III. Huiselijk Verkeer.Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig aan het spreekwoord: “Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat.” Dat ditintrouwenniet altijd in peis en vree verloopt, getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat “de bliksem en de introuw nog niet beschreven zijn.”Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur—meestal van de slaapkamer—hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als “God ziet mij” en “Hier vloekt men niet”; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is veelal een gekleurde plaat bevestigd, deHuiszegen, waarop een gebed bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift en een psalm- of gezangvers, dat ʼs morgens of ʼs avonds gelezen kan worden. Aan de achterzijde vindt menmeestal korte verhaaltjes, aan het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens der heiligen voorkomen.Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag metgebed; en hier wordt “gezin” genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de “geloovige zielen”, met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers bij gezongen.Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeftKarel de Grouxhet familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijnBénédicité.In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan nog een klein gebed, b.v. “Heere, zegen deze spijs en drank, Amen”, of “Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen”.—Van zulk een hoofdmaaltijd—tegen het middaguur—vormt de brij of pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met pap en aardappels zelfs het eenigevoedsel. Verdere gerechten zijn appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd totstampofpotage, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande onbekend.—Van ouds het voornaamste voedsel is hetbrood, en wel het bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit “brood” genoemd wordt, terwijl het wittebrood “mik” heet. Het brood wordt door het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.Na het middagmaal ofde noonvolgt in den zomer de rusttijd, deungere(Limburg). Het koffie-uurtje heet dan deachterungere. Maar worden de dagen korter, dan vervallen beide: “Sint Mecheel (Michiel) verbuut den ungere en den achterungere”.—Nog dient opgemerkt, dat bij het maal ook deambachtsluiaanzitten, als de boer die aan huis heeft, vooral de kleermaker ofsnieder. Vroeger vooral was het ambacht op de dorpen niet in tel. “De snieder is ene mins,” zegt een Limburgsche spreekwijze, “as hê mit de andere minse oetde kerk kump.” Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, dan luidde de verontwaardigde vraag: “Ben ik soms een wever?” Het laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door hetfamiliefeest. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen der kinderen. Nu doet demeiweer dienst, en steekt men een groene twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende vereert; vandaar de uitdrukking: “iemandbesteken.” Zoo noemde men het eertijds nog “een meisje besteken,” wanneer men ring of klopper van haar huisdeur met groen versierde.Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken aangeboden onder het zingen van:Van avond is ʼt den avondEn morgen is ʼt den dag,Dat men Sint-N. besteken mag.Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de termmeide benaming is van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar plaatselijk is hetbestekenveranderd in hetbestrikkender jarige kinderen, d.i. “kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met linten op den arm vastbinden” (Molema,Wörterb. d. Groningschen Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te pas, zooals nog blijkt uit een doorWaling Dijkstraaangehaald versje:Ik kom u versierenMet kransen en laurieren;Ik bind u met hemelsch lof; enz.In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, is ook dekermis. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers het Middelnederlandschekeremissebeteekent “mis bij ʼt feest van de kerkwijding”, dan ook “viering van dit feest”, en verder “jaarmarkt”, men denke aan deLeipziger Messe. Deze dag toch wordt tot aandenken aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de groote H. Sakraments-processie ofbronkgehouden; meien worden geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den 7denMei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus (11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamdeHollandsche kermis, nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het verflauwen van denfamiliezin aangetast, dan ontaardt de rest en valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, “dat zij bij elkaar op de kermis komen.” Hierbij komt, dat in een groot aantal gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantscheflaai(vla). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, geschuurd, geboend, en wat al niet meer.—Vandaag is ʼt kermisavondMorgen is ʼt kermisdag, dag, dag,Da bierken, da gebrouwen es,Da ich wel drinken mag, mag, mag,zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen—tegenwoordig veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur vervangen—mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen naar hunmolens van plezier. Maar laat ik ookJan Klaassenniet vergeten, en evenmin het bekendekoekslaan, o.a. te Venloo met een stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming:koekhakken.Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Alduswerd “kermis” synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van “kermis” kreeg. Zoo b.v. de Gelderscheöskeskermisin November, ten huize, waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, bl. 45; de Veluwscheschaapskermis, beschreven in den Gelderschen Volksalm. 1862, bl. 151; deMulderskermis; deHaagsche Boschkermis; ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen komen helpen bij het scheren, door “een pootje vast te houden.”Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, met hunAntigoon, JannekenenMieken, GrandʼPapa, Op-Sinjoorken,deGroote Turkenz. Nòg verschijnt te Hasselt deLange Man (Don Christoffel) en te VenlooValuasen zijn vrouw. Deze trekken op met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de kermis is het groote gilde-feest.Met name deschuttersgilden(vgl. bl. 200) trekken dan uit, zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche en Brabantschejonkhedenmet hun kapitein en andere gezagvoerders, zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, decramignon, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij de hand vast en vormen, met den kapiteinaan de spits, een lange rij, die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der afgestorven leden en eereleden geweersalvoʼs worden gelost.Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het gilde wordt meestal devogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de dorpsmeisjesgepeeld(opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter plaatse op dewip, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen,het zilver,het hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, keert hij triomfeerend huiswaarts, ʼs Avonds wordt gedanst; vooral de carré-dans staat in eere.Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid vereischt van den vaandrig bij hetvaandel- ofvendeldraaien,dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking “kwalijk het vendel met iemand kunnen draaien”, d.i. het met iemand niet goed kunnen vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lidingevendeld, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een onwaardig lid uit het gild (ofguld) “getrommeld”: een geldstukje wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, tot het er van afspringt.Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamdevreisjpeelgehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de meisjes van ʼt kerkplein naar een herberg, waar gedanst en gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, tebritsen, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, te tuchtigen. Nog dient vermeld hetdraakstekente Heel en te Beesel (L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies een onmisbaar element.Albrecht Dürerzag hem te Antwerpen, terwijl de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, de eenige overblijfselen,—afgezien van de spreekwijze “met iemand den draak steken”.Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier in triomf weg.Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven,Machielke begraven:een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt hetkermiskiendjebegraven. Men vergelijke “den winter begraven” enz., en den Blitterswijkschendoodendans(bl. 166). In Vlaanderen “begraaft” men den laatsten kermisdag,kermis-kaluitgeheeten, “het hespebeen”;ook houdt men wel een verkoop van ledige beurzen.Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding gaf, is ook despinning, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende de lange wintermaanden—die in huiselijke gezinnen meestal door gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel worden gekort—kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen—want het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,—maar des te meer gezongen en—gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 407 vlg.Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de bovengenoemde; het ispandverbeuren, bezemjagenin den Achterhoek,buurt of slagein Drente,zökskes liggenofden rooden hoan jagenin zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bijbuurt of slagemoeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschrevenslofje onder.IV. Landbouw en veeteelt.Debuurtschapis van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, “den Heer van de buurt”, zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: “Een goede buur is beter dan een verre vriend”.De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar deput—zoo heet daar de buurtgemeenschap—een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. Denoodnoaberszijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, “uitgedaan” worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet;bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,—steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als ʼt varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant “het varken prijzen”.Vaste gebruiken kent men ook bij hetverhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:Te N. willen wij niet wonen,Daar zijn de wijven te kwaad,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn ze beter van aard.Of wel:Te N. willen wij niet wonen,Daar is ʼt een arrem land,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn rozen geplant.Of wel:Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve Gerritje,Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve meid.Wat zullen wij daar drinken enz.Brandewijn met suiker enz.Wie zal dat betalen enz.De boer, dien wij gaan halen enz.Waar zal hij dat halen enz.Al uit zijn linnen beursje enz.Wat zullen wij daar eten enz.Rijstepap met suiker enz.Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt “kjoeuw”.Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,—trouwenselkenieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: “den bezem uitsteken.” Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land hetintrekkingsmoalgenoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt “en andere”; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijkevuurbeuten, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk—maar jonger—ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk,bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt ʼs avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe bureninbranden. Het onthaal draagt den naam van deoverhaalfeeste; zie Loquela XII, bl. 69.Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet danschildverteren.Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.De gezellige bijeenkomsten dragen den naam vanbuurtingofbuuravond; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heetbierofmaal, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Ditbieris een echt Nederduitsch instituut; zie ookWinkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men hetgeboorte- ofkinderbier, Frieschbernebjiar, hetmeibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier, bij begrafenissen hetdoodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier, Frieschleedbjiarentreastelbjiar, ook welloofbiergenoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving hetverlovingsbier. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men hetpannenbjiar, vergel. de Zeeuwsche uitdrukkingte biere gaeë, zie ookDe Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgschehuulbeeris gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van eenintrekkingsmaal(bij verhuizen), eensteendermaal(bij het aanbrengen van bouwmateriaal), eenrichtemaal(als de gebinten gericht zijn), eenmestmaalenz.Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.