II. Liefde en huwelijk.

II. Liefde en huwelijk.Minnen en werven. Het woordminnenis niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (be)minnen,noch een stamverwant, woord van het Hoogduitschelieben, maar slechts slappe omschrijvingen als:goed mogen lijden, liefhebbenofhebben, gaarne sienenz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip “vrijen”, of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over hetschoenwerpenis reeds gesproken (bl.123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: “een minnedrankje ingenomen hebben”. Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient hetleggen vannestelknoopen, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben.—Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene “droomverklaring door omkeering” uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan doorTylor, die bij de Zoeloeʼs zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloeʼs hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; “dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren,” meent het volk, en trouwens “wie dochters heeft, is altijd herder,” en “een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier.” Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij “op Sint-Annaʼs schapraai” (Limburg:schaap), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog “het schipken van Sint-Annuit”, wat waarschijnlijk op een verwarring berust. Dan zegt men, dat “Hein-van-pas maar niet wil komen,” of “dat haar vent te Wachtebeke woont.” Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers “daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op,” en ook is “geen schip zoo oud, of ʼt doet nog wel eens een reisje.” Algemeen wordt het gelaakt,wanneer slechts “het geld getrouwd wordt”; niet zelden trouwt men echter in de familie, “opdat het geld bij elkaar blijve.”Oudtijds kende menvrijstermarkten, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden “koopdag” inDe Valk, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor ʼt kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens deMaartekeurte Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooralJ. H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 enMr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers “de beste koeien worden op stal verkocht”. Hierbij is het verstandig, zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want “wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren”. Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, somsheiligmaker, in West-Vlaanderenhandknechtgenoemd. Ditheiligmakeris een volksetymologische vervorming vanheilikmaker, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl.hîlijc. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren:Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heethijlikmaker. De verouderde Zaansche benamingiszelschappen; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten landeuit meiden gaan. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar “Zaterdagavondloopers zijn koopers”, zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:Vrijers, die ʼt meenen,Komen vóor tienenEn gaan niet voor eenen.Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: “Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan.”Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: “mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken”, bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalsteen voois krijgen. Wordt de vrijer afgewezen, danloopt hij een blauwe scheen, ofloopt hij een blauwtje. Deze uitdrukking wordt doorDr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: “zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen.” Een andere uitdrukking is:een korf krijgen, door de mand vallen.Prof. Verdambeschouwt deze uitdrukking als eene herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).—M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Tervergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt deontrouwbij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook deonvruchtbaarheidbespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van dendorhoed.Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond:het kweestenof nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog vermelden hetstrunen, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 196 vlg.;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911),passim;Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. “Lange vrijage is zelden mariage”.Dorhoedis de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. ʼs Nachts krijgen de meisjes, “die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen”, dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben.Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.In Drente is de zoogenaamdezoore paal(dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht doorDr. Boekenoogenin Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:Wilt dit beeltenis aanschouwen,Want het zal uw wel berouwen,Dat zij nu zal trouwen gaan,En gij moet nu agter staan.Evenals men nu een pinkstkroonkent (bl. 199), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benamingdorhoed, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. OokBerkheyspreekt van een “kroon van gekapt stroo”. Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hieroverScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij deketelmuziek, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.In België zijn de meest gebruikelijke benamingen:scherminkelen, de beest jagenenden hond branden. Hier beteekenenscherminkel, beestenhondde stroopop. In Noord-Brabant spreekt men vantafelen, in Noord-Limburg vanvaren, in Zuid-Limburg vanvaren, toeten, rammelenofhuulen, in Midden-Limburg en verder plaatselijk vanden ezel (aan)drijven. Deze laatste uitdrukking heeft misschien betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met hethuulbeer, waarover nader.De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl.Weinhold,Zeitschrift des Vereins fürVolkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooalsDe Cockzelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm dervolksrechtspraak, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen:de buurtoefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook hetvoor den ploeg spannenvan een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit vande buurt, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende. Het is dus meer recent, dan doorV. D. Pollin den Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.Van denliefdemeiwas reeds sprake (bl.189,245). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgenGreefsvan hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl.169).Metverlovingwordt bedoeld “vaste verkeering”, daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen een der partijenbeelt, d.i. het gegeven woord breekt,dan heet het ontworpen huwelijkuitgebrand, in ʼt Westvlaamscheen beel.—Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.;Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland deknottedoek, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamdebruidstukken, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg—en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.—de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl.241.Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgensErnst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ookZachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.Straks hebben de kerkelijke afkondigingen ofroepenplaats, de verloofden “rollen van den preekstoel”, zooals het in katholieke streken heet, of ook “zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen”; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreedsde heuggevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader.Heug, verg.heugelijk, komt van het Middelnederl.hôghe, hö̂gheen beteekent “vroolijkheid”.Huwelijksdag. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam vanHochzeit, het eerst bijWolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: “der brûdloufte hochgezît”. Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar men weet, washoogtijdeertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namenhuwelijkenbruiloftdrukken een bepaald deel der plechtigheid uit:huwelijk, vergel. het Gotischelaiks“dans”, wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd;bruiloft, d.i. “bruidloop”, beteekende oorspronkelijk den optocht,waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a.Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14;Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal,sub verbo.Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.AanBachofenkomt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van hetmatriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het “zwakkere geslacht” den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eenerontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbareopvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat, is hetroofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking devrouwenkoopin de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van denbruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde totzijnkroost,zijnekinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen.De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was,—een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweestzijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel vandetheorie vanhetmenschelijk huwelijk. Ik zeg “ten deele”; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm zijn voorafgegaan? “Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen”, zegtPaul de Lagarde, “und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet.”Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm dercoemptionaar een tijd, waarin demanus, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was,voor de geschaakte bruid betaald? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof.—Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit hetroofsymbool, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijkegebruiken herhaaldelijk alsscheidingsgebruikenbeschouwd, vooral in het reeds aangehaalde boek vanA. Van Gennep,Les rites de passage, bl. 165 vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft debruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke betrekking, evenals de gast tot den gastheer—en omgekeerd—door het geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes door het wisselen hunner wapenen.Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan (sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: “Wat in de meimaand trouwt, daar is geen goed haar aan”; zieDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich nietvóorden bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd een blijde bruid een droeve vrouw; want “een bruidsgewaad is wel eens met rouwgoed gevoerd”. Weent de bruid op den trouwdag niet, dan vloeien de tranen in het huwelijk.Hetnoodigen ter bruiloftvindt men nog slechts op enkele plaatsen in het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in Drente hebben dewasschupsneugersveel van hun vertoon en beteekenis verloren.Wasschupis identiek metwaardschapen beteekent “gastmaal, feestmaal”; over dezeneugerszieH. Tiesing, in de Vragen van den Dag XVIII, bl. 155; vgl.Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen gaat van de buurt uit en wordt alsnoaberplichtbeschouwd. Te Borkulo doen twee jongezellen uit de buurt alsbroedlachtneugersdienst; zij trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:Goen dag!Hier stoa ik op mienen staf,En weet niet, wat ik zeggen mag ...Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft gehouden, in het Frieschgearjift, vergel. de Noord-Brabantscheheug(bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te bestrijden van het sieren, schieten enz.Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben denneuzikvastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog eenhuwelijksmeigeplant vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge paar verbonden is, vergel. denlevensboomop bl. 214. Van alle huizen wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te voren plaats gehad.Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij debruidswagen een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen hetheemgeleide, dat nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komtopeischen, waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen (bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt (?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruidgeschut. Een rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaalde schoenen vegen, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst,afspannen, en westwaartsstroppen. In Nederland vindt het paar den weg door een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt menhet koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. VolgensSamter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere versnaperingen.De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende huizen, waar hij voorbij trekt,beschonken, d.i. op brandewijn met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den oorspronkelijkenbruidloopnaar de echtelijke woning.Op enkele plaatsen moet de bruid over dendrempelworden gedragen (Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met eenrooddoek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd en het paarspringtnaar binnen. Dat wij hier meteen overleefsel van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode doek—rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche folklore geestenwerende kracht—heeft dan ten doel, kwaadwillige geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen en te vertoornen.Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, hethaalleidenofhalen, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak ofhaalgevoerd (ziebl. 35), vanwaar de benamingenhaalleiden, hieëlen, hölen, heelenenz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; vandaar de spreekwijze: “Op den haal na, is alles gepoetst.”Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werddoor de kachel, of aan beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij verhuizing toegepast: uit den gedachtengang “de bruid betreedt de nieuwe woning” heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig ontwikkeld.In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruidhielt, haaltofhelt. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant—natuurlijk ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid—van de omwonende Saksen hebben overgenomen. WaarSiebsechter meent, dat het overreiken van den kooklepel ofsleefeen specifiek Saterlandsch gebruik is, vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, b.v. te Grubbenvorst.Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet uitsluitend in ʼt Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegschehoalleienstaat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een nieuwen buurman te installeeren.Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat hethalennog in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm,optreedt of kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen zijn hierhö̂len, hoalen, hoalleien.— Verder rond Roermond, Sittard en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel:heelen, hieëlen.Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:Ik haal u in den naam des Heeren,Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],dat is voor de gansche kompanij [derde maal],Voor een liter foezel zijt ge vrij.Of:Ik haal u als meid en niet als knecht,Een liter foezel is uw recht.Of ook:Ik haal u in den naam des Heeren,In dit huis zult ge verkeerenNiet als meid, maar als vrouw,En wees uw man getrouw.Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. “dit is het bed”;—“dit is de kast”;—“dit is de klok”; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te Mill worden emmer, bezem enz. inden hêrdgelegd, de meid gaat er bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.—Dit gebruik doet mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooalsdit met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was (bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruidover het blok moet heen springen: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, dat de bruid moestspringen over een kooltje vuur, dat in een vooraf geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig in het blok zitten, dan beduidt dit eenkrolköpke; anders blijft het huwelijk onvruchtbaar.Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit door het aanraken van den ketelhaak.Een belangrijksurvivalvindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk huis der getrouwde bruid en vroeg: “Is hier soms een vrouwspersoon aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?” Dan kwam de bruid aangeloopen en antwoordde: “Hier ben ik al”, en nu ging zij voorgoed mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.Wij hebben hier een vorm van hetzich verbergender bruid,zij laat zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen.R. Reichhardt,Geburt, Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit “heute wohl nirgends mehr nachweisbar” is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het echter slechts een overoud scheidingsgebruik.Van het oude Groningschebrüdegamslahen, het slaan van den bruidegom ter bevordering der vruchtbaarheid (zieDr. Knappert, Groningsche Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het was een “slag met de levensroede”, vgl. bl. 116. Bij de Slavische volken vindt men het nog herhaaldelijk.Hetbruiloftsmaalheeft weinig karakteristieks meer behouden: eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis laat rondleiden, onder het geroep van: “de broed mot droet”. Glazen worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: “Die zullen hem wat glazen kosten!”ʼs Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, antwoordt de persoon, dieAartjevoorstelt, datzijn talrijk kroost toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, evenals hethuilbier(huulbeer), HoogduitschHeulbier. De gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en komt dus vrij wel overeen met het Achterhoekscheboksenbier, waarop de bruid haarbruidstranen(brandewijn met suiker) schenkt. Komt deze naam van het schieten met debokse? Of van de gewoonte, dat de bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bijScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.VolgensReichhardtis de naam eigenlijkheilbier, en hij vergelijkt het Middelhoogduitscheheilwîn. Ik meen echter, zooals gezegd (bl. 246), aan de benaming vanhuilbierte moeten vasthouden, en vind het gebruik in zijnoorspronkelijkentoestand in die plaatsen (b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van hethuulenafkoopen door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.In Drente kende men eertijds hethanenbier. Door de buren werd aan de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, bl. 125.Na de bruiloft beginnen voor het paar dewittebroodsweken, ofook dezoetemelksweken. Dan komt het jonge paar nog pas “van Zoetendaal”; het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; “de korstjes kraken nog.”

