Het gewichtig oogenblik was nabij. Jasper Jodocus vloog de zalen in en uit, sprak even met den heer Quastman en zijn muzikaal gevolg, en verdween. Tegelijkertijd scheen er eene paniek onder de ordecommissarissen gekomen, die allen vol bedrijvigheid de deur uitsnelden. De heer Quastman streek de hand door de valsche zwarte krullen van zijne zwierige pruik, trok de groote geborduurde slippen van zijne witte gala-das zoo wijd mogelijk uiteen, en poogde practisch te staven, wat treffelijke theoriën van sierlijke houdingen er in zijn dansmeestersbrein verscholen waren. Op eens geeft hij een teeken aan zijn orkest:
„Nummer 1—Malbroek—heeren! As-je-blieft!”—En koddig heft de strijkmuziek de eentonige wijze aan, weldra door het algemeen gezang der gasten gesteund.
Bij den ingang van het salon verscheen de plechtstatige optocht. Juist zooals Jasper Jodocus het aanMllede Tourzelhad voorspeld. Met een kalm, deftig gelaat opende hij zelf den trein. Twee meisjes, de dochtertjes van Caspar, allerliefst in 't wit—jammer alleen, dat de gele halzen en armen er wat onaangenaam tegen afstaken—volgden. De feestvierende gastheer en gastvrouw traden als een sprekend contrast langzaam naast elkander voort. Caspar met gebukten hoofde, bot glimlachend, op het tapijt starend—mevrouw Van der Comme in eene wolk van lichtgroene linten en een luid ruischende, splinternieuwe, lichtgroene, zijden feestjapon, ieder vroolijk en druk een welkomstgroet toewerpend. De jongeheer Jasper loopt lomp en onverschillig achter zijne ouders. Hij dompelt de handen diep in de zakken van zijn witten broek en kijkt ieder zeer vrijpostig en minachtend aan. De zes commissarissen sluiten den trein.
De vijf coupletten van den eersten feestzang zijn afgezongen. De koperen Bruidegom en Bruid zitten op de blauwe sofa,naast geraniums en camelia's. Alle gasten houden het oog op hen gevestigd. Jasper Jodocus neemt zijn neefje Jasper Jun, bij de hand, en plaatst hem voor de canapé.
„Houd je goed, manneke!”—fluistert hij zachtjes aan 't oor van den kwajongen—„morgen krijg je een gouden Willem van oom Jasper, hoor!”
De elfjarige knaap onttrekt zijn arm met drift aan oom Jasper's vingeren, steekt zijne handen weer in den zak en schopt met zijne nieuwe verlakte laarsjes naar de franjes van het karpetje voor de sofa. Eensklaps ziet hij op, en gewaarwordend, dat ieder hem aanstaart, richt hij zich met eene korte beweging van ongeduld in eene gedwongen, stokstijve houding op, en vangt, luid en radsprekend dus aan:
„Beminde ouders! Vergunt uw oudsten zoon, hij UEd. met dezen lang gewenschten dag mag feliciteeren en UEd. toewenschen UEd. nog lange jaren van den dag van UEd. huwelijksfeest moogt profiteeren, en alsdat UEd. nog veel vreugde en voorspoed van UEds. kinderen moogt beleven. Wilt mijne eenvoudige, kinderlijke taal excuseeren en denken het alleen op de intentie aankomt, waarvan UEd. ook een bewijs kan zien in het arrivement van zooveel geëerde en toegenegen gasten.... van.... zooveel.... geëerde en.... en....”
Eensklaps ziet de redenaar om. Oom Jasper trekt hem aan de mouw en wil hem het vervolg der aanspraak toefluisteren. Daar trekt een vuurroode blos over 't aangezicht van den driesten knaap—hij aarzelt een oogenblik—eindelijk rukt hij zich los en schielijk de kamer uitloopend, schreeuwt hij:
„Weet je wat, Oom Jasper! ik dank je voor je gouden Willem, en ik geef er de weerga van. Onthoud zelf je preken!”
Waarin het tweede deel der feestelijkheden door welwillende medewerking van den heer Quastman en zijn gevolg een begin neemt—waarin de gastheer zich zeer voorzichtig over Duitsche ridderkruizen en Duitsche schilders uitlaat—waarin een zeer gewichtig besluit genomen wordt door den opperceremoniemeester, en een zeer levendig gesprek gevoerd wordt doorMllede Tourzelen Koenraad Vechters.
Een zacht gemompel van verwondering en onderdrukten lachlust doorliep de rijen der gasten. Twee dames alleen glimlachten niet: de koperen Bruid, die vragend naar Jasper Jodocus opzag, en nog eene andere jongedame met fraaie blonde krullen, die gedurende de speech van Jasper Jun, toevallig eens had omgezien en eensklaps—toen ze Koenraad Vechters onder een drom van jongelui herkend had—de kleurschakeeringen van het tapijt met zooveel ijver begon te bestudeeren, dat ze verrast opzag bij de ontknooping van een tooneel, waarvan ze den samenhang niet gevolgd had.
Jasper Jodocus had zich geen oogenblik verslagen getoond. Onmiddellijk had hij den heer Quastman een wenk gegeven, de twee kleine meisjes vóór de feestvierende ouders geplaatst en juist toen de brutale knaap uit het gezicht verdween, hieven de muzikanten aan: „Du bist der beste Bruder auch nicht!” Ditmaal speelde er een zeer ondeugende lach over het geestig gelaat vanMllede Tourzel, die zich bij de meest verwijderde rij der dames had aangesloten en rustig den afloop van 't gezang harer leerlingen scheen af te wachten.
De kleinen deden haar best. Het liedje, met al zijne laffe gemeenplaatsen en zouteloozen onzin, werd zonder haperenvoorgedragen. Mevrouw Van der Comme zag den talentvollen ceremoniemeester met dankbaarheid aan, Caspar Janssen knoopte zijn rok tweemalen toe, en ontknoopte hem wederom tweemalen met angstige zijblikken. Daarna bleef hij met saamgevouwen handen rustig naar het slot van 't gezang wachten. Zoo spoedig de meisjes geëindigd hadden, trok hij beiden naar zich toe en verschool zijn kaal hoofd achter de kunstig gekapte kopjes zijner kinderen.
„Wat moet er nu nog komen, Jet?”—vroeg hij zachtjes aan zijne oudste.
„Het bal, Pa. Al de lichten zijn achter in de zaal al opgestoken. O, zoo mooi! En de juffrouw zegt, dat we met ons beiden wel eens mogen meewalsen!”
„Goddank!”—zucht Caspar bij zich zelven—„dan ben ik ten minste vrij. Tot nog toe kan niemand zeggen, dat het niet hoogst fatsoenlijk is!”
Er is intusschen beweging onder de gasten gekomen. Eene dichte groep vormt zich rondom de beide echtelingen, die haastig opstaan. Ieder schudt hun de hand en spreekt een paar onverstaanbare woorden, waarop mevrouw Van der Comme zeer luid antwoordt:
„Dank u wel, meneer Van Menghelen!—Wel verplicht, juffrouw Zilverlink!—Dat willen we hopen, meneer Versuylen! Dank u, juffrouw Van Someren!—Zeer verplicht, mevrouw Berghuysen! Zeer verplicht, Agathe! Dank je, Anne!—Zeer lief, dat u gekomen is, meneer Vechters! Hartelijk dank, nicht! ik hoop dat je 't nog menigmaal moogt beleven!”
En zoo vloeide het gestadig voort, totdat alle gasten den geijkten zegenwensch hadden uitgesproken. Luid gerucht en geruisch begint nu de deftige stilte van het begin af te breken. Men schaart zich in kleine afdeelingen bij elkaar—begroetingen en gesprekken volgen. Als meneer Proost 't heusch nimmer over zal vertellen, dan wil juffrouw Rotsenaer hem wel verzekeren, dat ze er eigenlijk plezier in had, toen de kleine Jasper zoo brutaal was. Meneer Proost zou het zekerwel bemerkt hebben, dat meneer Jasper van der Comme niet durft spreken—neen, dan was de vorige partij toch aardiger, toen meneer Proost zelf zoo'n geestige aanspraak tot opening van 't feest had gehouden. Meneer Proost had de heele zaak buitengewoon dwaas gevonden, en dacht, dat men kinderen buiten zoo iets laten moest. Wie zou zoo indiscreet zijn, om een kwajongen het woord te geven, als de beste leden van de Rederijkerkamer:Sic itur ad astrategenwoordig waren. Overigens was Jasper een patente kerel en de beste thesaurier, dien de kamer ooit bezeten had.
Mevrouw Berghuysen vindt, dat nicht Anna Geertruida er zeer slecht uitziet. Nicht Anna Geertruida zucht diep, en vertelt, dat ze zooveel aan hoofdpijn lijdt. Ze zou stellig niet gekomen zijn, want in vertrouwen wil ze mevrouw Berghuysen wel bekennen, dat de familie volstrekt geene notitie van haar neemt, en ze is toch eene eigen nicht van Caspar—maarzijwil nooit aanleiding tot onaangenaamheden geven, en zooveel mogelijk toonen, dat er nog fatsoenlijke leden in de familie zijn.