—Reeds is voor hetzaaiengezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is despringweek, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd “bij twee lichten” te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel ondereen spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk ʼt Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat delitania maior, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamsteambarvaleplaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25stenMaart werd gehouden ter eere vanRobigo, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft delitania maiorniets gemeen.Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:“zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim”, zegt een Limburgsch spreekwoord.Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat dekoorndaemondoor de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. “De roggehonde loopt er deur”, zegt men dan in de Graafschap, of “de roggemeuje het de varkens oet.” Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (korenmoeder, roggemeisje), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. ZieSartori,Sitte und Brauch II, bl. 87;Mannhardt,Baumkultus, bl. 611;Roggenwolf und Roggenhund2(Danzig 1868),passim;Die Korndämonen (Berlin 1867),passim.Het is een weldoende toon in het volksleven, dat degraanoogst, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:De wumpel de strumpel de kanne met bier,Die hebben we hier op ons pleizier!Zoetemelk met roome,Jan Dirksen is mijn oome,Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,Zoo gaane we mee op het leste voer.(Noord-Holland).Het laatste voer is op de baan,Dat in den boer zijn schuur moet gaan.De luie boeren alleen hebben nog staan.(Oost-Vlaanderen).En nog komt metSint Joapikde boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als ʼt heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: “ʼt Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik”, en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: “Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik”.Eindelijk bindt men delaatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als:korenmoeder, roggewolf, roggehaanenz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigdenhaan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op denoogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamdenHarkelmai, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoontevan hethanenslaanin sommige streken na het oogstfeest—in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!—en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest:stoppelhanen.De laatste schoof wordt ook degeluksgarvegenoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn:de Olle, ʼt Olde Wiefenz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam vanʼt Olde Wief. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door ʼt lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met eenmei, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich opZichtezondagaan bier en zoete melk. Elders wordtalleen de laatste kargemeid. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:Moer, moer, de pan over ʼt vuur!Hier hê wijde leste gervenBoven in de bergen,Boven in de toppe.Wanneer selle wij soppe?Soppe wij van avond niet,Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming vanmartelgaus(of-gans],klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam vanoogstfooie, elders dien vanoogstkermis.Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: hetVergôdendêl,dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: “Frau Godens Anteil”, een hooioffer dus aan Wôdanʼs gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).Hetarenlezenis het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na hetpungelen(aren lezen) huiswaarts keeren:Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,Der was neet meer te kriêgen,Want as der nog meer te kriêgen was,Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint hetdorschen: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:It klitst, it klatst,ʼt Giet juwn toa gest,Op tzies in breaMey ʼt heale gea.(Friesland)[Het klitst en klatst,Het gaat van avond te gast,Op kaas en broodMet het halve dorp].Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant vanCremerʼsBetuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:Lange vlegel, wonderklop,Sloa dʼr helder lochtig opVief en twintig duuzend slag,Ielken korten wienterdag,Met verdrag.Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling vanKarlBücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van denlaatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit dedrobbelslag. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen denhooi-oogst.Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd—en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,—het zwaluwgetjilp nabootsend:Verleden jaar, toen ik hier was,Was dit vak vol en dat vak vol,En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.Of wel:Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,verslierd, verslierd.Men vergelijke het Brunswijksche:As ik weggung, as ik weggung,Was dit fak vull, was dat fak vull,As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,Was alles verslickert, verslüert.Laat ik nog vermelden denvlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; denhopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk denkoolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, eenmeiwerd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog deaardappelfooi, vroeger in de omstreken van Breda deboekweitfooi, vergel. de Antwerpschepataatfooi, naast de Vlaamscheoogst- vlas-enzaadfooi(bl. 283). Het woordfooiheeft hier de beteekenis van “afscheidsmaal”, die ook het Middelnederl.foy, voybezat. Een nog oudere beteekenis is “reis, weg”; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Franschevoie: “reis, reispenning, teerpenning.”ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70;Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154;Schrijnen, in Limburgʼs Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H.Welters, Feesten enz.; bl. 50;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 261.Deveeteeltis reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.Vooral depaardenstaan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules.Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. Dekoeienen schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: “Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo”. Dit “Alio, alleli” dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijnhondenkat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl.90,253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, dehaanbij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds opbl. 96en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan debijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.
III. Huiselijk Verkeer.Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig aan het spreekwoord: “Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat.” Dat ditintrouwenniet altijd in peis en vree verloopt, getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat “de bliksem en de introuw nog niet beschreven zijn.”Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur—meestal van de slaapkamer—hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als “God ziet mij” en “Hier vloekt men niet”; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is veelal een gekleurde plaat bevestigd, deHuiszegen, waarop een gebed bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift en een psalm- of gezangvers, dat ʼs morgens of ʼs avonds gelezen kan worden. Aan de achterzijde vindt menmeestal korte verhaaltjes, aan het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens der heiligen voorkomen.Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag metgebed; en hier wordt “gezin” genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de “geloovige zielen”, met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers bij gezongen.Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeftKarel de Grouxhet familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijnBénédicité.In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan nog een klein gebed, b.v. “Heere, zegen deze spijs en drank, Amen”, of “Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen”.—Van zulk een hoofdmaaltijd—tegen het middaguur—vormt de brij of pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met pap en aardappels zelfs het eenigevoedsel. Verdere gerechten zijn appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd totstampofpotage, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande onbekend.—Van ouds het voornaamste voedsel is hetbrood, en wel het bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit “brood” genoemd wordt, terwijl het wittebrood “mik” heet. Het brood wordt door het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.Na het middagmaal ofde noonvolgt in den zomer de rusttijd, deungere(Limburg). Het koffie-uurtje heet dan deachterungere. Maar worden de dagen korter, dan vervallen beide: “Sint Mecheel (Michiel) verbuut den ungere en den achterungere”.—Nog dient opgemerkt, dat bij het maal ook deambachtsluiaanzitten, als de boer die aan huis heeft, vooral de kleermaker ofsnieder. Vroeger vooral was het ambacht op de dorpen niet in tel. “De snieder is ene mins,” zegt een Limburgsche spreekwijze, “as hê mit de andere minse oetde kerk kump.” Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, dan luidde de verontwaardigde vraag: “Ben ik soms een wever?” Het laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door hetfamiliefeest. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen der kinderen. Nu doet demeiweer dienst, en steekt men een groene twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende vereert; vandaar de uitdrukking: “iemandbesteken.” Zoo noemde men het eertijds nog “een meisje besteken,” wanneer men ring of klopper van haar huisdeur met groen versierde.Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken aangeboden onder het zingen van:Van avond is ʼt den avondEn morgen is ʼt den dag,Dat men Sint-N. besteken mag.Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de termmeide benaming is van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar plaatselijk is hetbestekenveranderd in hetbestrikkender jarige kinderen, d.i. “kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met linten op den arm vastbinden” (Molema,Wörterb. d. Groningschen Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te pas, zooals nog blijkt uit een doorWaling Dijkstraaangehaald versje:Ik kom u versierenMet kransen en laurieren;Ik bind u met hemelsch lof; enz.In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, is ook dekermis. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers het Middelnederlandschekeremissebeteekent “mis bij ʼt feest van de kerkwijding”, dan ook “viering van dit feest”, en verder “jaarmarkt”, men denke aan deLeipziger Messe. Deze dag toch wordt tot aandenken aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de groote H. Sakraments-processie ofbronkgehouden; meien worden geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den 7denMei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus (11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamdeHollandsche kermis, nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het verflauwen van denfamiliezin aangetast, dan ontaardt de rest en valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, “dat zij bij elkaar op de kermis komen.” Hierbij komt, dat in een groot aantal gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantscheflaai(vla). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, geschuurd, geboend, en wat al niet meer.—Vandaag is ʼt kermisavondMorgen is ʼt kermisdag, dag, dag,Da bierken, da gebrouwen es,Da ich wel drinken mag, mag, mag,zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen—tegenwoordig veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur vervangen—mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen naar hunmolens van plezier. Maar laat ik ookJan Klaassenniet vergeten, en evenmin het bekendekoekslaan, o.a. te Venloo met een stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming:koekhakken.Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Alduswerd “kermis” synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van “kermis” kreeg. Zoo b.v. de Gelderscheöskeskermisin November, ten huize, waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, bl. 45; de Veluwscheschaapskermis, beschreven in den Gelderschen Volksalm. 1862, bl. 151; deMulderskermis; deHaagsche Boschkermis; ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen komen helpen bij het scheren, door “een pootje vast te houden.”Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, met hunAntigoon, JannekenenMieken, GrandʼPapa, Op-Sinjoorken,deGroote Turkenz. Nòg verschijnt te Hasselt deLange Man (Don Christoffel) en te VenlooValuasen zijn vrouw. Deze trekken op met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de kermis is het groote gilde-feest.Met name deschuttersgilden(vgl. bl. 200) trekken dan uit, zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche en Brabantschejonkhedenmet hun kapitein en andere gezagvoerders, zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, decramignon, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij de hand vast en vormen, met den kapiteinaan de spits, een lange rij, die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der afgestorven leden en eereleden geweersalvoʼs worden gelost.Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het gilde wordt meestal devogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de dorpsmeisjesgepeeld(opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter plaatse op dewip, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen,het zilver,het hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, keert hij triomfeerend huiswaarts, ʼs Avonds wordt gedanst; vooral de carré-dans staat in eere.Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid vereischt van den vaandrig bij hetvaandel- ofvendeldraaien,dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking “kwalijk het vendel met iemand kunnen draaien”, d.i. het met iemand niet goed kunnen vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lidingevendeld, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een onwaardig lid uit het gild (ofguld) “getrommeld”: een geldstukje wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, tot het er van afspringt.Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamdevreisjpeelgehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de meisjes van ʼt kerkplein naar een herberg, waar gedanst en gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, tebritsen, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, te tuchtigen. Nog dient vermeld hetdraakstekente Heel en te Beesel (L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies een onmisbaar element.Albrecht Dürerzag hem te Antwerpen, terwijl de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, de eenige overblijfselen,—afgezien van de spreekwijze “met iemand den draak steken”.Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier in triomf weg.Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven,Machielke begraven:een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt hetkermiskiendjebegraven. Men vergelijke “den winter begraven” enz., en den Blitterswijkschendoodendans(bl. 166). In Vlaanderen “begraaft” men den laatsten kermisdag,kermis-kaluitgeheeten, “het hespebeen”;ook houdt men wel een verkoop van ledige beurzen.Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding gaf, is ook despinning, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende de lange wintermaanden—die in huiselijke gezinnen meestal door gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel worden gekort—kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen—want het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,—maar des te meer gezongen en—gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 407 vlg.Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de bovengenoemde; het ispandverbeuren, bezemjagenin den Achterhoek,buurt of slagein Drente,zökskes liggenofden rooden hoan jagenin zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bijbuurt of slagemoeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschrevenslofje onder.IV. Landbouw en veeteelt.Debuurtschapis van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, “den Heer van de buurt”, zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: “Een goede buur is beter dan een verre vriend”.De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar deput—zoo heet daar de buurtgemeenschap—een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. Denoodnoaberszijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, “uitgedaan” worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet;bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,—steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als ʼt varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant “het varken prijzen”.Vaste gebruiken kent men ook bij hetverhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:Te N. willen wij niet wonen,Daar zijn de wijven te kwaad,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn ze beter van aard.Of wel:Te N. willen wij niet wonen,Daar is ʼt een arrem land,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn rozen geplant.Of wel:Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve Gerritje,Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve meid.Wat zullen wij daar drinken enz.Brandewijn met suiker enz.Wie zal dat betalen enz.De boer, dien wij gaan halen enz.Waar zal hij dat halen enz.Al uit zijn linnen beursje enz.Wat zullen wij daar eten enz.Rijstepap met suiker enz.Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt “kjoeuw”.Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,—trouwenselkenieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: “den bezem uitsteken.” Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land hetintrekkingsmoalgenoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt “en andere”; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijkevuurbeuten, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk—maar jonger—ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk,bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt ʼs avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe bureninbranden. Het onthaal draagt den naam van deoverhaalfeeste; zie Loquela XII, bl. 69.Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet danschildverteren.Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.De gezellige bijeenkomsten dragen den naam vanbuurtingofbuuravond; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heetbierofmaal, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Ditbieris een echt Nederduitsch instituut; zie ookWinkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men hetgeboorte- ofkinderbier, Frieschbernebjiar, hetmeibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier, bij begrafenissen hetdoodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier, Frieschleedbjiarentreastelbjiar, ook welloofbiergenoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving hetverlovingsbier. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men hetpannenbjiar, vergel. de Zeeuwsche uitdrukkingte biere gaeë, zie ookDe Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgschehuulbeeris gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van eenintrekkingsmaal(bij verhuizen), eensteendermaal(bij het aanbrengen van bouwmateriaal), eenrichtemaal(als de gebinten gericht zijn), eenmestmaalenz.Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.—Reeds is voor hetzaaiengezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is despringweek, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd “bij twee lichten” te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel ondereen spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk ʼt Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat delitania maior, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamsteambarvaleplaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25stenMaart werd gehouden ter eere vanRobigo, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft delitania maiorniets gemeen.Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:“zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim”, zegt een Limburgsch spreekwoord.Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat dekoorndaemondoor de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. “De roggehonde loopt er deur”, zegt men dan in de Graafschap, of “de roggemeuje het de varkens oet.” Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (korenmoeder, roggemeisje), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. ZieSartori,Sitte und Brauch II, bl. 87;Mannhardt,Baumkultus, bl. 611;Roggenwolf und Roggenhund2(Danzig 1868),passim;Die Korndämonen (Berlin 1867),passim.Het is een weldoende toon in het volksleven, dat degraanoogst, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:De wumpel de strumpel de kanne met bier,Die hebben we hier op ons pleizier!Zoetemelk met roome,Jan Dirksen is mijn oome,Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,Zoo gaane we mee op het leste voer.(Noord-Holland).Het laatste voer is op de baan,Dat in den boer zijn schuur moet gaan.De luie boeren alleen hebben nog staan.(Oost-Vlaanderen).En nog komt metSint Joapikde boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als ʼt heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: “ʼt Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik”, en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: “Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik”.Eindelijk bindt men delaatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als:korenmoeder, roggewolf, roggehaanenz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigdenhaan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op denoogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamdenHarkelmai, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoontevan hethanenslaanin sommige streken na het oogstfeest—in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!—en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest:stoppelhanen.De laatste schoof wordt ook degeluksgarvegenoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn:de Olle, ʼt Olde Wiefenz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam vanʼt Olde Wief. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door ʼt lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met eenmei, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich opZichtezondagaan bier en zoete melk. Elders wordtalleen de laatste kargemeid. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:Moer, moer, de pan over ʼt vuur!Hier hê wijde leste gervenBoven in de bergen,Boven in de toppe.Wanneer selle wij soppe?Soppe wij van avond niet,Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming vanmartelgaus(of-gans],klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam vanoogstfooie, elders dien vanoogstkermis.Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: hetVergôdendêl,dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: “Frau Godens Anteil”, een hooioffer dus aan Wôdanʼs gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).Hetarenlezenis het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na hetpungelen(aren lezen) huiswaarts keeren:Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,Der was neet meer te kriêgen,Want as der nog meer te kriêgen was,Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint hetdorschen: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:It klitst, it klatst,ʼt Giet juwn toa gest,Op tzies in breaMey ʼt heale gea.(Friesland)[Het klitst en klatst,Het gaat van avond te gast,Op kaas en broodMet het halve dorp].Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant vanCremerʼsBetuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:Lange vlegel, wonderklop,Sloa dʼr helder lochtig opVief en twintig duuzend slag,Ielken korten wienterdag,Met verdrag.Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling vanKarlBücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van denlaatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit dedrobbelslag. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen denhooi-oogst.Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd—en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,—het zwaluwgetjilp nabootsend:Verleden jaar, toen ik hier was,Was dit vak vol en dat vak vol,En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.Of wel:Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,verslierd, verslierd.Men vergelijke het Brunswijksche:As ik weggung, as ik weggung,Was dit fak vull, was dat fak vull,As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,Was alles verslickert, verslüert.Laat ik nog vermelden denvlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; denhopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk denkoolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, eenmeiwerd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog deaardappelfooi, vroeger in de omstreken van Breda deboekweitfooi, vergel. de Antwerpschepataatfooi, naast de Vlaamscheoogst- vlas-enzaadfooi(bl. 283). Het woordfooiheeft hier de beteekenis van “afscheidsmaal”, die ook het Middelnederl.foy, voybezat. Een nog oudere beteekenis is “reis, weg”; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Franschevoie: “reis, reispenning, teerpenning.”ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70;Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154;Schrijnen, in Limburgʼs Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H.Welters, Feesten enz.; bl. 50;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 261.Deveeteeltis reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.Vooral depaardenstaan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules.Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. Dekoeienen schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: “Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo”. Dit “Alio, alleli” dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijnhondenkat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl.90,253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, dehaanbij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds opbl. 96en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan debijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.