II. Liefde en huwelijk.Minnen en werven. Het woordminnenis niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (be)minnen,noch een stamverwant, woord van het Hoogduitschelieben, maar slechts slappe omschrijvingen als:goed mogen lijden, liefhebbenofhebben, gaarne sienenz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip “vrijen”, of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over hetschoenwerpenis reeds gesproken (bl.123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: “een minnedrankje ingenomen hebben”. Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient hetleggen vannestelknoopen, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben.—Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene “droomverklaring door omkeering” uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan doorTylor, die bij de Zoeloeʼs zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloeʼs hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; “dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren,” meent het volk, en trouwens “wie dochters heeft, is altijd herder,” en “een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier.” Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij “op Sint-Annaʼs schapraai” (Limburg:schaap), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog “het schipken van Sint-Annuit”, wat waarschijnlijk op een verwarring berust. Dan zegt men, dat “Hein-van-pas maar niet wil komen,” of “dat haar vent te Wachtebeke woont.” Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers “daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op,” en ook is “geen schip zoo oud, of ʼt doet nog wel eens een reisje.” Algemeen wordt het gelaakt,wanneer slechts “het geld getrouwd wordt”; niet zelden trouwt men echter in de familie, “opdat het geld bij elkaar blijve.”Oudtijds kende menvrijstermarkten, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden “koopdag” inDe Valk, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor ʼt kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens deMaartekeurte Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooralJ. H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 enMr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers “de beste koeien worden op stal verkocht”. Hierbij is het verstandig, zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want “wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren”. Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, somsheiligmaker, in West-Vlaanderenhandknechtgenoemd. Ditheiligmakeris een volksetymologische vervorming vanheilikmaker, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl.hîlijc. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren:Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heethijlikmaker. De verouderde Zaansche benamingiszelschappen; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten landeuit meiden gaan. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar “Zaterdagavondloopers zijn koopers”, zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:Vrijers, die ʼt meenen,Komen vóor tienenEn gaan niet voor eenen.Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: “Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan.”Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: “mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken”, bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalsteen voois krijgen. Wordt de vrijer afgewezen, danloopt hij een blauwe scheen, ofloopt hij een blauwtje. Deze uitdrukking wordt doorDr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: “zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen.” Een andere uitdrukking is:een korf krijgen, door de mand vallen.Prof. Verdambeschouwt deze uitdrukking als eene herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).—M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Tervergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt deontrouwbij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook deonvruchtbaarheidbespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van dendorhoed.Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond:het kweestenof nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog vermelden hetstrunen, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 196 vlg.;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911),passim;Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. “Lange vrijage is zelden mariage”.Dorhoedis de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. ʼs Nachts krijgen de meisjes, “die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen”, dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben.Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.In Drente is de zoogenaamdezoore paal(dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht doorDr. Boekenoogenin Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:Wilt dit beeltenis aanschouwen,Want het zal uw wel berouwen,Dat zij nu zal trouwen gaan,En gij moet nu agter staan.Evenals men nu een pinkstkroonkent (bl. 199), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benamingdorhoed, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. OokBerkheyspreekt van een “kroon van gekapt stroo”. Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hieroverScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij deketelmuziek, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.In België zijn de meest gebruikelijke benamingen:scherminkelen, de beest jagenenden hond branden. Hier beteekenenscherminkel, beestenhondde stroopop. In Noord-Brabant spreekt men vantafelen, in Noord-Limburg vanvaren, in Zuid-Limburg vanvaren, toeten, rammelenofhuulen, in Midden-Limburg en verder plaatselijk vanden ezel (aan)drijven. Deze laatste uitdrukking heeft misschien betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met hethuulbeer, waarover nader.De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl.Weinhold,Zeitschrift des Vereins fürVolkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooalsDe Cockzelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm dervolksrechtspraak, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen:de buurtoefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook hetvoor den ploeg spannenvan een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit vande buurt, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende. Het is dus meer recent, dan doorV. D. Pollin den Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.Van denliefdemeiwas reeds sprake (bl.189,245). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgenGreefsvan hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl.169).Metverlovingwordt bedoeld “vaste verkeering”, daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen een der partijenbeelt, d.i. het gegeven woord breekt,dan heet het ontworpen huwelijkuitgebrand, in ʼt Westvlaamscheen beel.—Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.;Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland deknottedoek, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamdebruidstukken, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg—en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.—de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl.241.Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgensErnst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ookZachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.Straks hebben de kerkelijke afkondigingen ofroepenplaats, de verloofden “rollen van den preekstoel”, zooals het in katholieke streken heet, of ook “zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen”; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreedsde heuggevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader.Heug, verg.heugelijk, komt van het Middelnederl.hôghe, hö̂gheen beteekent “vroolijkheid”.Huwelijksdag. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam vanHochzeit, het eerst bijWolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: “der brûdloufte hochgezît”. Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar men weet, washoogtijdeertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namenhuwelijkenbruiloftdrukken een bepaald deel der plechtigheid uit:huwelijk, vergel. het Gotischelaiks“dans”, wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd;bruiloft, d.i. “bruidloop”, beteekende oorspronkelijk den optocht,waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a.Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14;Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal,sub verbo.Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.AanBachofenkomt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van hetmatriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het “zwakkere geslacht” den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eenerontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbareopvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat, is hetroofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking devrouwenkoopin de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van denbruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde totzijnkroost,zijnekinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen.De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was,—een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweestzijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel vandetheorie vanhetmenschelijk huwelijk. Ik zeg “ten deele”; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm zijn voorafgegaan? “Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen”, zegtPaul de Lagarde, “und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet.”Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm dercoemptionaar een tijd, waarin demanus, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was,voor de geschaakte bruid betaald? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof.—Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit hetroofsymbool, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijkegebruiken herhaaldelijk alsscheidingsgebruikenbeschouwd, vooral in het reeds aangehaalde boek vanA. Van Gennep,Les rites de passage, bl. 165 vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft debruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke betrekking, evenals de gast tot den gastheer—en omgekeerd—door het geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes door het wisselen hunner wapenen.Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan (sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: “Wat in de meimaand trouwt, daar is geen goed haar aan”; zieDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich nietvóorden bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd een blijde bruid een droeve vrouw; want “een bruidsgewaad is wel eens met rouwgoed gevoerd”. Weent de bruid op den trouwdag niet, dan vloeien de tranen in het huwelijk.Hetnoodigen ter bruiloftvindt men nog slechts op enkele plaatsen in het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in Drente hebben dewasschupsneugersveel van hun vertoon en beteekenis verloren.Wasschupis identiek metwaardschapen beteekent “gastmaal, feestmaal”; over dezeneugerszieH. Tiesing, in de Vragen van den Dag XVIII, bl. 155; vgl.Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen gaat van de buurt uit en wordt alsnoaberplichtbeschouwd. Te Borkulo doen twee jongezellen uit de buurt alsbroedlachtneugersdienst; zij trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:Goen dag!Hier stoa ik op mienen staf,En weet niet, wat ik zeggen mag ...Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft gehouden, in het Frieschgearjift, vergel. de Noord-Brabantscheheug(bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te bestrijden van het sieren, schieten enz.Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben denneuzikvastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog eenhuwelijksmeigeplant vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge paar verbonden is, vergel. denlevensboomop bl. 214. Van alle huizen wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te voren plaats gehad.Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij debruidswagen een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen hetheemgeleide, dat nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komtopeischen, waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen (bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt (?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruidgeschut. Een rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaalde schoenen vegen, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst,afspannen, en westwaartsstroppen. In Nederland vindt het paar den weg door een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt menhet koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. VolgensSamter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere versnaperingen.De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende huizen, waar hij voorbij trekt,beschonken, d.i. op brandewijn met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den oorspronkelijkenbruidloopnaar de echtelijke woning.Op enkele plaatsen moet de bruid over dendrempelworden gedragen (Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met eenrooddoek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd en het paarspringtnaar binnen. Dat wij hier meteen overleefsel van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode doek—rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche folklore geestenwerende kracht—heeft dan ten doel, kwaadwillige geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen en te vertoornen.Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, hethaalleidenofhalen, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak ofhaalgevoerd (ziebl. 35), vanwaar de benamingenhaalleiden, hieëlen, hölen, heelenenz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; vandaar de spreekwijze: “Op den haal na, is alles gepoetst.”Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werddoor de kachel, of aan beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij verhuizing toegepast: uit den gedachtengang “de bruid betreedt de nieuwe woning” heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig ontwikkeld.In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruidhielt, haaltofhelt. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant—natuurlijk ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid—van de omwonende Saksen hebben overgenomen. WaarSiebsechter meent, dat het overreiken van den kooklepel ofsleefeen specifiek Saterlandsch gebruik is, vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, b.v. te Grubbenvorst.Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet uitsluitend in ʼt Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegschehoalleienstaat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een nieuwen buurman te installeeren.Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat hethalennog in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm,optreedt of kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen zijn hierhö̂len, hoalen, hoalleien.— Verder rond Roermond, Sittard en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel:heelen, hieëlen.Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:Ik haal u in den naam des Heeren,Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],dat is voor de gansche kompanij [derde maal],Voor een liter foezel zijt ge vrij.Of:Ik haal u als meid en niet als knecht,Een liter foezel is uw recht.Of ook:Ik haal u in den naam des Heeren,In dit huis zult ge verkeerenNiet als meid, maar als vrouw,En wees uw man getrouw.Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. “dit is het bed”;—“dit is de kast”;—“dit is de klok”; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te Mill worden emmer, bezem enz. inden hêrdgelegd, de meid gaat er bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.—Dit gebruik doet mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooalsdit met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was (bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruidover het blok moet heen springen: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, dat de bruid moestspringen over een kooltje vuur, dat in een vooraf geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig in het blok zitten, dan beduidt dit eenkrolköpke; anders blijft het huwelijk onvruchtbaar.Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit door het aanraken van den ketelhaak.Een belangrijksurvivalvindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk huis der getrouwde bruid en vroeg: “Is hier soms een vrouwspersoon aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?” Dan kwam de bruid aangeloopen en antwoordde: “Hier ben ik al”, en nu ging zij voorgoed mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.Wij hebben hier een vorm van hetzich verbergender bruid,zij laat zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen.R. Reichhardt,Geburt, Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit “heute wohl nirgends mehr nachweisbar” is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het echter slechts een overoud scheidingsgebruik.Van het oude Groningschebrüdegamslahen, het slaan van den bruidegom ter bevordering der vruchtbaarheid (zieDr. Knappert, Groningsche Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het was een “slag met de levensroede”, vgl. bl. 116. Bij de Slavische volken vindt men het nog herhaaldelijk.Hetbruiloftsmaalheeft weinig karakteristieks meer behouden: eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis laat rondleiden, onder het geroep van: “de broed mot droet”. Glazen worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: “Die zullen hem wat glazen kosten!”ʼs Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, antwoordt de persoon, dieAartjevoorstelt, datzijn talrijk kroost toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, evenals hethuilbier(huulbeer), HoogduitschHeulbier. De gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en komt dus vrij wel overeen met het Achterhoekscheboksenbier, waarop de bruid haarbruidstranen(brandewijn met suiker) schenkt. Komt deze naam van het schieten met debokse? Of van de gewoonte, dat de bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bijScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.VolgensReichhardtis de naam eigenlijkheilbier, en hij vergelijkt het Middelhoogduitscheheilwîn. Ik meen echter, zooals gezegd (bl. 246), aan de benaming vanhuilbierte moeten vasthouden, en vind het gebruik in zijnoorspronkelijkentoestand in die plaatsen (b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van hethuulenafkoopen door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.In Drente kende men eertijds hethanenbier. Door de buren werd aan de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, bl. 125.Na de bruiloft beginnen voor het paar dewittebroodsweken, ofook dezoetemelksweken. Dan komt het jonge paar nog pas “van Zoetendaal”; het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; “de korstjes kraken nog.”