Mejuffrouw Wilhelmina Zilverlink verlangt, dat het bal moge aanvangen. Ze was gisteren nog op eene prachtige partij bij Jhr. Van Naerssen tot Stompwijk geweest. Ze begreep niet, waarom ze meneer Brunner daar niet gezien had. Meneer Brunner, een der zes ordecommissarissen, had wel eene invitatie ontvangen—waarheid spreken is zijne eerste deugd niet—maar hij had zich voor eenigen tijd bij een diner van den Zweedschen consul enorm geërgerd over de importanteairs, welke freule Cornelie van Naerssen zich had aangewend, en daarom had hij maar liever bedankt.
Daar klinkt schetterend luid de wijze van een levendigen galop. De heer Quastman en zijn muzikaal gevolg hadden zich reeds voor eene poos verwijderd. Jasper Jodocus noodigt met luider stem tot den dans, de paren zetten zich in beweging—het eigenlijke feest vangt aan.
Koenraad Vechters had zwijgend en glimlachend het begin der feesten bijgewoond. Met zekere aarzeling had hij de verzamelde gasten, die zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevonden, gâgeslagen. Daarna had hij al zijne oplettendheid aan de ceremonieele handelingen van Jasper Jodocus gewijd, en schoon het mocht schijnen, dat hij alles met de uiterste aandacht volgde, zou elk, die in zijn gemoed had kunnen lezen, er slechts deze enkele gedachte gevonden hebben: Pauline van Someren is hier niet tegenwoordig, anders had ik haar al gezien.
Toen de groote drom der gasten zich naar de danszaal begaf, had hij zijn arm geboden aan eene onbekende dame, die geheel alleen bleef staan, en er zich volstrekt niet over scheen te ergeren, dat niemand naar haar omzag. Er werden een paar woorden gewisseld. Schoon de jonge kunstenaar zich de uiterste moeite gaf een beleefd gesprek aan te knoopen, daar hij tot tweemaal toe een geestig antwoord op zijne vragen ontvangen had, was de weg naar de zaal echter te kort, om dit voornemen ten uitvoer te brengen—en trok de dame zich aanstonds terug, zoodra men den ingang bereikt had. Eene poos nog zag hij haar zwart zijden kleed langs de witte gazen baljaponnen der dansende dames zweven. Eindelijk werd zijn blik door eene talrijke groep galoppeerende paartjes onderschept en scheen zij in 't gewoel verdwenen.
In elk ander geval zou Koenraad Vechters ten levendigste getroffen zijn door eene zoo bevallige verschijning, als thans een oogenblik aan zijne zijde had getoefd—hij zou gevraagd hebben naar haren naam, naar alles wat hem inlichting omtrent haar had kunnen geven—hij zou niet vergeten hebben te vermelden, dat zijne belangwekkende onbekende met een zeer vreemd Fransch accent sprak, 't welk, eer bevallig dan zonderling, haar aanstonds als vreemdelinge verried. Thansliep hij verstrooid door de schitterend verlichte balzaal, en wijdde maar zeer weinig aandacht aan allen luister van luchters, spiegels en sofa's. Zijne gedachten volgden telkens eene bepaalde richting, en schoon hij zich ieder oogenblik ten stelligste voornam, om afleiding te zoeken, stond hij weldra in een verborgen hoek der zaal te mijmeren en te droomen—en uit te zien wie de danseressen waren, die hem voorbijkwamen.
Toevallig om zich heen blikkend, bemerkt hij, dat nog iemand dien hoek gekozen heeft, om te mijmeren en waar te nemen—de gastheer zelf: Caspar Janssen van der Comme. Vechters had nog maar enkele woorden met hem gewisseld, en rekende het zijn plicht, zich een oogenblik met hem te onderhouden.
„Een mooi gezicht, meneer Van der Comme!”—begon hij.—„Zulk eene prachtige zaal en zooveel vroolijk pratende en dansende jongelui!”
„Ja, niet waar, men doet mij werkelijk veel eer aan. 't Heugt me niet hier ooit zooveel gasten bij elkaar gehad te hebben—en zeer fatsoenlijke lui—zeer fatsoenlijke lui, meneer Vechters!”
Caspar Janssen schoof zich zooveel mogelijk naar 't eind der canapé, waarop hij aarzelend had plaats genomen, toen Vechters voor hem staan bleef. Hij had daardoor gelegenheid zich zooveel mogelijk achter de rijzige gestalte van zijn gast te verbergen.
„Ik moet u bekennen”—vervolgde Vechters—„dat ik mij hier bijna geheel vreemd gevoel. Drie jaren afwezigheid schijnen veel veranderd te hebben. Oude gezichten zijn verdwenen en nieuwe, onbekende zijn daarvoor in de plaats gekomen. Uwe familie alleen, meneer Van der Comme! en hare gulle gastvrijheid zijn nog geheel dezelfde gebleven.”
„Dat kan ook niet anders. 't Is mij groote eer, mijne talrijke kennissen uit aanzienlijken stand te mogen ontvangen. Mijn kring heeft zich zeer uitgebreid. Ginder ziet u den heerVersuylen, een zeer rijk man, met zeer deftige en invloedrijke relatiën in den Haag, en die heer met een gouden bril op is het nieuwgekozen lid van onzen Gemeenteraad, de heer Zilverlink, een buitengewoon fatsoenlijk man!”
Er brandde eene vraag op Vechters tong. Reeds wilde hij haar uitspreken, toen Caspar half fluisterend voortging:
„Me dunkt, zoo drie jaren in het buitenland moeten u met vele hooggeplaatste mannen in aanraking gebracht hebben. Je ontving je kruis immers uit de handen van den koning van Beieren?”
„U bedoelt of de koning het mij persoonlijk ter hand stelde?”
Er speelde een ondeugende lach om Vechters' lippen. De koperen bruidegom kneep zijn oogen geheimzinnig toe, en knikte.
„Ik bracht bijna een halfjaar te Munchen door”—ging Vechters voort—„en ik betuig u, dat ik noch den koning, noch de koningin, noch een der vorstelijke personages gezien heb. Ik ging alleen met mijne kunstbroeders om, met eene groote menigte talentvolle, maar arme Duitsche schilders!”
Caspar Janssen was uit zijne gebukte houding opgerezen. Er sprak wat meer leven uit zijne ingezonken oogen, dan gewoonlijk het geval was.
„Ja, zoo ben-jelui, jongelui! Als je de beste gelegenheid hebt je aanzienlijke relatiën te verwerven, dan zoek je het gezelschap van.... Duitsche schilders. Later als je fortuin maakt—ieder kan fortuin maken!—zul je je genoeg beklagen. Geloof me, 't is geen duit waard, om een paar tonnen gouds te bezitten, of mooie schilderijen te kunnen maken, als men geen aanzien, geene eervolle onderscheiding geniet, helaas!”
Terwijl de gastheer deze laatste woorden met buitengewone geestdrift sprak, terwijl Vechters zich zelven vermande, om kalm te blijven, en 's mans grofheden in stilte te belachen, een tweetal gasten langzaam genaderd. De een is eenheer van middelbaren leeftijd, met een nobel gezicht, dezelfde, dien Caspar Janssen nog kort te voren als den invloedrijken Versuylen heeft aangewezen. De andere is de jongedame met fraaie blonde krullen, welke gedurende den zegenwensch van Jasper Jun, zoo ijverig de kleuren van het tapijt heeft waargenomen. Juist toen Caspar zijne verzuchting had uitgesproken, traden beiden glimlachend op hem toe.
„Wij wisten waarlijk niet, dat u zelf in deze zaal was, Van der Comme!”—ving de heer Versuylen aan.—„Pauline zocht u, om u persoonlijk geluk te wenschen, en we konden u nergens ontdekken!”
Koenraad Vechters week plotseling eenige schreden terzijde. Zij was het—geen twijfel, zij was het! En welk eene verandering in zoo korten tijd. Toen hij, nu bijna vier jaren geleden, Pauline van Someren voor het laatst gezien had, was zij een vroolijk, geestig meisje van zeventien jaren, dat, waar ze binnenkwam, elke kamer met blijheid en levenslust, schaterlachen en gezang opluisterde. Nu zou men bij den eersten blik niet vermoeden, dat die statige jonkvrouw eenmaal zulk een luidruchtig, schalklachend kind geweest was. Nu sprak er iets hoog ernstigs uit de groote helderbruine oogen, en 't was, alsof de wat bleeke tint van het gelaat, of de prachtige, los krullende lokken er toe meewerkten, om die uitdrukking van ernst en statigheid tot zwaarmoedigheid toe te verhoogen.
Vechters was ter zijde geweken, was plotseling onbehoorlijk rood geworden, en had, om zich eene houding te geven, eene groep bloemen, vol goeden smaak en vernuft in eene nis gerangschikt, met de uiterste oplettendheid waargenomen. Zoo stond hij half verscholen, en mocht hij van tijd tot tijd een blik ter zijde werpen naar 't drietal, 't welk in druk gesprek gewikkeld was. De schelle dansmuziek overstemde elk geluid, zoodat er niet de minste onvoegzaamheid in stak, om zoo nabij hen te blijven toeven.
't Was of er met elken slag van zijn luid kloppend harttot den verrasten kunstenaar eene stem sprak: „Zij is veel mooier dan ooit te voren, en nog hebt ge haar lief met geheel uwe ziel!” Wat was hare gestalte rijzig en rank geworden! Welk eene bevalligheid in elke harer bewegingen! Hoe gevoelvol sprak het geestig fonkelend oog! Wat zwaren strijd had hij gestreden, om dat lieflijk beeld uit zijne herinnering te verbannen, en nu—in één oogwenk was de moeielijk bevochten zege vernietigd!