III. Huiselijk Verkeer.Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig aan het spreekwoord: “Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat.” Dat ditintrouwenniet altijd in peis en vree verloopt, getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat “de bliksem en de introuw nog niet beschreven zijn.”Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur—meestal van de slaapkamer—hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als “God ziet mij” en “Hier vloekt men niet”; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is veelal een gekleurde plaat bevestigd, deHuiszegen, waarop een gebed bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift en een psalm- of gezangvers, dat ʼs morgens of ʼs avonds gelezen kan worden. Aan de achterzijde vindt menmeestal korte verhaaltjes, aan het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens der heiligen voorkomen.Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag metgebed; en hier wordt “gezin” genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de “geloovige zielen”, met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers bij gezongen.Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeftKarel de Grouxhet familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijnBénédicité.In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan nog een klein gebed, b.v. “Heere, zegen deze spijs en drank, Amen”, of “Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen”.—Van zulk een hoofdmaaltijd—tegen het middaguur—vormt de brij of pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met pap en aardappels zelfs het eenigevoedsel. Verdere gerechten zijn appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd totstampofpotage, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande onbekend.—Van ouds het voornaamste voedsel is hetbrood, en wel het bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit “brood” genoemd wordt, terwijl het wittebrood “mik” heet. Het brood wordt door het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.Na het middagmaal ofde noonvolgt in den zomer de rusttijd, deungere(Limburg). Het koffie-uurtje heet dan deachterungere. Maar worden de dagen korter, dan vervallen beide: “Sint Mecheel (Michiel) verbuut den ungere en den achterungere”.—Nog dient opgemerkt, dat bij het maal ook deambachtsluiaanzitten, als de boer die aan huis heeft, vooral de kleermaker ofsnieder. Vroeger vooral was het ambacht op de dorpen niet in tel. “De snieder is ene mins,” zegt een Limburgsche spreekwijze, “as hê mit de andere minse oetde kerk kump.” Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, dan luidde de verontwaardigde vraag: “Ben ik soms een wever?” Het laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door hetfamiliefeest. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen der kinderen. Nu doet demeiweer dienst, en steekt men een groene twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende vereert; vandaar de uitdrukking: “iemandbesteken.” Zoo noemde men het eertijds nog “een meisje besteken,” wanneer men ring of klopper van haar huisdeur met groen versierde.Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken aangeboden onder het zingen van:Van avond is ʼt den avondEn morgen is ʼt den dag,Dat men Sint-N. besteken mag.Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de termmeide benaming is van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar plaatselijk is hetbestekenveranderd in hetbestrikkender jarige kinderen, d.i. “kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met linten op den arm vastbinden” (Molema,Wörterb. d. Groningschen Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te pas, zooals nog blijkt uit een doorWaling Dijkstraaangehaald versje:Ik kom u versierenMet kransen en laurieren;Ik bind u met hemelsch lof; enz.In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, is ook dekermis. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers het Middelnederlandschekeremissebeteekent “mis bij ʼt feest van de kerkwijding”, dan ook “viering van dit feest”, en verder “jaarmarkt”, men denke aan deLeipziger Messe. Deze dag toch wordt tot aandenken aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de groote H. Sakraments-processie ofbronkgehouden; meien worden geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den 7denMei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus (11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamdeHollandsche kermis, nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het verflauwen van denfamiliezin aangetast, dan ontaardt de rest en valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, “dat zij bij elkaar op de kermis komen.” Hierbij komt, dat in een groot aantal gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantscheflaai(vla). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, geschuurd, geboend, en wat al niet meer.—Vandaag is ʼt kermisavondMorgen is ʼt kermisdag, dag, dag,Da bierken, da gebrouwen es,Da ich wel drinken mag, mag, mag,zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen—tegenwoordig veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur vervangen—mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen naar hunmolens van plezier. Maar laat ik ookJan Klaassenniet vergeten, en evenmin het bekendekoekslaan, o.a. te Venloo met een stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming:koekhakken.Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Alduswerd “kermis” synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van “kermis” kreeg. Zoo b.v. de Gelderscheöskeskermisin November, ten huize, waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, bl. 45; de Veluwscheschaapskermis, beschreven in den Gelderschen Volksalm. 1862, bl. 151; deMulderskermis; deHaagsche Boschkermis; ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen komen helpen bij het scheren, door “een pootje vast te houden.”Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, met hunAntigoon, JannekenenMieken, GrandʼPapa, Op-Sinjoorken,deGroote Turkenz. Nòg verschijnt te Hasselt deLange Man (Don Christoffel) en te VenlooValuasen zijn vrouw. Deze trekken op met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de kermis is het groote gilde-feest.Met name deschuttersgilden(vgl. bl. 200) trekken dan uit, zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche en Brabantschejonkhedenmet hun kapitein en andere gezagvoerders, zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, decramignon, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij de hand vast en vormen, met den kapiteinaan de spits, een lange rij, die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der afgestorven leden en eereleden geweersalvoʼs worden gelost.Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het gilde wordt meestal devogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de dorpsmeisjesgepeeld(opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter plaatse op dewip, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen,het zilver,het hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, keert hij triomfeerend huiswaarts, ʼs Avonds wordt gedanst; vooral de carré-dans staat in eere.Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid vereischt van den vaandrig bij hetvaandel- ofvendeldraaien,dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking “kwalijk het vendel met iemand kunnen draaien”, d.i. het met iemand niet goed kunnen vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lidingevendeld, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een onwaardig lid uit het gild (ofguld) “getrommeld”: een geldstukje wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, tot het er van afspringt.Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamdevreisjpeelgehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de meisjes van ʼt kerkplein naar een herberg, waar gedanst en gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, tebritsen, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, te tuchtigen. Nog dient vermeld hetdraakstekente Heel en te Beesel (L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies een onmisbaar element.Albrecht Dürerzag hem te Antwerpen, terwijl de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, de eenige overblijfselen,—afgezien van de spreekwijze “met iemand den draak steken”.Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier in triomf weg.Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven,Machielke begraven:een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt hetkermiskiendjebegraven. Men vergelijke “den winter begraven” enz., en den Blitterswijkschendoodendans(bl. 166). In Vlaanderen “begraaft” men den laatsten kermisdag,kermis-kaluitgeheeten, “het hespebeen”;ook houdt men wel een verkoop van ledige beurzen.Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding gaf, is ook despinning, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende de lange wintermaanden—die in huiselijke gezinnen meestal door gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel worden gekort—kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen—want het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,—maar des te meer gezongen en—gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 407 vlg.Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de bovengenoemde; het ispandverbeuren, bezemjagenin den Achterhoek,buurt of slagein Drente,zökskes liggenofden rooden hoan jagenin zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bijbuurt of slagemoeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschrevenslofje onder.
Maar de liefde rijpt, en een nieuw, rijk en vruchtbaar leven: het huiselijk verkeersleven, neemt een aanvang. Zijn de jonge lieden bij de oude lui ingetrouwd, dan worden door deze voorwaarden gesteld; vooral de Drentsche boer staat niet graag zijn hoeve af, gedachtig aan het spreekwoord: “Men moet zich niet uitkleeden, voor men naar bed gaat.” Dat ditintrouwenniet altijd in peis en vree verloopt, getuigt het Limburgsche spreekwoord, dat “de bliksem en de introuw nog niet beschreven zijn.”
Wordt de echt gezegend en moeten vader en moeder zich reppen om hongerige mondjes te vullen, dan ontplooit zich het bedrijvige huiselijke leven in zijn vollen omvang. Het vrome echtpaar stelt prijs op Gods zegen, die het huis moge schutten, het onheil afwere en den arbeid doe gedijen. In katholieke streken wordt het huis ingezegend, het kruisbeeld prijkt boven den schoorsteenmantel, en daarop of op de kast staan enkele heiligen-beeldjes. Naast de deur—meestal van de slaapkamer—hangt een wijwatervaatje met gewijde palm; en in den kersttijd vindt men veelal nog een Stalletje van Bethlehem en in de meimaand een versierd Mariabeeld, waarbij gebeden en gezongen wordt. Aan den wand hangen ingelijste woorden, als “God ziet mij” en “Hier vloekt men niet”; en tegen de binnenzijde van de kastdeur is veelal een gekleurde plaat bevestigd, deHuiszegen, waarop een gebed bij tijden van onweêr: dan wordt ook de gewijde kaars ontstoken, die tevens als doodenkaars dienst doet. De wandkaarten bij de protestanten bevatten meestal korte teksten uit den Bijbel. Op de scheurkalenders vindt men een tekst uit de H. Schrift met een korte verklaring ervan op de voorzijde, tegelijk met een opgave van het gedeelte der H. Schrift en een psalm- of gezangvers, dat ʼs morgens of ʼs avonds gelezen kan worden. Aan de achterzijde vindt menmeestal korte verhaaltjes, aan het Christelijk leven, of geschiedenissen, aan de Zending ontleend; terwijl op roomsche scheurkalenders naast Schriftuurteksten veelal citaten uit kerkelijke schrijvers of korte verhalen uit de levens der heiligen voorkomen.
Het Christelijk gezin begint en eindigt den dag metgebed; en hier wordt “gezin” genomen in ruimsten omvang, want, zitten nog slechts op het platte land veelal de knechts en meiden mee aan den disch, bij de gebedsstonden pleegt ook elders de vrome huisvader de onderhoorigen met de andere huisgenooten te vergaderen. Des avonds wordt in vele katholieke gezinnen gezamenlijk de Rozenkrans gebeden, onverminderd het gewone avondgebed; ook laat men zelden na, des avonds te bidden voor de “geloovige zielen”, met name van de afgestorven bloedverwanten. Bij de vrome protestanten is het regel, dat dagelijks de Bijbel gelezen wordt. In sommige families geschiedt dit eenmaal daags, vóor of na het ontbijt, in andere tweemaal, nl. ook des avonds vóor het naar bed gaan, in weer andere driemaal, nl. ook na het middageten. Bij velen wordt, nadat een kapittel uit de H. Schrift of een gedeelte daarvan gelezen is, ook nog een stuk uit een Christelijk dagboek gelezen. Soms, als men een huisorgel bezit, wordt er een psalmvers of een gezangvers bij gezongen.