II. Liefde en huwelijk.Minnen en werven. Het woordminnenis niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (be)minnen,noch een stamverwant, woord van het Hoogduitschelieben, maar slechts slappe omschrijvingen als:goed mogen lijden, liefhebbenofhebben, gaarne sienenz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip “vrijen”, of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over hetschoenwerpenis reeds gesproken (bl.123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: “een minnedrankje ingenomen hebben”. Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient hetleggen vannestelknoopen, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben.—Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene “droomverklaring door omkeering” uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan doorTylor, die bij de Zoeloeʼs zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloeʼs hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; “dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren,” meent het volk, en trouwens “wie dochters heeft, is altijd herder,” en “een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier.” Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij “op Sint-Annaʼs schapraai” (Limburg:schaap), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog “het schipken van Sint-Annuit”, wat waarschijnlijk op een verwarring berust. Dan zegt men, dat “Hein-van-pas maar niet wil komen,” of “dat haar vent te Wachtebeke woont.” Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers “daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op,” en ook is “geen schip zoo oud, of ʼt doet nog wel eens een reisje.” Algemeen wordt het gelaakt,wanneer slechts “het geld getrouwd wordt”; niet zelden trouwt men echter in de familie, “opdat het geld bij elkaar blijve.”Oudtijds kende menvrijstermarkten, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden “koopdag” inDe Valk, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor ʼt kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens deMaartekeurte Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooralJ. H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 enMr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers “de beste koeien worden op stal verkocht”. Hierbij is het verstandig, zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want “wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren”. Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, somsheiligmaker, in West-Vlaanderenhandknechtgenoemd. Ditheiligmakeris een volksetymologische vervorming vanheilikmaker, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl.hîlijc. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren:Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heethijlikmaker. De verouderde Zaansche benamingiszelschappen; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten landeuit meiden gaan. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar “Zaterdagavondloopers zijn koopers”, zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:Vrijers, die ʼt meenen,Komen vóor tienenEn gaan niet voor eenen.Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: “Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan.”Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: “mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken”, bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalsteen voois krijgen. Wordt de vrijer afgewezen, danloopt hij een blauwe scheen, ofloopt hij een blauwtje. Deze uitdrukking wordt doorDr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: “zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen.” Een andere uitdrukking is:een korf krijgen, door de mand vallen.Prof. Verdambeschouwt deze uitdrukking als eene herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).—M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Tervergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt deontrouwbij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook deonvruchtbaarheidbespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van dendorhoed.Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond:het kweestenof nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog vermelden hetstrunen, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 196 vlg.;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911),passim;Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. “Lange vrijage is zelden mariage”.Dorhoedis de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. ʼs Nachts krijgen de meisjes, “die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen”, dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben.Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.In Drente is de zoogenaamdezoore paal(dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht doorDr. Boekenoogenin Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:Wilt dit beeltenis aanschouwen,Want het zal uw wel berouwen,Dat zij nu zal trouwen gaan,En gij moet nu agter staan.Evenals men nu een pinkstkroonkent (bl. 199), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benamingdorhoed, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. OokBerkheyspreekt van een “kroon van gekapt stroo”. Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hieroverScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij deketelmuziek, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.In België zijn de meest gebruikelijke benamingen:scherminkelen, de beest jagenenden hond branden. Hier beteekenenscherminkel, beestenhondde stroopop. In Noord-Brabant spreekt men vantafelen, in Noord-Limburg vanvaren, in Zuid-Limburg vanvaren, toeten, rammelenofhuulen, in Midden-Limburg en verder plaatselijk vanden ezel (aan)drijven. Deze laatste uitdrukking heeft misschien betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met hethuulbeer, waarover nader.De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl.Weinhold,Zeitschrift des Vereins fürVolkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooalsDe Cockzelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm dervolksrechtspraak, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen:de buurtoefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook hetvoor den ploeg spannenvan een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit vande buurt, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende. Het is dus meer recent, dan doorV. D. Pollin den Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.Van denliefdemeiwas reeds sprake (bl.189,245). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgenGreefsvan hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl.169).Metverlovingwordt bedoeld “vaste verkeering”, daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen een der partijenbeelt, d.i. het gegeven woord breekt,dan heet het ontworpen huwelijkuitgebrand, in ʼt Westvlaamscheen beel.—Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.;Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland deknottedoek, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamdebruidstukken, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg—en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.—de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl.241.Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgensErnst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ookZachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.Straks hebben de kerkelijke afkondigingen ofroepenplaats, de verloofden “rollen van den preekstoel”, zooals het in katholieke streken heet, of ook “zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen”; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreedsde heuggevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader.Heug, verg.heugelijk, komt van het Middelnederl.hôghe, hö̂gheen beteekent “vroolijkheid”.Huwelijksdag. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam vanHochzeit, het eerst bijWolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: “der brûdloufte hochgezît”. Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar men weet, washoogtijdeertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namenhuwelijkenbruiloftdrukken een bepaald deel der plechtigheid uit:huwelijk, vergel. het Gotischelaiks“dans”, wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd;bruiloft, d.i. “bruidloop”, beteekende oorspronkelijk den optocht,waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a.Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14;Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal,sub verbo.Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.AanBachofenkomt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van hetmatriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het “zwakkere geslacht” den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eenerontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbareopvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat, is hetroofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking devrouwenkoopin de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van denbruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde totzijnkroost,zijnekinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen.De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was,—een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweestzijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel vandetheorie vanhetmenschelijk huwelijk. Ik zeg “ten deele”; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm zijn voorafgegaan? “Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen”, zegtPaul de Lagarde, “und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet.”Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm dercoemptionaar een tijd, waarin demanus, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was,voor de geschaakte bruid betaald? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof.—Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit hetroofsymbool, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijkegebruiken herhaaldelijk alsscheidingsgebruikenbeschouwd, vooral in het reeds aangehaalde boek vanA. Van Gennep,Les rites de passage, bl. 165 vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft debruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke betrekking, evenals de gast tot den gastheer—en omgekeerd—door het geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes door het wisselen hunner wapenen.Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan (sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: “Wat in de meimaand trouwt, daar is geen goed haar aan”; zieDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich nietvóorden bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd een blijde bruid een droeve vrouw; want “een bruidsgewaad is wel eens met rouwgoed gevoerd”. Weent de bruid op den trouwdag niet, dan vloeien de tranen in het huwelijk.Hetnoodigen ter bruiloftvindt men nog slechts op enkele plaatsen in het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in Drente hebben dewasschupsneugersveel van hun vertoon en beteekenis verloren.Wasschupis identiek metwaardschapen beteekent “gastmaal, feestmaal”; over dezeneugerszieH. Tiesing, in de Vragen van den Dag XVIII, bl. 155; vgl.Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen gaat van de buurt uit en wordt alsnoaberplichtbeschouwd. Te Borkulo doen twee jongezellen uit de buurt alsbroedlachtneugersdienst; zij trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:Goen dag!Hier stoa ik op mienen staf,En weet niet, wat ik zeggen mag ...Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft gehouden, in het Frieschgearjift, vergel. de Noord-Brabantscheheug(bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te bestrijden van het sieren, schieten enz.Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben denneuzikvastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog eenhuwelijksmeigeplant vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge paar verbonden is, vergel. denlevensboomop bl. 214. Van alle huizen wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te voren plaats gehad.Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij debruidswagen een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen hetheemgeleide, dat nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komtopeischen, waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen (bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt (?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruidgeschut. Een rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaalde schoenen vegen, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst,afspannen, en westwaartsstroppen. In Nederland vindt het paar den weg door een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt menhet koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. VolgensSamter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere versnaperingen.De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende huizen, waar hij voorbij trekt,beschonken, d.i. op brandewijn met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den oorspronkelijkenbruidloopnaar de echtelijke woning.Op enkele plaatsen moet de bruid over dendrempelworden gedragen (Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met eenrooddoek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd en het paarspringtnaar binnen. Dat wij hier meteen overleefsel van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode doek—rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche folklore geestenwerende kracht—heeft dan ten doel, kwaadwillige geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen en te vertoornen.Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, hethaalleidenofhalen, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak ofhaalgevoerd (ziebl. 35), vanwaar de benamingenhaalleiden, hieëlen, hölen, heelenenz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; vandaar de spreekwijze: “Op den haal na, is alles gepoetst.”Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werddoor de kachel, of aan beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij verhuizing toegepast: uit den gedachtengang “de bruid betreedt de nieuwe woning” heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig ontwikkeld.In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruidhielt, haaltofhelt. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant—natuurlijk ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid—van de omwonende Saksen hebben overgenomen. WaarSiebsechter meent, dat het overreiken van den kooklepel ofsleefeen specifiek Saterlandsch gebruik is, vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, b.v. te Grubbenvorst.Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet uitsluitend in ʼt Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegschehoalleienstaat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een nieuwen buurman te installeeren.Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat hethalennog in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm,optreedt of kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen zijn hierhö̂len, hoalen, hoalleien.— Verder rond Roermond, Sittard en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel:heelen, hieëlen.Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:Ik haal u in den naam des Heeren,Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],dat is voor de gansche kompanij [derde maal],Voor een liter foezel zijt ge vrij.Of:Ik haal u als meid en niet als knecht,Een liter foezel is uw recht.Of ook:Ik haal u in den naam des Heeren,In dit huis zult ge verkeerenNiet als meid, maar als vrouw,En wees uw man getrouw.Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. “dit is het bed”;—“dit is de kast”;—“dit is de klok”; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te Mill worden emmer, bezem enz. inden hêrdgelegd, de meid gaat er bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.—Dit gebruik doet mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooalsdit met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was (bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruidover het blok moet heen springen: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, dat de bruid moestspringen over een kooltje vuur, dat in een vooraf geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig in het blok zitten, dan beduidt dit eenkrolköpke; anders blijft het huwelijk onvruchtbaar.Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit door het aanraken van den ketelhaak.Een belangrijksurvivalvindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk huis der getrouwde bruid en vroeg: “Is hier soms een vrouwspersoon aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?” Dan kwam de bruid aangeloopen en antwoordde: “Hier ben ik al”, en nu ging zij voorgoed mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.Wij hebben hier een vorm van hetzich verbergender bruid,zij laat zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen.R. Reichhardt,Geburt, Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit “heute wohl nirgends mehr nachweisbar” is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het echter slechts een overoud scheidingsgebruik.Van het oude Groningschebrüdegamslahen, het slaan van den bruidegom ter bevordering der vruchtbaarheid (zieDr. Knappert, Groningsche Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het was een “slag met de levensroede”, vgl. bl. 116. Bij de Slavische volken vindt men het nog herhaaldelijk.Hetbruiloftsmaalheeft weinig karakteristieks meer behouden: eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis laat rondleiden, onder het geroep van: “de broed mot droet”. Glazen worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: “Die zullen hem wat glazen kosten!”ʼs Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, antwoordt de persoon, dieAartjevoorstelt, datzijn talrijk kroost toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, evenals hethuilbier(huulbeer), HoogduitschHeulbier. De gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en komt dus vrij wel overeen met het Achterhoekscheboksenbier, waarop de bruid haarbruidstranen(brandewijn met suiker) schenkt. Komt deze naam van het schieten met debokse? Of van de gewoonte, dat de bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bijScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.VolgensReichhardtis de naam eigenlijkheilbier, en hij vergelijkt het Middelhoogduitscheheilwîn. Ik meen echter, zooals gezegd (bl. 246), aan de benaming vanhuilbierte moeten vasthouden, en vind het gebruik in zijnoorspronkelijkentoestand in die plaatsen (b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van hethuulenafkoopen door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.In Drente kende men eertijds hethanenbier. Door de buren werd aan de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, bl. 125.Na de bruiloft beginnen voor het paar dewittebroodsweken, ofook dezoetemelksweken. Dan komt het jonge paar nog pas “van Zoetendaal”; het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; “de korstjes kraken nog.”

