,gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak der Sint Maartenskerk teWorms (XIIeeeuw) is mede een gans geplaatst.In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en Zwolle. Sommigenpildende beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd aan “Meester” een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland bleef na de Reformatie de “papistische grouwel” van het gans-eten voortbestaan.—Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIeeeuw,Martinus Schoockiiusverhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, er geen bezwaar in te zien; zieEelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, bl. 151 vlg.Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit Westerwolde wijst:Er kwam een gans uit Sassen,Uit Sassen kwam die gans,Hij was zoo wel gewassen,Gewassen was die gans.—Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook deSint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:Sint Martijn, Sint Martijn,Tʼ avond most en morgen wijn.Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon der wijnbouwers en hotelhouders geldt.—Uiteraard ontaardde dan ook het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit b.v. op de bekende schilderij van denBoeren-Breughelin het Museum van Antwerpen is voorgesteld.De historische Martini-dronk, die den naam vanSint Maartens minnedraagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede ofgaarde. Deze staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt.Mannhardtvooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: “Der Schlag mit der Lebensrute” een meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10enNovember wordt deMartinsgertedoor den Beierschen herder aan zijn meester ter hand gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:Kommt der heilig St. MärtenMit seiner Gerten;Soviel Krawitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere!Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steekt sie hinter den Kühbarn,So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter der Stalltür,Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk deLupercizich te Rome op het feest derLupercaliaveroorloofden, slechts in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgensJuvenalis, denLupercisden weg, om zich in de vlakke hand te doen treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: “En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden” (Sat.II, 14).Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: den warenvolkskalender.Sint Katharina (25 Nov.),van Alexandrië, maagd en martelares. Door hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar deCatharinistennog heden bestaan. De Romeinsche keizerMaximinusveroordeelde haar na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers en spinsters als patroonheilige.Evenals de namen der HH. Lucia en Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip “licht, reinheid, helderheid” in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag totdies criticuswerd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: “St. Katharina komt in het wit gekleed”. In Westfalen zegt men: “Katharina hett den winter innen Schraine”. Ook kent men bij ons het rijmpje:Met Sint KatrijnMoeten de koeien aan de lijn.Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen rijmpje:Sinte-Katerijne (of Katelijne),Laat het zonneke schijnen,Laat den regen overgaan,Dat de kinderkens naar school toe gaan!Wie zal hun leeren?Onze lieven Heere.Wie zal ze trouwen?Onze lieve Vrouwe.Wie zal hun te eten geven?Sinte-Pieter, die goede man,Die alle kinderen geeselen kan.Of:Wie zal de misse doen?Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: “Geeft aan de jongens van St. Katrien!” Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen ze nog eens: “Goê Sinte-Katrien!” Krijgen ze niets, dan schreeuwen ze heel hard: “Kwâ Sinte-Katrien!” Eenige jaren geleden zong men nog:Wij komen al rond op Sinte-Katriene,Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.Wij zullen ze luisterlijk vierenAl op een zalige maniere.Of:Al op onze oude manieren.—Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,Huis voor huis al afgegaan,Ter eere van Sinte-Katriene.Geeft watHoudt watTegen ʼt jaar nog wat.Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, bl. 174, 175;De Cock, Volkskunde, 259;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 68, 251.Sint Andries (30 Nov.)is insgelijks een kritische dag: “Sint Andries brengt de vries”, ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te St. Marie-Laathem de jongens rond om eensnik(appel). Zij staan bij elk huis stil en roepen:
II. De Volksfeesten.Wanneer ik spreek van “volksfeesten”, dan bedoel ik hiermee het komplex van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk vande viering van Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen, die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd, ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk eenreligieus, maar ook eenhuiselijkkarakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd, onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins voltrokken. Ik spreek hier dus niet over devolksvermakelijkheden, als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenschtTer Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321–397 en 563–694. Immers deze hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel feesttijden,hoogtijden, een benaming, die zich tot heden staande hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken de eene familie bij de andere nog “zalig hoogtijd” wenschen.Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidagzijn beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11denNovember, dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel op het Kerstfeest overgingen. HetJoelfeestimmers, ontegenzeglijk het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der “Twaalf Nachten” genoemd; de Duitschers spreken van deZwölften, Unternächte, RauchnachteofLosstage. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te oordeelen, zeer waarschijnlijk “het tooverrijke”, dan “het vroolijke” beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt: 1odoor het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en windgodheden werden gebracht; en 2o—reden van ekonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben, zooalsAlex. Tillebeweert in zijn boek over Die Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen, waren los; men dronk deminne, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen; men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan, in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat dezegeheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde —en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van deze voorstelling te geven—in den barren Joeltijd de aarde als sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen gedijen. Met goed recht zou men derhalve van eenbevruchtingstijdperkkunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde: het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen, het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen, dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten: St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30 Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.), St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.), Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28 Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus, maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegtOzanam, waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, diehen voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland metSint Maartensdag(11 November), gewijd aan de vereering van den grooten volksheilige,Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië, den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem, Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht eeuwen lang den naam droegen vanSint Maartens-mannen,evenals die van EgmondSint Alberts-mannenen de LeuvenarenSint Pieters-mannengenoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het krijgsgeroep “Holland! Holland!”, deze beantwoordden het met “Sint Martijn, Sint Martijn!” Zie o.a.Schotel, Tilburgsche Avondstonden, bl. 36 vlg.Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis—Adventstijd in den ruimsten zin—den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus, bisschop van Tours, die in de Veeeuw leefde, bepaalde nl., dat van af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden; naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag, Vrijdag en Zaterdag) reedsuit het einde der IIeeeuw. Naderhand werd deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk, -gans, -gaard enz.Vooreerst dan hetSint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren samen met de Oudgermaanschenoodvuren, Oudsaksischnôdfiur, waarinnôd- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoordnûan“stukwrijven”. Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide, tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.Merkwaardig is hetgeenSebast Frankin zijneWahrhaftige Beschreibunge aller Teile der Welt(1567) over een dezer vuren meedeelt: “Zu Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut, mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist, als ob die Sonne vom Himmel liefe”. Dit noodvuur had het karakter van een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte vegetatie en vruchtbaarheidsgoden,wellicht met name aan Wôdan als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar, dat deIndiculus superstitionum et paganiarum, een opsomming van capitularia uit de VIIeeeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik van vuur door het wrijven van hout:De igno fricato de ligno, id est nôd-fyr. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond- en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men metGrimm,Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: “das reiben der heiligen Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz.” Voegen wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over het vuur heen. Daarentegen is hetfakkelenveelal verdwenen, —in België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz., en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburgʼs Jaarboek I, bl. 72: “Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt, zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden.” Te Obbicht, Papenhoven enz. noemt men ditflakkeren. De toortsen zijn slechts in rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in desteden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd, maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den gloed heenspringt.Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:Sintermertes veugelkeHêt ein roeëd keugelkeEn ein blauw stertjeHoepsa Sintermerte!Appingedam:Sunte Meertens vogeltjeMet ziên kip kap kogeltjeMet ziên rooie rokje,Met ziên vleddern stokje.Ter vergelijking diene nog het doorHalbertsmameegedeelde:Sunte Maartens veugeltjeZat al op een heuveltjeMet zijn rood rokje;en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:Märtiin Märtiins VaegelkenMett siin verguit Snaevelken!Geft us watt un lat us gan,Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in Frankrijk kent men den “oiseau St. Martin” en in Spanje den “pajaro St. Martin.”Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie b.v.Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, bl. 102;Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in LimburgʼsJaarboek 1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, in Limburgʼs Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die “Sant Martisvogel, Mertissvogelin” geven, wekken het gegronde vermoeden, datMartini avisuitMartis avisontstaan is; in alle geval is de specht bedoeld, de bonte specht (picus maior), met zijn donkere, staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord “keugelke” is immers het Middelnederlandschecogele“halskraag, mantelkap”, men denke aan de zegswijze: “kat en kogel verliezen”, ontstaan uit “kap en kogel verliezen”, elders “kap en keuvel”; vergel. ten overvloede het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:Kip, kap, kogel,Sint Maartinsvogel.Zoo ook het Duinkerksche:Sinte-Martens veugeltjeKwam met zijn roo kapeugeltjeGestovenGevlogenAl over den Rijn,Waar dat vette verkens zijn!Goede vrouwe, geeft ons wat,Alle hennen leggen wat!—Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens.Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die in Christusʼ naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking “met zijn bloote armen”. Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, zeggende: “Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij met dit kleed gedekt.” De bedelaar heet in het lied “Sinterkrukken”.Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral in de zoogen.kettingrijmpjes, en zoo wijkt men soms mijlen ver van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zieDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.Vandaag is ʼt Sinter MartenEn morgen Sinter Krukken,Wij komen uit goeder harteEn hadden zoo gaarn een stuksken:Een houtjen of een turfjenIn Sinter Martens kurfjen,En wij zullen van hier niet gaan,Of wij hebben wat opgedaan.Sinter Marten is zoo koud,Geef ʼm een turfjen of een hout,Om zich bij te warmenMet zijn bloote armen.Geef wat, houd wat,Tegen ʼt jaar al weer wat.Of wel:Geef vuur, geef vuur,Sinter Marten is zoo duur.In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal lettergrepen; zie hieroverG. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden 1893), bl. 32.Híer wóont een ríjk mán,Díe véel géven kán.Véel wíl hij gévén,Láng zál hij lévén,Zálig zál hij stérvén,Den hémel zál hij érvén;Gód zál hem lóonénMet hónderddúizend krónén,Met hónderddúizend rókjes an,Dáar komt Sínter Márten áan.Of wel:Met hónderd dúizend líchtjes áan,Dáar komt Sínt Martínus weer áan.Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:Honderd joar en einen daagZit det mêdje op die bank,Loat det mêdje valle,Tröl, trölLoat det mèdje valle (?).Ruim verspreid is verder:Sint Martinus bisschop,Roem van onze landen,Dat wij hier met lichtjes loopenIs voor ons geen schande.————————-Martijn,Turf in den murf [mond] in den maneschijn.Gooi in den most,Gooi in den wijn,Hier woont Sinte Martijn.Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.Alkmaar, Hoorn:Dʼr is brand al in de lantaren,En de vonken, die vliegen dʼr uit,De meisjes loopen om garenEn de jongens om beschuit.—————————Sinte, Sinte Marten,De kalveren dragen starten,De koeien dragen horens,De kerken dragen torens,De torens dragen klokken,De meisjes dragen rokken,De jongens dragen broeken,De wijven schorteldoeken.West-Vlaanderen:Sinte Martens avond,De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,En als mijn moeder wafels bakt,Dan ben ik daar geern omtrent.Stook vier, maak vier,Sinte Maarten komt hier,We zetten hem in een hoekje,We geven hem daar een koekje,En we zetten hem onder de tafele,En we geven hem daar een wafele.Land van Waas:De jongens van de dorpen,Die waren hier al bijeen,Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,Dat is hier al verteerd.Wij zullen gaan leeren hout rapen,Turf rapen,Al op Sint Jans manieren!Vrolijk zullen wij vieren,Gelijk wij ʼs jaren plachten.Een stuk van zijnen mantelAl met zijn billekens bloot!En wilde gij dat niet geven,Dan zijde gij een groote jood!Een houtje of een turf kenIn Sinte Maartens kurfken.Krijgt men niets, dan wordt gezongen:Hier hangt een baksken met zemelen uit,En daar vliegt de gierige duivel uit.Of wel:Een bosje met zwavel,Een bosje met kruit,Hier hangt de gierige duivel uit.Reeds in de XIIIeeeuw wordt de Sint-MaartensdagScuddecorfsdaggenoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschudwerd, d.i. een algemeene uitdeeling onder de armen plaats had1maar een korf met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:O Marten, Marten,Der Korb muss verbrennet sein;Das Geld aus den Taschen,Der Wein in die Flaschen,Die Gans vom Spiess,Da sauf und friss,Wer sich vollsaufen kann,Wird ein rechter Martensmann.—In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje deelt zich mee aan ʼn kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,—en de buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje en “Sinter Mertes veugelke” zingend, zien verlangend naar den schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst,te Sint Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men legt voor het paard van den heilige, die ʼs nachts rondrijdt, hooi en wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders op, in de hoop deze ʼs morgens met geschenken gevuld te vinden. Te Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en beloont of tuchtigt naar verdienste.Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid en van den oogstzegen,—en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door de godheid verleend,—naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint Maartenrijdtdeze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op Palmzondag;rijdenis gelijkwaardig met “geschenken geven”, door welke synonimie het verband tusschen “wind” (rijden door de lucht) en “vruchtbaarheid” in een helder daglicht treedt. “Veel wind, veel ooft”, zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfsSint Maarten in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van het geestenheir, begeleid door zijn knecht.Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten gebakken enSint Maartenshoorntjesgenoemd. Ook in het Freudental (Oostenr. Silezië) mogen deMartinshörndlniet ontbreken. Hiermee hangt samen hetvarkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, zoodat men in Duitschland schertsend vanSpeckmärtenspreekt. Vooral de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:Op Sint MartijnSlacht de arme het zwijn.Te Hoogstade (België) zingt men:Sinte Maarten,Koeken en taarten,Brood en wijn,Al voor Sinte Maartens zwijn!Niet minder past bij de opening van dit tijdperk deSint Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries (d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) omslag in het weer verwachtte enz., enz.—Slechts in Engeland is de gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. deMichaelmass-goose,terwijl den 11enNovember hetMartinmass-beef,gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak der Sint Maartenskerk teWorms (XIIeeeuw) is mede een gans geplaatst.In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en Zwolle. Sommigenpildende beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd aan “Meester” een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland bleef na de Reformatie de “papistische grouwel” van het gans-eten voortbestaan.—Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIeeeuw,Martinus Schoockiiusverhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, er geen bezwaar in te zien; zieEelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, bl. 151 vlg.Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit Westerwolde wijst:Er kwam een gans uit Sassen,Uit Sassen kwam die gans,Hij was zoo wel gewassen,Gewassen was die gans.—Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook deSint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:Sint Martijn, Sint Martijn,Tʼ avond most en morgen wijn.Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon der wijnbouwers en hotelhouders geldt.—Uiteraard ontaardde dan ook het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit b.v. op de bekende schilderij van denBoeren-Breughelin het Museum van Antwerpen is voorgesteld.De historische Martini-dronk, die den naam vanSint Maartens minnedraagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede ofgaarde. Deze staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt.Mannhardtvooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: “Der Schlag mit der Lebensrute” een meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10enNovember wordt deMartinsgertedoor den Beierschen herder aan zijn meester ter hand gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:Kommt der heilig St. MärtenMit seiner Gerten;Soviel Krawitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere!Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steekt sie hinter den Kühbarn,So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter der Stalltür,Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk deLupercizich te Rome op het feest derLupercaliaveroorloofden, slechts in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgensJuvenalis, denLupercisden weg, om zich in de vlakke hand te doen treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: “En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden” (Sat.II, 14).Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: den warenvolkskalender.Sint Katharina (25 Nov.),van Alexandrië, maagd en martelares. Door hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar deCatharinistennog heden bestaan. De Romeinsche keizerMaximinusveroordeelde haar na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers en spinsters als patroonheilige.Evenals de namen der HH. Lucia en Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip “licht, reinheid, helderheid” in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag totdies criticuswerd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: “St. Katharina komt in het wit gekleed”. In Westfalen zegt men: “Katharina hett den winter innen Schraine”. Ook kent men bij ons het rijmpje:Met Sint KatrijnMoeten de koeien aan de lijn.Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen rijmpje:Sinte-Katerijne (of Katelijne),Laat het zonneke schijnen,Laat den regen overgaan,Dat de kinderkens naar school toe gaan!Wie zal hun leeren?Onze lieven Heere.Wie zal ze trouwen?Onze lieve Vrouwe.Wie zal hun te eten geven?Sinte-Pieter, die goede man,Die alle kinderen geeselen kan.Of:Wie zal de misse doen?Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: “Geeft aan de jongens van St. Katrien!” Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen ze nog eens: “Goê Sinte-Katrien!” Krijgen ze niets, dan schreeuwen ze heel hard: “Kwâ Sinte-Katrien!” Eenige jaren geleden zong men nog:Wij komen al rond op Sinte-Katriene,Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.Wij zullen ze luisterlijk vierenAl op een zalige maniere.Of:Al op onze oude manieren.—Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,Huis voor huis al afgegaan,Ter eere van Sinte-Katriene.Geeft watHoudt watTegen ʼt jaar nog wat.Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, bl. 174, 175;De Cock, Volkskunde, 259;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 68, 251.Sint Andries (30 Nov.)is insgelijks een kritische dag: “Sint Andries brengt de vries”, ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te St. Marie-Laathem de jongens rond om eensnik(appel). Zij staan bij elk huis stil en roepen:
Wanneer ik spreek van “volksfeesten”, dan bedoel ik hiermee het komplex van feestgebruiken, die bij het hedendaagsche volk vande viering van Oudgermaansche of Christelijke feestgetijden zijn overgebleven. Immers de feestvreugde kleedde zich in tal van overlevende blijheidsuitingen, die niet zelden, van het oorspronkelijk hoofdmotief losgetornd, ontaardden en oversloegen tot uitspattingen en misbruik.