Een storm van vragen en twijfelingen begon nu met klimmend geweld zijn geest te schokken. Zou zij het weten, welk eene ontvangst den armen, nog weinig beroemden schilder van haar vader was ten deel gevallen? Zou zij er misschien om hebben geglimlacht, toen de practische, koude suikerfabrikant haar van zijn stout aanzoek verhaald had? Zou hij, arme wroeter, ooit genoeg naam en roem verkrijgen, om naar hare hand te mogen staan? Was het geene onzinnige dwaasheid te hopen, dat het beste, het schitterendste talent immer eene aanbeveling zoude zijn bij de dochter van den Indischen kapitalist?
En wie was de man, aan wiens arm zij zich met zooveel vertrouwen en vreugde vastklemde? Caspar Janssen had het gezegd, hij was rijk, hij had grooten invloed. Wat lette het, dat hij het dubbele van haar leeftijd bezat? Wat hinder, dat zijn hair reeds grijsde—dat hij een onafwijsbaren aanleg tot zwaarlijvigheid bezat? Zoo de dochter het gezond verstand des vaders had geraadpleegd, zou er niets belachelijks in steken, dat zij hare hand den zwaarlijvigen, maar rijken man had geschonken. Pauline.... de vrouw vandienman! Het werd hem te eng in de danszaal, en zonder er zich aan te kreunen, of hij op het balkleed van mejuffrouwWilhelminaZilverlink trapte, en of hij zich den haat des heeren Brunners op den hals haalde, streefde hij eensklaps vooruit door de dicht opeengepakte menigte, en snelde hij de zaal uit, alsof hij gezworen had, er nimmer weer in terug te komen.
Jasper Jodocus was volstrekt niet op zijn gemak. Dat zijn „petekind” hem zoo had teleurgesteld, was aanvankelijk wel eene onaangename herinnering, maar hij kende den knaap, en berustte in 't geval. Er was meer, wat hem hinderde. Sinds het bal begonnen was, scheen hij zijn gezag als opperceremoniemeester volkomen verloren te hebben. De commissarissen van orde waren geheel in 't dansgenot verzonken, of zaten te rooken in een klein, als buffet ingericht zijvertrek, en.... er moest wederom een feestelijk feit tot stand worden gebracht, er moest gezongen worden uit den kunstrijken bundel der heeren kameristen:Sic itur ad astraop de wijze: Wie staat aan 't hoofd der (!) heldenstoet?
Er was nog meer. Schoon hij zich voorgenomen had, uithoofde zijner gewichtige betrekking, slechts zeer zelden mee te dansen, had hij toch het plan gevormd zich aan een paarquadrilleste wagen. Zijne dames had bij gekozen. De eerste wasMllede Tourzel. Reeds sedert zeer langen tijd had hij haar zichtbaar onderscheiden, en ook zij—was zijne bescheiden meening—had hem genoeg aangemoedigd, maar altijd had hij geweifeld, of het wel passend ware eene arme gouvernante met beleefdheden te overladen, bloot omdat ze er lief en aardig uitzag.
En, ongehoorde coquetterie, toen hij haar ten dans had uitgenoodigd, had zij hem—Jasper Jodocus van der Comme, makelaar enz. enz.,—met eene zeer alledaagsche uitvlucht geweigerd. Voor 't eerst had bij zich zelven de ongehoorde moeite gevergd, om na te denken over zulk eene belachelijke kleinigheid als deze weigering. Hij had ontdekt, dat hij buitengewoon gekwetst was, datMllede Tourzelverreweg de knapste dame van het gezelschap was. Hij had besloten haar rechtstreeks te vragen, wat haar in hem mishaagde, en dan.... en dan zou hij haar nog iets meedeelen, 't welk zeker eenontzaglijken indruk op haar zou maken, schoon hij het bij zich zelven nauw waagde uit te spreken.... Jasper Jodocus wilde geen oude vrijer blijven!
Hij had er lang over nagedacht, hij had gewikt en gewogen. Als jongmensch had hij te lang gewacht; hij wilde eene „goede partij” doen, maar—niemand wist het vreeselijk geheim—hij had tot driemaal eene weigering moeten verduwen. Toen had hij besloten ongehuwd te blijven, maar langzamerhand had hij vergelijkingen gemaakt tusschen zijn broer Caspar en zijn eigen, hoogst merkwaardigen persoon. Had Caspar geld om diners en feesten te geven, hij had smaak en tact om ze te ordenen en te besturen. Waarom zou hij zijn vernuft altijd aan een ander dienstbaar maken? Al lang hadMllede Tourzelzijne aandacht getrokken. Hij was het nog niet geheel met zich zelven eens, hij wilde er nog eene poos over nadenken....
Daar treft een luid schaterlachen zijn oor, terwijl hij in de breede marmeren gang op- en neergaat. Het schijnt uit het buffetkamertje te komen. Plotseling herinnert hij zich het gezang en den versbundel. Zijne ceremoniemeestersziel wordt bewogen over zijne eigene nalatigheid, en ijlings snelt hij naar 't zijvertrek, waar de rookers en lachers zich bijeen bevinden. Eene groote menigte jongelieden, waaronder vier zijner trouwelooze trawanten met witte en vuurroode linten in 't knoopsgat, stonden daar in een wijden kring geschaard, en, midden in dien kring, met flesch en glas in de hand en een zwaren havanna in den hoek van zijn mond, bevond zich zijn „petekind”, Jasper Jun.
„Laat ik je nog eens inschenken, meneer Proost! Kom, je bent toch niet bang voor een glas Rijnwijn! Papa kan 't betalen! Daar ga je!”
Jasper Jun, dronk zijn glas met zwier leeg, en zich tot een buitengewoon lang jongmensch, met vermiljoen rood hair, wendend, vervolgde hij:
„Geef me eens wat vuur van je, lange? Ben je uit? Zoo, dat staat je slecht met dien brand op je hoofd!”
Luid gelach van 't gehoor.
„Ha, daar is oom Jasper!”—gaat de knaap voort, door toejuiching en wijn half beschonken.—„Op je gezondheid, man! Komt heeren, maakt plaats voor oom Jasper! Een schoon glas Karel! gauw dan wat!”
De heeren evenwel zijn met hunne figuur verlegen. Zij treden op den verbaasden en verbitterden ceremoniemeester toe, anderen nemen Jasper Jun. flesch en glas af, en willen den driftig schreeuwenden knaap het stilzwijgen opleggen. Jasper Jodocus doet zich groot geweld aan, om bedaard te blijven, verzoekt de heeren naar de danszaal te gaan, en neemt zijnaide-de-campProost onder den arm, om hem met een order aan Quastman omtrent het te zingen lied weg te zenden.
Jasper Jun. heeft zich zeer gemakkelijk op eene sofa uitgestrekt. Hij heeft de oogen gesloten, en haalt hoorbaar adem. Zoo spoedig ieder verwijderd is, vliegt oom Jasper op hem toe, vat hem bij den arm op, en poogt hem wakker te schudden. Tevergeefs. De looze knaap veinst in diepen slaap gevallen te zijn. De lakei uit het buffet snelt toe, en merkt op, dat de jongeheer misschien wat te veel wijn gedronken heeft, en dat het maar beter is den jongeheer daar te laten.
Jasper Jodocus geeft echter last, dat men den jongeheer onmiddellijk te bed legge, en Karel, de lakei, getroost zich schijnbaar de meeste moeite, om dit bevel ten spoedigste ten uitvoer te brengen.
Verstoord over de slechte orde en het gedrag van zijn neefje, door wien andermaal zijne vernuftige feestregeling gevaar liep verbroken te worden, snelde hij ijlings naar de danszaal, toen hij plotseling staande gehouden werd door Koenraad Vechters. Deze laatste had de zaal met evenveel opgewondenheid verlaten, als Jasper Jodocus haar wilde binnenstuiven. Vandaar, dat beiden een oogenblik moesten standhouden, om eene botsing te vermijden.
„Reeds zocht ik u overal, meneer Van der Comme!”—begon de schilder—„kan u mij ook zeggen....”
„Nu niet, Vechters! Ik moet op mijn post, vat je! Als ik zelf mijne bevelen niet geef, komt er niets van terecht. Sakkerloot! je weet niet welk eene beslommering een ceremoniemeester zich op den hals haalt.... Wat hoor ik.... ja zeker.... uitmuntend: Wie staat aan 't hoofd der (!) heldenstoet? No. 4.”
De heer Proost, een beetje ontrust, dat men zijne gedragingen met Jasper Jun. euvel zou nemen, had zich de uiterste moeite gegeven, om het verlangen van zijn chef ten uitvoer te leggen, en daarom klonk nu zang en muziek van het bedoelde lied in 't verraste oor van den opperceremoniemeester.
„Goddank!”—ging deze tot Vechters voort—„nu ben ik tevreden. Ik geloof, dat je me spreken wildet? Nu heb ik den tijd. 'n Recht fatsoenlijke partij, hè? Ze zijn allen gekomen: Berghuysen, Versuylen en ons nieuw lid van den Raad, Zilverlink. Eerst dacht ik, dat de zaak fout was, toen mijn neefje zoo onverwacht de orde verstoorde, vat je? Maar als je bij den eersten, kleinen tegenspoed al begint te wanhopen, kom je er niet. Verbeeld je, Vechters, dat ik van avond eene dame hier om eenequadrillevraag, en dat ze me weigert.... vat je? Zou ik daarom aanstonds wanhopen, dat....”