Minnen en werven. Het woordminnenis niet aan de volkstaal ontleend. Deze kent noch (be)minnen,noch een stamverwant, woord van het Hoogduitschelieben, maar slechts slappe omschrijvingen als:goed mogen lijden, liefhebbenofhebben, gaarne sienenz. Daarentegen is aan woorden en wendingen, die het begrip “vrijen”, of ook een ruweren vorm van minnen en liefkoozen uitdrukken, geen gebrek.

Bij verscheidene gelegenheden trachten de jonge meisjes door liefdesorakels den sluier der toekomst op te lichten, met name op Sint-Thomas-, Sylvester- en Paaschdag; over hetschoenwerpenis reeds gesproken (bl.123); op Nieuwjaarsnacht ziet men den geliefde in den spiegel. Van de Middeleeuwsche minnedrankjes en sympathetische toovermiddelen zijn nog slechts zwakke overleefsels overgebleven, allereerst de zegswijze: “een minnedrankje ingenomen hebben”. Van de thans nog bestaande liefdeverwekkende middelen vormen de haren, nagelknipsel, zweet en bloed de hoofdbestanddeelen. Naar men weet, vindt men overeenkomstige gebruiken bij de volken met lage kultuur. Ook bezigt men te dezen einde valeriaan en wilde alsem, in den zak of op het lijf gedragen; zie Volkskunde XI, bl. 242; XII, bl. 62, 136, 242; XXIV, bl. 51. Daarentegen dient hetleggen vannestelknoopen, knoopen in een riem of veter, om andermans huwelijksgeluk te bederven. Het is een overoud sympathetisch toovermiddel, waaraan dezelfde volksvoorstelling ten grondslag ligt, als aan de voorzorg, gedurende de trouwplechtigheden geen knoopen in de kleederen te hebben.—Ook versmaadt men niet, bij waarzegsters en kaartlegsters te rade te gaan; en eindelijk, het bloemenorakel speelt nog steeds een voorname rol.

Droomt men van een huwelijk, van een bruiloft, dan heeft men een doode te wachten. Men kan dit volksgeloof door de algemeene “droomverklaring door omkeering” uitleggen en vergelijken met het droomen over geld, hetgeen armoede, over omhelzing, hetgeen verraad beduidt. Deze verklaring wordt ons aan de hand gedaan doorTylor, die bij de Zoeloeʼs zulke droomverklaringen waarnam, verwekt door een streven, zich tegen dwaling te beveiligen; want de Zoeloeʼs hadden vaak ondervonden, dat hun droomen zich niet verwezenlijkten. Nochtans geloof ik hier nog een anderen faktor te zien. Telkens en telkens weer openbaart zich in het volksgeloof de schrijnende tragiek van het leven met zijn gedurige wisseling van lief en leed. Een verdere overeenkomst tusschen de huwelijks- en begrafenisgebruiken is deze, dat beide in betrekking staan tot de zielen der afgestorvenen, vooral van de voorvaderen.

Men moet zijn dochters vroegtijdig uithuwelijken; “dochters en doode brasems moet men niet lang bewaren,” meent het volk, en trouwens “wie dochters heeft, is altijd herder,” en “een huis vol dochters is een kelder vol zuur bier.” Heeft de jonge dochter drie kruisjes achter den rug, dan komt zij “op Sint-Annaʼs schapraai” (Limburg:schaap), of -bankske, of -kapelleke. In Vlaanderen kent men nog “het schipken van Sint-Annuit”, wat waarschijnlijk op een verwarring berust. Dan zegt men, dat “Hein-van-pas maar niet wil komen,” of “dat haar vent te Wachtebeke woont.” Intusschen gebeurt dit op het land vrij zelden, immers “daar is geen potje zoo scheef, of er past wel een dekseltje op,” en ook is “geen schip zoo oud, of ʼt doet nog wel eens een reisje.” Algemeen wordt het gelaakt,wanneer slechts “het geld getrouwd wordt”; niet zelden trouwt men echter in de familie, “opdat het geld bij elkaar blijve.”

Oudtijds kende menvrijstermarkten, en vooral die van Schermerhorn was bekend. Boerenzoons, die graag een meisje wilden kiezen, bestelden “koopdag” inDe Valk, en lieten dit door den dorpsomroeper bekend maken. De trouwlustige meisjes togen dan naar de herberg, waar de koop gehouden werd. Een andere soort van vrijstermarkt was slechts voor ʼt kermishouden ingesteld, al had deze dan ook meermalen een huwelijk ten gevolge; en hiertoe behoorde de Schagermarkt. Veel overeenkomst hiermee vertoont het gebruik op eenige dorpen van Noord-Holland, dat de meisjes zich des Zondags na kerktijd neerzetten op het muurtje van het kerkhof, wachtende tot er een gezel komt, die haar zal uitnoodigen, om te zamen ter herberg te gaan; en eveneens deMaartekeurte Lochem en te Borculo op een marktdag in Maart, met het oog op de aanstaande Meimarkt. Dan staan de boerinnetjes in een lange rij over de geheele lengte van het plein en worden met rood of wit krijt op den rug gemerkt. Zie hierover vooralJ. H. Scheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen (Utrecht 1832), bl. 65 enMr. N. de Roever, Van Vrijen en Trouwen (Haarlem 1891), bl. 81 vlg.

De gewone en betere wijze is echter een bezoek ten huize, immers “de beste koeien worden op stal verkocht”. Hierbij is het verstandig, zich eerst van de genegenheid der moeder te vergewissen; want “wie eerst de dochter en dan de moeder vangt, vat het varken bij de ooren”. Ook wordt het terrein wel eens verkend door een huwelijksmakelaar, somsheiligmaker, in West-Vlaanderenhandknechtgenoemd. Ditheiligmakeris een volksetymologische vervorming vanheilikmaker, d.i. huwelijksmaker, van het Middelnederl.hîlijc. Aan de Zaan bestond zijn belooning in geld of in een pak nieuwe kleeren:Schotel, Zeden en Gebruiken aan de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 43. Ook de koek, voor het meisje meegebracht, heethijlikmaker. De verouderde Zaansche benamingiszelschappen; de meer gebruikelijke benaming voor uit vrijen gaan is ten platten landeuit meiden gaan. Hiervoor is de Woensdag- en Zondagavond het meest geschikt; de Donderdag is meer voor weduwnaars; Zaterdagavond is ook niet ongeschikt, maar “Zaterdagavondloopers zijn koopers”, zegt het spreekwoord. In de meeste streken moet de vrijer klokke acht bij het meisje aan huis zijn; in alle geval:

Vrijers, die ʼt meenen,Komen vóor tienenEn gaan niet voor eenen.

Vrijers, die ʼt meenen,Komen vóor tienenEn gaan niet voor eenen.

Vrijers, die ʼt meenen,

Komen vóor tienen

En gaan niet voor eenen.

Een uitzondering hierop maakt wel Hennaarderadeel (F.); daar zegt men: “Die na achten komen, kunnen vóor negenen weer gaan.”

Uit de wijze van ontvangst kan de vrijer al spoedig bemerken, of zijn komst en aanzoek welkom is. Blijft het meisje zitten en laat ze het stoelzetten aan een der huisgenooten over; neemt de Friesche schoone haar oorijzer van het hoofd en klaagt over hoofdpijn, dan weet de vrijer, hoe laat het is en kan hij zijn matjes oprollen. Maar wordt hem op de vraag: “mag ik mijn pijp, mijn sigaar even aansteken”, bescheid gedaan, biedt het meisje hem een lucifer, haalt ze hem een stoel, brengt ze hem een pijp, dan nemen de zaken een gunstigen keer. Nog beter staan de kansen, als hij door de vrijster bij zijn vertrek tot aan de buitendeur wordt gevolgd; dat heet rond Aalsteen voois krijgen. Wordt de vrijer afgewezen, danloopt hij een blauwe scheen, ofloopt hij een blauwtje. Deze uitdrukking wordt doorDr. Stoett, Nederlandsche Spreekwoorden, n° 214, zeer zeker het eenvoudigst aldus verklaard: “zijn scheen stooten, er tegen loopen; vandaar: niet slagen.” Een andere uitdrukking is:een korf krijgen, door de mand vallen.Prof. Verdambeschouwt deze uitdrukking als eene herinnering aan de oude strafoefening, waarbij de schuldige in een schandkorf boven het water te pronk werd gesteld (Handel. v. d. Maatschappij d. Nederl. Letterk. te Leiden 1901).—M.i. hebben wij hier stellig met het overleefsel eener oude strafoefening te doen, maar niet met de boven bedoelde. Tervergelijking diene het gebruik uit den Eifel, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen heeft, door de meisjes gekorfd wordt: ze werpen hem een bodemloozen korf over het hoofd en trekken hem er door heen. In Brunswijk zet men den afgewezene een ouden korf op het dak. Oorspronkelijk wordt deontrouwbij wijze van volksrechtspraak aldus gestraft, dan ook deonvruchtbaarheidbespot; ik spreek hier over aanstonds nader, bij de behandeling van dendorhoed.

Voorts dient nog vermeld een zonderling gebruik, dat op Texel en Vlieland is blijven voortleven, maar vroeger ook op Wieringen en Terschelling en in vele Noord-Hollandsche dorpen bestond:het kweestenof nachtvrijen; eertijds bestond het in geheel Duitschland, ja men mag zeggen over geheel Europa. Dit is een vorm van vrijen, terwijl deuren of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit, waaronder zijn beminde rust. Mocht soms de vrijer het wagen, niet in eer en deugd te kweesten, dan volgde, voorheen althans, steeds de volksjustitie bij wijze van ketelmuziek. Laat ik hier tevens nog vermelden hetstrunen, het opzettelijk storen der vrijpartijtjes, dat, naar het schijnt, in Friesland aan de orde was. ZieWaling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 196 vlg.;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk (Gent 1911),passim;Virginie Loveling, Volkskunde XV, bl. 152.

