V. Ziekte, dood, begrafenis.Na de genoegens van het leven komenziekteen de dood. Menige zwakte en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor zich zelf of voor de leden van zijn gezin. Ennog gaat hij dan bij voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk zal besproken worden.—Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert dedood. Reeds heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder den naam vanveurbuken, (veurbukes, veurbukselenz.) bekend zijn, althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl.241), of den priester aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal de zieke “het gewaagd hebben”. “Hij gaat de gard af”, fluisteren de vrienden en magen, “hij riekt naar de schup”. Bij kinderen klinkt de volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, zijn “kerkhofbloemen”.Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de volksverklaring van een ontijdigen bloei:Een bloem buiten den tijdIs een bruid of een lijk.Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens wederkeerend refrein.De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als een einde: vandaar een heele reeks vanscheidingsgebruikenuit de wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven,als na den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl.214,215); hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars—in Vlaanderen wordt dituitlichtengenoemd—en roept de familie om het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer “op zich heeft”, een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor de deur zijner woningzetten en zeggen: “In den naam van God, ga voor, ik zal u volgen.” Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; immers dan “verzet” de tijd.Heeft de stervende denlaatsten snikgegeven, heeft de ziel het lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, in geheel Belgiëreeuwstroo, in Hollandsch Limburgschoofstroogenoemd;reeuw- beteeken “lijk”, vergel. het Gothischehraiw- inhraiwadûbô“tortelduif, lijkduif.” Het feit, dat de uitdrukking “op zijn reeuwstroo liggen” in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; ook in Westfalen (Revestroh) en Rijnland is het gebruik veel verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: “Wanneer het gewasschen en in het doodshemd gekleed is,” schrijftTh. Dorrenin Limburgʼs Jaarboek XVI, bl. 13, “wordt het lijk—gewoonlijk op twee aan elkaar geschoven tafels—in de beste kamerop schouf, d.i. op stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het “euver eerdliggen.” Vandaar de uitdrukking: “Hij komt van het bed op het stroo,” d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, en deze, in Beieren hetRebrettgenoemd, dient in ons land nog op tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt hetliêkbreednaast de deur van het sterfhuis geplaatst.Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt hetverhennekleenaan, d.i. het doodskleed ofhennekleedwordt den doode aangedaan of liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming ishinnekleed; in Oost-Groningen zegt men ookreekleed, en met volksetymologische vervormingregenkleed. Dit kleed is het eerste, wat de jonge vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is “heilig” en “gevaarlijk” tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds brengt zij geluk bij het loten.In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kanpfluderen(fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in ʼt algemeen in ʼt Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daarniet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, “omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen”, meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: “Hij komt al haast terug.” Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbrandenvan kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist “den doode verloren spelen”; zieH. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de “geloovige zielen”.Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus teWeerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:Imme, Imme, din Heer is dood,Nu bliw bi mi in mine Nood.Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: “Bietjes waakt, want de meester slaapt”, of “de meester vertrekt.”Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral denoodwakers,komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik derlijkwakeofdoodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.Burenplicht is eigenlijk ook hetoverluiden, waarbij natuurlijkluibierbehoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking:das Heimläuten; bij ons is behalve de termoverluidenook weluitluidengebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.ʼs Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doodeʼs Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand “mooi” in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: “hij is mooi bestoorn”, zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,—in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, “gevaarlijk” geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door delijkdeur, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: “Geest, ga voor, ik zal u volgen”; en als de deuren ʼs avonds gesloten worden: “Geest, blijf buiten, en ik binnen.”Zoo komen dan de naastbestaanden en buren terbegrafenis.In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in ʼt sterfhuisgepeeld, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek “met de krange kante buiten”, zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamdetreurhoedontstaat.Buiten ʼs huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan delijkstoetin beweging, reeds door velen alsbegangel, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen delijkweg, noodwegofreeweg; hij wordt uitsluitend genomen bijhet doopsel, huwelijkenbegrafenis(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoetop bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. “Opmerkelijk”, zegtDe Cock, “is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ““boever”” oplegt, ʼs avonds te voren reeds in ʼt oor der paarden te gaan fluisteren: ““Morgen moet ge ʼnen doôn voeren””, anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van dengraf- ofdoodenmei.Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs,in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.—Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van eenlijkmaalplaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts alssurvivalblijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIeeeuw ijvert o.a.Burchard van Wormser tegen in een zijner dekreten.— Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam vangroevemaal, lijkmaal, grafmaal, alsook vanlijkbier, troostelbier, leedbierenz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in deTrijwâlden(F.) een “begrafenis zonder leed”. Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vormterug in de zoogenaamdeeten-uitvaart,waarbij hetuitvaartbroodaan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal ofagape, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijdmolleprooi, en aan dat maal deelnemen noemt men “naar demolleprooigaan.” Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op demollejachtgaan, waarin het Bargoenschemol“dood” beteekent.Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. ZieV. Gennep, Les rites de passage, bl. 211;Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van hetlevenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van denrouwtijdwordt geregeld door de graden derverwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.ZieGallée, Volkskunde XIII, 84, 122;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 404;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburgʼs Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.
V. Ziekte, dood, begrafenis.Na de genoegens van het leven komenziekteen de dood. Menige zwakte en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor zich zelf of voor de leden van zijn gezin. Ennog gaat hij dan bij voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk zal besproken worden.—Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert dedood. Reeds heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder den naam vanveurbuken, (veurbukes, veurbukselenz.) bekend zijn, althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl.241), of den priester aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal de zieke “het gewaagd hebben”. “Hij gaat de gard af”, fluisteren de vrienden en magen, “hij riekt naar de schup”. Bij kinderen klinkt de volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, zijn “kerkhofbloemen”.Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de volksverklaring van een ontijdigen bloei:Een bloem buiten den tijdIs een bruid of een lijk.Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens wederkeerend refrein.De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als een einde: vandaar een heele reeks vanscheidingsgebruikenuit de wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven,als na den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl.214,215); hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars—in Vlaanderen wordt dituitlichtengenoemd—en roept de familie om het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer “op zich heeft”, een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor de deur zijner woningzetten en zeggen: “In den naam van God, ga voor, ik zal u volgen.” Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; immers dan “verzet” de tijd.Heeft de stervende denlaatsten snikgegeven, heeft de ziel het lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, in geheel Belgiëreeuwstroo, in Hollandsch Limburgschoofstroogenoemd;reeuw- beteeken “lijk”, vergel. het Gothischehraiw- inhraiwadûbô“tortelduif, lijkduif.” Het feit, dat de uitdrukking “op zijn reeuwstroo liggen” in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; ook in Westfalen (Revestroh) en Rijnland is het gebruik veel verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: “Wanneer het gewasschen en in het doodshemd gekleed is,” schrijftTh. Dorrenin Limburgʼs Jaarboek XVI, bl. 13, “wordt het lijk—gewoonlijk op twee aan elkaar geschoven tafels—in de beste kamerop schouf, d.i. op stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het “euver eerdliggen.” Vandaar de uitdrukking: “Hij komt van het bed op het stroo,” d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, en deze, in Beieren hetRebrettgenoemd, dient in ons land nog op tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt hetliêkbreednaast de deur van het sterfhuis geplaatst.Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt hetverhennekleenaan, d.i. het doodskleed ofhennekleedwordt den doode aangedaan of liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming ishinnekleed; in Oost-Groningen zegt men ookreekleed, en met volksetymologische vervormingregenkleed. Dit kleed is het eerste, wat de jonge vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is “heilig” en “gevaarlijk” tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds brengt zij geluk bij het loten.In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kanpfluderen(fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in ʼt algemeen in ʼt Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daarniet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, “omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen”, meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: “Hij komt al haast terug.” Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbrandenvan kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist “den doode verloren spelen”; zieH. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de “geloovige zielen”.Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus teWeerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:Imme, Imme, din Heer is dood,Nu bliw bi mi in mine Nood.Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: “Bietjes waakt, want de meester slaapt”, of “de meester vertrekt.”Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral denoodwakers,komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik derlijkwakeofdoodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.Burenplicht is eigenlijk ook hetoverluiden, waarbij natuurlijkluibierbehoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking:das Heimläuten; bij ons is behalve de termoverluidenook weluitluidengebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.ʼs Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doodeʼs Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand “mooi” in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: “hij is mooi bestoorn”, zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,—in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, “gevaarlijk” geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door delijkdeur, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: “Geest, ga voor, ik zal u volgen”; en als de deuren ʼs avonds gesloten worden: “Geest, blijf buiten, en ik binnen.”Zoo komen dan de naastbestaanden en buren terbegrafenis.In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in ʼt sterfhuisgepeeld, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek “met de krange kante buiten”, zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamdetreurhoedontstaat.Buiten ʼs huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan delijkstoetin beweging, reeds door velen alsbegangel, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen delijkweg, noodwegofreeweg; hij wordt uitsluitend genomen bijhet doopsel, huwelijkenbegrafenis(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoetop bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. “Opmerkelijk”, zegtDe Cock, “is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ““boever”” oplegt, ʼs avonds te voren reeds in ʼt oor der paarden te gaan fluisteren: ““Morgen moet ge ʼnen doôn voeren””, anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van dengraf- ofdoodenmei.Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs,in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.—Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van eenlijkmaalplaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts alssurvivalblijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIeeeuw ijvert o.a.Burchard van Wormser tegen in een zijner dekreten.— Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam vangroevemaal, lijkmaal, grafmaal, alsook vanlijkbier, troostelbier, leedbierenz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in deTrijwâlden(F.) een “begrafenis zonder leed”. Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vormterug in de zoogenaamdeeten-uitvaart,waarbij hetuitvaartbroodaan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal ofagape, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijdmolleprooi, en aan dat maal deelnemen noemt men “naar demolleprooigaan.” Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op demollejachtgaan, waarin het Bargoenschemol“dood” beteekent.Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. ZieV. Gennep, Les rites de passage, bl. 211;Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van hetlevenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van denrouwtijdwordt geregeld door de graden derverwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.ZieGallée, Volkskunde XIII, 84, 122;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 404;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburgʼs Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.
V. Ziekte, dood, begrafenis.Na de genoegens van het leven komenziekteen de dood. Menige zwakte en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor zich zelf of voor de leden van zijn gezin. Ennog gaat hij dan bij voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk zal besproken worden.—Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert dedood. Reeds heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder den naam vanveurbuken, (veurbukes, veurbukselenz.) bekend zijn, althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl.241), of den priester aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal de zieke “het gewaagd hebben”. “Hij gaat de gard af”, fluisteren de vrienden en magen, “hij riekt naar de schup”. Bij kinderen klinkt de volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, zijn “kerkhofbloemen”.Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de volksverklaring van een ontijdigen bloei:Een bloem buiten den tijdIs een bruid of een lijk.Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens wederkeerend refrein.De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als een einde: vandaar een heele reeks vanscheidingsgebruikenuit de wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven,als na den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl.214,215); hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars—in Vlaanderen wordt dituitlichtengenoemd—en roept de familie om het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer “op zich heeft”, een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor de deur zijner woningzetten en zeggen: “In den naam van God, ga voor, ik zal u volgen.” Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; immers dan “verzet” de tijd.Heeft de stervende denlaatsten snikgegeven, heeft de ziel het lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, in geheel Belgiëreeuwstroo, in Hollandsch Limburgschoofstroogenoemd;reeuw- beteeken “lijk”, vergel. het Gothischehraiw- inhraiwadûbô“tortelduif, lijkduif.” Het feit, dat de uitdrukking “op zijn reeuwstroo liggen” in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; ook in Westfalen (Revestroh) en Rijnland is het gebruik veel verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: “Wanneer het gewasschen en in het doodshemd gekleed is,” schrijftTh. Dorrenin Limburgʼs Jaarboek XVI, bl. 13, “wordt het lijk—gewoonlijk op twee aan elkaar geschoven tafels—in de beste kamerop schouf, d.i. op stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het “euver eerdliggen.” Vandaar de uitdrukking: “Hij komt van het bed op het stroo,” d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, en deze, in Beieren hetRebrettgenoemd, dient in ons land nog op tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt hetliêkbreednaast de deur van het sterfhuis geplaatst.Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt hetverhennekleenaan, d.i. het doodskleed ofhennekleedwordt den doode aangedaan of liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming ishinnekleed; in Oost-Groningen zegt men ookreekleed, en met volksetymologische vervormingregenkleed. Dit kleed is het eerste, wat de jonge vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is “heilig” en “gevaarlijk” tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds brengt zij geluk bij het loten.In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kanpfluderen(fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in ʼt algemeen in ʼt Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daarniet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, “omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen”, meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: “Hij komt al haast terug.” Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbrandenvan kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist “den doode verloren spelen”; zieH. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de “geloovige zielen”.Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus teWeerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:Imme, Imme, din Heer is dood,Nu bliw bi mi in mine Nood.Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: “Bietjes waakt, want de meester slaapt”, of “de meester vertrekt.”Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral denoodwakers,komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik derlijkwakeofdoodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.Burenplicht is eigenlijk ook hetoverluiden, waarbij natuurlijkluibierbehoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking:das Heimläuten; bij ons is behalve de termoverluidenook weluitluidengebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.ʼs Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doodeʼs Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand “mooi” in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: “hij is mooi bestoorn”, zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,—in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, “gevaarlijk” geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door delijkdeur, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: “Geest, ga voor, ik zal u volgen”; en als de deuren ʼs avonds gesloten worden: “Geest, blijf buiten, en ik binnen.”Zoo komen dan de naastbestaanden en buren terbegrafenis.In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in ʼt sterfhuisgepeeld, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek “met de krange kante buiten”, zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamdetreurhoedontstaat.Buiten ʼs huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan delijkstoetin beweging, reeds door velen alsbegangel, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen delijkweg, noodwegofreeweg; hij wordt uitsluitend genomen bijhet doopsel, huwelijkenbegrafenis(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoetop bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. “Opmerkelijk”, zegtDe Cock, “is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ““boever”” oplegt, ʼs avonds te voren reeds in ʼt oor der paarden te gaan fluisteren: ““Morgen moet ge ʼnen doôn voeren””, anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van dengraf- ofdoodenmei.Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs,in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.—Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van eenlijkmaalplaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts alssurvivalblijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIeeeuw ijvert o.a.Burchard van Wormser tegen in een zijner dekreten.— Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam vangroevemaal, lijkmaal, grafmaal, alsook vanlijkbier, troostelbier, leedbierenz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in deTrijwâlden(F.) een “begrafenis zonder leed”. Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vormterug in de zoogenaamdeeten-uitvaart,waarbij hetuitvaartbroodaan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal ofagape, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijdmolleprooi, en aan dat maal deelnemen noemt men “naar demolleprooigaan.” Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op demollejachtgaan, waarin het Bargoenschemol“dood” beteekent.Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. ZieV. Gennep, Les rites de passage, bl. 211;Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van hetlevenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van denrouwtijdwordt geregeld door de graden derverwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.ZieGallée, Volkskunde XIII, 84, 122;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 404;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburgʼs Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.