Beide heeren stonden op dit oogenblik stil voor den ingang der balzaal. Vechters had tevergeefs gepoogd den woordenvloed van den rederijker af te breken. Geduldig wachtte hij nu met zijne vraag tot Jasper Jodocus zou zwijgen, en vermaakte zich intusschen door de dansende paren waar te nemen.
„Wie is die dame in 't zwart?”—had hij eensklaps gevraagd, toen de onbekende, geestige spreekster, welke hij bij het begin van 't bal naar de danszaal geleid had, hen bevallig voorbijzweefde.
Zoo was het geschied, dat Jasper Jodocus zijn verhaal moest afbreken, moest opzien en, de richting van Vechters blik volgend, eene dame gewaarwerd, waarover hij juist eene uitvoerige mededeeling wilde beginnen—schoon hij zeerwel bemerkte, dat zijn toehoorder hem in 't minst niet gevolgd had.
Jasper Jodocus gevoelde eene belachelijke neiging tot blozen. In een ondeelbaar oogenblik had hij die neiging overwonnen, zijne vuurroode en wit satijnen linten uitgeplukt, zijn uurwerkketting doen rammelen en, zich in zijne volle lengte oprichtend, geantwoord:
„Die dame in 't zwart? O! dat is juffrouwTourzel, de gouvernante van Caspar, vat je!”
„Tourzel!”—viel Vechters in—„dan is ze de zuster van mijn kunstbroeder te Rome. Dan heb ik haar wat te zeggen. Wees zoo goed mij aan haar voor te stellen, meneer Van der Comme!”
Koenraad Vechters was op de deftigste wijze aanMllede Tourzelvoorgesteld.
Hij had te Rome zich dikwerf in gezelschap van een vroolijken, veel schertsenden en luid zingenden Franschen schilder bevonden, wiens naamHenri de Tourzelwas en wiens vaderland—bij latere kennismaking—Zwitserland bleek te zijn. Ter vlucht had hij van dezen eens vernomen, dat zekereMllede Tourzelin Nederland gouvernante was. Bij zijn vertrek naar 't vaderland hadHenri de Tourzelhem verzocht eens naar die dame om te zien, en haar te verzekeren, dat zij nog altijd de meest geliefde zuster was eens broeders, die eene onvergeeflijke luiheid in 't schrijven van brieven aan den dag legde.
Nu wandelt Koenraad, levendig sprekend, met de Zwitsersche door de danszaal.Mllede Tourzelis zeer verheugd iets van den zorgeloozen broeder te hooren. Koenraad verhaalt veel en steeds gaat hij voort, alsof hij vreesde, dat eenepijnigende gedachte zich plotseling aan hem zal opdringen. Hij wenscht in stilte, dat Pauline van Someren moge zien, hoe kalm en opgeruimd hij met eene andere kan spreken—hij durft de vraag, door toeval verzwegen, niet uiten, daar hij liever in onzekerheid wil blijven, dan plotseling de volle waarheid te vernemen.
„En is u niet tevreden, meneer Vechters?”—vraagt onverwachtMllede Tourzel—„onder zoo goede omstandigheden in 't vaderland terug te komen. Hoe benijd ik u! Konde ik eens even in Zwitserland adem scheppen, hoeveel lichter zou ik dit Amsterdamsche leven dragen!”
„Ik moest het voorrecht hooger waardeeren, u heeft gelijk,mademoiselle! Maar ik ben hier een vreemdeling, evenals u zelve. Men spreekt hier eene taal, die ik niet versta; al mijne vrienden zijn verdwenen of hebben nieuwe betrekkingen aangeknoopt, waardoor zij.... in mij geen belang kunnen stellen!”
„Permettez!U oordeelt te spoedig. Zou u gelooven, dat ik u kende, voor dat ik u ooit had gezien, voor dat ik kon bevroeden, dat Henri te Rome uw vriend was geweest!”
„Misschien heeft de heer Jasper van der Comme u het een en ander omtrent mijne bruikbaarheid op de feesten zijns broeders meegedeeld!”
„Comment donc?—In welk gezelschap brengt u mij daar! Ik heb genoeg van de Van der Commes, om te geeuwen, als ik dien heer Jasper zie.Mais vous n'êtes guère clair-voyant, il me semble!”
„Hoe zou ik het kunnen zijn,mademoiselle! 't Is heden voor 't eerst na drie jaren afwezigheid, dat ik een klein stukje dier Amsterdamsche wereld terugzie, die mij te voren nooit eenige genegenheid betoonde, en mij nu wel volkomen, tot op den klank van mijn naam toe, zal vergeten hebben!”
„Vergis ik me, of is u van avond niet wat buitengemeen somber gestemd? U schijnt te vergeten, dat uw naam hiereen voortreffelijken klank bezit, dat u een paar uitmuntende schilderijen naar de expositie hebt gezonden?”
„O, is het dat, dat alleen maar!”—Vechters zag teleurgesteld voor zich heen. Eene geheimzinnige hoop, waarvan hij zich volstrekt geene rekenschap wist te geven, had zich plotseling van hem meester gemaakt. Maar nog wilde de naam, die hem 't naast aan 't harte lag, niet over zijne lippen. Hij gevoelde, dat het hem aan kalmte schortte, om dat woord te spreken tot eene vrouw, zoo schrander en scherp ziende, alsMllede Tourzel.
„Ik heb eene lieve vriendin”—ging deze voort—„aan wie ik al mijne kleine zorgen en bekommeringen meedeel. Dagelijksche omgang deed mij haar zoo hoogschatten, dat ik haar mijn volle vertrouwen schonk, en in stilte met haar lachen kan over de duizendenindélicatesses, welke men hier zonder ophouden mag genieten. Zoo heerscht er hier eene volkomene onwetendheid omtrent alles wat kunst en letteren aangaat, en vind ik alleen in haar dien fijnen smaak....”
„Is uwe vriendin getrouwd,mademoiselle!”—Vechters deed eene heldhaftige poging, om zoo onverschillig mogelijk naar de schitterende kristallen kroon op te zien, welke zij juist voorbijtraden, schoon hij met onstuimig kloppend hart het antwoord afwachtte. De Zwitsersche wendde het hoofd af, om een ondeugenden glimlach te doen verdwijnen, en dit alles was zoo snel geschied, dat ze haast oogenblikkelijk op het: „Is uwe vriendin getrouwd,mademoiselle?”—geantwoord had:
„Ma foi! je ne comprends pas trop pourquoi....”
„Vergeef mij,mademoiselle, ik begrijp, dat ik onbeleefd gevraagd heb!”
„Wel niet in 't minst! Maar uwe vraag verbaasde mij, omdat ik u den naam mijner vriendin niet genoemd heb, en u al scheen te vermoeden, wie ik bedoelde!”
Vechters is wat bleek geworden. Hij zwijgt, en wacht totdat men hem verder zal inlichten.
„Wat ik u verhalen wilde”—gaat de looze gouvernante voort, in stilte het gezicht van den jonkman opmerkzaam waarnemend—„is, dat ik onlangs met mijne lieve vriendin en haar oom onze expositie bezocht. Toen we voor uwe Italiaansche dorpstafereelen stonden, en uw naam met hoogen lof genoemd werd, vernam ik toevallig, dat u een oud bekende was....”
De strijd werd Vechters te zwaar. Hoop en vrees, ontzag voor den fijnen blik vanMllede Tourzelen beduchtheid, zijne geheimste gedachte te verraden, geen enkel bezwaar vermocht nu langer zijne gewone stoutmoedige voortvarendheid te bedwingen.
„Zoo noem mij dan den naam dier vriendin....”
„Ik wilde u juist van haar spreken, om u te bewijzen, hoe ik volkomen recht had te beweren, dat ik u kende, voordat ik u gezien had. Mijne vriendin heet Pauline van Someren—zie, ginder gaat ze gearmd met mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme!”
„En die zwaarlijvige heer met grijs hair, welke nog altijd met den gastheer keuvelt, kent u hem ook?”
„Ma foi, oui!'t Is Paulines oom, de heer Versuylen!”
„Maar haar vader dan?”
„Voor ruim twee jaren stierf hij. Pauline heeft zich dat verlies zeer aangetrokken. Ze sloot zich geheel op in 't huis van haar oom en voogd, waar ik haar toevallig ontmoette,pauvre, chère enfant!”
„En nu uw bewijs, dat u mijn naam kende door.... door inlichting misschien van mejuffrouw Van Someren!”
„Dat heb ik niet beweerd! Ik zeide eenvoudig, dat we op de expositie voor uw werk stonden, dat uw naam genoemd werd, en juist wilde ik er bijvoegen, dat Pauline mij verhaalde, hoe ze zich herinnerde u weleer op de bals van den heer Caspar van der Comme ontmoet te hebben—toen u me haastig in de rede viel!”
„Pardon, mademoiselle!Juist ook mij was het voorgekomen,toen ik hedenavond uwe vriendin terugzag, dat ze eene oude kennis was, maar haar naam ontsnapte mij, en daarbij bracht mij haarcavalierin de war!”