Vóor elken maaltijd wordt gebeden, na elken maaltijd gedankt, waarbij allen de handen vouwen en de oogen sluiten. Treffend heeftKarel de Grouxhet familiale gebed vóor het eten afgebeeld in zijnBénédicité.In katholieke gezinnen bidt men na het kruisteeken een Onze Vader en een Wees Gegroet: de vader of het jongste kind bidt voor, en allen antwoorden met luider stem. Waar in protestantsche gezinnen de huisvader hard op bidt en dankt, is het gebed een zoogenaamd vrij gebed, dat in sommige gezinnen zelfs zeer lang kan zijn, of er wordt een formuliergebed gebruikt. Meestal spreken de jonge kinderen dan nog een klein gebed, b.v. “Heere, zegen deze spijs en drank, Amen”, of “Heere, wij danken U voor deze spijs en drank, Amen”.—Van zulk een hoofdmaaltijd—tegen het middaguur—vormt de brij of pap op het land een voornaam bestanddeel. Des avonds is brood met pap en aardappels zelfs het eenigevoedsel. Verdere gerechten zijn appelenpap, weggenmelk (van gedroogd wittebrood), spek, pannekoek enz. De middagpot bestaat veelal uit boonen- of erwtensoep, aardappelen met groenten, of ook met kool, boonen enz. vermengd totstampofpotage, en vaak een stukje spek of vleesch. Uit een gemeenschappelijken schotel wordt nog veelal gegeten, als het aardappelen geldt met saus. Dan plaatst men midden op tafel de kom met aardappelen en een bakje saus. Met stalen vorken worden nu de aardappelen geprikt en in de saus gedompeld. Ook pap wordt veelal uit éen schotel gegeten; een tafellaken is ten platten lande onbekend.—Van ouds het voornaamste voedsel is hetbrood, en wel het bruine roggebrood, zoozeer, dat b.v. in Limburg slechts dit “brood” genoemd wordt, terwijl het wittebrood “mik” heet. Het brood wordt door het volk dankbaar geëerd als de goede gave Gods. Daarom drukt de boerin met den vinger een kruisje in het deeg; daarom maakt zij met het mes een kruis op de onderzijde van het brood, vóor zij het aansnijdt; daarom leert zij de kinderen, nooit een kruimel te laten verloren gaan. Want, gaat de vader zijn kroost voor in noeste werkzaamheid en voedt hij het op tot karaktervastheid en plichtsbetrachting, de moeder vooral kweekt vroomheid en godsdienstzin, en tempert de strengheid van het vaderlijk gezag met zacht beleid en trouwhartige, zorgzame liefde.
Na het middagmaal ofde noonvolgt in den zomer de rusttijd, deungere(Limburg). Het koffie-uurtje heet dan deachterungere. Maar worden de dagen korter, dan vervallen beide: “Sint Mecheel (Michiel) verbuut den ungere en den achterungere”.—Nog dient opgemerkt, dat bij het maal ook deambachtsluiaanzitten, als de boer die aan huis heeft, vooral de kleermaker ofsnieder. Vroeger vooral was het ambacht op de dorpen niet in tel. “De snieder is ene mins,” zegt een Limburgsche spreekwijze, “as hê mit de andere minse oetde kerk kump.” Lager nog stond de wever: in de herberg kreeg hij nimmer een gaaf glas. Werd aan een ander bij geval zulk een glas gebracht, dan luidde de verontwaardigde vraag: “Ben ik soms een wever?” Het laagst stond de vilder: hij mocht de herberg niet binnenkomen, maar bleef in de gang staan, waar hem het bier gebracht werd.
Voor eentonigheid en kleurloosheid wordt het gezinsleven behoed door hetfamiliefeest. Oorspronkelijk en op de allereerste plaats was dit het naam- of patroonfeest van de ouders, later in Noord-Nederland door de verjaardagen vervangen; dan ook het naamfeest en de verjaardagen der kinderen. Nu doet demeiweer dienst, en steekt men een groene twijg, later een ruiker, in een koek, dien men de(n) feestvierende vereert; vandaar de uitdrukking: “iemandbesteken.” Zoo noemde men het eertijds nog “een meisje besteken,” wanneer men ring of klopper van haar huisdeur met groen versierde.
Op den vooravond van het patroonfeest worden plechtig de geschenken aangeboden onder het zingen van:
Van avond is ʼt den avondEn morgen is ʼt den dag,Dat men Sint-N. besteken mag.
Van avond is ʼt den avondEn morgen is ʼt den dag,Dat men Sint-N. besteken mag.
Van avond is ʼt den avond
En morgen is ʼt den dag,
Dat men Sint-N. besteken mag.
Vandaar, dat in Midden- en Zuid-Limburg de termmeide benaming is van het geschenk op den vooravond, en van het naamfeest zelf.
De viering van den verjaardag mist doorgaans alle kleur. Maar plaatselijk is hetbestekenveranderd in hetbestrikkender jarige kinderen, d.i. “kinderen op hun verjaardag een stuk koek enz. met linten op den arm vastbinden” (Molema,Wörterb. d. Groningschen Mundart, bl. 32). Maar oorspronkelijk kwamen er groen en kransen bij te pas, zooals nog blijkt uit een doorWaling Dijkstraaangehaald versje:
Ik kom u versierenMet kransen en laurieren;Ik bind u met hemelsch lof; enz.
Ik kom u versierenMet kransen en laurieren;Ik bind u met hemelsch lof; enz.
Ik kom u versieren
Met kransen en laurieren;
Ik bind u met hemelsch lof; enz.
In wezen een familiefeest, met een kerkelijk feest eng verbonden, is ook dekermis. Het is een gedenkfeest der kerkwijding; immers het Middelnederlandschekeremissebeteekent “mis bij ʼt feest van de kerkwijding”, dan ook “viering van dit feest”, en verder “jaarmarkt”, men denke aan deLeipziger Messe. Deze dag toch wordt tot aandenken aan de stichting der kerk of van haar patroonfeest door een plechtige hoogmis opgeluisterd. Tevens wordt in het zuidelijk volksgebied de groote H. Sakraments-processie ofbronkgehouden; meien worden geplant langs den geheelen weg, dien de processie nemen zal.
Vele oude kermissen herinneren nog heden ten dage aan den dag van de oprichting der gemeente als parochie en van de inwijding der kerk. Den 7denMei 1777 verordenden de Generale Staten, dat in hun gebied, in de landen van Overmaas, alle kermissen op Zondag na Sint-Martinus (11 Nov.) zouden plaats hebben en niet langer dan drie dagen zouden duren. Vandaar ontstond in Limburg de zoogenaamdeHollandsche kermis, nog heden bewaard te Heerlen, Meersen, Bunde, Geulle, Beek, Voerendaal, Itteren, Hulsberg, Klimmen, Margraten, Ubagsberg enz.
De kerkmis trok bezoekers uit de naburige dorpen en van elders; de toevloed van vreemden bracht markt en handel mee, en zoo trad het wereldlijk element naast het kerkelijke, om dit ten slotte verre te overvleugelen. In de groote steden met haar hoogere kuituur is de kermis zelfs dermate ontaard in formaliteiten en losbandigheden, dat men ze op verscheidene plaatsen wijselijk heeft afgeschaft.
Maar in de kleine steden en dorpen, van ons zuidelijk gebied vooral, daar viert zij nog hoogtij; daar kan men zeggen: geen plaats zonder kermis, ja sommige plaatsen hebben er twee. De wereldsche feestviering bestaat uit een groot komplex van overgeleverde gebruiken, genietingen en vermakelijkheden, van welke de familiale feestviering de kern vormt: wordt deze door het verslappen der gemeenschapsbanden of het verflauwen van denfamiliezin aangetast, dan ontaardt de rest en valt spoedig uiteen. Verwante of bevriende gezinnen, uren ver van elkaar verwijderd, vinden op kermisdag de gelegenheid, de familie- en vriendschapsbanden nauwer aan te halen. Ten bewijze, dat twee gezinnen met elkaar bevriend zijn, zegt men dan ook, “dat zij bij elkaar op de kermis komen.” Hierbij komt, dat in een groot aantal gevallen de gedachtenisviering der kerkwijding zich met gebruiken uit het oogstfeest verbonden heeft, dat, zooals wij weten, een bij uitstek intiem karakter droeg. Vandaar ook wellicht de overvloed van gerechten: taart, knapkoek, krentenmik, rijstepap enz.; het kermisgerecht bij uitstek is echter de Limburgsche en Brabantscheflaai(vla). Het kermismaal is een gebeurtenis van gewicht voor het geheele gezin, en voor de zorgzame huisvrouw in het bijzonder: met het oog hierop wordt het heele huis van onder tot boven geschrobd, geschuurd, geboend, en wat al niet meer.—
Vandaag is ʼt kermisavondMorgen is ʼt kermisdag, dag, dag,Da bierken, da gebrouwen es,Da ich wel drinken mag, mag, mag,
Vandaag is ʼt kermisavondMorgen is ʼt kermisdag, dag, dag,Da bierken, da gebrouwen es,Da ich wel drinken mag, mag, mag,
Vandaag is ʼt kermisavond
Morgen is ʼt kermisdag, dag, dag,
Da bierken, da gebrouwen es,
Da ich wel drinken mag, mag, mag,
zingen de kinderen te Hasselt op den vooravond van den lang verbeiden dag. En inderdaad, de kermis is ook een kinderfeest: de markt is dan dicht bezet met kramen en tenten, en vooral de mallemolen—tegenwoordig veelal door vermakelijkheden van hooger volmaaktheid of kultuur vervangen—mag niet ontbreken; in Vlaanderen verlangen de kinderen naar hunmolens van plezier. Maar laat ik ookJan Klaassenniet vergeten, en evenmin het bekendekoekslaan, o.a. te Venloo met een stok, elders met een bijltje, vanwaar de benaming:koekhakken.