Na de genoegens van het leven komenziekteen de dood. Menige zwakte en menig lijden slaat de landbouwer lager aan dan de stedeling met hooger kultuur, en het is zelfs een bekend feit, dat hij eerder den veearts voor de stalbeesten zal ontbieden, dan den geneesheer voor zich zelf of voor de leden van zijn gezin. Ennog gaat hij dan bij voorkeur bij waterdokters en konsorten te rade. Daarentegen is hij voor kleine misvormingen zeer gevoelig, getuige b.v. het heirleger van bezweringsformules tegen de wratten. Maar ik kom hier op het gebied der volksgeneeskunde, die uitvoerig in het Zesde Hoofdstuk zal besproken worden.—
Intusschen wordt de kwaal erger en erger en nadert dedood. Reeds heeft men herhaaldelijk geheimzinnige lichten waargenomen, die onder den naam vanveurbuken, (veurbukes, veurbukselenz.) bekend zijn, althans in het zuidelijk volksgebied. Voortdurend krast de uil en de raaf, de waakhond slaat aan in het holle van den nacht, de klok blijft stil staan of twee klokken slaan te gelijk, de katten bijten elkaar; nu eens springt een glas, dan weer worden deuren plotseling dichtgeworpen, en voortdurend laat het houtwormpje zijn eentonig getik hooren. Hierbij komt nog, dat de huisgenooten voortdurend droomen van huwelijk en bruiloft (vgl. bl.241), of den priester aan het altaar zien staan: geen twijfel meer mogelijk, spoedig zal de zieke “het gewaagd hebben”. “Hij gaat de gard af”, fluisteren de vrienden en magen, “hij riekt naar de schup”. Bij kinderen klinkt de volksuitdrukking zachter, gevoeliger: groote kinderoogen, luidt het, zijn “kerkhofbloemen”.
Men kan niet zeggen, dat de landman den dood meer vreest dan de stedeling, maar hij wordt er voortdurend aan herinnerd door zijn intiem samenleven met de natuur, wier opvallende verschijnselen hij als voorboden beschouwt. Hierop wijst m.i. het meest sprekend de volksverklaring van een ontijdigen bloei:
Een bloem buiten den tijdIs een bruid of een lijk.
Een bloem buiten den tijdIs een bruid of een lijk.
Een bloem buiten den tijd
Is een bruid of een lijk.
Ook hier weer de verwantschap van dood en huwelijk als het telkens wederkeerend refrein.
De dood wordt door het volk beschouwd als een overgang, niet als een einde: vandaar een heele reeks vanscheidingsgebruikenuit de wereld, die den mensch omringt, zoowel bij het sterven,als na den dood, tot hij veilig en wel geborgen is in het graf. Want, dat ieder mensch bestaat uit een tweevoudig ik, dat er bij den dood een scheidingsproces plaats heeft, ten gevolge waarvan het onsterfelijke gedeelte overblijft, om een nieuw leven te beginnen, was een overtuiging, door de Oude Germanen met alle andere volken en volkengroepen gedeeld. Deze overtuiging is algemeen-menschelijk, en behoort tot de goudaderen in veelal waardeloos of minder waardevol erts. Tot dit soort van gebruiken behoort het afknippen van nagels en haar, het omwerpen van de stoelen en banken, het openzetten der vensters, het rondgaan om het kerkhof enz. Ook bij de geboorte hebben wij een dergelijken scheidingsritus ontmoet (bl.214,215); hier is hij op zijn eigen domein. Zelfs voor de overlevenden is hij van toepassing, ten einde scheiding te bewerkstelligen van den doode en de doodsmachten en ter wederopneming in de wereld en in de gemeenschap der levenden. Natuurlijk vermengen zich hiermee gevoelens van teedere piëteit met den dierbaren stervende of doode.