„U is een beroemd en talentvol schilder, meneer Vechters! maar u heeft, dunkt mij, weinig aanleg om uwe geheimen te bewaren!”
Vechters zocht tevergeefs naar een antwoord, en deed eene mislukte poging om opgeruimd in 't rond te zien. De Zwitsersche lachte fijn en ongedwongen. Hoe langer hoe meer kwam Vechters in dien zonderlingen toestand, wanneer eene enkele tirannieke gedachte zich van den geheelen geest meester maakt, wanneer noch woorden noch feiten eenigen indruk teweegbrengen, wanneer men luistert zonder te hooren, rondstaart zonder te zien, antwoordt zonder te denken. Zoo wandelden beiden geruimen tijd zwijgende voort. Eindelijk zijne stem tot een vreesachtig en vleiend fluisteren dwingende, sprak hij, het hoofd vooroverbuigend naarMllede Tourzel:
„U is de vriendin van Pauline van Someren. Zou u den vriend vanHenri de Tourzeleen dienst willen bewijzen!”
„Mais certainement!”
„Stel mij dan voor aan Pauline, of ik haar nooit gekend had, en zeg haar in stilte, dat ik vrees vergeten te zijn!”
Waarin koperen Bruid en Bruidegom wat meer op hun gemak worden gesteld—waarin de ongelukken van den Thesaurier der Rederijkerkamer: Sic itur ad astra hun hoogste toppunt bereiken bereiken—waarin zeer vele fraaie feestdronken worden ingesteld, en alles besloten wordt door een zeer ernstig onderhoud tusschen een schilderijenverzamelaar en een veelbelovend jonkman.
De koperen-bruiloftsfeestelijkheden hadden elkaar intusschen met stelselmatige orde opgevolgd. Er werd druk gedanst en geschertst. Sommige jeugdige gasten met zwarte rokken hadden zich om het buffet geschaard in het zijvertrekje. De heer Proost is in vertrouwelijk gesprek gewikkeld met Karel, den lakei. Hij vraagt naar den afloop van 't tooneel tusschen Jasper Sen. en Jasper Jun. Karel lacht geheimzinnig, en vertelt, dat hij den jongeheer naar zijne kamer had moeten brengen, maar dat de jongeheer dit volstrekt niet wilde toelaten, dat de jongeheer nog meer wijn gedronken had, en zeer bleek begon te zien, dat hij den jongeheer eindelijk met moeite te bed had gelegd, en dat de jongeheer nu zeer ziek was.
De heeren schateren luide over de heldenfeiten van Jasper Jun. en gaan over tot de orde van den dag: het Park, de Opera, het Ballet, de Dames. Eenige meer bejaarde heeren spreken fluisterend over handelsbelangen, een paar anderen twisten over moderne of rechtgeloovige godgeleerdheid. Jasper Jodocus verschijnt van tijd tot tijd, fluistert met de commissarissen van orde, en glimlacht, of hij de held van 't feest ware.
In de beide groote receptiekamers is een vijftal lakeien met de drie kornetjes ijverig bezig met het plaatsen van kleine tafeltjes. Ieder dezer tafeltjes wordt voor zes personen gedekt, en beladen met een leger van fijn geslepen glazen, van allevormen en tot velerlei doel bestemd. De commissarissen van orde nemen de zalen in oogenschouw, en 't ontsnapt niemand, dat de blikken van de heeren Proost en Co. steeds zonderling glimmen van ondubbelzinnig genoegen. Alles voorspelt, dat het bal weldra ten einde zal spoeden, en het feestelijk maal alras zal beginnen.
In de danszaal is juist de slotquadrilleaangekondigd. Ettelijke paartjes streven haastig door elkander en plaatsen zich in slagorde. Eene groote menigte dames van middelbaren leeftijd en twijfelachtige jeugd houdt de stoelen aan den wand bezet. Door haar opgeruimd lachen zou men mogen vermoeden, dat ze den ondeugenden Henri van Meerbeeke nooit gelezen hebben, en volstrekt geene bewustheid koesteren van de „muurbloemen”-leer, door dezen schranderen opmerker met zooveel juistheid in 't licht gesteld.
Gesproken wordt er genoeg. Mevrouw Berghuysen weet waarlijk niet, hoe ze geschikte woorden vinden zal, om mevrouw Van der Comme haar compliment te maken over de lieve partij. Ja, dat is juffrouw Rotsenaer ook geheel met haar eens, en nicht Anna Geertruida ook al, en iedereen, die in de nabijheid van de gastvrouw zit. Mevrouw Van der Comme lacht zeer tevreden en zeer onnoozel. Zij laat alles maar aan Jasper over, dat begrijpen de dames wel—en dan bemoeit de juffrouw er zich eens mee, als deze laatste dat zoo eens in 't hoofd komt.
Mevrouw Berghuysen zou het met zoo'n juffrouw nimmer kunnen uithouden. Ze had er den heelen avond al op gelet, hoe dat dametje met een voornaamairin 't ronde liep, en zich niet schaamde te dansen als jongere meisjes bleven zitten. Daaraan had ook juffrouw Rotsenaer zich „fameus” geërgerd, en nicht Anna Geertruida ook, en alle andere dames in de nabijheid. Mevrouw Van der Comme zuchtte zachtjes, streek de breede lichtgroene linten van hare monstermuts glad, en bekende, dat Caspar altijd zeer tevreden was over de juffrouw, omdat ze zulke fatsoenlijke manieren had, zulke fatsoenlijkefamilierelatiën en zulke fatsoenlijke kennissen in de stad.
Wat verder op zitten twee jonge meisjes met volmaakt gelijke baltoiletten en hoogroode wangen. 't Zijn de dames Van Menghelen, Anne-Kee en Suze, beiden zeer grof van uiterlijk en onverbiddelijk leelijk. Anne-Kee had het Suze vooraf wel gezegd, dat ze zich toch niet amuseeren zouden, en als Pa het niet volstrekt gewild had, omdat hij zoo'n goeden klant als meneer Van der Comme wat ontzien moest, dan zou zij althans liever thuis gebleven zijn. Dat kan Suze niet zeggen: hadden ze beiden niet uit blijdschap door de kamer gewalst, toen de uitnoodiging kwam? En dan vond zij het toch altijd aardig het dansen te zien, men kon soms zulke dwaze gevalletjes opmerken. Dat vond Anne-Kee ook. Suze moest maar eens letten op dien langen heer met vuurrood haar, die daar juist zijncavalier seulzou maken. Hij sloeg met armen en beenen zoo driftig van zich af, of hij in een net gevangen zat en zich met alle geweld wilde vrijmaken. En dan die eene juffrouw Zilverlink met „cerise-roode” linten! Wat eene belachelijke drukte, ze hing in de armen van dien bleeken jongen, alsof ze bang was, dat hij haar op den grond zou laten vallen.
In denzelfden hoek en op dezelfde sofa zit nog altijd de omzichtige koperen bruidegom. Hij heeft met Versuylen en Zilverlink eene geruime poos gesproken. Hij heeft zelfs een weinigje geredetwist met den eerste over de beteekenis eener buitenlandsche decoratie, waartoe een toevallig voorbijgaan van den jongen schilder aanleiding gegeven had. Hij gelooft, dat hij recht fatsoenlijk gesproken heeft. Koenraad Vechters is enkele percenten in zijne hoogachting gerezen, vooral door 't gunstig advies van Versuylen over zijn talent en zijne ter tentoonstelling gebrachte stukken.
Caspar Janssen vermaakt zich op dit oogenblik met zijne beide meisjes, die met van genoegen schitterende blikken de figuren derquadrillevolgen. De vader is volstrekt niet tegen denparvenuopgewassen. Hij verliest zijne belachelijkebedeesdheid, zoodra hij zich met zijne kinderen bezighoudt. Hij kan ongedwongen met hen spreken en schertsen, zelfs voor het oog zijner gasten. Het oudste meisje vertelt, dat de juffrouw wel vriendelijk was geweest, maar het toch geweigerd had, toen ze gedwongen hadden, om tot het einde van 't feest op te blijven—dat broer Jasper zoo ondeugend was, en zooveel wijn had gedronken, dat hij al lang te bed was gelegd—dat er zooveel heeren in 't zijkamertje zaten te praten, en dat ze soms hardop begonnen te lachen, men kon het in de gang duidelijk hooren. Eene wolk trok over het voorhoofd van den schatrijken gastheer. 't Was goed, dat men den jongen maar weggebracht had, hij mocht nog andere onfatsoenlijke stoornis veroorzaken. Caspar was onherroepelijk van voornemen, den knaap op dat strenge kostschool in Noord-Brabant te brengen, waarvan Berghuysen hem nog onlangs gesproken had; lang genoeg was de jongen thuis bedorven, en, wat Mina er ook tegen zeggen mocht, 't zou geschieden.
Juist eindigde dequadrille. Jasper Jodocus trad met onverstoorbare deftigheid in 't midden van zijn staf voorwaarts, en kondigde aan, dat men zich naar de andere zalen begeven zoude ten einde een vriendschappelijk feestmaal te gebruiken. Terstond snellen alle ordecommissarissen uit het gelid, om hun arm aan de dame hunner keuze aan te bieden. De heer Zilverlink wandelt met de gastvrouwe deftig rond en wacht het teeken, om de zaal te verlaten. Caspar Janssen denkt een oogenblik na, en biedt daarna zijn arm aan mevrouw Berghuysen, die hem aanstonds dezelfde gemoedsbezwaren meedeelt, welke zij nog onlangs aan zijne echtgenoote heeft geopenbaard.