Te lange verkeering is over het algemeen niet gewild. “Lange vrijage is zelden mariage”.

Dorhoedis de Noordhollandsche naam, waarmee ik eenige algemeen verspreide liefde- en verkeeringsgebruiken wensch samen te vatten. Volgens den Gelderschen Volksalm. van 1837, bl. 106 plaatsten de jongelieden op Pinksterdag een strooman, potsierlijk uitgedost, op een kar en reden het dorp rond. ʼs Nachts krijgen de meisjes, “die zich zoo taai als leêr houden, of van vrijers veranderen als van handschoenen”, dien strooman op het dak; soms wordt hij ook aan den hooiberg bevestigd. In Zuid-Limburg strooit men kaf op de stoep van meisjes, die meer dan éen vrijer hebben.Wij vinden hier het gebruik in zijn oorspronkelijken, justitiëelen vorm; de strooman is de tegenhanger van den groenen Pinksterman, den vruchtbaarheidsgenius; de dorhoed: pop, korf, mand, dorre tak, zelfs kaf alleen, symboliseert onvruchtbaarheid. De dorhoed vormt een tegenstelling met den liefdemei.

In Drente is de zoogenaamdezoore paal(dorre paal) het geschenk voor een vrijer of vrijster, wiens (of wier) vroegere beminde in het huwelijk treedt: een dorre tak, zonder bladeren, gebonden aan de deur van het huis. Ook wordt op vele plaatsen de weg tusschen de huizen van de(n) ondertrouwde en de(n) verlaten beminde door het strooien van kaf, haksel van stroo, zaagmeel enz. gemerkt, of wordt de verlatene daarmee bestrooid. In sommige Vlaamsche dorpen worden dan lemen (vlasscheven) gestrooid; hetzelfde gebruik is in Zuid-Duitschland en in den Eifel bekend: het bespottingsbegrip, dat in de straf lag opgesloten, heeft zich zelfstandig ontwikkeld.

Het Noordhollandsch gebruik is nauwkeurig beschreven en toegelicht doorDr. Boekenoogenin Volkskunde XIII, bl. 65 vlg.; XVII, bl. 112 vlg. Het is een versierde stroopop, die men de verlaten vrijster of den verlaten vrijer vereert; dit is meestal het werk der naaste buurgezellen. Het gebruik schijnt voor het oogenblik echter alleen nog in Waterland en het aangrenzende deel van West-Friesland te bestaan. De dorhoed wordt vergezeld van een dorhoedsbrief, waarin verzen voorkomen als deze:

Wilt dit beeltenis aanschouwen,Want het zal uw wel berouwen,Dat zij nu zal trouwen gaan,En gij moet nu agter staan.

Wilt dit beeltenis aanschouwen,Want het zal uw wel berouwen,Dat zij nu zal trouwen gaan,En gij moet nu agter staan.

Wilt dit beeltenis aanschouwen,

Want het zal uw wel berouwen,

Dat zij nu zal trouwen gaan,

En gij moet nu agter staan.

Evenals men nu een pinkstkroonkent (bl. 199), kent men ook een strooien, dorre kroon, en aan deze soort van bruidskroon herinnert nog de benamingdorhoed, later op de stroopop overgebracht. Zoo werd in het Zutfensche den vrijer, wien zijn meisje ontvrijd was, een hoepel met stroo om den hals geworpen. OokBerkheyspreekt van een “kroon van gekapt stroo”. Het gebruik is insgelijks in Noord-Brabant bekend.

Zooals gezegd, is de dorhoed de oorspronkelijke vorm van bestraffing, door het volk den verleider of de verleidster toegediend. Ook wordt zij wel eens toegepast op het paar, dat al te veel in jaren verschilt; zie hieroverScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 125.

Op een groot aantal plaatsen is de stroopop een onmisbaar element bij deketelmuziek, een anderen zeer gewonen en gebruikelijken vorm van volksrechtspraak over al degenen, die openbare ergernis gegeven hebben. Hoofdzakelijk is het een serenade met ketel- en ketengerammel, belgerinkel, hoorngetoeter, zweepgeklets enz. voor de woning van de(n) schuldige of beschuldigde, waarbij een oorverdoovend geschreeuw wordt aangeheven.

In België zijn de meest gebruikelijke benamingen:scherminkelen, de beest jagenenden hond branden. Hier beteekenenscherminkel, beestenhondde stroopop. In Noord-Brabant spreekt men vantafelen, in Noord-Limburg vanvaren, in Zuid-Limburg vanvaren, toeten, rammelenofhuulen, in Midden-Limburg en verder plaatselijk vanden ezel (aan)drijven. Deze laatste uitdrukking heeft misschien betrekking op den Middeleeuwschen ezelrit, maar in alle geval wijst het meerendeel der uitdrukkingen op een rondrijden met de stroopop, de(n) schuldige voorstellend, onder geraas en getier. Het gebeurt bij alle laakbare handelingen, of ook handelingen, die het volk als zoodanig beschouwt, b.v. bij een huwelijk met groot verschil van leeftijd, of bij het hertrouwen van weduwnaar of weduwe; en eindelijk in Limburg ook wel bij andere huwelijken in verband met hethuulbeer, waarover nader.De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 362 vlg., betoogt, dat de ketelmuziek oorspronkelijk bij gevallen van hertrouwen plaats heeft en wel om de booze geesten te weren, met name den geest van de(n) eerste(n) echtgenoot(e), die uit nijd de(n) hertrouwde zou komen kwellen; vgl.Weinhold,Zeitschrift des Vereins fürVolkskunde X, bl. 206. Maar deze meening lijkt mij onhoudbaar: 1. dewijl bijna geregeld de ketelmuziek met het onvruchtbaarheidssymbool verbonden wordt; en 2, daar dan de ketelmuziek aanvankelijk een gunstige beteekenis zou gehad hebben, terwijl toch, zooalsDe Cockzelf op bl. 372 uitvoerig betoogt, sinds de oudste tijden het tweede huwelijk bij het volk in kwaden geur stond. Ik houd de ketelmuziek dus voor een vorm dervolksrechtspraak, waarmee wij boven reeds kennis maakten, en die, zooals gezegd, op Middeleeuwsche rechtsvormen, maar in haar diepste wezen op voldoening van gekrenkte gemeenschapseer berust. In zuidoostelijk Noord-Brabant kent men nog andere wijzen om een weerspannig of slecht befaamd lid der gemeenschap te treffen:de buurtoefent haar vernielzucht uit op een kar van den betrokkene. Typisch is ook hetvoor den ploeg spannenvan een lastigen echtgenoot, en wel krachtens een besluit vande buurt, somtijds alleen van de buurvrouwen. Deze brengen dan zelf ook het besluit ten uitvoer en drijven den voor den ploeg gespannen echtgenoot met haar zweepen en stokken voort. Aldus nog een dertig jaar geleden te Turnhout, Hoogstraaten, Bladel, Postel enz. Eenigen tijd geleden was dit gebruik ook in Noord-Brabant, o.a. te Reusel, nog heerschende. Het is dus meer recent, dan doorV. D. Pollin den Gelderschen Volksalm. 1887, bl. 161 vlg. vermoed werd.

Van denliefdemeiwas reeds sprake (bl.189,245). Laat ik hier bijvoegen, dat te Contich en omstreken de schuchtere minnaar gaarne de gelegenheid te baat neemt, zijn liefde te verklaren, door heimelijk een mei te plaatsen vóor de slaapkamer zijner beminde. Antwerpsche huwbare dochters krijgenGreefsvan hun minnaar, d.i. ruiters van spekulatie of marsepein, die den Greef van Halfvasten voorstellen (bl.169).

Metverlovingwordt bedoeld “vaste verkeering”, daar de min of meer plechtige verloving bij de gewone volksklasse zoo goed als onbekend is. Men geve den beminde nooit een mesje of schaar ten geschenke, want dit breekt de verkeering af (sympathie). Wanneer in Vlaanderen een der partijenbeelt, d.i. het gegeven woord breekt,dan heet het ontworpen huwelijkuitgebrand, in ʼt Westvlaamscheen beel.—Het geven van een ring is een gebruik, dat van de Romeinen tot ons gekomen is; en evenals de ring te Rome eertijds het koopkontrakt bevestigde, zoo verving in onze landen de ring het huwelijksgeld of handgeld, dat met den handslag de verloving voltrok. Over de trouwpenningen zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 113 vlg.;Aug. Sassen, Noordbrabantsche Volksalm. 1889, bl. 61. De ring behoort te worden gedragen aan den ringvinger, omdat, volgens het volksgeloof, van daaruit een zenuw loopt naar het hart. Op het land is de ring niet gebruikelijk; noodzakelijk was ook de trouwpenning niet, want deze kon zeer geschikt vervangen worden door een ander voorwerp: vingerhoed, zakdoek, een paar hazelnoten, ja zelfs een stuk koek. Eigenaardig was vroeger in Friesland deknottedoek, waarin de jonge man eenig geld knoopte, om een en ander het meisje aan te bieden, met wie hij zich wenschte te verloven. Trok zij den knoop toe, en nam zij dus het geschenk aan, dan was de verloving gesloten.

Op vele plaatsen zijn bruidsgeschenken, de zoogenaamdebruidstukken, gebruikelijk. De bruid vervaardigt, althans plaatselijk in Limburg—en eveneens in Zwaben, Westfalen enz.—de hemden, die beiden op den trouwdag zullen dragen, alsmede de slaaplakens voor het huwelijksbed. Het bruiloftshemd dient ook als doodshemd en de lakens als doodsmantel. Daarentegen wordt in Gelderland in de dagen vóor het huwlijk het doodshemd met muts en laken afzonderlijk vervaardigd en door de bruid met zwart lint gezoomd of met zwart garen gemerkt. In het Oosten van ons land maakt men hier en daar zelfs de planken voor de doodkist gereed: hier vloeien huwelijks- en begrafenisgebruiken ineen; vgl. bl.241.

Te Stamproy (L.) en omliggende plaatsen moet de bruidegom enkel de schoenen aan zijn toekomstige echtgenoote verschaffen; bed met toebehoor komt ten laste der bruid. De schoen speelt in de huwelijksgebruiken van alle volken een groote rol, en volgensErnst Samter, Geburt, Hochzeit und Tod (Leipzig und Berlin1911), bl. 195, moet hier de schoen als een offer worden beschouwd; zie ookZachariae, Zum altindischen Hochzeitsritual, in de Wiener Zeitschrift f.d. Kunde des Morgenlandes XVII, bl. 135. Maar ik geloof eerder, dat wij hier met een bepaalde gave te doen hebben, die voor den doode bestemd is, evenals het doodshemd. Het gebruik, den doode een paar schoenen in de kist mee te geven, is overoud en was eertijds bij alle Indogermaansche volken in zwang: de schoen heeft natuurlijk de bestemming, den tocht naar het verre land aan gene zijde van het graf te vergemakkelijken.

Straks hebben de kerkelijke afkondigingen ofroepenplaats, de verloofden “rollen van den preekstoel”, zooals het in katholieke streken heet, of ook “zij worden van den preekstoel naar beneden geworpen”; en na den besloten tijd volgt dan meestal het huwelijk.