Na de berechting, in katholieke streken, wacht men met bange vrees en klimmende bezorgdheid het naderend einde af. Komt het stervensuur en heeft men allen grond, te duchten, dat de zieke het spoedig zal hebben afgelegd, dan ontsteekt men de gewijde doodenkaars—in Vlaanderen wordt dituitlichtengenoemd—en roept de familie om het sterfbed. Men tracht den stervende het verscheiden zoo licht mogelijk te maken. Hij mag geen kleedingstuk aanhebben, waaraan op Zondag genaaid is, want daarin kan hij niet sterven, maar blijft voortdurend in doodstrijd. Men vraagt hem gaarne, of hij niets meer “op zich heeft”, een laatsten wensch, maar ook wellicht een belofte, die men hem dan afneemt. Bestellingen en beschikkingen van een stervende moet men volbrengen, anders kan hij geen rust vinden in het graf; en evenmin vindt hij rust, als men de begrafenisgebruiken verwaarloost. Houdt men na den dood ter volbrenging eener belofte van den overledene een bidweg, dan moet men een stok of regenscherm voor de deur zijner woningzetten en zeggen: “In den naam van God, ga voor, ik zal u volgen.” Blijkbaar wil men aldus den geest verschalken en alvast voorop sturen; anders moet men hem dragen.
In dit beslissend tijdsgewricht ducht men vooral het twaalfde uur; immers dan “verzet” de tijd.
Heeft de stervende denlaatsten snikgegeven, heeft de ziel het lichaam verlaten, naar het volk meent als ademtocht, dan wordt de mond gesloten, de naaste verwanten drukken de oogen dicht, en in katholieke streken omklemmen de saamgevouwen handen een kruis of rozenkrans. Eertijds werd de stervende, naderhand ook de doode afgelegd, en kwam hij van het bed op het lijkstroo te liggen, in geheel Belgiëreeuwstroo, in Hollandsch Limburgschoofstroogenoemd;reeuw- beteeken “lijk”, vergel. het Gothischehraiw- inhraiwadûbô“tortelduif, lijkduif.” Het feit, dat de uitdrukking “op zijn reeuwstroo liggen” in heel Vlaamsch België en in de aangrenzende gewesten mondgemeen is, bewijst voldoende, dat zij verband houdt met een algemeen verspreid gebruik. Het afleggen op stroo mag als Pangermaansch, ja als algemeen Indogermaansch beschouwd worden. In België schijnt het sedert enkele tientallen van jaren uitgestorven; ook in Westfalen (Revestroh) en Rijnland is het gebruik veel verminderd. In Nederland is het, voor zoover mij bekend, nog slechts in Friesland en in Hollandsch Limburg in zwang: “Wanneer het gewasschen en in het doodshemd gekleed is,” schrijftTh. Dorrenin Limburgʼs Jaarboek XVI, bl. 13, “wordt het lijk—gewoonlijk op twee aan elkaar geschoven tafels—in de beste kamerop schouf, d.i. op stroo gelegd. De tijd, dat het lijk onbegraven daar ligt, heet het “euver eerdliggen.” Vandaar de uitdrukking: “Hij komt van het bed op het stroo,” d.i. van euvel tot euvel, zonder dat het er beter op wordt. Oorspronkelijk werd het lijk van het bed op een plank gelegd, en deze, in Beieren hetRebrettgenoemd, dient in ons land nog op tal van plaatsen, om den dood aan te kondigen. Zwart geverfd en met een doodshoofd, waaronder de letters R.I.P., beschilderd, wordt hetliêkbreednaast de deur van het sterfhuis geplaatst.