De muziek heft een marsch aan, de stoet zet zich in beweging. Waarom ziet Jasper Jodocus zoo verstoord? Hij heeft nicht Anna Geertruida aan zijne zijde, maarMllede Tourzelheeft hem geweigerd—de heer Versuylen had hem de pas afgesneden.
En midden onder de paartjes gaat er ook een door de gang, 't welk zeer zacht keuvelt, en voor niemand oogen heeft, dan voor zich zelf. Vechters buigt zich van tijd tot tijd voorover, en fluistert eenige woorden tegen de zijzachte krullen van Pauline van Someren. Als hij dan het hoofd weer opheft, en heimelijk de lieve gestalte aan zijne zijde met een enkelen blik omvat, straalt er zoo heerlijke vreugde en zoo teedere hartstocht uit zijne levendige oogen, dat hij zich wel in acht mag nemen voor de omstanders, zoo hij er nog prijs op stelt, dat zijn geheim bewaard blijve.
De luister van hetsouperovertrof ieders verwachting. De lakeien en kornetjes draafden ijverig heen en weer. De weelde der verlichting, het schitterend tafelzilver, de rijkdom van porseleinen borden, de overdreven pracht van fijngeslepen glaswerk, alles werkte mee om de genoeglijke stemming der gasten tot datsempre crescendoop te winden, 't welk den gastheer alleszins gerust mocht stellen omtrent het zeer fatsoenlijke karakter van zijn feest. De beide groote receptiezalen waren met tal van kleine tafeltjes gevuld. Een luid gerucht van stemmen, van gelach, van glazen en kelken, waarmee werd aangestooten, getuigde, dat de feestvreugde eerst nu haar hoogste glanspunt had bereikt.
Nog altijd zetelde er een wolk op 't voorhoofd van den verdienstelijken ceremoniemeesteren chef. Jasper Jodocus was volkomen terneergeslagen door de dubbele weigering vanMllede Tourzel. En thans juist scheen het, of ze elk oogenblik belangrijker werd in zijne oogen, thans had hij haar maar een paar minuten afzonderlijk willen spreken, om te beproeven of ze werkelijk alles zou weigeren, wat hij haar dien avond mocht voorstellen. Toen de heer Versuylen zich met haar naar 't einde der tweede zaal begaf, waar koperenBruidegom en Bruid eene eereplaats was aangewezen, had hij hen onmiddellijk gevolgd, en nicht Anna Geertruida zoo haastig meegesleept, dat ze tot tweemalen toe tegen een paartje jongelui aanbotste, 't welk zich rustig bezighield eene passende plaats op te zoeken. Nicht Anna Geertruida glimlachte echter zeer opgetogen, en knikte de gestoorde jongelieden zoo goedhartig toe, alsof hun plotseling een onverwacht genot was ten deel gevallen. In een oogenblik had Jasper Jodocus de zaak naar zijn verlangen geregeld. De heer Versuylen werd zijn tafelgenoot en de groote zilveren schel der ceremoniemeesterswaardigheid vond eene plaats in de onmiddellijke nabijheid van 't bord der gouvernante.
Sinds dat oogenblik was hij zeker van zijne zaak, en wijdde hij zich geheel aan de plichten van zijn feestambt. Hij vond den moed eene lange rede uit te spreken tot openlijke gelukwensching van denjubilarisen zijne echtgenoote. Deze laatste scheen wel de eenige te zijn, die zijn proza recht genoot, daar zij telkens van het vroolijkste lachen tot de diepste ontroering oversloeg en den spreker gedurende zijne voordracht geen oogenblik uit het oog verloor. Caspar Janssen tuurde verlegen op zijn bord, en bespiedde in stilte de uitwerking van denspeechop Zilverlink. De jongere helft der gasten fluisterde gestadig voort, en schertste en dronk, of er geen opper-ceremoniemeester in de nabijheid ware.
Oogenblikkelijk daarna werd er weder een lied uit den koperrooden bundel opgezongen, gedurende welke plechtigheid de heeren Proost en Brunner zich oefenden in het zingen met kunstig nagebootste vrouwenstemmen. Zoo spoedig Jasper den boozen geest der toosten had wakker gemaakt, scheen het of deze eene onverbiddelijke toovermacht over het gezelschap zou uitoefenen. Deftig gevouwen papieren in groot formaat komen eensklaps aan alle zijden te voorschijn. Men strijdt om het woord. De leden der kamer:Sic itur ad astraverkrijgen den voorrang. Jasper werpt fonkelende blikken naar 't feestvierend echtpaar.
Nicht Anna Geertruida vindt de partij zeer aangenaam en zeer fatsoenlijk, ze had het in den beginne niet durven denken. Jasper was toch wel een goed mensch, zoo spraakzaam en zoo beleefd. Waarom hij toch zooveel wijn drinkt? Gedurig ziet hij glimlachend voor zich, en van tijd tot tijd spreekt hij een paar woorden met de gouvernante, die naast hem zit. Die gouvernante! Ze heeft waarlijk meer het voorkomen van eene aanzienlijkelogéeof van eene hooggeborene gast dan van eene gouvernante. Dat er toch altijd nog menschen moesten zijn die hunne positie niet begrepen, en zich boven hun stand wilden verheffen!—Nicht Anna Geertruida verzelt de laatste gedachte met een diepen zucht, en neemt eene aanzienlijke hoeveelheid ham en kalfsvleesch.
Met koortsachtige haast volgen de officieele feestdronken elkander op. Caspar Janssen hoort nauwkeurig toe, wie aan 't woord is en richt zijne belangstelling naar het maatschappelijk gewicht van den spreker. Hij is geheel oor, daar de heer Zilverlink hem een uitvoerig verslag van zijn nieuw buiten bij Hilversum meedeelt. Hij betrapt zich zelven op de stoutmoedige begeerte, om zijne vrouw minzame blikken toe te werpen, en zijn glas haastig tweemaal te ledigen. Hij is bijkans geheel op zijn gemak, en beschouwt zijn broeder Jasper Jodocus met meer dan gewone dankbaarheid.
Deze laatste slingert zijne zilveren schel met uitbundige deftigheid, zoo dikwijls hij het gezelschap tot gezang of stilte verlangt uit te noodigen. Voor den scherpen opmerker blijft het niet verborgen, dat iets buitengemeens in zijn gemoed voorvalt. Zijne stem klinkt opmerkelijk luid, zijne woorden vloeien met het uiterste gemak, mocht ook zijne logica bij een paar zijner hoorders de hoogste verbazing opwekken. Zijne oogen glimmen met zonderlinge opgewektheid, hij schijnt zich zelven te oefenen in een dom en geheimzinnig lachen. Mocht hij al zijne uiterste krachten inspannen, om de plichten zijner hooge waardigheid met klem te vervullen, nog ijveriger doet hij zich als plaatsvervanger van den gastheer aan zijn tafelgezelschap kennen.
Onafgebroken noodigt hij de heeren Versuylen en Van Menghelen, om hunne glazen te vullen tot bescheid op den een of ander hoogst belangrijken dronk. De eerste kreunt zich zeer weinig aan den ijver van 't kleine manneke, en zet steeds een levendig gesprek voort metMllede Tourzel, waarin somtijds de naam van Koenraad Vechters fluisterend wordt genoemd. De tweede is geenszins onwillig, om het verlangen des ceremoniemeesters te bevredigen. Tusschen Anna Geertruida, die in stilte een eerbiedwekkenden eetlust ontwikkelt, en zijne dochter Suze, voor wie zich geen gelei-jonker tot hetsouperhad opgedaan, vindt hij geene betere uitspanning, dan de volkomene bevrediging van zijn wijnkoopersgeweten—in 't geheim de fijne merken prijzende, die uit zijn kelder naar dien van Caspar Janssen zijn overgebracht.
De jongere leden van het feest hebben zich bijna allen in de eerste receptiezaal aaneengesloten. Ook onder hen verheffen zich van tijd tot tijd sprekers, maar schoon er opstaan, die onder de bekende en alom gehuldigde sterren der kunstlievende Kamer:Sic itur ad astrageteld worden, niets beweegt een al te ondankbaar gehoor, om eene poos zijn heiligschennend rumoer te staken. De heer Verswayen, de lange jonkman met vuurrood hair, dien wij reeds onder de drinkers in 't zijvertrekje hebben opgemerkt, moet tot zijne ongemeene verbazing gewaarworden, dat dezelfde stuipachtige gebaren, die hem nog kort te voren, alsDon Carlos, de uitbundige toejuiching van een wellevend publiek hadden verzekerd, thans ten eenenmale nutteloos zijn, nu hij een koperen-bruiloftsgedicht, voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd door een leerling van Schenkman, poogt voor te dragen. Ja, zelfs de heer Sleepman Galmering, de alom geprezenjeune-premierder Kamer, de held van wedstrijden en samenkomsten der Nederlandsche Rederijkers, zelfs Sleepman Galmering wordt onachtzaam verwaarloosd, nu hij eene ode op 't huiselijk geluk in den vorm van een toost door de zaal doet trillen. Is 't wonder, dat beide jongelieden elkaar blikkenvan verstandhouding toewerpen, tot driewerf toe een beker van onderlinge vertroosting drinken?