Bij den ondertrouw wordt in Noord-Brabant alreedsde heuggevierd, en doet men zich te goed aan wittebrood met koffie; ook begint dan alreeds het schieten, waarover nader.Heug, verg.heugelijk, komt van het Middelnederl.hôghe, hö̂gheen beteekent “vroolijkheid”.

Huwelijksdag. Het skelet der huwelijksgebruiken is nog steeds Oudgermaansch en vertoont niet zelden Indogermaansch karakter; maar meer en meer hebben Christelijke en ook moderne elementen er zich aan vastgehecht.

De huwelijksdag draagt in het Duitsch terecht den naam vanHochzeit, het eerst bijWolfram v. Eschenbach, nog met de toevoeging: “der brûdloufte hochgezît”. Immers deze dag is niet alleen het voornaamste familiefeest, als zijnde het kulminatiepunt van twee menschenlevens, maar hij is tevens een feest voor de gemeente. Naar men weet, washoogtijdeertijds de benaming van alle hooge kerkelijke en wereldlijke feesten (bl. 100). De namenhuwelijkenbruiloftdrukken een bepaald deel der plechtigheid uit:huwelijk, vergel. het Gotischelaiks“dans”, wijst op den dans, waaronder bij onze Germaansche voorouders het huwelijk voltrokken werd;bruiloft, d.i. “bruidloop”, beteekende oorspronkelijk den optocht,waarmee de jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid; later werd deze benaming op het heele huwelijksfeest toegepast. Zie o.a.Dr. Boekenoogen, Tijdschrift v. Nederl. Taal en Letterk. XI, bl. 14;Dr. J. W. Muller, Woordenb. d. Nederl. Taal,sub verbo.

Daar is wellicht geen feest, waardoor èn de familie èn de gemeenschapszin in zoo hooge mate worden versterkt, als door de huwelijksviering. Men gedenkt zelfs de afgestorven leden der gemeenschap, vanwaar het treffende gebruik, de graven te bezoeken op den huwelijksdag.

AanBachofenkomt de eer toe, het eerst gewezen te hebben op het belangrijke en vérstrekkende ethnologisch-folkloristische verschijnsel van hetmatriarchaat. In zijn opzienbarend boek: Das Mutterrecht (Stuttgart 1864), werd een rijk materiaal door hem bijeengebracht om te bewijzen, dat vóor den tijd der patriarchale familie-inrichting, krachtens welke de man in allen deele het hoofd is van het gezin, het menschdom een periode van vrouwenregeering doorleefd zou hebben, een tijdperk dus, waarin het “zwakkere geslacht” den schepter zwaaide en den man slechts een ondergeschikte rol was toegedacht: volgens hem gaat de matriarchale gezinsvorm den patriarchalen vooraf. Deze theorie steunt in hoofdzaak op het feit, dat tal van stammen met lage kultuur, over de geheele aarde verspreid, het matriarchaat huldigen, en dat de diepste folkloristische lagen van bijna alle volken overleefsels te over bieden, om een karakteriseeren der matriarchale familie-inrichting als de primitieve te rechtvaardigen.

Sommige ethnologen meenden zelfs, dat de folkloristische gegevens hun veroorloofden, nog veel omvangrijker konklusies te trekken. Men achtte zich in staat tot het ontwerpen eenerontwikkelingsgeschiedenis van het huwelijk. De verschillende, opeenvolgende stadia dezer geschiedenis zouden zijn: promiskuïteit, groepenhuwelijk, polyandrie in verscheidene nuancen, polygamie (monandrie), monogamie. Het instituut, dat, volgens de meest gangbareopvatting, van lieverlede den weg effende tot een geregelde familieverhouding, tot de monogamie en met deze tot het patriarchaat, is hetroofhuwelijk. Op een hoogere sport van ontwikkeling trad voor de ruwe schaking devrouwenkoopin de plaats: een losprijs, aan den beleedigden stam betaald, om weerwraak te voorkomen, een soort internationaal huwelijkskontrakt. Hier vertoont zich het oorspronkelijk karakter van denbruidschat. Meer en meer trad het begrip van beleediging op den achtergrond, terwijl de zoengave gaandeweg geheel en al de beteekenis kreeg van een koopsom der vrouw.

Verkocht werd echter alleen de vrouw, niet de kinderen. Deze behoorden en bleven behooren aan de moeder en hadden in den oom van moederszijde hun natuurlijken voogd en beschermer. Maar steeds sterker ontwaakt in de vaderborst de liefde totzijnkroost,zijnekinderen, wier hulp hij trouwens bij het bebouwen van zijn akker niet langer meer kan ontberen, en deze sympathie is het, die een erfrecht te hunnen gunste tracht in het leven te roepen: motieven van ekonomisch-juridischen aard komen in het spel. Een hardnekkige strijd wordt aangebonden, waarvan de inzet is het eigendomsrecht over het kind, en het einde de volkomen zegepraal des vaders en van het agnatische systeem.

Nu is welhaast de familie gegrondvest, de huwelijksband gestrengeld. Om den vaderlijken haard staat het vereende gezin, de vader aan het hoofd; want hij is voortaan niet slechts de meerdere over zijn kinderen, maar door den losprijs acht hij zich op den duur ook gerechtigd, de vrouw, die hem als koopwaar werd overgeleverd, als zijn volle eigendom te beschouwen.

De fout van dit systeem, op het oog zoo onberispelijk-nauwsluitend, ligt in te oppervlakkige waarneming en te groote generaliseering in de gevolgtrekkingen. Men stelt zich niet tevreden met te beweren, dat het matriarchaat een ver verspreid ethnologisch verschijnsel is en was,—een feit, dat niet valt te loochenen; maar het moet en zal de volstrekt-primitieve familie-inrichting geweestzijn; het heet de eenig mogelijke: terwijl de huwelijkstheorie niet weergeeft het proces, dat zich bij verschillende volkeren ten deele heeft afgespeeld of nog voortduurt, maar aanspraak maakt op den titel vandetheorie vanhetmenschelijk huwelijk. Ik zeg “ten deele”; want een andere fout is deze, dat in dit systeem verschillende fragmenten, op verschillende punten van den aardbodem verzameld, met een vrij ruime dosis apriorisme tot een geheel worden aaneengevoegd.

Vooral bij het beoordeelen en benuttigen der folkloristische gegevens moet men uiterst voorzichtig zijn. Juist de huwelijksgebruiken en huwelijksvormen bij de verschillende volken heeft men herhaaldelijk als sterk-pleitende overleefsels beschouwd; maar gesteld, dat zij matriarchale trekken vertoonen, wijzen zij dan juist daarom op een primairen toestand? Kan hieraan geen meer volmaakter vorm zijn voorafgegaan? “Im Völkerleben gelten die selben Gesetze der Entwickelung wie im Leben der Individuen”, zegtPaul de Lagarde, “und im Leben der Individuen ist ein Sinken überall da festzustellen, wo nicht ein Steigen stattfindet.”

Wat betreft de beoordeeling der afzonderlijke gevallen, een enkel voorbeeld. Wellicht verwijst de Romeinsche huwelijksvorm dercoemptionaar een tijd, waarin demanus, d.i. het volle recht van den echtgenoot over de vrouw, niet in schijn, maar in volle werkelijkheid werd gekocht. Maar volgt hieruit logisch, dat de koopsom de losprijs was,voor de geschaakte bruid betaald? Tusschen het huwelijk als koopkontrakt en het roofhuwelijk gaapt toch nog een diepe kloof.—Verder behoort tot het bruiloftsritueel het bekende gebruik, dat de bruid uit de armen der moeder wordt ontvoerd, om dan in feeststoet geleid te worden naar het huis van den bruidegom. Hierbij komt op tal van plaatsen een schijnvlucht, en zoo goed als algemeen, dat de bruid zich verzet of uitbundig weent. Men noemt dit hetroofsymbool, en het is zeer wel mogelijk, dat in enkele gevallen dergelijke gebruiken een voormaligen rooftoestand ten grondslag hebben. Maar zou hier een meer natuurlijke verklaring niet veelal te verkiezen zijn? Juist in de laatste jaren zijn dergelijkegebruiken herhaaldelijk alsscheidingsgebruikenbeschouwd, vooral in het reeds aangehaalde boek vanA. Van Gennep,Les rites de passage, bl. 165 vlg. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 162 vlg.

Na deze, tot het goed begrip der gebruiken m.i. noodzakelijke voorafgaande bespreking, vat ik den draad mijner uiteenzetting weer op. Wat betreft debruidsgaven, dient men nog op te merken, dat in alle geval niet als sporen van een alouden koopprijs die gaven kunnen beschouwd worden, welke de beteekenis eener nauwere vereeniging dragen, zoo b.v. linnen, halsdoek, wederzijds gegeven luxe-voorwerpen enz. Bruid en bruidegom treden hierdoor in een nauwere zedelijke betrekking, evenals de gast tot den gastheer—en omgekeerd—door het geven van het gastgeschenk: aldus in de Oudheid Glaukos en Diomedes door het wisselen hunner wapenen.

Wat betreft den huwelijksdag, houdt het volksgeloof er weer een eigenaardige zienswijze op na. Liefst trouwt men op Dinsdag en Donderdag, niet op Woensdag of Vrijdag; en vooral met wassende maan (sympathie). De meimaand is ook zeer ongeschikt: “Wat in de meimaand trouwt, daar is geen goed haar aan”; zieDe Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen over de vrouwen enz., bl. 161. Een bruid mag zich nietvóorden bruiloftsdag in het bruidskleed vertoonen. Om op den huwelijksdag goed weêr te hebben, dient men de kat goed te voeren (zie bl. 86, 90). Een droeve bruid maakt een blijde vrouw en omgekeerd een blijde bruid een droeve vrouw; want “een bruidsgewaad is wel eens met rouwgoed gevoerd”. Weent de bruid op den trouwdag niet, dan vloeien de tranen in het huwelijk.

Hetnoodigen ter bruiloftvindt men nog slechts op enkele plaatsen in het Oosten van ons land in zijn voormaligen plechtigen vorm; en ook in Drente hebben dewasschupsneugersveel van hun vertoon en beteekenis verloren.Wasschupis identiek metwaardschapen beteekent “gastmaal, feestmaal”; over dezeneugerszieH. Tiesing, in de Vragen van den Dag XVIII, bl. 155; vgl.Driem. Bladen IX, bl. 77. Het noodigen gaat van de buurt uit en wordt alsnoaberplichtbeschouwd. Te Borkulo doen twee jongezellen uit de buurt alsbroedlachtneugersdienst; zij trekken er op uit met bontversierden hoed en stok en vangen aldus aan:

Goen dag!Hier stoa ik op mienen staf,En weet niet, wat ik zeggen mag ...Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.

Goen dag!Hier stoa ik op mienen staf,En weet niet, wat ik zeggen mag ...Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.

Goen dag!

Hier stoa ik op mienen staf,

En weet niet, wat ik zeggen mag ...

Nou weet ik, wat ik zeggen mag; enz.

Meestal noodigt het bruidspaar zelf de gasten tot het feest, dat ook ten huize der bruid zal plaats hebben. Veelal wordt een voorbruiloft gehouden, in het Frieschgearjift, vergel. de Noord-Brabantscheheug(bl. 249): het is een scheidingsgebruik zoowel voor de bruid als voor den bruidegom. Het Friesche woord wijst nog op de vroegere gewoonte, bij deze gelegenheid giften samen te brengen. Maar nog steeds wordt door de buren en buurmeisjes geld opgehaald om de onkosten te bestrijden van het sieren, schieten enz.