Tot de oude kermisvermakelijkheden voor de volwassenen behoort, of behoorde, het ringsteken, het afkeurenswaardige dassenbijten door gedresseerde honden, het ganstrekken of gansrijden, het katknuppelen, haanslaan, mastklimmen, kaatsen, schijfschieten enz. Alduswerd “kermis” synoniem van allerlei pret en vermaak, met het gevolg, dat menig andere ontspanning en feestelijkheid den naam van “kermis” kreeg. Zoo b.v. de Gelderscheöskeskermisin November, ten huize, waar een koe of os geslacht is, vgl. den Gelderschen Volksalm. XXXVI, bl. 45; de Veluwscheschaapskermis, beschreven in den Gelderschen Volksalm. 1862, bl. 151; deMulderskermis; deHaagsche Boschkermis; ja, men spreekt zelfs van een kermis op het ijs. Minder bekend is de Noord-Brabantsche schaapskermis. Als te Reusel de schapen geschoren worder, verzoekt men de kinderen uit de buurt en van de gezinnen, op wier stoppelland de schaapherder zijn kudde drijven mag. De kinderen komen helpen bij het scheren, door “een pootje vast te houden.”
Sedert eeuwen was de kermis onafscheidelijk verbonden met processie en ommegang. Van deze ommegangen verdienen een afzonderlijke vermelding de Reuzen-stoeten van Brussel, Leuven, Antwerpen, Mechelen, Brugge, met hunAntigoon, JannekenenMieken, GrandʼPapa, Op-Sinjoorken,deGroote Turkenz. Nòg verschijnt te Hasselt deLange Man (Don Christoffel) en te VenlooValuasen zijn vrouw. Deze trekken op met het akkermansgilde en voeren ten slotte een dans uit. Immers de kermis is het groote gilde-feest.
Met name deschuttersgilden(vgl. bl. 200) trekken dan uit, zwakke resten van de aloude schuttersgilden met hun heerlijke landjuweelen. Toch schuilt nog heel wat kleur en poëzie, overgeërfde wapentrots en zelfstandigheidsgevoel in het optrekken der Limburgsche en Brabantschejonkhedenmet hun kapitein en andere gezagvoerders, zoowel in als buiten de processie. Te Eysden (L.) trekken de jonkheden van alle gehuchten met haar vaandels in de groote processie, elk achter haar beschermheilige, mee. Des Maandags en Dinsdags worden zielmissen gecelebreerd voor de overleden leden. Daarna heeft een plechtige uittocht plaats naar het kasteel, waar een reidans, decramignon, wordt uitgevoerd: de leden der jonkheid houden elkaar bij de hand vast en vormen, met den kapiteinaan de spits, een lange rij, die zich op de maat der muziek in allerlei slingeringen en bochten wringt. Merkwaardig is het nog, dat door de oude geweerschutterij van het gehucht Oost op Kermismaandag na de zielmis op de graven der afgestorven leden en eereleden geweersalvoʼs worden gelost.
Op Kermismaandag, Pinkstermaandag of op het patroonfeest van het gilde wordt meestal devogel geschoten. In plechtigen stoet trekt de schutterij naar het feestterrein, waar de houten vogel op den mast staat. Maar plaatselijk wordt die vogel ook den dag te voren door de dorpsmeisjesgepeeld(opgesierd), zoo b.v. te Sint Anthonis, gemeente Oploo (N.-B.); in dit geval wordt hij in den stoet mee gedragen en ter plaatse op dewip, d.i. den mast, den schutsboom, geplaatst. Bij raak schieten wordt de trom geroerd. De koning krijgt een premie, maar moet trakteeren, evenals zijn vrouw of aanstaande, die tot koningin verheven wordt. Hij wordt nu bekleed met de versierselen: zilveren halsketen met platen, ruitersabel of staf met zilveren knop, en generaalshoed of kroon. Deze platen, met inskriptie, worden door den koning gegeven en vormen, aaneengeregen,het zilver,het hoofdinsigne van het koningschap. Geflankeerd door zijn adjudanten, keert hij triomfeerend huiswaarts, ʼs Avonds wordt gedanst; vooral de carré-dans staat in eere.
Bij het uittrekken der schuttersgilden wordt een bijzondere vaardigheid vereischt van den vaandrig bij hetvaandel- ofvendeldraaien,dat vóor de kerkdeur en vóor het huis der plaatselijke autoriteiten geschiedt. Vandaar de Vlaamsche uitdrukking “kwalijk het vendel met iemand kunnen draaien”, d.i. het met iemand niet goed kunnen vinden. Ook wordt bij de intrede in het gilde het nieuwe lidingevendeld, d.i. het vaandel hem om het hoofd gezwaaid. Elders heeft een soort van doopsel voor de nieuwe leden plaats. Een groote oneer is het, als lid geschrapt te worden. Te Waalre (N.-B.) wordt een onwaardig lid uit het gild (ofguld) “getrommeld”: een geldstukje wordt op het trommelvel gelegd, en dan wordt zoo lang getrommeld, tot het er van afspringt.
Vroeger werd te Heer (L.) bij gelegenheid der kermis het zoogenaamdevreisjpeelgehouden. Na de hoogmis brachten de jongelui de meisjes van ʼt kerkplein naar een herberg, waar gedanst en gedronken werd. Te midden van den carré-dans maakte men halt, en onder muziek werd een rondgang gehouden door een jongen man met twee schotels, geflankeerd door twee jongelui, elk met een brandende kaars. Gedroeg iemand zich niet ordelijk, dan werd hij door den kapitein gestraft. Deze gaf namelijk order, den schuldige midden in het vertrek neergehurkt en met de handen op den vloer, tebritsen, d.i. met een vierkante lat, in dunne latjes gespleten, te tuchtigen. Nog dient vermeld hetdraakstekente Heel en te Beesel (L.). Vroeger was de ridder met den draak in de optochten en processies een onmisbaar element.Albrecht Dürerzag hem te Antwerpen, terwijl de draak door een dame, die Sint Margriet voorstelde, aan een rood lint voortgetrokken werd. Vooral op de dorpen vermaakten de schutters zich met het spel van Sint Joris-met-den-draak. De vertooningen in genoemde Limburgsche dorpen zijn hiervan, voor zoover mij bekend, de eenige overblijfselen,—afgezien van de spreekwijze “met iemand den draak steken”.
Het monster is gemaakt van gevlochten teenen, met linnen overtrokken, en van geschubde huid en groote vleugels voorzien. Het trekt met de schutterij mee en wordt door een lid van het gilde voortbewogen. De koning van het gilde stelt Sint Joris voor; drie maal rijdt hij op den draak los, en den derden keer treft hij het monster, dat vuur en water braakt. Dan voert een meisje in het wit het bedwongen ondier in triomf weg.
Op Kermisdinsdag wordt te Aalst, bij Eindhoven,Machielke begraven:een strooien pop wordt op de baar gelegd en op het marktveld onder den grond gestopt. Ook aan een lijkrede laat men het niet ontbreken. In Zuid-Limburg (b.v. te Schinnen) wordt hetkermiskiendjebegraven. Men vergelijke “den winter begraven” enz., en den Blitterswijkschendoodendans(bl. 166). In Vlaanderen “begraaft” men den laatsten kermisdag,kermis-kaluitgeheeten, “het hespebeen”;ook houdt men wel een verkoop van ledige beurzen.
Een huiselijk instituut, dat echter tot vele misbruiken aanleiding gaf, is ook despinning, spinnerij, spinnejacht enz. Gedurende de lange wintermaanden—die in huiselijke gezinnen meestal door gezelschapsspelen als ganzebord, domino-, kien-, dam- en kaartspel worden gekort—kwamen sinds overoude tijden de jonge meisjes en soms ook de vrouwen uit de buurt met vlas en spinnewiel in het een of ander ruime vertrek te zamen. Deze spinningen waren het gevolg van het sterkontwikkelde gemeenschaps- en buurtwezen. De jonge dochters werden verzocht, een handje te komen helpen, om door gemeenschappelijken arbeid in éen dag zooveel vlas als mogelijk tot fijne draden te kunnen verwerken. Later trad het liedjes-zingen en sprookjes-vertellen meer op den voorgrond. Naderhand werd eigenlijk weinig meer gesponnen—want het hoog-voorname spinnen raakte in oneere, en een spinnewiel, in de salons te pronk gesteld, kan dit niet verhelpen,—maar des te meer gezongen en—gevrijd: want de spinmalen waren de vrijpartijtjes bij uitstek. Zie Drentsche Volksalm. 1839;Ter Gouw, Volksvermaken, bl. 407 vlg.