Het lijk wordt dus gewasschen, geschoren, en men legt een doekje onder de kin. Kinderen tooit men met een kransje, ook de ongehuwden krijgen den bruidstooi, dien zij gedurende hun leven moesten ontberen: den mirten- of rosmarijnkrans. Dan vangt hetverhennekleenaan, d.i. het doodskleed ofhennekleedwordt den doode aangedaan of liever over hem heen genaaid. De Friesche benaming ishinnekleed; in Oost-Groningen zegt men ookreekleed, en met volksetymologische vervormingregenkleed. Dit kleed is het eerste, wat de jonge vrouw voor zich en haar man spint. Het wordt oospronkelijk met éen draad en éene naald om het lijk vastgenaaid. Deze naald is “heilig” en “gevaarlijk” tevens; beide begrippen raken elkaar (bl. 86). Zij wordt dus doorgebroken en de stukken worden in de kist gedaan; ofwel men werpt ze in het vuur. Raakt men er een kies mee aan, dan zou hij uitvallen; éen prik er mee geeft een ongeneeslijke wonde. Anderzijds brengt zij geluk bij het loten.
In Limburg wordt de vrouw met het hemd bekleed, dat zij den eersten huwelijksnacht en daarna nooit meer gedragen heeft. Elk jaar wordt het gewasschen en dan zorgvuldig opgeborgen; wij ontmoeten hier wederom de verwantschap van dood en huwelijk in het folklore (bl. 241).
Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kanpfluderen(fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in ʼt algemeen in ʼt Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daarniet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.
Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, “omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen”, meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.
Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: “Hij komt al haast terug.” Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.
Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.
1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:
2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbrandenvan kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.
3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist “den doode verloren spelen”; zieH. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de “geloovige zielen”.
Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.
Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus teWeerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:
Imme, Imme, din Heer is dood,Nu bliw bi mi in mine Nood.
Imme, Imme, din Heer is dood,Nu bliw bi mi in mine Nood.
Imme, Imme, din Heer is dood,
Nu bliw bi mi in mine Nood.
Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: “Bietjes waakt, want de meester slaapt”, of “de meester vertrekt.”
Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral denoodwakers,komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik derlijkwakeofdoodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.
Burenplicht is eigenlijk ook hetoverluiden, waarbij natuurlijkluibierbehoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking:das Heimläuten; bij ons is behalve de termoverluidenook weluitluidengebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.
ʼs Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doodeʼs Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand “mooi” in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: “hij is mooi bestoorn”, zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,—in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, “gevaarlijk” geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.
Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door delijkdeur, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zieDe Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: “Geest, ga voor, ik zal u volgen”; en als de deuren ʼs avonds gesloten worden: “Geest, blijf buiten, en ik binnen.”
Zoo komen dan de naastbestaanden en buren terbegrafenis.In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in ʼt sterfhuisgepeeld, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek “met de krange kante buiten”, zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamdetreurhoedontstaat.
Buiten ʼs huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan delijkstoetin beweging, reeds door velen alsbegangel, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.
Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen delijkweg, noodwegofreeweg; hij wordt uitsluitend genomen bijhet doopsel, huwelijkenbegrafenis(bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoetop bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. “Opmerkelijk”, zegtDe Cock, “is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ““boever”” oplegt, ʼs avonds te voren reeds in ʼt oor der paarden te gaan fluisteren: ““Morgen moet ge ʼnen doôn voeren””, anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van dengraf- ofdoodenmei.
Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs,in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.—Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.
Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.
Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van eenlijkmaalplaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts alssurvivalblijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIeeeuw ijvert o.a.Burchard van Wormser tegen in een zijner dekreten.— Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.
In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam vangroevemaal, lijkmaal, grafmaal, alsook vanlijkbier, troostelbier, leedbierenz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in deTrijwâlden(F.) een “begrafenis zonder leed”. Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.
In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vormterug in de zoogenaamdeeten-uitvaart,waarbij hetuitvaartbroodaan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal ofagape, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.
In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijdmolleprooi, en aan dat maal deelnemen noemt men “naar demolleprooigaan.” Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op demollejachtgaan, waarin het Bargoenschemol“dood” beteekent.
Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. ZieV. Gennep, Les rites de passage, bl. 211;Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.
Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van hetlevenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.
De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van denrouwtijdwordt geregeld door de graden derverwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.
Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.
ZieGallée, Volkskunde XIII, 84, 122;Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 404;De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217;Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330;Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburgʼs Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.