Deze volksfeesten droegen dus oorspronkelijk eenreligieus, maar ook eenhuiselijkkarakter. Evenals in het oude Rome, wanneer ik deze analogie hier mag aanvoeren, was het huisgezin de kern, de cel, van waaruit de georganiseerde vroolijkheid en blijheid zich in ruimer kring en op ruimer terrein verspreide; en in het gezin zelf werd de feestviering, van geslacht tot geslacht overgeleverd, onder toezicht en leiding van den vader of van de moeder des gezins voltrokken. Ik spreek hier dus niet over devolksvermakelijkheden, als loopen, springen, klimmen, harddraven, wedrennen enz., en over de gezelschapsspelen evenmin; zie hierover desgewenschtTer Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871), bl. 321–397 en 563–694. Immers deze hebben met religie en familiale organisatie niets gemeen en dragen een dermate internationaal karakter, dat zij onmogelijk kunnen dienen om den volksaard nader te bepalen. Iets anders is het, wanneer een bepaald spel door een bepaalde leeftijdsgroep op eigenaardige wijze wordt uitgevoerd of gevarieerd, waarover nader.
De oude Germanen kenden eigenlijk geen feestdagen, maar wel feesttijden,hoogtijden, een benaming, die zich tot heden staande hield. Op voorname Christelijke feestdagen gaat in katholieke streken de eene familie bij de andere nog “zalig hoogtijd” wenschen.
Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, het lente- en zomerfeest. Eigenlijk begon het eerste winterfeest (of herfstfeest), dat het Germaansche jaar opende, met de nachtevening van September. Maar in den Juliaanschen kalender valt het begin van den winter op 10 November, en zoo kreeg, door verschuiving der feestgebruiken van het Germaansche nieuwjaar, de Martinidagzijn beteekenis. Voeg hierbij, dat het kerkelijk jaar aanving met den Advent, die oorspronkelijk 5 weken omvatte (eerst Paus Gregorius VII bracht hem op 4 weken), terwijl het Adventsvasten den 11denNovember, dus op Martinidag begon. Zoo vereenigde zich ook het eerste met het tweede, het groote winterfeest, dat ook den naam draagt van Midwinterfeest of Joelfeest en welks gebruiken voor een groot deel op het Kerstfeest overgingen. HetJoelfeestimmers, ontegenzeglijk het hoogste feest der Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der “Twaalf Nachten” genoemd; de Duitschers spreken van deZwölften, Unternächte, RauchnachteofLosstage. Dit feest, dat, naar zijn etymologie te oordeelen, zeer waarschijnlijk “het tooverrijke”, dan “het vroolijke” beteekende, werd inderdaad gekenschetst, evenals trouwens het eerste winterfeest, door een uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt: 1odoor het genieten der offergaven, die gedurende dien tijd aan de zielen der afgestorvenen en aan Wôdan, Holda en andere chthonische en windgodheden werden gebracht; en 2o—reden van ekonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet zelf de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben, zooalsAlex. Tillebeweert in zijn boek over Die Geschichte der deutschen Weihnacht (Leipzig 1893), bl. 6.
Het was de heiligste tijd van het jaar. Dromsgewijze joelden en raasden de geesten door het luchtruim, door hun befaamden voorrijder aangevoerd; lotsvoorspelling, droomverklaring en tooverij vierden hoogtij; heel de geestenwereld: heksen, weerwolven, elfen, dwergen, waren los; men dronk deminne, d.i. de gedachtenis der afgestorvenen; men stelde de geesten onder allerlei vermommingen voor, die thans nog in min of meer gekerstenden vorm voortbestaan.
Geofferd werd gedurende dit tijdperk aan de geesten en aan Wôdan, in zijne hoedanigheid van god der vruchtbaarheid, ter wille der vruchtbaarheid van de akkers. Uit menig volksgebruik, dat wij te geschikter plaatse zullen bespreken, blijkt trouwens, dat dezegeheele periode een vruchtbaarheidskarakter draagt. Men beschouwde —en beschouwt nog thans, zonder zich duidelijk rekenschap van deze voorstelling te geven—in den barren Joeltijd de aarde als sluimerend onder het mollig sneeuwkleed, nieuwe sappen garend, om in de lente de natuur met bloemen te tooien en het wintergraan te doen gedijen. Met goed recht zou men derhalve van eenbevruchtingstijdperkkunnen spreken, zooals ik in Volkskunde XII, bl. 89 vlg. voorstelde: het schieten in de boomen, het binden van stroobanden om de boomen, het zweepen der boomen heeft stellig bevruchting ten doel.
Gegeven nu, dat het eerste winterfeest een vrij groote reeks van dagen in beslag nam, en dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen, dan krijgen we een bijna aaneengesloten feesttijdperk, dat zich van omstreeks het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. In dit tijdperk vallen vooral de Christelijke feesten: St. Martinus (11 Nov.), St. Clemens (23 Nov.), St. Andreas (30 Nov., men denke vooral aan St. Andreasnacht), St. Barbara (4 Dec.), St. Nikolaas (6 Dec.), St. Lucia (13 Dec.), St. Thomas (21 Dec.), Kerstmis (25 Dec.), St. Stefanus (26 Dec.), Onnoozele Kinderen (28 Dec.), Besnijdenis (1 Jan.), Driekoningen (6 Jan.). Zie hierover mijn geschrift De H. Nikolaas in het Folklore (Roermond, 1898), bl. 9, 10.
Het volksfeest stoelt dus op de religie. De godsvereering der Oude Germanen schonk haar adepten echter ook verpoozing van den harden arbeid op akker of weideveld: de feestviering droeg een religieus, maar tevens een ekonomisch-maatschappelijk karakter, wat des te meer in het oog valt, wanneer men bedenkt, dat onze voorouders veel meer dan heden leefden met de natuur, arbeidden en rustten overeenkomstig de natuur. Ook hier is het Christendom met wijs beleid te werk gegaan, en heeft het niet willen uitroeien, maar veredelen en verheffen of althans, in het geoorloofde, lijdelijk willen toezien. Terecht. Want indien er iets bestaat, zegtOzanam, waaraan de menschen nog meer vasthouden dan aan den bodem, diehen voedt, dan zijn het de overleveringen, welke hun land in hun oogen verheffen, en de feesten of hoogtijden, die hen voor een wijl aan de harde, eentonige zorgen des levens onttrekken.