Zoo is dan de huwelijksdag aangebroken. De buurmeisjes hebben denneuzikvastgespeld; ook de bruidskroon is klaar, eertijds door de vriendinnen gevlochten. Zij is, evenals de ring, van Romeinschen oorsprong en door de Kerk in onze zeden ingevoerd. Hetzelfde geldt van de bruidskaars, die een gekerstende vervorming is der Romeinsche huwelijksfakkel, welke dienst deed bij het heemgeleide. De buurt is feestelijk uitgedost en prijkt met festoenen en eerebogen met toepasselijke opschriften. Veelal wordt nog eenhuwelijksmeigeplant vóor het huis: lotsboompje, waarmee het huwelijksgeluk van het jonge paar verbonden is, vergel. denlevensboomop bl. 214. Van alle huizen wappert de driekleur en in feeststoet keeren bruidegom en bruid met getuigen, bruidsmeisjes, familieleden, vrienden en bekenden uit de kerk huiswaarts. Het burgerlijk huwelijk heeft veelal reeds daags te voren plaats gehad.

Nu wordt het paar feestelijk ingehaald. De meeste hierbij gebruikelijke vormen zijn ontleend aan den alouden feeststoet, waarbij debruidswagen een hoofdrol speelt, en dien men nog betrekkelijk zuiver in Drente en in den Achterhoek weervindt. Wij bedoelen hetheemgeleide, dat nu eens in afzonderlijke bedrijven, dan weer op verschillende dagen plaats vindt. Doorgaans werd deze stoet gehouden vóor den bruiloftsdag.

De bruidegom komt dan met een groot aantal open boerenwagens vol jongens en meisjes aanrijden. Deuren en vensters van het huis der bruid zijn dicht. Maar éen der jongelui treedt vooruit en verklaart in gebonden of ongebonden taal, dat hij de bruid komtopeischen, waarna de banderdeur zich opent en de geheele schare binnenlaat. Nu gaat op de deel de kom met brandewijn rond, er wordt gefeest, gegeten, gedronken en gedanst, en eindelijk rijdt de bruidegom met de bruid op den versierden bruidswagen huiswaarts. Deze wagen, of de volgende, zijn bepakt met beddegoed, stoelen, melkstel, spinnewiel enz. Soms staat ook de bezem op den wagen, in Westfalen bindt men er een haan boven op. Bezem en haan moeten de booze geesten verjagen (bl. 96). Ook het schieten, dat thans nog zoo goed als over de geheele uitgestrektheid van ons volksgebied gebruikelijk is, en nu uitsluitend het karakter van vreugde en huldebetoon aanneemt, moest eertijds de geesten verdrijven, om aldus zegen en vruchtbaarheid voor het huwelijk te verwerven (vgl. bl. 102, 128). Hier of daar komt wellicht, ouder gewoonte, nog de bruidskoe achteraan. Te Rijssen (O.) werd of wordt (?) die koe gesierd en op stal gezet onder een deel van de zoldering, dat uit geschaafde eikenplanken bestond; zie Driem. Bladen III, bl. 11.

Herhaaldelijk op weg naar de nieuwe woning wordt de bruidgeschut. Een rest hiervan is zelfs het Vlaamsche gebruik, dat arme vrouwen en kinderen de bruid bij het verlaten van het kerkportaalde schoenen vegen, natuurlijk om een fooitje te krijgen. Verderop wordt de weg door een koord versperd, en ook hier dient de doortocht te worden gekocht: in Vlaanderen heet dit, rond Aalst,afspannen, en westwaartsstroppen. In Nederland vindt het paar den weg door een balk of versierde lijn versperd; in Baden en Tirol hakt menhet koord tegen losgeld met een sabel door. Aldus wordt de bruid uit hare gemeenschap, vooral uit de buurtgemeenschap, afgekocht en in de nieuwe ingekocht: het is een scheidings- en opname-ritus. VolgensSamter, Geburt, Hochzeit, Tod, bl. 162 vlg., wordt eigenlijk niet aan het bruidspaar, maar aan de kwade geesten de weg versperd. Bij deze verklaring steunt hij vooral op het Indisch gebruik, fijne blauwe en roode draden over den bruidsweg te spannen. Hiervoor zou ook pleiten de vroeger in ons land heerschende gewoonte, door een bezem den weg te versperren; immers volgens een wijd en zijd verspreid volksgeloof kan men zich juist door het keren zeer doeltreffend van de geesten ontdoen; vergel. den bezem op den bruidswagen en het keren in het sterfhuis.

Onderweg strooit de bruid geldstukjes, appelen, noten en andere versnaperingen.

De woning der bruid is versierd, de zetels van het jonge paar zijn omkranst, kinderen strooien bloemen, buurmeisjes bieden den eerewijn aan en zeggen gedichtjes op, den bruidegom wordt een versierde pijp aangeboden enz. Ook wordt wel eens de geheele stoet in alle bevriende huizen, waar hij voorbij trekt,beschonken, d.i. op brandewijn met suiker, wijn en knapkoek onthaald. Maar dit zijn alle moderne vormen van weinig waarde. Belangrijker zijn enkele gebruiken, die ten platten lande nog hebben stand gehouden, wanneer bruid en bruidegom de woning betreden. Zij zijn overoud en behooren tot het Indogermaansche bruiloftsritueel, vormen een gedeelte van den oorspronkelijkenbruidloopnaar de echtelijke woning.

Op enkele plaatsen moet de bruid over dendrempelworden gedragen (Driem. Bladen IV, bl. 4), een overgangsgebruik, maar dat met een afweergebruik samenhangt; het is zoo goed als over de geheele wereld verspreid, in China zoowel, als eertijds in het oud Rome. Te Hooge Mierse (N.-B.) legt men op den drempel een stok met eenrooddoek. Te Reusel (N.-B.) wordt het paar onder een krans naar de nieuwe woning geleid. De krans wordt tegen de deurstijlen gevlijd en het paarspringtnaar binnen. Dat wij hier meteen overleefsel van den vrouwenroof te doen zouden hebben (Rossbach, V. Schröder, Lubbock, Jevons), lijkt mij onaannemelijk; immers de bruid wordt niet door den bruidegom, maar door een ander willekeurig persoon gedragen, of ook springt over den drempel, en trouwens in beide hoogst vertrouwbare mededeelingen uit Noord-Brabant wordt van bruid èn bruidegom gesproken. Ook komt men niet verder met de verklaring, dat het stooten tegen den drempel een slecht voorteeken zijn zou; waarom juist tegen den drempel? De verklaring is wel deze, dat de drempel de verblijfplaats der zielen is, wat uit tal van volksgebruiken blijkt; wellicht werden zij bij voorkeur vóor den drempel begraven. Het roode doek—rood is de tooverkleur en heeft in geheel het Indogermaansche folklore geestenwerende kracht—heeft dan ten doel, kwaadwillige geesten den toegang te beletten, terwijl het paar zich over den drempel laat heen dragen of er overheen springt, om de geesten niet te storen en te vertoornen.

Dan volgt, veelal op den avond van den huwelijksdag, hethaalleidenofhalen, een Indogermaansch gebruik, dat men bij de Osseten weervindt. De bruidegom geleidt de bruid driemaal om den haard en om het haardvuur, waarna zij in de gemeenschap van het water en vuur wordt opgenomen. Ook wordt de bruid op verscheidene plaatsen om den ketelhaak ofhaalgevoerd (ziebl. 35), vanwaar de benamingenhaalleiden, hieëlen, hölen, heelenenz. De haal wordt altijd blinkend geschuurd, dit is het laatste werk, waaraan de meeste zorg wordt besteed; vandaar de spreekwijze: “Op den haal na, is alles gepoetst.”

Natuurlijk wordt voor het oorspronkelijke om-den-haard-leiden een geheel vrijliggende haard verondersteld. Toen nu de haard tegen den zijwand gelegd werd, moest men voor den haard een ekwivalent zoeken, en als zoodanig nam men de haal of ketelhaak. Deze werd naar voren getrokken of midden in het vertrek aan een balk gehangen, en de bruid werd om haal en ketel geleid, ofwel de ketting werd haar omgeslagen. Naarmate de haard vervangen werddoor de kachel, of aan beteekenis verloor door het plaatsen van een kachel in een der bij vertrekken, is ook het haalgebruik op den achtergrond geraakt. Verder werd het veralgemeend en ook op den man en op de meid, ja zelfs bij verhuizing toegepast: uit den gedachtengang “de bruid betreedt de nieuwe woning” heeft zich het laatste begrip losgemaakt en zelfstandig ontwikkeld.

In Nederduitschland is dit gebruik nog op vele plaatsen in zwang; van onze grensplaatsen noem ik Heinsberg, waar men de bruidhielt, haaltofhelt. In Midden- en Opper-Duitschland vindt men geen spoor. Het gebruik schijnt alleen in de Saksische landen behouden te zijn gebleven, zoozeer, dat b.v. de bewoners van het Saterland, een Friesch taal- en volkseiland, dit gebruik mèt den bouwtrant—natuurlijk ten gevolge van klimaat en grondgesteldheid—van de omwonende Saksen hebben overgenomen. WaarSiebsechter meent, dat het overreiken van den kooklepel ofsleefeen specifiek Saterlandsch gebruik is, vergist hij zich. Ook in Hollandsch Limburg bestaat dit gebruik, b.v. te Grubbenvorst.

Want, vreemd inderdaad, terwijl men dit gebruik het eerst in de zône der hoeven van zuiver-Saksischen bouwtrant zou zoeken, is het juist daar uitgestorven en leeft nog slechts in de streek der uitgestorven Saksische hoeven en in die der Nederfrankische (dus ook lang niet uitsluitend in ʼt Schependom van Nijmegen). Het Nijmeegschehoalleienstaat beschreven in den Gelderschen Volksalm. van 1840, bl. 9 vlg.; maar het gebruik blijkt reeds verbasterd en dient nog slechts om een nieuwen buurman te installeeren.

Daarentegen voert dit gebruik een krachtiger leven zuidelijk en zuidwestelijk van Nijmegen. Men kan zeggen, dat hethalennog in zwang is, of althans voor enkele jaren nog in zwang was, in geheel Limburg tot aan de grens van den villabouw en in een groot deel van Noord-Brabant. Het best bleef het bewaard in de omstreken van Venray. Met name heb ik kunnen konstateeren, dat het in vrij oorspronkelijken, of ook in meer gewijzigden vorm,optreedt of kortelings nog optrad te: Venray, Swolgen, Meerlo, Oirloo, Leunen, Merselo, Afferden, Maashees, Deurne, Wellerlooi, Beugen, Horst, Oploo, Wanroy, Mill, Heeze, Mierde, Velp (N.-B.), Zeeland (N.-B.), Stiphout, Escharen, Reek, Reusel, Aalst, Maasbree, Arcen, Belfeld; de benamingen zijn hierhö̂len, hoalen, hoalleien.— Verder rond Roermond, Sittard en Weert, nl. te Melik, Beegden, Asenray, Guttecoven, Limbricht, Buchten, Dieteren, Einighausen, Posterholt, Weert, Neeritter, Helden, Panningen, Heel, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Kessel:heelen, hieëlen.Het zuidelijkste spoor vond ik te Schinnen (zuidoostelijk van Sittard). Het zal den lezer niet moeilijk vallen, aan de hand van deze opsomming zelf de is-ethne te trekken (bl. 32).