Zij bestaan nog, en plaatselijk zelfs in vrij oorspronkelijken vorm, in het Oosten van het land, Brabant, Limburg en Vlaanderen. Gesponnen wordt meestal in den nawinter, van Kerstmis tot Vastenavond. De meisjes spinnen of breien doorgaans van zes tot negen; dan komen de jongens uit de buurt allerlei dwaze streken uithalen, en er wordt gekoosd, gevrijd, gezongen en gesprongen. Ook kort men den tijd wel met gezelschapsspelletjes, maar van geheel anderen aard dan de bovengenoemde; het ispandverbeuren, bezemjagenin den Achterhoek,buurt of slagein Drente,zökskes liggenofden rooden hoan jagenin zuidoostelijk Noordbrabant: te Beers, Schayk, Haps enz. Bijbuurt of slagemoeten de jongelui het meisje, waar zij mee koozen, aan een ander afstaan, op straffe van met de plak geslagen te worden. De beide Brabantsche spelletjes zijn zoekspelen, en slachten het beschrevenslofje onder.
IV. Landbouw en veeteelt.Debuurtschapis van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, “den Heer van de buurt”, zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: “Een goede buur is beter dan een verre vriend”.De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar deput—zoo heet daar de buurtgemeenschap—een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. Denoodnoaberszijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, “uitgedaan” worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet;bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,—steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als ʼt varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant “het varken prijzen”.Vaste gebruiken kent men ook bij hetverhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:Te N. willen wij niet wonen,Daar zijn de wijven te kwaad,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn ze beter van aard.Of wel:Te N. willen wij niet wonen,Daar is ʼt een arrem land,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn rozen geplant.Of wel:Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve Gerritje,Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve meid.Wat zullen wij daar drinken enz.Brandewijn met suiker enz.Wie zal dat betalen enz.De boer, dien wij gaan halen enz.Waar zal hij dat halen enz.Al uit zijn linnen beursje enz.Wat zullen wij daar eten enz.Rijstepap met suiker enz.Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt “kjoeuw”.Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,—trouwenselkenieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: “den bezem uitsteken.” Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land hetintrekkingsmoalgenoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt “en andere”; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijkevuurbeuten, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk—maar jonger—ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk,bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt ʼs avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe bureninbranden. Het onthaal draagt den naam van deoverhaalfeeste; zie Loquela XII, bl. 69.Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet danschildverteren.Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.De gezellige bijeenkomsten dragen den naam vanbuurtingofbuuravond; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heetbierofmaal, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Ditbieris een echt Nederduitsch instituut; zie ookWinkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men hetgeboorte- ofkinderbier, Frieschbernebjiar, hetmeibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier, bij begrafenissen hetdoodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier, Frieschleedbjiarentreastelbjiar, ook welloofbiergenoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving hetverlovingsbier. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men hetpannenbjiar, vergel. de Zeeuwsche uitdrukkingte biere gaeë, zie ookDe Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgschehuulbeeris gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van eenintrekkingsmaal(bij verhuizen), eensteendermaal(bij het aanbrengen van bouwmateriaal), eenrichtemaal(als de gebinten gericht zijn), eenmestmaalenz.Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.—Reeds is voor hetzaaiengezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is despringweek, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd “bij twee lichten” te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel ondereen spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk ʼt Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat delitania maior, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamsteambarvaleplaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25stenMaart werd gehouden ter eere vanRobigo, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft delitania maiorniets gemeen.Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:“zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim”, zegt een Limburgsch spreekwoord.Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat dekoorndaemondoor de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. “De roggehonde loopt er deur”, zegt men dan in de Graafschap, of “de roggemeuje het de varkens oet.” Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (korenmoeder, roggemeisje), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. ZieSartori,Sitte und Brauch II, bl. 87;Mannhardt,Baumkultus, bl. 611;Roggenwolf und Roggenhund2(Danzig 1868),passim;Die Korndämonen (Berlin 1867),passim.Het is een weldoende toon in het volksleven, dat degraanoogst, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:De wumpel de strumpel de kanne met bier,Die hebben we hier op ons pleizier!Zoetemelk met roome,Jan Dirksen is mijn oome,Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,Zoo gaane we mee op het leste voer.(Noord-Holland).Het laatste voer is op de baan,Dat in den boer zijn schuur moet gaan.De luie boeren alleen hebben nog staan.(Oost-Vlaanderen).En nog komt metSint Joapikde boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als ʼt heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: “ʼt Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik”, en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: “Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik”.Eindelijk bindt men delaatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als:korenmoeder, roggewolf, roggehaanenz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigdenhaan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op denoogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamdenHarkelmai, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoontevan hethanenslaanin sommige streken na het oogstfeest—in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!—en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest:stoppelhanen.De laatste schoof wordt ook degeluksgarvegenoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn:de Olle, ʼt Olde Wiefenz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam vanʼt Olde Wief. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door ʼt lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met eenmei, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich opZichtezondagaan bier en zoete melk. Elders wordtalleen de laatste kargemeid. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:Moer, moer, de pan over ʼt vuur!Hier hê wijde leste gervenBoven in de bergen,Boven in de toppe.Wanneer selle wij soppe?Soppe wij van avond niet,Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming vanmartelgaus(of-gans],klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam vanoogstfooie, elders dien vanoogstkermis.Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: hetVergôdendêl,dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: “Frau Godens Anteil”, een hooioffer dus aan Wôdanʼs gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).Hetarenlezenis het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na hetpungelen(aren lezen) huiswaarts keeren:Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,Der was neet meer te kriêgen,Want as der nog meer te kriêgen was,Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint hetdorschen: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:It klitst, it klatst,ʼt Giet juwn toa gest,Op tzies in breaMey ʼt heale gea.(Friesland)[Het klitst en klatst,Het gaat van avond te gast,Op kaas en broodMet het halve dorp].Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant vanCremerʼsBetuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:Lange vlegel, wonderklop,Sloa dʼr helder lochtig opVief en twintig duuzend slag,Ielken korten wienterdag,Met verdrag.Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling vanKarlBücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van denlaatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit dedrobbelslag. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen denhooi-oogst.Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd—en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,—het zwaluwgetjilp nabootsend:Verleden jaar, toen ik hier was,Was dit vak vol en dat vak vol,En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.Of wel:Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,verslierd, verslierd.Men vergelijke het Brunswijksche:As ik weggung, as ik weggung,Was dit fak vull, was dat fak vull,As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,Was alles verslickert, verslüert.Laat ik nog vermelden denvlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; denhopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk denkoolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, eenmeiwerd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog deaardappelfooi, vroeger in de omstreken van Breda deboekweitfooi, vergel. de Antwerpschepataatfooi, naast de Vlaamscheoogst- vlas-enzaadfooi(bl. 283). Het woordfooiheeft hier de beteekenis van “afscheidsmaal”, die ook het Middelnederl.foy, voybezat. Een nog oudere beteekenis is “reis, weg”; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Franschevoie: “reis, reispenning, teerpenning.”ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70;Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154;Schrijnen, in Limburgʼs Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H.Welters, Feesten enz.; bl. 50;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 261.Deveeteeltis reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.Vooral depaardenstaan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules.Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. Dekoeienen schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: “Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo”. Dit “Alio, alleli” dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijnhondenkat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl.90,253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, dehaanbij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds opbl. 96en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan debijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.
Debuurtschapis van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer- en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, “den Heer van de buurt”, zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: “Een goede buur is beter dan een verre vriend”.
De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar deput—zoo heet daar de buurtgemeenschap—een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.
Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. Denoodnoaberszijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, “uitgedaan” worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet;bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,—steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als ʼt varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant “het varken prijzen”.
Vaste gebruiken kent men ook bij hetverhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:
Te N. willen wij niet wonen,Daar zijn de wijven te kwaad,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn ze beter van aard.
Te N. willen wij niet wonen,Daar zijn de wijven te kwaad,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn ze beter van aard.
Te N. willen wij niet wonen,
Daar zijn de wijven te kwaad,
Maar te N. willen wij wonen,
Daar zijn ze beter van aard.
Of wel:
Te N. willen wij niet wonen,Daar is ʼt een arrem land,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn rozen geplant.
Te N. willen wij niet wonen,Daar is ʼt een arrem land,Maar te N. willen wij wonen,Daar zijn rozen geplant.
Te N. willen wij niet wonen,
Daar is ʼt een arrem land,
Maar te N. willen wij wonen,
Daar zijn rozen geplant.
Of wel:
Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve Gerritje,Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve meid.
Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve Gerritje,Dat gaat naar Den Bosch toe,Zoete lieve meid.