Ook de jongedames schijnen niet oningenomen met de vermakelijkheden van den avond. De damesZilverlinkbeheerschen hare omgeving, en vinden naar gewoonte een krachtig verzet van de zijde der dames Berghuysen, welk verzet zich echter heden tot eenige zeer hoffelijke schermutselingen bepaalt. Wilhelmina Zilverlink geeft den heer Brunner soms een vriendschappelijk tikje met haar waaier, als hij onder 't langzaam proeven van een glas kostelijken Bourgogne aan zijne bijzondere neiging tot mijmeren botviert. Laura Zilverlink barst telkens in gillend schateren uit, naar aanleiding van de mededeelingen des heeren Proosts, die, met meer dan gewone geestdrift en opgeheven glas, elken redenaar aan 't eind zijner toespraak begroet, schoon hij de minst aandachtige hoorder was en volstrekt niet weet wien de feestdronk geldt.
Juffrouw Rotsenaer zit in een hoek, waaruit ze het gewoel volkomen overzien kan, schoon 't haar smart, dat ze van de voorvallen in de tweede zaal maar fragmenten kan opvangen. Haar ridder is een verlegen, linksch jongmensch, wiens naam ze niet kent, en die telkens zijn mes of zijne vork op haar lichtblauw zijden balkleed laat vallen. Dat er bij de Van der Commes altijd iets min of meer zonderlings moet voorvallen, blijkt haar allerduidelijkst uit de ongepaste vrijheden, die de dames Berghuysen, Zilverlink, enz. enz. zich in hare gesprekken met jongelui durven veroorloven. De oudste juffrouw Berghuysen fluistert zoo lief met dien langen, rooden redenaar, welken niemand heeft willen hooren, dat hij gemakkelijk eensoupermet hare valsche bruine vlechten zou kunnen doen—en juffrouw Rotsenaer heeft het met eigen oogen opgemerkt, dat Laura Zilverlink hare hand gelegd had op den schouder van dien halfbeschonken commissaris van orde, die zoo luide schreeuwt bij iederen toost, dat zijn voorhoofd en hals er purper van worden.
Ter zijde van den ingang der zaal is een tafeltje ingenomendoor twee teleurgestelde Rederijkers, die niet durven optreden, daar de beste sprekers der Kamer niet naar eisch worden gewaardeerd. Zij worden vergezelschapt door mejuffrouw Anne-Kee van Menghelen en eene dertigjarige blondine, die zeer naïef lacht, eet en drinkt, en ieder oogenblik bloost. Het derde paar aan dat tafeltje wordt gevormd door Pauline van Someren en Koenraad Vechters. Toevallig zijn ze allen daar te zaam gekomen, men heeft derhalve in den beginne enkele beleefde woorden met het gezelschap gewisseld, vervolgens hebben de Rederijkers zich uitsluitend tot hunne dames gewend en zoo is het geschied, dat Vechters een levendig gesprek heeft gevoerd met de zijne.
't Was Zondagmorgen in zijn gemoed geweest van het oogenblik, toen Pauline hem gul hare hand aangeboden en beweerd had, dat zij oude kennissen waren, dat hij niet aan haar behoefde voorgesteld te worden—toen beiden enMllede Tourzel, die hen tot elkaar had gebracht, in een vroolijk lachen saamstemden, schoon zij zelven niet wisten, wat de eigenlijke oorzaak van hunne vroolijkheid was. Daarna had Vechters al zijne schroomvalligheid overwonnen, en al zijne welbespraaktheid teruggevonden. Wat ze beiden gezegd en geantwoord hebben, zou noch de een noch de andere u hebben kunnen meedeelen, maar Vechters wist, dat Pauline oneindig schranderder en bevalliger was, dan drie jaren geleden, en dat zijn hart klopte van verrukking, zoo dikwijls hare welluidende stem begon te spreken. Zeker had zij nooit iets vernomen van zijn onderhoud met haar vader—zij had van diens verscheiden met weemoedigen ernst gesproken—later had zij hem alleen nadrukkelijk gevraagd, waarom hij toch zoo plotseling verdwenen was, zonder iemand zijner vrienden vaarwel te zeggen.
Thans verhaalde hij van Italië, van Rome, van zijne ervaringen in den vreemde, en zag haar daarbij met zoo levendigen blik in de mooie oogen, dat hem lichtelijk mocht aangezien worden, welk een heerlijk oogenblik hij doorleefde. In 't geheimvan zijn hart schetste hij reeds een liefelijk beeld der toekomst, en hij was er te talentvol schilder voor, om niet de schitterendste en schoonste verven van zijn palet te kiezen. Wel vreesde hij, nog te spoedig en te veel te hopen—maar de gedachte, dat na het overlijden van den heer Van Someren, niemand over de hand zijner dochter zou te beschikken hebben dan zij zelve—stelde hem gerust en moedigde hem aan, zijn tafereel te voltooien. En dan klonk er in zijn binnenste zulk een zegevierend jubellied, dat hij verbijsterd stilzweeg, en er niet eer weder aan dacht om te spreken, voordat Pauline hem lachend gevraagd had, waarom hij zoo afgetrokken en verstrooid in 't rond staarde.
„Wel, wel! uw voortreffelijk geheugen brengt mij in verlegenheid, meneer Van der Comme!”
„Ik heb er den heelen avond over nagedacht!”
„Ik beveel u betere onderwerpen aan!”
„Geloof me, 't was eene kapitale teleurstelling!”
„Bijzonder hoffelijk van u,parlons d'autre chose s'il vous plait!”
„Neen, maar in goeden ernst, juffrouwTourzel, ik geloof niet, dat ik in een of ander opzicht je ontevredenheid heb kunnen verdienen, of dat ik iets gezegd of gedaan heb, waarover je boos zou kunnen zijn, vat je?”
„Ik geloof het ook niet. Maar—sans vous commander—hoe komt u tot dat zonderlinge denkbeeld?”
„Omdat je mijn arm niet aangenomen hebt, noch voor dequadrille, noch voor hetsouper, vat je? Ik had er op gerekend, vast op gerekend!”
„C'est bien aimable à vous, monsieur!”
„'t Heeft me den heelen avond gehinderd, begrijp je?Tevergeefs heb ik de gelegenheid gezocht, het je te zeggen. Als niet een van de jongelui daar ginder zoo'n lang vers reciteerde, zou het me ook nu nog onmogelijk geweest zijn. Sakkerloot, juffrouwTourzel, ik heb je iets heel gewichtigs te zeggen!”
Jasper Jodocus dronk schielijk zijn boordevol glas uit, zag de gouvernante zeer geheimzinnig aan, en legde zijn vinger op de lippen.Mllede Tourzelschoof haar stoel snel wat achteruit. De hoogroode gelaatskleur van den talentvollen ceremoniemeester, en de zonderling grappige wijze, waarop hij in 't ronde zag, boezemde haar weinig vertrouwen in. Gelukkig voor Jasper, dat niemand op hem lette, daar de heeren Versuylen en Van Menghelen zoo beleefd waren naar een zeer uitvoerig relaas van nicht Anna Geertruida over de familieverwikkelingen der Van der Commes te luisteren.
„Ik twijfel geen oogenblik aan 't gewicht uwer woorden, meneer Van der Comme! We hebben allen daartoe te veel verplichting aan uwe voortreffelijke leiding van dit feest, we zijn te zeer overtuigd van uwe talenten!”
„Ware het alleen, om dit nog eens van je te hooren, zoo zou ik gaarne voor 't minst vijftig keeren het dubbele van dit werk willen doen, vat je?”
Mllede Tourzelschoof wederom wat achteruit, en hield haar waaier voor den schamper lachenden mond.
„Ik geloof, juffrouwTourzel, dat je niet twijfelt, of ik een solide man ben. Vraag op de Beurs aan ieder, of de firma Van der Comme & Laarman solide is! Vraag wie de meest geachte makelaars in effecten zijn! 't Zal tot mijne eer uitkomen, begrijp je! Dat je zoo iemand weigert voor eenequadrilleen eensouper, dat zijn damesgrillen, daar is niets aan verbeurd! Maar luister nu eens goed toe. Ik ben het oude-vrijers-leven moe, vat je? Ik heb er lang over nagedacht, alles goed berekend, goed overwogen, en daar ik me vlei, dat ik je hoogachting en genegenheid gewonnen heb—zoo vraag ik je rondborstig....”
Jasper Jodocus had bij deze woorden driftig zijne linkerhand vooruitgestoken. Hij wilde tot naderen aandrang zijner makelaars-verliefdheid de fijne vingeren zijner uitverkorene vatten—hij zag in zijne geestdrift het woud van glazen over 't hoofd, dat tusschen hem en haar een natuurlijken scheidsmuur vormde, en wierp er een drietal, met wijn gevuld, in den schoot vanMllede Tourzel. Alles was zóó snel geschied, en zóó juist van pas stond een aantal heeren op, om—bij 't eind van een langdradigen heildronk op de familie Van der Comme—met koperen Bruid en Bruidegom te klinken, dat niemand de waarachtige toedracht der zaak vermoedde, toen Versuylen met de gouvernante de zaal verliet, en Jasper Jodocus met onverstoorbare koelbloedigheid de talrijke gelukwenschingen beantwoordde, welke ook hem, als zoo talentvol lid der familie, van alle zijden werden aangeboden.