Somtijds is vrijwel alleen nog de naam overgebleven en verdwijnt het ceremoniëel in een kleurloos trakteeren. Elders, en dit is zelfs zeer vaak het geval, wordt de bruid door de meid vervangen, of is het gebruik op den knecht overgebracht. Dikwijls worden bruid of meid onder den schoorsteen geplaatst. Terwijl men haar nu om de haal leidt, of den haalketting, die thans doorgaans de haal vervangt, om de schouders slaat of driemaal boven het hoofd zwaait, luidt de spreuk:

Ik haal u in den naam des Heeren,Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.

Ik haal u in den naam des Heeren,Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.

Ik haal u in den naam des Heeren,

Wat ge niet kent, zullen wij [voor de bruid] u wel leeren.

of: [op dezelfde regels als vervolg speuk]

Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],dat is voor de gansche kompanij [derde maal],Voor een liter foezel zijt ge vrij.

Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],dat is voor de gansche kompanij [derde maal],Voor een liter foezel zijt ge vrij.

Wat ge niet kent,—zal de vrouw [voor de meid] u wel leeren.

Wat ge niet kent,—zal de baas [voor den knecht] u wel leeren.

Dat is voor u [eerste maal], dat is voor ons [tweede maal],

dat is voor de gansche kompanij [derde maal],

Voor een liter foezel zijt ge vrij.

Of:

Ik haal u als meid en niet als knecht,Een liter foezel is uw recht.

Ik haal u als meid en niet als knecht,Een liter foezel is uw recht.

Ik haal u als meid en niet als knecht,

Een liter foezel is uw recht.

Of ook:

Ik haal u in den naam des Heeren,In dit huis zult ge verkeerenNiet als meid, maar als vrouw,En wees uw man getrouw.

Ik haal u in den naam des Heeren,In dit huis zult ge verkeerenNiet als meid, maar als vrouw,En wees uw man getrouw.

Ik haal u in den naam des Heeren,

In dit huis zult ge verkeeren

Niet als meid, maar als vrouw,

En wees uw man getrouw.

Haard en haal zijn plaatselijk door verschillende andere voorwerpen vervangen: de tafel, de karn, de melkkan, den koffiemolen, den koffiepot, den ketel, den melkstoel, voor den boer door schop op zaaikorf. Gebeurt dit, met den haalketting om de schouders geslagen, dan mag het nog tot het haalleiden gerekend worden. Anders behoort het tot de groep van inhuldigingsgebruiken, waarbij de vrouw door omleiding of bloote aanwijzing in het bezit of gebruik van het een of ander voorwerp gesteld wordt, b.v. “dit is het bed”;—“dit is de kast”;—“dit is de klok”; ook leidt men haar door de keuken, de schuur, de stallen, naar het vee, de bijenkorven enz. Wel wordt de haalketting somtijds nog vervangen door den ketelwisch, d.i. een gedraaide strooien ring, aldus b.v. te Heeze, Aalst en Stiphout. Ook te Veldhoven wordt de meid aan een stroowisch in alle vertrekken, op den stal en door de schuur rondgeleid. Bij den knecht bezigt men aldus het haam. Te Mill worden emmer, bezem enz. inden hêrdgelegd, de meid gaat er bij staan, en nu danst men er om heen. Elders gaat de jonge vrouw, of ook de meid, op den melkstoel zitten, en zingend trekt de schare rond.

Nog dien ik een zeer eigenaardigen vorm van het haalgebruik te vermelden, zooals die in eenige dorpen noordwestelijk van Sittard, nl. te Guttecoven, Obbicht, Papenhoven, Grevenbicht, Limbricht en Dieteren gevonden wordt. Daar moet de bruid, of ook bruidegom en bruid, met een versierde bijl in een versierd blok kappen. Gewoonlijk verbergt zich de bruidegom, maar het baat niet; hij wordt door de buurvrouwen achtervolgd en moet er aan gelooven.—Dit gebruik doet mij veronderstellen, dat wij bij het haalleiden niet alleen met een symbool, met een zuiveren opname-ritus te doen hebben, zooalsdit met het gewone rondleiden en omleiden om de huiselijke voorwerpen het geval is. Zeer zeker, de bruid wordt ingeleid in het huiswezen, en hierop wijst o.m. het Duitsche gebruik, dat de jonge vrouw in den schoorsteen moet zien, om er mee vertrouwd te raken. Maar het kappen in het blok wijst op een oorspronkelijk-religieuze handeling, op een houtoffer aan de schutsgeesten des huizes: naar men weet, was de haard de heiligste plaats van het huis, omdat het de oude offerplaats was (bl. 35). En dat dit offer tevens een reinigings- of afweer-ritus omsluit, blijkt uit het gebruik, dat de bruidover het blok moet heen springen: dit was natuurlijk oorspronkelijk een springen over den vrijliggenden haard. Zoo herinnert men zich te Reusel dan ook nog, dat de bruid moestspringen over een kooltje vuur, dat in een vooraf geteekenden kring gelegd werd. Springen over vuur beduidt zuivering en vruchtbaarheid (bl. 105). Het vruchtbaarheidsidee treedt dan ook bij het Dietersche blokhouwen op den voorgrond. Blijft de bijl stevig in het blok zitten, dan beduidt dit eenkrolköpke; anders blijft het huwelijk onvruchtbaar.

Een anderen vorm van inhuldiging van het nieuwe personeel, in Twente in zwang op Natte Paschen (Natten Zondag), vindt men bl. 187 beschreven. Ook hierbij speelt de haard en het haal een rol: door het vast te grijpen, stellen de dienstboden zich als het ware onder de bescherming van de heilige haardstede, beveiligen zij zich tegen geweldpleging. Te Brunswijk nam eertijds de kooper een huis in bezit door het aanraken van den ketelhaak.

Een belangrijksurvivalvindt men te Oldenzaal, Ootmarsum en omstreken. Daar heerscht of heerschte nog kortelings het gebruik, dat na afloop der bruiloft de bruid weer naar haar ouderlijk huis terugkeerde. Den volgenden dag ging de jonge man naar het ouderlijk huis der getrouwde bruid en vroeg: “Is hier soms een vrouwspersoon aangekomen, die gisteren mijn vrouw geworden is?” Dan kwam de bruid aangeloopen en antwoordde: “Hier ben ik al”, en nu ging zij voorgoed mèt het huisraad naar de nieuwe woonsteê.

Wij hebben hier een vorm van hetzich verbergender bruid,zij laat zich zoeken en geeft zich ten slotte gevangen.R. Reichhardt,Geburt, Hochzeit und Tod (Jena 1913), zegt dus te onrechte, dat dit “heute wohl nirgends mehr nachweisbar” is (bl. 92). De bruid trachtte nl. vroeger, volgens vrij algemeen gebruik, na het huwelijk te ontvluchten en zich te verbergen, waarop de bruidegom haar moest zoeken. Men zou hier een overleefsel van het roofhuwelijk kunnen zien; klaarblijkelijk is het echter slechts een overoud scheidingsgebruik.

Van het oude Groningschebrüdegamslahen, het slaan van den bruidegom ter bevordering der vruchtbaarheid (zieDr. Knappert, Groningsche Volksalm. 1902) is, voor zoo ver mij bekend, niets overgebleven. Het was een “slag met de levensroede”, vgl. bl. 116. Bij de Slavische volken vindt men het nog herhaaldelijk.

Hetbruiloftsmaalheeft weinig karakteristieks meer behouden: eten, drinken en dansen is de boodschap. Den eeredans heeft het jonge paar, of wel de bruid met den bruidsknecht, of de bruidegom met het bruidsmeisje. Te Grubbenvorst, Helden enz. (L.) beginnen de gasten midden onder het maal met de messen en vorken op de glazen te tikken, totdat de bruid opstaat en zich door een zwager het huis laat rondleiden, onder het geroep van: “de broed mot droet”. Glazen worden voor de deur stuk gegooid, en na afloop trekken de buurvrouwen onder groot lawaai met pannen en deksels rondom het huis. Het zal wel onnoodig zijn op te merken, dat wij hier met een geestenwerend lawaai te doen hebben; vruchtbaarheid werd hiervan voorheen het onrechtstreeksche, maar hoofdzakelijk bedoelde gevolg geacht. Zoo werden nog voor eenigen tijd in Friesland op den avond der bruiloft de glazen in den voorgevel stuk geschoten, en de vader der bruid achtte zich hierdoor vereerd. Van iemand, die knappe dochters had, zei men: “Die zullen hem wat glazen kosten!”

ʼs Avonds brengen de jongelieden te Helden, Nunhem, Swalmen, Beesel enz. aan het bruidspaar een eigenaardige serenade. Zij huilen en kermen over de slechte tijden. Op de vraag, wat ze dan eigenlijk willen, antwoordt de persoon, dieAartjevoorstelt, datzijn talrijk kroost toch òok gaarne iets van de bruiloft had. Hierna worden zij onthaald.

Men dient deze vertooning als een scheidingsgebruik op te vatten, evenals hethuilbier(huulbeer), HoogduitschHeulbier. De gedachte is wel deze, dat de bruid tot het tijdstip van haar huwelijk aan de geheele gemeente behoort, en dus de jonge man ze moet afkoopen door geschenken. Ook verbeeldt het wel een afscheid van den jongen man aan zijn gezellen. Dit gelag heeft plaats vóor of na het huwelijk, en komt dus vrij wel overeen met het Achterhoekscheboksenbier, waarop de bruid haarbruidstranen(brandewijn met suiker) schenkt. Komt deze naam van het schieten met debokse? Of van de gewoonte, dat de bruidegom door zijn vrienden schertsenderwijze van de broek ontdaan werd, hetzij om hem daarna in het bed te stoppen, hetzij om hem in de gelegenheid te stellen, het echtelijk gezag, aldus symbolisch hem ontnomen, weer te koopen? Meer hierover vindt men bijScheltema, Volksgebruiken der Nederlanders bij het vrijen en trouwen, bl. 270, Driem. Bladen II, bl. 25, 27; 93 vlg.

VolgensReichhardtis de naam eigenlijkheilbier, en hij vergelijkt het Middelhoogduitscheheilwîn. Ik meen echter, zooals gezegd (bl. 246), aan de benaming vanhuilbierte moeten vasthouden, en vind het gebruik in zijnoorspronkelijkentoestand in die plaatsen (b.v. Sittard, Beegden, Epen), waar het huilbier gegeven wordt door den weduwnaar, die met een jong meisje huwt, of door den jongen man, die met een weduwe trouwt: zij kunnen zich van hethuulenafkoopen door een vrijgelag. Is deze opvatting juist, dan heeft zich het gebruik eerst naderhand tot scheidingsgebruik ontwikkeld.

In Drente kende men eertijds hethanenbier. Door de buren werd aan de jonggehuwden een hanenmaal aangeboden. Men kocht een haan en deze werd gebraden en in zijn natuurlijke houding, op drie pennen, in een grooten schotel op tafel gezet. Uit de ontvangen fooien werden de onkosten van het hanenbier bestreden; zie Drentsche Volksalm. 1842, bl. 125.

Na de bruiloft beginnen voor het paar dewittebroodsweken, ofook dezoetemelksweken. Dan komt het jonge paar nog pas “van Zoetendaal”; het slijt den zaligen tijd der eerste, jonge liefde; “de korstjes kraken nog.”


Back to IndexNext