Dat gaat naar Den Bosch toe,
Zoete lieve Gerritje,
Dat gaat naar Den Bosch toe,
Zoete lieve meid.
Wat zullen wij daar drinken enz.Brandewijn met suiker enz.Wie zal dat betalen enz.De boer, dien wij gaan halen enz.Waar zal hij dat halen enz.Al uit zijn linnen beursje enz.Wat zullen wij daar eten enz.Rijstepap met suiker enz.
Wat zullen wij daar drinken enz.Brandewijn met suiker enz.Wie zal dat betalen enz.De boer, dien wij gaan halen enz.Waar zal hij dat halen enz.Al uit zijn linnen beursje enz.Wat zullen wij daar eten enz.Rijstepap met suiker enz.
Wat zullen wij daar drinken enz.
Brandewijn met suiker enz.
Wie zal dat betalen enz.
De boer, dien wij gaan halen enz.
Waar zal hij dat halen enz.
Al uit zijn linnen beursje enz.
Wat zullen wij daar eten enz.
Rijstepap met suiker enz.
Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt “kjoeuw”.
Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,—trouwenselkenieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: “den bezem uitsteken.” Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land hetintrekkingsmoalgenoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt “en andere”; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.
Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijkevuurbeuten, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk—maar jonger—ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk,bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt ʼs avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe bureninbranden. Het onthaal draagt den naam van deoverhaalfeeste; zie Loquela XII, bl. 69.
Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet danschildverteren.
Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.
De gezellige bijeenkomsten dragen den naam vanbuurtingofbuuravond; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heetbierofmaal, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Ditbieris een echt Nederduitsch instituut; zie ookWinkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men hetgeboorte- ofkinderbier, Frieschbernebjiar, hetmeibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier, bij begrafenissen hetdoodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier, Frieschleedbjiarentreastelbjiar, ook welloofbiergenoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving hetverlovingsbier. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men hetpannenbjiar, vergel. de Zeeuwsche uitdrukkingte biere gaeë, zie ookDe Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgschehuulbeeris gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van eenintrekkingsmaal(bij verhuizen), eensteendermaal(bij het aanbrengen van bouwmateriaal), eenrichtemaal(als de gebinten gericht zijn), eenmestmaalenz.
Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.—
Reeds is voor hetzaaiengezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is despringweek, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd “bij twee lichten” te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).
Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel ondereen spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).
Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk ʼt Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten ...
Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat delitania maior, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamsteambarvaleplaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25stenMaart werd gehouden ter eere vanRobigo, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft delitania maiorniets gemeen.
Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:
“zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim”, zegt een Limburgsch spreekwoord.
Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat dekoorndaemondoor de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. “De roggehonde loopt er deur”, zegt men dan in de Graafschap, of “de roggemeuje het de varkens oet.” Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (korenmoeder, roggemeisje), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. ZieSartori,Sitte und Brauch II, bl. 87;Mannhardt,Baumkultus, bl. 611;Roggenwolf und Roggenhund2(Danzig 1868),passim;Die Korndämonen (Berlin 1867),passim.
Het is een weldoende toon in het volksleven, dat degraanoogst, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:
De wumpel de strumpel de kanne met bier,Die hebben we hier op ons pleizier!Zoetemelk met roome,Jan Dirksen is mijn oome,Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,Zoo gaane we mee op het leste voer.
De wumpel de strumpel de kanne met bier,Die hebben we hier op ons pleizier!Zoetemelk met roome,Jan Dirksen is mijn oome,Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,Zoo gaane we mee op het leste voer.
De wumpel de strumpel de kanne met bier,
Die hebben we hier op ons pleizier!
Zoetemelk met roome,
Jan Dirksen is mijn oome,
Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,
Zoo gaane we mee op het leste voer.
(Noord-Holland).
Het laatste voer is op de baan,Dat in den boer zijn schuur moet gaan.De luie boeren alleen hebben nog staan.
Het laatste voer is op de baan,Dat in den boer zijn schuur moet gaan.De luie boeren alleen hebben nog staan.
Het laatste voer is op de baan,
Dat in den boer zijn schuur moet gaan.
De luie boeren alleen hebben nog staan.
(Oost-Vlaanderen).
En nog komt metSint Joapikde boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als ʼt heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: “ʼt Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik”, en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: “Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik”.
Eindelijk bindt men delaatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als:korenmoeder, roggewolf, roggehaanenz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigdenhaan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op denoogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamdenHarkelmai, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoontevan hethanenslaanin sommige streken na het oogstfeest—in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!—en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest:stoppelhanen.
De laatste schoof wordt ook degeluksgarvegenoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn:de Olle, ʼt Olde Wiefenz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.
Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam vanʼt Olde Wief. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door ʼt lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.
Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met eenmei, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich opZichtezondagaan bier en zoete melk. Elders wordtalleen de laatste kargemeid. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.
In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:
Moer, moer, de pan over ʼt vuur!Hier hê wijde leste gervenBoven in de bergen,Boven in de toppe.Wanneer selle wij soppe?Soppe wij van avond niet,Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.
Moer, moer, de pan over ʼt vuur!Hier hê wijde leste gervenBoven in de bergen,Boven in de toppe.Wanneer selle wij soppe?Soppe wij van avond niet,Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.
Moer, moer, de pan over ʼt vuur!
Hier hê wijde leste gerven
Boven in de bergen,
Boven in de toppe.
Wanneer selle wij soppe?
Soppe wij van avond niet,
Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.
In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming vanmartelgaus(of-gans],klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam vanoogstfooie, elders dien vanoogstkermis.
Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: hetVergôdendêl,dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: “Frau Godens Anteil”, een hooioffer dus aan Wôdanʼs gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).
Hetarenlezenis het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na hetpungelen(aren lezen) huiswaarts keeren:
Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,Der was neet meer te kriêgen,Want as der nog meer te kriêgen was,Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.
Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,Der was neet meer te kriêgen,Want as der nog meer te kriêgen was,Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.
Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,
Der was neet meer te kriêgen,
Want as der nog meer te kriêgen was,
Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.
Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint hetdorschen: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:
It klitst, it klatst,ʼt Giet juwn toa gest,Op tzies in breaMey ʼt heale gea.
It klitst, it klatst,ʼt Giet juwn toa gest,Op tzies in breaMey ʼt heale gea.
It klitst, it klatst,
ʼt Giet juwn toa gest,
Op tzies in brea
Mey ʼt heale gea.
(Friesland)
[Het klitst en klatst,Het gaat van avond te gast,Op kaas en broodMet het halve dorp].
[Het klitst en klatst,Het gaat van avond te gast,Op kaas en broodMet het halve dorp].
[Het klitst en klatst,
Het gaat van avond te gast,
Op kaas en brood
Met het halve dorp].
Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant vanCremerʼsBetuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:
Lange vlegel, wonderklop,Sloa dʼr helder lochtig opVief en twintig duuzend slag,Ielken korten wienterdag,Met verdrag.Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.
Lange vlegel, wonderklop,Sloa dʼr helder lochtig opVief en twintig duuzend slag,Ielken korten wienterdag,Met verdrag.Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.
Lange vlegel, wonderklop,
Sloa dʼr helder lochtig op
Vief en twintig duuzend slag,
Ielken korten wienterdag,
Met verdrag.
Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,
Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.
Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling vanKarlBücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.
Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van denlaatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit dedrobbelslag. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.
De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen denhooi-oogst.Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.
Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd—en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,—het zwaluwgetjilp nabootsend:
Verleden jaar, toen ik hier was,Was dit vak vol en dat vak vol,En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.
Verleden jaar, toen ik hier was,Was dit vak vol en dat vak vol,En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.
Verleden jaar, toen ik hier was,
Was dit vak vol en dat vak vol,
En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.
Of wel:
Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,verslierd, verslierd.
Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,verslierd, verslierd.
Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,
Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,
verslierd, verslierd.
Men vergelijke het Brunswijksche:
As ik weggung, as ik weggung,Was dit fak vull, was dat fak vull,As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,Was alles verslickert, verslüert.
As ik weggung, as ik weggung,Was dit fak vull, was dat fak vull,As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,Was alles verslickert, verslüert.
As ik weggung, as ik weggung,
Was dit fak vull, was dat fak vull,
As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,
Was alles verslickert, verslüert.
Laat ik nog vermelden denvlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; denhopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk denkoolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, eenmeiwerd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.
In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog deaardappelfooi, vroeger in de omstreken van Breda deboekweitfooi, vergel. de Antwerpschepataatfooi, naast de Vlaamscheoogst- vlas-enzaadfooi(bl. 283). Het woordfooiheeft hier de beteekenis van “afscheidsmaal”, die ook het Middelnederl.foy, voybezat. Een nog oudere beteekenis is “reis, weg”; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Franschevoie: “reis, reispenning, teerpenning.”
ZieMannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70;Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154;Schrijnen, in Limburgʼs Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H.Welters, Feesten enz.; bl. 50;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 261.
Deveeteeltis reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.
Vooral depaardenstaan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules.Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. Dekoeienen schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: “Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo”. Dit “Alio, alleli” dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.
Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.
Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijnhondenkat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl.90,253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, dehaanbij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds opbl. 96en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan debijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.