IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. Devolksbouwkunstgeeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. “Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid”:C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,—toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uitstadenstadswoning, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. “Eerst met het laatst der XVeen het begin der XVIeeeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevelhier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens”, schrijft weer de RijksarchitektC. H. Petersin zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIeen XVIIIeeeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te ʼs Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszinwerd losser. Tot de XVeeeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuishunnerstad. Met de XVIeeeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. “De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname vannieuweelementen, vannieuwebedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de ʼleer der goede werkenʼ en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud”:C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland (ʼs Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.;A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912);A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.Deaardvan de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam,Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnscheportus“haven, stapelplaats” ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woordpoort“stad”, vanwaar de burger den naam vanpoorterdroeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. Dehoeveontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam.Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich deprivaatwoningin de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegtPeters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIeeeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIeeeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIeeeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIeeeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den HeerC. L. van Balenvan een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied fotoʼs te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, ʼs Heerenberg, Amersfoort,Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende “huis Schreurs” in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het “huis Scheurs” naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIeeeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw “de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten”. Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXeeeuw “zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was”:C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd—evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden—en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behoudenbleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den “Gelderschen” bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIeen XVIIeeeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooralMr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911);J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915);J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zooverCuypershaar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geenvolkskunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordtaan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. ZieMr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912);Ch. Buls,Esthétique des villes (Bruxelles 1910);Camillo Sitte,Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen(Leipzig 1889).Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is dehuurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,—aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.—Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld doorProf. L. Pohle,Die Wohnungsfrage(Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in delandelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. “De landsche huizekens”, zegtStijn Streuvelsin zijn Landsche Woning, “ʼt is alsof ze te dansen staan tegen de zon en ʼt geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,—meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen.”En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van hetNederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,—het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in ʼt minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. Debouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De “Zuid-Limburgsche hoeve” vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooralStijn Streuvels, De Landsche Woning,passim, enH. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzerdekoratieve volkskunst.Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoovind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: “Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond.” Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard—oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht—tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naamJezusin Grieksche letters, naderhand verklaard alsJesus Hominum Salvator, bij ons:Jezus Heere Saligmaker,Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.Alsbouwmateriaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst—volkskunst van de verdwijnendesoort—leeft nog b.v. op Terschelling, waar ʼs winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- en plantenmotieven.Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel incuriosaen niet voor eigen gebruik bestemd.Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. Devloeris zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggendenhaard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:Boven in de schouweDaar hangen de worsten aan touwen.De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt hetschoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,—“fier als een koffiepot”, zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl.Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edelespinnewielmet klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.Debedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden,een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.E. van AverbekeHet mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in deglazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer dekistenbuiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benamingkistengoedofkistentuigvoor het beste lijf- en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De termkastengoedis een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijkezitbankenzijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhoutenlessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandschetheestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkendeklok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperenbedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. Deletterdoekenvertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeedijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nogHeuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.;K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes—ook twee- en driemasters—, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in ʼn turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamernaast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam vankapellekegeeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. ZieFrans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk devolkswoning in het algemeenop het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.Spreukenvindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: “Aan Gods zegen is alles gelegen”;—“De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang”;—“Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand”;—“Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: “Hier vloekt men niet, God ziet u”;—“Gedenk te sterven”;—“Looft den Heer”, enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glansder poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende doornaïeverijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:Ik dien om de tafelniet te laten branden,maar pas op als ik blink,dat ge me niet schande.Op een spiegel:ʼt Is maar schijn.Op een beker:Geen gelukZonder druk.Op trouwschotels:Er is niets beter in den trouwAls liefde tusschen man en vrouw.Op een zonnewijzer:Ik spreek alleen, het aangezichtIn ʼt volle zonnelicht.Op een bord:Weldadige Opperheer,Gij spijst ons al te zamen,U zij de lof en eer,Ons hart zegt dankend Amen.In spijs en praatHou middelmaat.Na spijs en drankGeef Gode dank.Op een rijstpapkom:Die den arme geeftLeent den Heer.Op een stortbekertje:ʼt Is u gegund,Drink als ge kunt.Op een tafelschel:Deze klank roept om drank.Op een drinkglas:Als David de vriend van Jonathan wasDrinken wij onze vriendschap uit dit glas.Op een spaarpot:Daar niet en is,Gaat zoeken mis.Leert sparen en vergaren,Leert geven en blijft leven.Op een scheerbekken:Het jaar is omBetaal de som.Bij de intrede van het huis ziet men degevelspreukof het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:Dit huis staat in Gods hand.Niets buiten God.Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk vanVan LennepenTer Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. Devolksbouwkunstgeeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. “Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid”:C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,—toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uitstadenstadswoning, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. “Eerst met het laatst der XVeen het begin der XVIeeeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevelhier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens”, schrijft weer de RijksarchitektC. H. Petersin zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIeen XVIIIeeeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te ʼs Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszinwerd losser. Tot de XVeeeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuishunnerstad. Met de XVIeeeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. “De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname vannieuweelementen, vannieuwebedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de ʼleer der goede werkenʼ en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud”:C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland (ʼs Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.;A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912);A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.Deaardvan de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam,Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnscheportus“haven, stapelplaats” ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woordpoort“stad”, vanwaar de burger den naam vanpoorterdroeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. Dehoeveontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam.Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich deprivaatwoningin de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegtPeters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIeeeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIeeeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIeeeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIeeeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den HeerC. L. van Balenvan een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied fotoʼs te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, ʼs Heerenberg, Amersfoort,Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende “huis Schreurs” in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het “huis Scheurs” naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIeeeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw “de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten”. Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXeeeuw “zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was”:C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd—evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden—en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behoudenbleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den “Gelderschen” bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIeen XVIIeeeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooralMr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911);J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915);J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zooverCuypershaar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geenvolkskunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordtaan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. ZieMr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912);Ch. Buls,Esthétique des villes (Bruxelles 1910);Camillo Sitte,Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen(Leipzig 1889).Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is dehuurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,—aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.—Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld doorProf. L. Pohle,Die Wohnungsfrage(Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in delandelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. “De landsche huizekens”, zegtStijn Streuvelsin zijn Landsche Woning, “ʼt is alsof ze te dansen staan tegen de zon en ʼt geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,—meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen.”En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van hetNederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,—het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in ʼt minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. Debouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De “Zuid-Limburgsche hoeve” vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooralStijn Streuvels, De Landsche Woning,passim, enH. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzerdekoratieve volkskunst.Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoovind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: “Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond.” Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard—oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht—tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naamJezusin Grieksche letters, naderhand verklaard alsJesus Hominum Salvator, bij ons:Jezus Heere Saligmaker,Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.Alsbouwmateriaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst—volkskunst van de verdwijnendesoort—leeft nog b.v. op Terschelling, waar ʼs winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- en plantenmotieven.Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel incuriosaen niet voor eigen gebruik bestemd.Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. Devloeris zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggendenhaard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:Boven in de schouweDaar hangen de worsten aan touwen.De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt hetschoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,—“fier als een koffiepot”, zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl.Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edelespinnewielmet klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.Debedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden,een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.E. van AverbekeHet mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in deglazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer dekistenbuiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benamingkistengoedofkistentuigvoor het beste lijf- en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De termkastengoedis een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijkezitbankenzijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhoutenlessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandschetheestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkendeklok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperenbedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. Deletterdoekenvertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeedijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nogHeuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.;K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes—ook twee- en driemasters—, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in ʼn turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamernaast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam vankapellekegeeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. ZieFrans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk devolkswoning in het algemeenop het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.Spreukenvindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: “Aan Gods zegen is alles gelegen”;—“De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang”;—“Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand”;—“Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: “Hier vloekt men niet, God ziet u”;—“Gedenk te sterven”;—“Looft den Heer”, enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glansder poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende doornaïeverijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:Ik dien om de tafelniet te laten branden,maar pas op als ik blink,dat ge me niet schande.Op een spiegel:ʼt Is maar schijn.Op een beker:Geen gelukZonder druk.Op trouwschotels:Er is niets beter in den trouwAls liefde tusschen man en vrouw.Op een zonnewijzer:Ik spreek alleen, het aangezichtIn ʼt volle zonnelicht.Op een bord:Weldadige Opperheer,Gij spijst ons al te zamen,U zij de lof en eer,Ons hart zegt dankend Amen.In spijs en praatHou middelmaat.Na spijs en drankGeef Gode dank.Op een rijstpapkom:Die den arme geeftLeent den Heer.Op een stortbekertje:ʼt Is u gegund,Drink als ge kunt.Op een tafelschel:Deze klank roept om drank.Op een drinkglas:Als David de vriend van Jonathan wasDrinken wij onze vriendschap uit dit glas.Op een spaarpot:Daar niet en is,Gaat zoeken mis.Leert sparen en vergaren,Leert geven en blijft leven.Op een scheerbekken:Het jaar is omBetaal de som.Bij de intrede van het huis ziet men degevelspreukof het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:Dit huis staat in Gods hand.Niets buiten God.Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk vanVan LennepenTer Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. Devolksbouwkunstgeeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. “Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid”:C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,—toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uitstadenstadswoning, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. “Eerst met het laatst der XVeen het begin der XVIeeeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevelhier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens”, schrijft weer de RijksarchitektC. H. Petersin zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIeen XVIIIeeeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te ʼs Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszinwerd losser. Tot de XVeeeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuishunnerstad. Met de XVIeeeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. “De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname vannieuweelementen, vannieuwebedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de ʼleer der goede werkenʼ en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud”:C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland (ʼs Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.;A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912);A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.Deaardvan de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam,Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnscheportus“haven, stapelplaats” ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woordpoort“stad”, vanwaar de burger den naam vanpoorterdroeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. Dehoeveontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam.Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich deprivaatwoningin de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegtPeters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIeeeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIeeeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIeeeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIeeeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den HeerC. L. van Balenvan een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied fotoʼs te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, ʼs Heerenberg, Amersfoort,Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende “huis Schreurs” in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het “huis Scheurs” naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIeeeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw “de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten”. Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXeeeuw “zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was”:C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd—evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden—en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behoudenbleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den “Gelderschen” bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIeen XVIIeeeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooralMr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911);J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915);J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zooverCuypershaar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geenvolkskunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordtaan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. ZieMr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912);Ch. Buls,Esthétique des villes (Bruxelles 1910);Camillo Sitte,Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen(Leipzig 1889).Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is dehuurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,—aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.—Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld doorProf. L. Pohle,Die Wohnungsfrage(Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in delandelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. “De landsche huizekens”, zegtStijn Streuvelsin zijn Landsche Woning, “ʼt is alsof ze te dansen staan tegen de zon en ʼt geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,—meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen.”En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van hetNederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,—het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in ʼt minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. Debouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De “Zuid-Limburgsche hoeve” vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooralStijn Streuvels, De Landsche Woning,passim, enH. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzerdekoratieve volkskunst.Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoovind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: “Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond.” Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard—oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht—tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naamJezusin Grieksche letters, naderhand verklaard alsJesus Hominum Salvator, bij ons:Jezus Heere Saligmaker,Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.Alsbouwmateriaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst—volkskunst van de verdwijnendesoort—leeft nog b.v. op Terschelling, waar ʼs winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- en plantenmotieven.Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel incuriosaen niet voor eigen gebruik bestemd.Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. Devloeris zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggendenhaard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:Boven in de schouweDaar hangen de worsten aan touwen.De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt hetschoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,—“fier als een koffiepot”, zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl.Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edelespinnewielmet klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.Debedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden,een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.E. van AverbekeHet mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in deglazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer dekistenbuiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benamingkistengoedofkistentuigvoor het beste lijf- en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De termkastengoedis een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijkezitbankenzijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhoutenlessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandschetheestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkendeklok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperenbedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. Deletterdoekenvertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeedijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nogHeuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.;K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes—ook twee- en driemasters—, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in ʼn turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamernaast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam vankapellekegeeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. ZieFrans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk devolkswoning in het algemeenop het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.Spreukenvindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: “Aan Gods zegen is alles gelegen”;—“De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang”;—“Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand”;—“Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: “Hier vloekt men niet, God ziet u”;—“Gedenk te sterven”;—“Looft den Heer”, enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glansder poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende doornaïeverijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:Ik dien om de tafelniet te laten branden,maar pas op als ik blink,dat ge me niet schande.Op een spiegel:ʼt Is maar schijn.Op een beker:Geen gelukZonder druk.Op trouwschotels:Er is niets beter in den trouwAls liefde tusschen man en vrouw.Op een zonnewijzer:Ik spreek alleen, het aangezichtIn ʼt volle zonnelicht.Op een bord:Weldadige Opperheer,Gij spijst ons al te zamen,U zij de lof en eer,Ons hart zegt dankend Amen.In spijs en praatHou middelmaat.Na spijs en drankGeef Gode dank.Op een rijstpapkom:Die den arme geeftLeent den Heer.Op een stortbekertje:ʼt Is u gegund,Drink als ge kunt.Op een tafelschel:Deze klank roept om drank.Op een drinkglas:Als David de vriend van Jonathan wasDrinken wij onze vriendschap uit dit glas.Op een spaarpot:Daar niet en is,Gaat zoeken mis.Leert sparen en vergaren,Leert geven en blijft leven.Op een scheerbekken:Het jaar is omBetaal de som.Bij de intrede van het huis ziet men degevelspreukof het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:Dit huis staat in Gods hand.Niets buiten God.Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk vanVan LennepenTer Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.
Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. Devolksbouwkunstgeeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. “Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid”:C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.
Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,—toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uitstadenstadswoning, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. “Eerst met het laatst der XVeen het begin der XVIeeeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevelhier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens”, schrijft weer de RijksarchitektC. H. Petersin zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIeen XVIIIeeeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te ʼs Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.
Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.
Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszinwerd losser. Tot de XVeeeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuishunnerstad. Met de XVIeeeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. “De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname vannieuweelementen, vannieuwebedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de ʼleer der goede werkenʼ en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud”:C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland (ʼs Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.;A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912);A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.
Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.
Deaardvan de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam,Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnscheportus“haven, stapelplaats” ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woordpoort“stad”, vanwaar de burger den naam vanpoorterdroeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.
Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. Dehoeveontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam.Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.
Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich deprivaatwoningin de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegtPeters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!
Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.
Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.
Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIeeeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIeeeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIeeeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIeeeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den HeerC. L. van Balenvan een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied fotoʼs te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, ʼs Heerenberg, Amersfoort,Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende “huis Schreurs” in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het “huis Scheurs” naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.
De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIeeeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw “de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten”. Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXeeeuw “zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was”:C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.
Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd—evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden—en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behoudenbleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den “Gelderschen” bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIeen XVIIeeeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooralMr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911);J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915);J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).
Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zooverCuypershaar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geenvolkskunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordtaan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. ZieMr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912);Ch. Buls,Esthétique des villes (Bruxelles 1910);Camillo Sitte,Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen(Leipzig 1889).
Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is dehuurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,—aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.—Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld doorProf. L. Pohle,Die Wohnungsfrage(Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.
Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in delandelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. “De landsche huizekens”, zegtStijn Streuvelsin zijn Landsche Woning, “ʼt is alsof ze te dansen staan tegen de zon en ʼt geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,—meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen.”
En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van hetNederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....
Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.
Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.
In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,—het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in ʼt minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. Debouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De “Zuid-Limburgsche hoeve” vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.
Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooralStijn Streuvels, De Landsche Woning,passim, enH. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.
Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzerdekoratieve volkskunst.
Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.
Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoovind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: “Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond.” Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard—oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht—tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naamJezusin Grieksche letters, naderhand verklaard alsJesus Hominum Salvator, bij ons:Jezus Heere Saligmaker,Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.
Alsbouwmateriaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst—volkskunst van de verdwijnendesoort—leeft nog b.v. op Terschelling, waar ʼs winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- en plantenmotieven.
Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel incuriosaen niet voor eigen gebruik bestemd.
Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. Devloeris zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.
De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggendenhaard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:
Boven in de schouweDaar hangen de worsten aan touwen.
Boven in de schouweDaar hangen de worsten aan touwen.
Boven in de schouwe
Daar hangen de worsten aan touwen.
De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt hetschoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,—“fier als een koffiepot”, zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl.Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.
Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edelespinnewielmet klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.
De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.
Debedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden,een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.
E. van Averbeke
E. van Averbeke
Het mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in deglazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer dekistenbuiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benamingkistengoedofkistentuigvoor het beste lijf- en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De termkastengoedis een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijkezitbankenzijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhoutenlessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandschetheestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkendeklok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperenbedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. Deletterdoekenvertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeedijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nogHeuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.;K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.
Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes—ook twee- en driemasters—, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in ʼn turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.
Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamernaast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam vankapellekegeeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. ZieFrans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.
Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk devolkswoning in het algemeenop het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.
Spreukenvindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: “Aan Gods zegen is alles gelegen”;—“De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang”;—“Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand”;—“Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: “Hier vloekt men niet, God ziet u”;—“Gedenk te sterven”;—“Looft den Heer”, enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.
Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glansder poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende doornaïeverijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.
Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:
Ik dien om de tafelniet te laten branden,maar pas op als ik blink,dat ge me niet schande.
Ik dien om de tafelniet te laten branden,maar pas op als ik blink,dat ge me niet schande.
Ik dien om de tafel
niet te laten branden,
maar pas op als ik blink,
dat ge me niet schande.
Op een spiegel:
ʼt Is maar schijn.
ʼt Is maar schijn.
ʼt Is maar schijn.
Op een beker:
Geen gelukZonder druk.
Geen gelukZonder druk.
Geen geluk
Zonder druk.
Op trouwschotels:
Er is niets beter in den trouwAls liefde tusschen man en vrouw.
Er is niets beter in den trouwAls liefde tusschen man en vrouw.
Er is niets beter in den trouw
Als liefde tusschen man en vrouw.
Op een zonnewijzer:
Ik spreek alleen, het aangezichtIn ʼt volle zonnelicht.
Ik spreek alleen, het aangezichtIn ʼt volle zonnelicht.
Ik spreek alleen, het aangezicht
In ʼt volle zonnelicht.
Op een bord:
Weldadige Opperheer,Gij spijst ons al te zamen,U zij de lof en eer,Ons hart zegt dankend Amen.
Weldadige Opperheer,Gij spijst ons al te zamen,U zij de lof en eer,Ons hart zegt dankend Amen.
Weldadige Opperheer,
Gij spijst ons al te zamen,
U zij de lof en eer,
Ons hart zegt dankend Amen.
In spijs en praatHou middelmaat.
In spijs en praatHou middelmaat.
In spijs en praat
Hou middelmaat.
Na spijs en drankGeef Gode dank.
Na spijs en drankGeef Gode dank.
Na spijs en drank
Geef Gode dank.
Op een rijstpapkom:
Die den arme geeftLeent den Heer.
Die den arme geeftLeent den Heer.
Die den arme geeft
Leent den Heer.
Op een stortbekertje:
ʼt Is u gegund,Drink als ge kunt.
ʼt Is u gegund,Drink als ge kunt.
ʼt Is u gegund,
Drink als ge kunt.
Op een tafelschel:
Deze klank roept om drank.
Deze klank roept om drank.
Deze klank roept om drank.
Op een drinkglas:
Als David de vriend van Jonathan wasDrinken wij onze vriendschap uit dit glas.
Als David de vriend van Jonathan wasDrinken wij onze vriendschap uit dit glas.
Als David de vriend van Jonathan was
Drinken wij onze vriendschap uit dit glas.
Op een spaarpot:
Daar niet en is,Gaat zoeken mis.
Daar niet en is,Gaat zoeken mis.
Daar niet en is,
Gaat zoeken mis.
Leert sparen en vergaren,Leert geven en blijft leven.
Leert sparen en vergaren,Leert geven en blijft leven.
Leert sparen en vergaren,
Leert geven en blijft leven.
Op een scheerbekken:
Het jaar is omBetaal de som.
Het jaar is omBetaal de som.
Het jaar is om
Betaal de som.
Bij de intrede van het huis ziet men degevelspreukof het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:
Dit huis staat in Gods hand.
Dit huis staat in Gods hand.
Dit huis staat in Gods hand.
Niets buiten God.
Niets buiten God.
Niets buiten God.
Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk vanVan LennepenTer Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).
Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.