Opgewonden en vol heldenmoed stelde hij zich aanstonds voor, het gesprek op bekwamer tijdstip te hervatten, daar hij niet vermoeden konde, dat juffrouwTourzelzoo dwaas zou zijn, om een man van zijne soliditeit te weigeren. Wel begreep hij niet, waarom ze zoo spoedig was opgestaan, ook herinnerde hij zich niet, of hij eenige verschooning in 't midden had gebracht. Maar dit alles was bijzaak, 't kwam er nu op aan de aandacht van het gezelschap geheel in beslag te nemen, opdat niemand van het voorgevallene iets mocht merken. Stormachtig klonk eensklaps zijne schel. Met buitengewone geestdrift kondigde hij aan, dat het oogenblik gekomen was, om opnieuw eenige verpoozing te zoeken in de danszaal,—daar reeds de toonkunst hare stem bij de zijne voegde, en ieder uitnoodigde zich nog ten slotte eene wijle onder de bevelen van den heer Quastman te stellen.
Ieder snelde vroolijk toe, om aan de uitnoodiging te voldoen. De oudere heeren hadden uit verveling, gedurende de lange ontboezemingen der Kameristen:Sic itur ad astra, hunne flesschen geledigd, en verlangden naar beweging en gesprek. De dames van leeftijd hadden zooveel opgemerkt engezien, 't welk zij malkaar gaarne in 't diepst geheim zouden toefluisteren. De jongelieden—zoowel de Romeo's als de Julia's—hadden al zooveel gesproken, dat ze waarlijk verlegen omzagen naar iets nieuws, en geen beter hulpmiddel zouden hebben kunnen ontdekken, dan eene polka. Daarenboven vreesden de Julia's zeer, dat de laatste glazen misschien nog de kleine rest van 't verstand der Romeo's zouden rooven, en daarom drongen zij ijverig vooruit naar de danszaal.
Maar drie der aanwezigen waren teleurgesteld door 't plotseling afbreken van 'tsouper: de twee treurende Rederijkers, die nog eensklaps den moed voelden rijzen, om hunne stemmen op te heffen en te spreken—en de gastvrouw, die het bejammerde, dat er geene amandelen en rozijnen waren aangeboden, waarvan HED. zoo buitengewoon veel hield.
Er werd gewalst en gepolkeerd, er werdenquadrillesen mazurka's gedanst. De heer Quastman glimlachte in stilte over de uitmuntende geestdrift van het gezelschap. De virtuozen deden hun uiterste best. Niemand van 't aanschouwend publiek, tot Caspar Janssen incluis—die niet in stilte wenschte, eens even te mogen meedoen. Deftige oude vrijers met kale schedels en dikke buiken wendden zich tot de spijtigste muurbloemen, en verkregen een dans. Zelfs nicht Anna Geertruida walste met een wanhopig Rederijker.
In den hoek naast de nis der bloemen stond nog altijd de sofa—weleer het toevluchtsoord van den koperen Bruidegom. Thans zitten er twee vriendinnen in levendigen kout gewikkeld, zonder een oogenblik naar 't dansgewoel om te zien.Mllede TourzelheeftPaulinevan Someren veel nieuws mee te deelen, en veel van haar te vernemen. 't Is een voorrecht, beide bevallige jonkvrouwen in stilte te mogen bespieden, als zeplotseling uitbarsten in een kluchtig-hartelijk lachen, en 't haar aan tijd schijnt te schorten, om elkaar alles te vertellen, wat haar op 't hart ligt.
Na het heldenfeit van den opperceremoniemeester had de Zwitsersche den heer Versuylen gevraagd, zoo spoedig mogelijk te willen vluchten, daar 't haar te eng werd aan 't feestmaal, en ze zich alleen vergunnen mocht in stilte over de groteske aanmatiging van den trouwlustigen effectenhandelaar te lachen. Toen ze aan 't eind der tweede receptiezaal genaderd waren, stond Pauline van Someren aan den arm van Koenraad Vechters eensklaps voor hen, en scheen er aan 't vragen en schertsen geen eind. Pauline was zeer nieuwsgierig en wilde weten, waarom oom Versuylen en zijne dame zoo spoedig opstonden; was het tijd om te vertrekken, ze meende dat het nog zeer vroeg was. In 't eind had men Koenraad Vechters plechtig aan oom Versuylen voorgesteld, had het viertal zich eene poos in de breede marmeren gang vertreden, en, toen eindelijk het feestgewoel opnieuw naar de danszaal verplaatst was, had men zich onder de blijde, koutende paartjes gemengd, totdat de beide dames dringend noodzakelijk vonden, elkaar in 't diepst vertrouwen te spreken, en de heeren alzoo genoodzaakt werden een goed heenkomen te zoeken.
Op dit oogenblik keurde Vechters het gepast, zich terug te trekken, en den heer Versuylen niet langer met zijn gezelschap lastig te vallen, maar deze verhinderde hem spoedig door de uitnoodiging, om saam eene sigaar te ontsteken, en weldra vinden we beiden druk rookende en sprekende in de kleine smoking-room bijeen, waar Jasper Jun. zich eenige uren vroeger zoo goed vermaakt had. Natuurlijk handelde men over kunst, over de tentoonstelling, over Italië. De heer Versuylen deed zich onmiddellijk als een smaakvol kunstvriend kennen—zijn oordeel was altijd wellevend, nooit oppervlakkig.
„Uwe tafereelen van het Italiaansche landleven zijn geestig ontworpen en uitmuntend van kleur—ik heb ze voor mijn kabinet aangekocht, meneer Vechters!”
De schilder bloosde. [Als ik naar waarheid moest bekennen, wat er de oorzaak van was, zou ik min of meer onbescheiden zijn, dus volsta de vermelding van het feit.]
„'t Is wel eene aangename belooning, als men in 't eind zijn ernstig en veelgeliefd streven door mannen van uwe kennis gewaardeerd ziet!”—had Vechters met warmte geantwoord.
„Ditmaal zijn uwe kleuren wat hard en overdreven!”
„Vergeef mij, als men veel teleurstelling en minachting ondervonden heeft, dan is eene erkenning als de uwe dubbel welkom!”
„Ik meende, dat u zich niet te beklagen had. Men heeft aanstonds uw ontluikend talent opgemerkt, men heeft u naar Italië doen reizen, en 't schijnt, dat ook uw verblijf te Munchen niet zonder vrucht is geweest!”
„Zoo heb ik onjuist gesproken! Ik klaag niet over miskenning van mijn schilderwerk bij deskundigen, ik herinnerde mij alleen de vernederende geringachting van mijn kunstenaarsstand!”
„Jongelieden oordeelen dikwijls snel en hard!”
„Mannen van rijperen leeftijd letten meestal op de eischen van het koude gezond-verstand!”
„En terecht, meneer Vechters! Waant u misschien, dat u door uw uitmuntend talent een vrijbrief bezit tot het doen van overijlde, onvoegzame handelingen, waarmee een kalm en redelijk overleg geene rekening houdt?”
Vechters zag den spreker angstig aan. Zou hij zijn verleden kennen? Versuylens stem althans klonk bescheiden en innemend. Op zijn gelaat was niet de minste toespeling te lezen.
„Verschoon mij”—antwoordde de jonkman snel en hoog—„ik herinner mij niet aan dergelijke dwaasheden schuldig te zijn!”
„Ik beschuldig u ook in geenen deele. Al wederom is uw oordeel te haastig, en daarbij schijnt mij uw geheugen niet volkomen nauwkeurig!”
„Meneer Versuylen, het kan uw doel niet zijn mij te krenken. Zoo u weten mocht, wat ik een diep geheim waande, zoo u kennis draagt van eene teleurstelling, zoo bitter en grievend als geene enkele in mijn heele leven—spaar mij dan ten minste de herinnering, of laat ons een gesprek af breken, dat mij noodeloos zou kunnen verbitteren!”
„Nog altijd dezelfde! Welnu, ja, ik weet wat er eens tusschen mijn zwager Van Someren en u is voorgevallen. Ik heb behoefte om er u over te spreken, want, spijt uwe lichtgeraaktheid, en ondanks uwe zonderlinge overijling, heb ik achting voor uw karakter, ingenomenheid met uw talent!”
„Zoo heeft ook u mijn gedrag veroordeeld! Zoo heeft ook u miskend, dat ik in dat uur mij ten heiligste verplicht achtte te spreken van de eenige, groote, alles beheerschende gedachte, die ieder oogenblik van mijn leven met zaligheid vervulde. Zoo heeft ook u toegejuicht, dat ik met koelen trots gehoord, met smadelijke onverschilligheid afgewezen werd!”
„Nog eens, u is heftig en onbillijk! Heeft u ooit nagedacht over den indruk van uw aanzoek op Van Someren? Wie was u? Een jongmensch van gelukkigen aanleg, zooals er meer zijn. Dat u kunstenaar was en wakker streefde, om door nobelen arbeid uwe betrekkingen te onderhouden, het waren uwe eeretitels! Maar, dat u toen reeds naar de hand zijner eenige dochter stond, zou de alles met verstand overleggende vader nimmer hebben kunnen billijken!”