Wij beginnen dus het feestelijk jaar in Groot-Nederland metSint Maartensdag(11 November), gewijd aan de vereering van den grooten volksheilige,Martinus, bisschop van Tours. Den apostel van Gallië, den grooten heilige der Franken, is ook in Nederland en België een ongemeen hooge vereering te beurt gevallen; in Duitschland viert men hem vooral in Frankenland, en in het naburige Zwaben en Westfalen. In België zijn honderden kerken hem toegewijd; in Nederland vereerde men hem als patroon te Utrecht, Groningen, Middelburg, Sneek, Arnhem, Tiel, Bolsward, Venloo, Weert, Wijk-Maastricht, Dokkum, Bovenkarspel enz. enz. De dorpen St. Maarten, St. Maartensdijk, Maartenshoek voeren zijn naam. Vooral het bisdom, de stad en de burgerij van Utrecht stonden onder zijn bescherming. Te Utrecht stond zijn beeltenis op de torenspits zijner kerk, aan de hoeken der straten, in het voorportaal der kapittelzaal. Het prijkte op het oude wapen der stad en op de bisschoppelijke banieren. Vandaar dan ook, dat de burgers van Utrecht eeuwen lang den naam droegen vanSint Maartens-mannen,evenals die van EgmondSint Alberts-mannenen de LeuvenarenSint Pieters-mannengenoemd werden. Vielen de Hollanders de Stichtenaren aan onder het krijgsgeroep “Holland! Holland!”, deze beantwoordden het met “Sint Martijn, Sint Martijn!” Zie o.a.Schotel, Tilburgsche Avondstonden, bl. 36 vlg.
Ook kreeg de geheele periode van Sint Maarten tot Kerstmis—Adventstijd in den ruimsten zin—den naam van Sint Maartensvasten. De H. Perpetuus, bisschop van Tours, die in de Veeeuw leefde, bepaalde nl., dat van af 11 November tot Kerstmis driemaal per week moest gevast worden; naar men weet, dagteekent dit 3 maal vasten per week (Woensdag, Vrijdag en Zaterdag) reedsuit het einde der IIeeeuw. Naderhand werd deze bepaling over heel Frankrijk uitgebreid.
Intusschen, hoe groot de vereering van den H. Martinus ook in onze landen mag geweest zijn, zij verklaart kwalijk een aantal feestgebruiken als: het Sint-Maartensvuur, de Sint-Maartensdronk, -gans, -gaard enz.
Vooreerst dan hetSint-Maartensvuur. De meeste feestvuren zijn niet van christelijken, maar van heidenschen oorsprong. Naderhand heeft men de Sint-Maartensvuren aldus verklaard, dat zij oorspronkelijk uit vreugde over den val van het heidendom zouden ontstoken zijn. Dit is echter een van de vele verklaringen, die de feiten zoekt aan te passen aan vooropgestelde theorieën. In waarheid hangen de feestvuren samen met de Oudgermaanschenoodvuren, Oudsaksischnôdfiur, waarinnôd- verwant is met het Oudhoogduitsche werkwoordnûan“stukwrijven”. Immers het werd ontstoken, doordat men een stuk hout in de opening van een ander of van een wagenrad stak en zoolang draaide, tot het hout vuur vatte. Het voedsel voor het nieuwe vuur, hout en stroo, moest door alle leden der gemeente worden meegebracht. Brandde het vuur, dan moesten menschen en vee daar driemaal doorheen loopen. Na afloop nam ieder een verkoold stuk hout mee naar huis: het was een voorbehoedmiddel tegen besmettelijke ziekte onder menschen en vee.
Merkwaardig is hetgeenSebast Frankin zijneWahrhaftige Beschreibunge aller Teile der Welt(1567) over een dezer vuren meedeelt: “Zu Mitterfasten flechten sie ein alt Wagenrad voller Stroh, tragens auf einen hohen, jähen Berg, haben darauf den ganzen Tag einen guten Mut, mit vielerlei Kurzweil, singen, springen, dantzen, Geradigkeit und anderer Abenteuer, umb die Vesperzeit zünden sie das Rad an, und lassens mit vollem Lauff ins Thal lauffen, das gleich anzusehen ist, als ob die Sonne vom Himmel liefe”. Dit noodvuur had het karakter van een zoenoffer aan de hoogere machten, het was een reinigings (en dus vruchtbaarheids-) vuur, dan ook een offervuur aan de verpersoonlijkte vegetatie en vruchtbaarheidsgoden,wellicht met name aan Wôdan als zonnegod, wiens symbool het rad, het zonnerad was; vandaar, dat deIndiculus superstitionum et paganiarum, een opsomming van capitularia uit de VIIeeeuw, waarschuwt tegen het heidensch gebruik van vuur door het wrijven van hout:De igno fricato de ligno, id est nôd-fyr. Oorspronkelijk stonden deze vuren met geen bepaalden tijd van het jaar in verband en werden ontstoken, telkens als men de godheid iets te vragen had of ook haar dank wilde brengen. Maar mettertijd hebben zij zich bij de hoofdofferfeesten gevoegd, en zoo krijgen wij dan onze Sint-Maartensvuren, Kerst- en Nieuwjaarsvuren, Vastenavond- en Paaschvuren, en St. Jans of Pinkstervuren, die vrij wel met de vier genoemde groote ofifertijden der Germanen samenvallen. Als kriteriën van den heidenschen oorsprong der nog bestaande vuren kan men metGrimm,Deutsche Mythologie I, bl. 35 aannemen: “das reiben der heiligen Flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihentanz.” Voegen wij hierbij het rondloopen met fakkels door de velden.
Talrijk zijn de dorpen, vooral in het Zuiden van ons land, waar de Sint-Maartensvuren nog opflikkeren; ook springt men nog over het vuur heen. Daarentegen is hetfakkelenveelal verdwenen, —in België bestaat het nog plaatselijk, b.v. te Hombeek, Hoeleden, enz., en ook in Hollandsen Limburg en Brabant, vgl. Limburgʼs Jaarboek I, bl. 72: “Op Sint Maartensavond kan men door geheel Limburg en Brabant op de heuvelen langs de Maas de Sint Maartensvuren in flikkerende vlam met rossen gloed zien opgaan.... Terwijl de stapel brandt, zwerven de knapen met ontstoken fakkels door de velden.” Te Obbicht, Papenhoven enz. noemt men ditflakkeren. De toortsen zijn slechts in rudimentairen vorm overgebleven in de kaarsjes of gekleurde lampions of uitgeholde en tot lantaarns vervormde rapen en pompoenen (pronk- of bronkappelen), waarmee thans de dorps- en veelal ook nog de stadsjeugd langs de huizen trekt. Te Brugge en rond Maaseik loopen de kinderen met eindjes touw, bestreken met teer. De vuren vervangt men in desteden, b.v. te Venloo, door kaarsjes. Op Sint-Maartensavond vormen ouden en jongen een kring; dan wordt lustig in de rondte gedanst en de kinderen springen herhaaldelijk over het vlammetje. Dit kinderlijk gebruik verbindt dus ons folklore niet alleen met den grijzen voortijd, maar ook met de volksgebruiken der verre Donaulanden, van Meissen en Thüringen, waar men althans bij de Sint-Jansvuren nog over den gloed heenspringt.
Bij den rondedans zingt men te Venloo het bekende:
Sintermertes veugelkeHêt ein roeëd keugelkeEn ein blauw stertjeHoepsa Sintermerte!
Sintermertes veugelkeHêt ein roeëd keugelkeEn ein blauw stertjeHoepsa Sintermerte!
Sintermertes veugelke
Hêt ein roeëd keugelke
En ein blauw stertje
Hoepsa Sintermerte!
Appingedam:
Sunte Meertens vogeltjeMet ziên kip kap kogeltjeMet ziên rooie rokje,Met ziên vleddern stokje.
Sunte Meertens vogeltjeMet ziên kip kap kogeltjeMet ziên rooie rokje,Met ziên vleddern stokje.
Sunte Meertens vogeltje
Met ziên kip kap kogeltje
Met ziên rooie rokje,
Met ziên vleddern stokje.
Ter vergelijking diene nog het doorHalbertsmameegedeelde:
Sunte Maartens veugeltjeZat al op een heuveltjeMet zijn rood rokje;
Sunte Maartens veugeltjeZat al op een heuveltjeMet zijn rood rokje;
Sunte Maartens veugeltje
Zat al op een heuveltje
Met zijn rood rokje;
en verder het rijmpje, dat men hoort in de Altmark:
Märtiin Märtiins VaegelkenMett siin verguit Snaevelken!Geft us watt un lat us gan,Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.
Märtiin Märtiins VaegelkenMett siin verguit Snaevelken!Geft us watt un lat us gan,Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.
Märtiin Märtiins Vaegelken
Mett siin verguit Snaevelken!
Geft us watt un lat us gan,
Datt wii hüüt noch wiier kamʼn.
In het leven van den heilige komt geen vogel voor, en toch ontmoet men den Martinusvogel reeds in de gedichten der Middeleeuwen. Ook in Frankrijk kent men den “oiseau St. Martin” en in Spanje den “pajaro St. Martin.”
Over dezen Sint-Maartensvogel is heel wat geschreven, zie b.v.Dr. Knappert, Wödan-St. Maarten in den Gron. Volksalmanak 1899, bl. 102;Dr. Knippenberg, Sintermertesveugelke, in LimburgʼsJaarboek 1911, bl. 75 enz. Persoonlijk heb ik deze kwestie onderzocht in mijn opstel, getiteld: Overblijfselen van den Wôdan-kultus in Limburg, in Limburgʼs Jaarboek 1898, bl. 34 vlg. Mij dunkt thans, dat men de zaak als uitgemaakt kan beschouwen. De handschriften, die “Sant Martisvogel, Mertissvogelin” geven, wekken het gegronde vermoeden, datMartini avisuitMartis avisontstaan is; in alle geval is de specht bedoeld, de bonte specht (picus maior), met zijn donkere, staalblauwe staartveêren en donkerrooden nek. Het woord “keugelke” is immers het Middelnederlandschecogele“halskraag, mantelkap”, men denke aan de zegswijze: “kat en kogel verliezen”, ontstaan uit “kap en kogel verliezen”, elders “kap en keuvel”; vergel. ten overvloede het Veendamsche en Delfzijlsche rijmpje:
Kip, kap, kogel,Sint Maartinsvogel.
Kip, kap, kogel,Sint Maartinsvogel.
Kip, kap, kogel,
Sint Maartinsvogel.
Zoo ook het Duinkerksche:
Sinte-Martens veugeltjeKwam met zijn roo kapeugeltjeGestovenGevlogenAl over den Rijn,Waar dat vette verkens zijn!Goede vrouwe, geeft ons wat,Alle hennen leggen wat!—
Sinte-Martens veugeltjeKwam met zijn roo kapeugeltjeGestovenGevlogenAl over den Rijn,Waar dat vette verkens zijn!Goede vrouwe, geeft ons wat,Alle hennen leggen wat!—
Sinte-Martens veugeltje
Kwam met zijn roo kapeugeltje
Gestoven
Gevlogen
Al over den Rijn,
Waar dat vette verkens zijn!
Goede vrouwe, geeft ons wat,
Alle hennen leggen wat!—
Ik keer nu terug tot den ronddans in de binnenkamer. Als tweede couplet zingt men een lied, dat aanvankelijk bij het inzamelen van hout enz. aan de huizen gezongen werd, en thans nog gezongen wordt dáar, waar deze inzameling door de jeugd in typischen lichtstoet nog gehouden wordt. Tot goed begrip dezer strofe dient men zich de legende van den H. Martinus te herinneren. Het was in den strengen winter van het jaar 332, toen Martinus, nog krijgsman en katechumeen, een naakten en van koude schier verkleumden bedelaar ontmoette bij een der poorten van Amiens.Terstond trekt hij zijn zwaard en deelt zijn krijgsmantel in tweeën, geeft de eene helft aan den arme, die in Christusʼ naam een aalmoes vraagt, en bedekt zich zelf zoo goed mogelijk met de ander. Vandaar in het lied de uitdrukking “met zijn bloote armen”. Denzelfden nacht zag hij in zijn slaap den Zaligmaker, met het deel van den mantel, dat hij den bedelaar gegeven had, bedekt, zeggende: “Martinus, hoewel nog katechumeen (niet gedoopt), heeft mij met dit kleed gedekt.” De bedelaar heet in het lied “Sinterkrukken”.
Vooraf nog een algemeene opmerking over volksrijmpjes, of volkspoëzie, zoo men wil. Een groot deel dezer gelegenheidsrijmpjes, die van mond tot mond gaan, is verdorven en onverstaanbaar geworden. De volksfantasie varieert op alle mogelijke wijze, verbastert, neemt allerlei bestanddeelen en restantjes van andere, vreemde liedjes op, enz. Maar bij de rekonstruktie moet men uiterst voorzichtig zijn en vooral niet te veel logica verwachten. Niet slechts het eene idee, maar ook het eene rijm, de eene klank roept den anderen op, vooral in de zoogen.kettingrijmpjes, en zoo wijkt men soms mijlen ver van het hoofdthema af. Ik geef hier enkel de stroofjes, die m.i. de meest voorkomende en de minst verhaspelde zijn, en zooveel mogelijk ontdaan van hun dialektisme, voor zoover zij een algemeen karakter dragen. Voor de volledige Vlaamsche liedjes zieDe Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VII, bl. 110 vlg.; voor Noord-Nederland vooral ook Driem. Bladen III, bl. 64; IV, bl. 113; VII, bl. 80.
Vandaag is ʼt Sinter MartenEn morgen Sinter Krukken,Wij komen uit goeder harteEn hadden zoo gaarn een stuksken:Een houtjen of een turfjenIn Sinter Martens kurfjen,En wij zullen van hier niet gaan,Of wij hebben wat opgedaan.
Vandaag is ʼt Sinter MartenEn morgen Sinter Krukken,Wij komen uit goeder harteEn hadden zoo gaarn een stuksken:Een houtjen of een turfjenIn Sinter Martens kurfjen,En wij zullen van hier niet gaan,Of wij hebben wat opgedaan.
Vandaag is ʼt Sinter Marten
En morgen Sinter Krukken,
Wij komen uit goeder harte
En hadden zoo gaarn een stuksken:
Een houtjen of een turfjen
In Sinter Martens kurfjen,
En wij zullen van hier niet gaan,
Of wij hebben wat opgedaan.
Sinter Marten is zoo koud,Geef ʼm een turfjen of een hout,Om zich bij te warmenMet zijn bloote armen.Geef wat, houd wat,Tegen ʼt jaar al weer wat.
Sinter Marten is zoo koud,Geef ʼm een turfjen of een hout,Om zich bij te warmenMet zijn bloote armen.Geef wat, houd wat,Tegen ʼt jaar al weer wat.
Sinter Marten is zoo koud,
Geef ʼm een turfjen of een hout,
Om zich bij te warmen
Met zijn bloote armen.
Geef wat, houd wat,
Tegen ʼt jaar al weer wat.
Of wel:
Geef vuur, geef vuur,Sinter Marten is zoo duur.
Geef vuur, geef vuur,Sinter Marten is zoo duur.
Geef vuur, geef vuur,
Sinter Marten is zoo duur.
In de volkspoëzie vinden we ook metrische eigenaardigheden, en behalve sporen van stafrijm, allerlei verouderde rhythmische vormen. Het hier volgende rijmpje herinnert aan het oude metrum, dat geregeld werd door het aantal heffingen in ieder vers, en niet door het aantal lettergrepen; zie hieroverG. J. Boekenoogen, Onze Rijmen (Leiden 1893), bl. 32.
Híer wóont een ríjk mán,Díe véel géven kán.Véel wíl hij gévén,Láng zál hij lévén,Zálig zál hij stérvén,Den hémel zál hij érvén;Gód zál hem lóonénMet hónderddúizend krónén,Met hónderddúizend rókjes an,Dáar komt Sínter Márten áan.
Híer wóont een ríjk mán,Díe véel géven kán.Véel wíl hij gévén,Láng zál hij lévén,Zálig zál hij stérvén,Den hémel zál hij érvén;Gód zál hem lóonénMet hónderddúizend krónén,Met hónderddúizend rókjes an,Dáar komt Sínter Márten áan.
Híer wóont een ríjk mán,
Díe véel géven kán.
Véel wíl hij gévén,
Láng zál hij lévén,
Zálig zál hij stérvén,
Den hémel zál hij érvén;
Gód zál hem lóonén
Met hónderddúizend krónén,
Met hónderddúizend rókjes an,
Dáar komt Sínter Márten áan.
Of wel:
Met hónderd dúizend líchtjes áan,Dáar komt Sínt Martínus weer áan.
Met hónderd dúizend líchtjes áan,Dáar komt Sínt Martínus weer áan.
Met hónderd dúizend líchtjes áan,
Dáar komt Sínt Martínus weer áan.
Te Venloo volgt na den vierden regel ook wel:
Honderd joar en einen daagZit det mêdje op die bank,Loat det mêdje valle,Tröl, trölLoat det mèdje valle (?).
Honderd joar en einen daagZit det mêdje op die bank,Loat det mêdje valle,Tröl, trölLoat det mèdje valle (?).
Honderd joar en einen daag
Zit det mêdje op die bank,
Loat det mêdje valle,
Tröl, tröl
Loat det mèdje valle (?).
Ruim verspreid is verder:
Sint Martinus bisschop,Roem van onze landen,Dat wij hier met lichtjes loopenIs voor ons geen schande.————————-Martijn,Turf in den murf [mond] in den maneschijn.Gooi in den most,Gooi in den wijn,Hier woont Sinte Martijn.Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.
Sint Martinus bisschop,Roem van onze landen,Dat wij hier met lichtjes loopenIs voor ons geen schande.————————-Martijn,Turf in den murf [mond] in den maneschijn.Gooi in den most,Gooi in den wijn,Hier woont Sinte Martijn.Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.
Sint Martinus bisschop,
Roem van onze landen,
Dat wij hier met lichtjes loopen
Is voor ons geen schande.
————————-
Martijn,
Turf in den murf [mond] in den maneschijn.
Gooi in den most,
Gooi in den wijn,
Hier woont Sinte Martijn.
Martijn had een schaartje, dat wou niet knippen,
Martijn had een mesje, dat wou niet snijden,
Martijn had een touwtje, dat wou niet knoopen,
Geef me een korfje of een houtje en laat me loopen.
Alkmaar, Hoorn:
Dʼr is brand al in de lantaren,En de vonken, die vliegen dʼr uit,De meisjes loopen om garenEn de jongens om beschuit.—————————Sinte, Sinte Marten,De kalveren dragen starten,De koeien dragen horens,De kerken dragen torens,De torens dragen klokken,De meisjes dragen rokken,De jongens dragen broeken,De wijven schorteldoeken.
Dʼr is brand al in de lantaren,En de vonken, die vliegen dʼr uit,De meisjes loopen om garenEn de jongens om beschuit.—————————Sinte, Sinte Marten,De kalveren dragen starten,De koeien dragen horens,De kerken dragen torens,De torens dragen klokken,De meisjes dragen rokken,De jongens dragen broeken,De wijven schorteldoeken.
Dʼr is brand al in de lantaren,
En de vonken, die vliegen dʼr uit,
De meisjes loopen om garen
En de jongens om beschuit.
—————————
Sinte, Sinte Marten,
De kalveren dragen starten,
De koeien dragen horens,
De kerken dragen torens,
De torens dragen klokken,
De meisjes dragen rokken,
De jongens dragen broeken,
De wijven schorteldoeken.
West-Vlaanderen:
Sinte Martens avond,De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,En als mijn moeder wafels bakt,Dan ben ik daar geern omtrent.
Sinte Martens avond,De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,En als mijn moeder wafels bakt,Dan ben ik daar geern omtrent.
Sinte Martens avond,
De torre [lantaarn] gaat mee naar Gent,
En als mijn moeder wafels bakt,
Dan ben ik daar geern omtrent.
Stook vier, maak vier,Sinte Maarten komt hier,We zetten hem in een hoekje,We geven hem daar een koekje,En we zetten hem onder de tafele,En we geven hem daar een wafele.
Stook vier, maak vier,Sinte Maarten komt hier,We zetten hem in een hoekje,We geven hem daar een koekje,En we zetten hem onder de tafele,En we geven hem daar een wafele.
Stook vier, maak vier,
Sinte Maarten komt hier,
We zetten hem in een hoekje,
We geven hem daar een koekje,
En we zetten hem onder de tafele,
En we geven hem daar een wafele.
Land van Waas:
De jongens van de dorpen,Die waren hier al bijeen,Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,Dat is hier al verteerd.Wij zullen gaan leeren hout rapen,Turf rapen,Al op Sint Jans manieren!Vrolijk zullen wij vieren,Gelijk wij ʼs jaren plachten.Een stuk van zijnen mantelAl met zijn billekens bloot!En wilde gij dat niet geven,Dan zijde gij een groote jood!Een houtje of een turf kenIn Sinte Maartens kurfken.
De jongens van de dorpen,Die waren hier al bijeen,Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,Dat is hier al verteerd.Wij zullen gaan leeren hout rapen,Turf rapen,Al op Sint Jans manieren!Vrolijk zullen wij vieren,Gelijk wij ʼs jaren plachten.Een stuk van zijnen mantelAl met zijn billekens bloot!En wilde gij dat niet geven,Dan zijde gij een groote jood!Een houtje of een turf kenIn Sinte Maartens kurfken.
De jongens van de dorpen,
Die waren hier al bijeen,
Het geldeken, dat wij ʼs jaren haên,
Dat is hier al verteerd.
Wij zullen gaan leeren hout rapen,
Turf rapen,
Al op Sint Jans manieren!
Vrolijk zullen wij vieren,
Gelijk wij ʼs jaren plachten.
Een stuk van zijnen mantel
Al met zijn billekens bloot!
En wilde gij dat niet geven,
Dan zijde gij een groote jood!
Een houtje of een turf ken
In Sinte Maartens kurfken.
Krijgt men niets, dan wordt gezongen:
Hier hangt een baksken met zemelen uit,En daar vliegt de gierige duivel uit.
Hier hangt een baksken met zemelen uit,En daar vliegt de gierige duivel uit.
Hier hangt een baksken met zemelen uit,
En daar vliegt de gierige duivel uit.
Of wel:
Een bosje met zwavel,Een bosje met kruit,Hier hangt de gierige duivel uit.
Een bosje met zwavel,Een bosje met kruit,Hier hangt de gierige duivel uit.
Een bosje met zwavel,
Een bosje met kruit,
Hier hangt de gierige duivel uit.
Reeds in de XIIIeeeuw wordt de Sint-MaartensdagScuddecorfsdaggenoemd; niet zoozeer, omdat dan de broodkorf geschudwerd, d.i. een algemeene uitdeeling onder de armen plaats had1maar een korf met appelen, kastanjes, noten, mispelen enz. werd boven het vuur aanhoudend geschud, zoodat de inhoud naar alle kanten vloog en door de grabbelende jeugd werd opgeraapt. De korf zelf verbrandde langzaam onder het schudden; vanwaar in Duitschland het rijmpje:
O Marten, Marten,Der Korb muss verbrennet sein;Das Geld aus den Taschen,Der Wein in die Flaschen,Die Gans vom Spiess,Da sauf und friss,Wer sich vollsaufen kann,Wird ein rechter Martensmann.—
O Marten, Marten,Der Korb muss verbrennet sein;Das Geld aus den Taschen,Der Wein in die Flaschen,Die Gans vom Spiess,Da sauf und friss,Wer sich vollsaufen kann,Wird ein rechter Martensmann.—
O Marten, Marten,
Der Korb muss verbrennet sein;
Das Geld aus den Taschen,
Der Wein in die Flaschen,
Die Gans vom Spiess,
Da sauf und friss,
Wer sich vollsaufen kann,
Wird ein rechter Martensmann.—
In den Gelderschen Volksalmanak van 1837 leest men, hoe het Schuddekorfsfeest binnenshuis werd gevierd. Aan den zolder werden papieren builen opgehangen met rozijnen, amandelen, kastanjes enz. Aan deze builen bevestigde men een langen papieren slinger. De slinger wordt aangestoken, de vlam komt nader en nader, het laatste vonkje deelt zich mee aan ʼn kleine hoeveelheid buskruit, die ontvlamt,—en de buil scheurt aan stukken. Nu regent het lekkernijen, en de grabbelende jeugd stoeit en strijdt, wie het meest mag oprapen.
Veel meer karakteristiek is het uitdeelen van versnaperingen aan de kinderen in de zuidelijke provinciën. De avond vóor Sint Maarten is de echte strooiavond; en de kinderen, ronddansend om het kaarsje en “Sinter Mertes veugelke” zingend, zien verlangend naar den schoorsteen, want Sint Maarten rijdt, d.i. werpt zijn gaven door den schoorsteen. Sint Maarten is de kindervriend en treedt herhaaldelijk voor Sinter Klaas in de plaats. Te Herdersem, te Aalst,te Sint Nikolaas zetten de kinderen hun schoen op Sint Maartensavond. Men legt voor het paard van den heilige, die ʼs nachts rondrijdt, hooi en wortelen in den schoen; te Ieperen hangen de kinderen op den vooravond hun met hooi gevulde kous in het huis hunner ouders of grootouders op, in de hoop deze ʼs morgens met geschenken gevuld te vinden. Te Antwerpen is het strooiavond, evenals te Venloo en in de Kempen; in bisschoppelijk ornaat verschijnt de heilige in de kinderkamer en beloont of tuchtigt naar verdienste.
Immers, wij staan aan het begin van het Joeltijdperk, eertijds gewijd aan Wôdan, als god der vruchtbaarheid, maar ook aan de schimmen der afgestorvenen, het tijdperk der vruchtbaarheid en der bevruchting, gedurende hetwelk genoten en gegeven wordt, en nieuwe gaven worden verhoopt van de aarde, sluimerend en welhaast zich dekkend met het mollige, blanke dekkleed van sneeuw. Onmiskenbaar heeft het Oudgermaansche Midwinterfeest een grooten invloed op onze hedendaagsche gebruiken uitgeoefend. Men toonde zich dankbaar voor het genotene, men bracht het eerste winteroffer, maar genoot ook van de offergaven en vierde feest met uitgelaten vroolijkheid. Martinidag was de eerste smuldag bij de intrede van den winter. De oogst is nu binnen gehaald, ten volle kan men genieten van de rust na den arbeid en van den oogstzegen,—en de eerste groote slachttijd is daar. Zoo vindt men in dit Joeltijdperk dan ook de meeste smuldagen en de meest verscheiden gebaksvormen; zoo worden dan in deze periode de kinderen op allerlei snuisterijen onthaald, voorgesteld als hemelgaven, door de godheid verleend,—naderhand nemen Sint Maarten, Sinterklaas, het Kerstkind, de Driekoningen enz. de plaats der chthonische godheden in: ekonomische en religieuze motieven gaan hier hand in hand. Sint Maartenrijdtdeze gaven, evenals Sinterklaas en de Engelen op Palmzondag;rijdenis gelijkwaardig met “geschenken geven”, door welke synonimie het verband tusschen “wind” (rijden door de lucht) en “vruchtbaarheid” in een helder daglicht treedt. “Veel wind, veel ooft”, zegt een spreekwoord. In Limburg kent men zelfsSint Maarten in de funktie van den Wilden Jager (vgl. bl. 71), als aanvoerder van het geestenheir, begeleid door zijn knecht.
Aldus verklaart men ook de eigenaardige koeken, met Sint Maarten gebakken enSint Maartenshoorntjesgenoemd. Ook in het Freudental (Oostenr. Silezië) mogen deMartinshörndlniet ontbreken. Hiermee hangt samen hetvarkensslachten, dat op Sint Maarten gebruikelijk is, zoodat men in Duitschland schertsend vanSpeckmärtenspreekt. Vooral de kleine man slacht dan het zorgzaam gemeste dier:
Op Sint MartijnSlacht de arme het zwijn.
Op Sint MartijnSlacht de arme het zwijn.
Op Sint Martijn
Slacht de arme het zwijn.
Te Hoogstade (België) zingt men:
Sinte Maarten,Koeken en taarten,Brood en wijn,Al voor Sinte Maartens zwijn!
Sinte Maarten,Koeken en taarten,Brood en wijn,Al voor Sinte Maartens zwijn!
Sinte Maarten,
Koeken en taarten,
Brood en wijn,
Al voor Sinte Maartens zwijn!
Niet minder past bij de opening van dit tijdperk deSint Maartensgans. Zij is om dezen tijd het vetst en wordt dus als bijzondere lekkernij genoten; vroeger werd zij over het algemeen meer gegeten dan thans, ik herinner slechts aan de markten, die nog haar naam dragen. Het gebruik der Sint Maartensgans is heinde en ver verbreid en houdt met geen enkel goed vaststaand feit uit het leven van den heilige verband. Men denke er toch aan, dat het volk niet met getaldatums, maar met heiligendagen rekende, zoodat men tegen Sint Maarten (d.i. 11 Nov.) de gans slachtte, tegen Sint Andries (d.i. 30 Nov.) de pacht betaalde, tegen Sint Margriet (d.i. 10 Juni) omslag in het weer verwachtte enz., enz.—Slechts in Engeland is de gans de oudvaderlijke schotel op Sint Michaëlis (29 Sept.), n.l. deMichaelmass-goose,terwijl den 11enNovember hetMartinmass-beef,gerookt vleesch, op tafel prijkt. Ook in Friesland is het eten van ganzen meer omstreeks Sinterklaas en Kerstmis gebruikelijk.
Reeds sinds eeuwen werd de heilige met een gans afgebeeld; op Noorsche runenkalenders vindt men 11 Nov. door een gans aangeduid, evenals op Tirolsche boerenkalenders. Luidens de legende zouden de ganzen den heilige door hun gesnater bij het preeken gestoord hebben, waarom hij ze slachten en oppeuzelen liet! Anderen berichten, dat de ganzen zijn schuilplaats verrieden, toen hij zich had verborgen, ten einde zich aan de bisschoppelijke waardigheid te onttrekken. Op het dak der Sint Maartenskerk teWorms (XIIeeeuw) is mede een gans geplaatst.
In Gelderland, Overijssel enz. werd de gans 4 weken te voren gekocht en dan gemest; befaamd waren de ganzenmarkten te Deventer en Zwolle. Sommigenpildende beestjes, d.i. duwden hun meel-ballen tot barstens toe in den gorgel. Te Deventer werd zelfs door de schooljeugd aan “Meester” een malsche gans ten geschenke gegeven; deze gaf dan vakantie. Hier en ook nog in enkele andere plaatsen van Noord-Nederland bleef na de Reformatie de “papistische grouwel” van het gans-eten voortbestaan.—Een deftig Deventersch hooggeleerde uit de XVIIeeeuw,Martinus Schoockiiusverhaalt, hoe de hoogstgewichtige vraag behandeld werd, of het geoorloofd was, op Sint Maarten een gans te eten, en meer bepaaldelijk, of men een Sint Maartensgans mocht opdisschen aan de Deventersche studenten in de heilige godgeleerdheid, die gezamenlijk het middagmaal gebruikten. De hooggeleerde is vrijzinnig genoeg, er geen bezwaar in te zien; zieEelcoo Verwijs, Nutsalmanak. 1868, bl. 151 vlg.
Eigenlijk behoort de St. Maartensgans thuis in de Saksische gewesten van ons land. Ik ben de meening toegedaan, dat men de gans kan beschouwen als een Saksisch stamdier, waarop m.i. ook het liedje uit Westerwolde wijst:
Er kwam een gans uit Sassen,Uit Sassen kwam die gans,Hij was zoo wel gewassen,Gewassen was die gans.—
Er kwam een gans uit Sassen,Uit Sassen kwam die gans,Hij was zoo wel gewassen,Gewassen was die gans.—
Er kwam een gans uit Sassen,
Uit Sassen kwam die gans,
Hij was zoo wel gewassen,
Gewassen was die gans.—
Voor een groot deel van ekonomischen aard is ook deSint-Maartensdronk. In de volksrijmpjes heet het:
Sint Martijn, Sint Martijn,Tʼ avond most en morgen wijn.
Sint Martijn, Sint Martijn,Tʼ avond most en morgen wijn.
Sint Martijn, Sint Martijn,
Tʼ avond most en morgen wijn.
Men dronk nieuwen most en nieuwen wijn, want het feest valt omstreeks den tijd, dat de nieuwe wijnen worden gekelderd: het valt samen met het einde van den wijnoogst. Van oudsher werden b.v. te Dordrecht, de stapelstad, de Fransche wijnen gekelderd op Sint Maarten. Zoo komt het, dat in sommige Fransche kalenders een beker het attribuut van Sint Maarten is, en dat hij in Frankrijk veelal als de patroon der wijnbouwers en hotelhouders geldt.—Uiteraard ontaardde dan ook het Sint Maartensfeest niet zelden in een zwelgpartij, zooals dit b.v. op de bekende schilderij van denBoeren-Breughelin het Museum van Antwerpen is voorgesteld.
De historische Martini-dronk, die den naam vanSint Maartens minnedraagt, is oorspronkelijk een heidensche offerdronk. Hierover spreek ik nader bij het behandelen der Sint-Jansminne.
Eindelijk, Sint Maarten evenals Sinterklaas en andere persoonlijkheden, die geschenken uitdeelen, is gewapend met een roede ofgaarde. Deze staat met het vruchtbaarheidsbegrip in verband, en elk begrip van tuchtroede is haar aanvankelijk vreemd. Het is een oud Indogermaansch volksgeloof, dat het treffen van dier of plant met een roede, onder zekere plechtigheden, dat dier of die plant vruchtbaar maakt.Mannhardtvooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: “Der Schlag mit der Lebensrute” een meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Den 10enNovember wordt deMartinsgertedoor den Beierschen herder aan zijn meester ter hand gesteld: achter krib of staldeur gestoken, beschut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich te Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:
Kommt der heilig St. MärtenMit seiner Gerten;Soviel Krawitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere!Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steekt sie hinter den Kühbarn,So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter der Stalltür,Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.
Kommt der heilig St. MärtenMit seiner Gerten;Soviel Krawitbeeren,Soviel Ochsen und Stiere!Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!Steekt sie hinter den Kühbarn,So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,Und steckt sie hinter der Stalltür,Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.
Kommt der heilig St. Märten
Mit seiner Gerten;
Soviel Krawitbeeren,
Soviel Ochsen und Stiere!
Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!
Steekt sie hinter den Kühbarn,
So wird aufʼs Jahr keine Kuh verloren,
Und steckt sie hinter der Stalltür,
Treibt sie aufʼs Jahr mit Freuden herfür.
Bij de kerstgebruiken kom ik op dit onderwerp terug. Laat ik nog slechts aanstippen, dat ook het slaan met riemen, hetwelk deLupercizich te Rome op het feest derLupercaliaveroorloofden, slechts in schijn een tuchtiging was. Zelfs versperden de vrouwen, volgensJuvenalis, denLupercisden weg, om zich in de vlakke hand te doen treffen: Nec prodest agili palmas praebere luperco: “En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden” (Sat.II, 14).
Wij volgen nu verder den kalender, door de heiligenfeesten aangeduid: den warenvolkskalender.
Sint Katharina (25 Nov.),van Alexandrië, maagd en martelares. Door hare wijsheid beschaamde zij de heidensche wijsgeeren, van waar zij van oudsher als patrones van de wijsgeeren en redenaars gold, en ook de Seminaries haar als zoodanig huldigen. Geen wonder, dat ook eenige der oudste Belgische Rederijkerskamers haar als patrones verkozen, b.v. te Hasselt, Eecloo, Leuven en Aalst, waar deCatharinistennog heden bestaan. De Romeinsche keizerMaximinusveroordeelde haar na vele folteringen om geradbraakt te worden; maar op haar gebed werd het met scherpe punten beslagen wiel verbrijzeld, waarna men haar onthoofde: zoo werden een gebroken rad, boek, palm en zwaard hare attributen, en verkozen haar de wiel- en wagenmakers, pottebakkers en spinsters als patroonheilige.Evenals de namen der HH. Lucia en Clara, staat haar naam etymologisch met het begrip “licht, reinheid, helderheid” in verband. Dit had tot gevolg, dat de Kathrijnedag totdies criticuswerd: beslissende dag voor het weêr. Herhaaldelijk komt hij in weêrregels voor. Men laat plaatselijk omtstreeks dezen datum den winter een aanvang nemen, en zoo heet het dan: “St. Katharina komt in het wit gekleed”. In Westfalen zegt men: “Katharina hett den winter innen Schraine”. Ook kent men bij ons het rijmpje:
Met Sint KatrijnMoeten de koeien aan de lijn.
Met Sint KatrijnMoeten de koeien aan de lijn.
Met Sint Katrijn
Moeten de koeien aan de lijn.
Na regen verleent zij zonneschijn. Dit blijkt o.a. uit het volgende, op vele plaatsen en met vele varianten (vooral aan het slot) gezongen rijmpje:
Sinte-Katerijne (of Katelijne),Laat het zonneke schijnen,Laat den regen overgaan,Dat de kinderkens naar school toe gaan!Wie zal hun leeren?Onze lieven Heere.Wie zal ze trouwen?Onze lieve Vrouwe.Wie zal hun te eten geven?Sinte-Pieter, die goede man,Die alle kinderen geeselen kan.
Sinte-Katerijne (of Katelijne),Laat het zonneke schijnen,Laat den regen overgaan,Dat de kinderkens naar school toe gaan!Wie zal hun leeren?Onze lieven Heere.Wie zal ze trouwen?Onze lieve Vrouwe.Wie zal hun te eten geven?Sinte-Pieter, die goede man,Die alle kinderen geeselen kan.
Sinte-Katerijne (of Katelijne),
Laat het zonneke schijnen,
Laat den regen overgaan,
Dat de kinderkens naar school toe gaan!
Wie zal hun leeren?
Onze lieven Heere.
Wie zal ze trouwen?
Onze lieve Vrouwe.
Wie zal hun te eten geven?
Sinte-Pieter, die goede man,
Die alle kinderen geeselen kan.
Of:
Wie zal de misse doen?Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.
Wie zal de misse doen?Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.
Wie zal de misse doen?
Peetje met zijn gelapten schoen; enz. enz.
Sint-Kathrijnedag is ook een Schuddekorfsdag. De schoolkinderen gaan in Belgisch Limburg van deur tot deur en roepen: “Geeft aan de jongens van St. Katrien!” Krijgen ze centen, appelen, noten enz., dan roepen ze nog eens: “Goê Sinte-Katrien!” Krijgen ze niets, dan schreeuwen ze heel hard: “Kwâ Sinte-Katrien!” Eenige jaren geleden zong men nog:
Wij komen al rond op Sinte-Katriene,Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.Wij zullen ze luisterlijk vierenAl op een zalige maniere.
Wij komen al rond op Sinte-Katriene,Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.Wij zullen ze luisterlijk vierenAl op een zalige maniere.
Wij komen al rond op Sinte-Katriene,
Wij hadden zoo geerne wat boekweitbloem.
Wij zullen ze luisterlijk vieren
Al op een zalige maniere.
Of:
Al op onze oude manieren.—Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,Huis voor huis al afgegaan,Ter eere van Sinte-Katriene.Geeft watHoudt watTegen ʼt jaar nog wat.
Al op onze oude manieren.—Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,Huis voor huis al afgegaan,Ter eere van Sinte-Katriene.Geeft watHoudt watTegen ʼt jaar nog wat.
Al op onze oude manieren.—
Gelijk wij verleên jaar hebben gedaan,
Huis voor huis al afgegaan,
Ter eere van Sinte-Katriene.
Geeft wat
Houdt wat
Tegen ʼt jaar nog wat.
Zie ʼt Daghet in den Oosten II, bl. 179; IX. bl. 95; XI. bl. 47;De CockenTeirlinck, Kinderspel en Kinderlust IV, bl. 180 vlg., VII, bl. 174, 175;De Cock, Volkskunde, 259;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 68, 251.
Sint Andries (30 Nov.)is insgelijks een kritische dag: “Sint Andries brengt de vries”, ook weer niet zonder volksetymologischen bijsmaak.
Deze dag deelt verder in de St. Maartens- en Sinterklaasgebruiken. Het is hier of daar weer Schuddekorfsdag. Op Sint Andriesavond gaan te St. Marie-Laathem de jongens rond om eensnik(appel). Zij staan bij elk huis stil en roepen: