„Alsof een waarachtig liefhebbend hart alles met ijskoud verstand zou moeten becijferen. O, de logica van 't gemoed is toch veel verkwikkender!”
„Onverbeterlijke dweper!”
„Daarenboven, had men mij dit waardig en wellevend onder 't oog gebracht, ik had mijn hoofd moeten buigen—nu hief ik het fier omhoog, daar ik geleerd had trots tegen trots te stellen, en laatdunkende minachting met gelijke munt wist te betalen!”
„Hoe u mijn armen, overleden zwager miskend! Hij hadtwintig jaren in Oost-Indië doorgebracht. Denk eens na, welk eene verandering dit bij ieder, zelfs bij 't meest allerdaagsche karakter, moet teweegbrengen. Van Someren was koel, kortaf, onbeleefd, zelfs ruw, maar zijn leven in de tropische gewesten met kruipende bedienden en aartsdomme kleurlingen had hem langzaam den fijneren Europeeschen toon doen vergeten. Hij had een zeldzaam scherpen blik op menschen en zaken, maar bovenal bezat hij een nobel, edelgevoelend hart; wist u eens, hoe vurig en teeder hij zijne dochter liefhad....”
Luid juichend en schaterend stormen op dit oogenblik de ordecommissarissen naar binnen, Jasper Jodocus is in hun midden. Al de heeren zijn buitengewoon opgewonden, en snellen driftig naar 't buffet. Men wil den hoogstverdienstelijken leider der feesten een warme dankrede onder een extra-glas aanbieden. De knal der champagneflesschen geeft het sein. De heer Proost klimt op een stoel. Jasper Jodocus leunt in eene schilderachtige houding tegen het buffet, en overziet zijne trawanten met opgetogen, zelfs wat brutale blikken.
Vechters was door het gerucht genoodzaakt een onwillekeurigen blik aan dit tafereel te wijden. Toen hij weder opzag, was de heer Versuylen verdwenen.
De laatste oogenblikken der koperen bruiloft van den WelEdelgeb. Heer Caspar Janssen van der Comme waren ten slotte gekomen. Er begon weer groote drukte te heerschen in het particulier domein der drie pioenroode kornetjes. Jonge en oude dames hingen zich die wijde, witte mantels om, in de wereld der modeartikelen onder den naam vansortiesbekend, en legden dan het witte of lichtgele handje snel op de ruwe, harde vingeren der kornetjes—'t welk altijd een vroolijken glimlach der laatsten ten gevolge had, mitsgaders een echtAmsterdamsch uitgesproken: „Dank je well, juffrauw!” of: „Dank uwes well, mevrauw!”
De koperen Bruid en Bruidegom hadden zich deftig in een hoek der danszaal geplaatst, de commissarissen van orde en hun chef hielden zich op kleinen afstand in gelid. Soms wierp Caspar Janssen een bezorgden blik naar die groep, daar men er luidruchtiger was, dan wel met de eischen van 's gastheers fatsoen scheen te strooken. En langzaam kwam nu de talrijke stoet der gasten eene vleierij tot afscheid zeggen, waarop mevrouw Van der Comme met luidheid en radheid, haar echtgenoot met een tevreden glimlach, antwoordde.
Toen juffrouw Rotsenaer in hare vigilante stapte, glimlachte ze zeer tevreden over het genot, 't welk zij reeds bij voorraad smaakte, van morgen eens recht op haar gemak al de dwaasheden en aanstootelijkheden van 't feest aan eene stokoude tante te verhalen, in wier huis zij de betrekking van ziekentroosteres vervulde, en op wier erfenis ze al vijftien jaren had gespeculeerd.
Toen de heer Van Menghelen en zijne beide dochters naar huis reden, dacht de eerste met een gering zweempje van jaloezie aan de weelde, die zoo'n aannemer kon tentoonspreiden, zich troostend met de overtuiging, dat er toch eene aanzienlijke slachting in des aannemers kelder was ontstaan. Suze dacht, dat Anne-Kee toch een intrigant schepsel was, en Anne-Kee dacht, dat er zich spoedig eene goede gelegenheid zou voordoen, om den beleefden, maar wanhopenden Rederijker aan hare ouders voor te stellen—en zij hield zoo veel van reciteeren!
Toen de familie Berghuysen onder vele buigingen in haar rijtuig gepakt was, ontstond er dadelijk eene levendige woordenwisseling over den allerdolsten avond en de allerzonderlingste familie Van der Comme. In stilte meende mijnheer, dat hetsouperen de wijnen tochfirst ratewaren. Mevrouw zou er nu bepaald op aandringen, spoedig een diner te geven, daar de meisjes zoo'n bijzonder succes hadden, vooral in vergelijkingmet de Zilverlinks. De oudste juffrouw Berghuysen herinnerde zich, dat rood hair inzonderheid bij de Schotten voor mooi gold, en de jongste juffrouw Berghuysen dacht niets, daar ze van vermoeienis in slaap was gevallen.
Toen de heer Zilverlink met zijne vijf dochters, uitgeleid door een dozijn nog altijd volijverige orde-commissarissen en hoogst ernstige Rederijkers, in twee rijtuigen had plaats genomen, begon de familie zeer systematisch te geeuwen. Het achtbaar lid van den Stedelijken Raad dacht een oogenblik met welgevallen aan de schuchterheid van den gastheer, aan Hilversum, aan den stedelijken accijns op het gedistilleerd, en geeuwde daarop zoo luide, dat Laura en Wilhelmina er waarlijk om moesten gillen van lachen. De andere dames in het tweede rijtuig hadden zich maar zeer middelmatig vermaakt, daar de twee fatsoenlijkste jongelui van het gezelschap door hare twee oudere zusters zoo geheel waren in beslag genomen, dat ze zich met de twijfelachtige hoflijkheden van een drietal kunstlievende kamerbroeders hadden moeten vergenoegen.
Toen de heer Versuylen op 't punt was in zijn rijtuig te stappen, keerde hij zich vluchtig tot Koenraad Vechters, die Pauline had uitgeleid, en zeide:
„Zonderrancune, meneer Vechters! Gun me het genoegen, u van tijd tot tijd bij mij aan huis te mogen ontmoeten!”
„Ja maar, meneer de auteur! daar ben ik niet mee tevreden!”
„Wat ontbreekt er dan aan mijne vertelling?”
„Wel, hoe alles afliep—of de jonge schilder met Pauline verloofd werd—of de heer Caspar van der Comme lid van den Raad is geworden—hoe het met Jasper Jodocus ging—en wat er vanMllede Tourzelgeworden is!”
„Leest u de Haarlemmer courant?”
„Alle dagen!”
„Over eene week of zes, zeven zal u er de ondertrouw vanden heer Koenraad Vechters en mejuffrouw Pauline van Someren in moeten vinden, over een paar jaren zal het den heer Caspar Janssen wel gelukken in den Stedelijken Raad te worden gekozen, hij heeft er veel geld voor over. De heer Jasper Jodocus gaat binnenkort huwen met eene der jongste dames Berghuysen, en watMllede Tourzelaangaat.... In het diepste geheim zal ik het u en u alleen toefluisteren. Ik zelf was ook ter zilveren bruiloft—u heeft het kunnen vermoeden—en.... en toen werd ik zóó getroffen, zóó getroffen, dat ik op dit oogenblik mijne vrijgezels-onafhankelijkheid mis, en—als men het dan toch volstrekt weten moet—dat ik nu naast iemand zit, welke ik met het volkomenste recht en de innigste vereering het mooiste, het liefste, het geestigste, het vroomste vrouwtje der wereld noem: Mevrouw.... enfin, mijne vrouw, vroegerMllede Tourzel!”
DROEVIGE WAARHEDEN.
„Velen zijn geroepen....”
„Velen zijn geroepen....”
„Velen zijn geroepen....”
„Velen zijn geroepen....”
„Daar was een heer, die meneer graag eens zou gesproken hebben!”
Het nuffige kindermeisje van Mr. Johan van der Lely, kantonrechter in het stedeke Valendam, riep deze woorden door eene reet van de deur. De achtbare kantonrechter zat met zijne echtgenoote en zijn oudsten spruit aan de theetafel. Eenigszins verrast zag hij op, en vroeg:
„Weet je niet wie 't is, Jans?”
„Neen meneer! 't Is een vreemd heer, weet u, en hij zei, alsdat hij meneer graag wou spreken!”
„Ja maar,.... nu laat hij maar even hier komen!”
Mevrouw van der Lely, eene kleine tengere vrouw, met een mager, bleek gelaat, waarop eene gestadige trilling van ontzag en heimelijke vrees zichtbaar was, misschien voor den persoon van haar zwaarlijvigen echtgenoot met zijn koperrood wezen en luide basstem—mevrouw van der Lely zag angstig om zich heen, duchtend, dat de eene of andere verwarring in het fraai gestoffeerde huisvertrek door den vreemden heer zou kunnen worden opgemerkt. Haar oudste zoon, de jongeheer Frans van der Lely, een knaap van veertien jaar—die sterkop zijn vader geleek, en met eene even luide stem zijne bevelen tot een fraaien witten poedel richtte, welke eene buitengewone vaardigheid in het uitvoeren van kleine kunstvertooningen aan den dag legde—keek aanstonds nieuwsgierig op, en liet het dier met rust. De kantonrechter was opgestaan—een bescheiden tikken op de deur volgde.
„Binnen!”—klonk het, en zoo schel was de uitroep geweest, dat de wanden van de kamer het geluid duidelijk weerkaatsten, toen de deur langzaam en voorzichtig geopend werd.
Binnen trad nu een fatsoenlijk, maar vreemd gekleed heer, die in diepen ootmoed voor den kantonrechter, voor diens echtgenoote, voor den knaap boog, en al buigende twee schreden nader kwam.
„Wien heb ik 't plezier?” begon de kantonrechter, met dezelfde luide stem, die den vreemdeling „binnen” had toegeroepen. Deze had juist zijn hoofd uit zijne diepe buigingen opgeheven, maar bij het forsche geluid van den heer Van der Lely boog hij het aanstonds weer omlaag, tastte in eene kleine brieventasch en bood hem onder toenemende verlegenheid en onhandigheid een kaartje aan.
„Hendrik de Leeuw! kunstschilder! Zoo, zoo, meneer! is u Hendrik de Leeuw, kunstschilder?”
„Om u te dienen, meneer!”—bracht de meer en meer in verwarring gerakende bezoeker uit.
De kantonrechter wierp met een lomp gebaar het kaartje op de theetafel. Naar een stoel wijzend, zette de achtbare ambtenaar zich weer in zijn gemakkelijken fauteuil, en sprak daverend:
„Ga zitten, meneer de Leeuw! en vertel ons wat je hier brengt!”
De jongeheer Frans had van zijne moeder een wenk ontvangen. Hij had met loome schreden een stoel naar de tafel geschoven, en haastig den poedel op zij geschopt, die nieuwsgierig en grommend langs de blauw- en groen-geruite pantalon van den vreemdeling snuffelde.
„Dank u, doe geene moeite, jongeheer! Vraag u wel excuus! Dank u!”
Onder deze betuigingen ging Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” zitten, terwijl hij zijn hoed voorzichtig onder zijn stoel borg, en met zenuwachtige snelheid zijn blond hair achter de ooren streek. De kantonrechter nam hem in een ondeelbaar oogenblik van 't hoofd tot de voeten op, en kon zich geene rekenschap geven, of hij een jonkman, dan wel een man van middelbare jaren voor zich zag. Hendrik de Leeuw had een eenigszins kaal hoofd, maar levendige en goedhartig schitterende blauwe oogen. Zijn gelaat had niets schoons of indrukwekkends, maar 't boezemde vertrouwen in door eene uitdrukking van gestadige welwillendheid, die zelfs te midden zijner tegenwoordige bedremmelde houding zich duidelijk kenbaar maakte.
„Ik ben zoo vrij, meneer!”—begon hij, nog gestadig buigend—„mij in persoon bij u te vervoegen.... de heer Burgemeester heeft mij aanbevolen bij u te komen, meneer!.... Ik wenschte mij in deze stad te vestigen, meneer!.... Men heeft mij verzekerd, meneer! dat er hier geene gelegenheid voor teekenlessen in de stad was, meneer.... en daarom....”
„Kom je, om hier teekenlessen aan te bieden! Begrepen! als je denkt, dat die onderneming gelukken zal, dan denk je mis!”
„Ha zoo, meneer!”—antwoordde de man, welke zich „kunstschilder” genoemd had, met eene uitdrukking, die de grootste welwillendheid aan den dag legde.
„Hier in Valendam teekenlessen geven!”—ging de kantonrechter voort, terwijl hij beide handen diep in de zakken van zijne zwartlakensche „beenkleederen” verborg.—„Dat is eene illusie, meneer! de Vos,.... de Leeuw! meen ik.... dat is eene illusie! je kent zeker onze plaats niet, hè?”
„Ha zoo, meneer!”—prevelde de „kunstschilder”, steeds welwillender.
„Neen, meneer! dan ken je onze plaats niet. 't Is hier allesdoodstroom! Er heerscht hier volstrekt geen publieke geest, meneer! Als we hier niet zooveel rijke boeren rondom ons hadden wonen, dan hadden we niemendal, geen veemarkt, geen paardenmarkt, niets hoegenaamd, meneer de Vos!”
„Ha zoo, meneer!”
„Ja, meneer! Ik durf met zekerheid beweren, dat er geen lamzaliger plaats in ons koninkrijk bestaat dan Valendam. Wil je een bewijs? Laatst, bij de verkiezingen, toen ieder rechtgeaard staatsburger de heilige verplichting gevoelde, om naar de stembus op te gaan, kwam niet eens de kleine helft der kiezers zich aanmelden. Daarom hebben we hier ook zoo'n potsierlijk afgevaardigde voor de Tweede Kamer—een vent, dien we misschien nooit weer kwijtraken.... een liberaal van den kouden grond. God beter het!”
„Ha zoo, meneer!”
Hendrik de Leeuw had onder den driftig en bulderend uitgesprokenspeechvan den kantonrechter zich verschillende reizen met angst het hair achter de ooren gestreken en enkele malen zenuwachtig gekucht. Mevrouw van der Lely achtte nu het oogenblik geschikt, om zich in het gesprek te mengen.
„Maar, Johan! als meneer zich hier toch vestigde, zou het dan niet goed zijn voor onzen Frans, dat hij teekenen leerde? Je weet, hij teekent al zoo aardig uit zich zelven!”
„Ha zoo, mevrouw!”
„Ja, meneer! Frans! laat je teekening van gistermorgen eens aan meneer zien!”
Frans had gedurende het gesprek den aanstaanden teekenmeester van Valendam met een nieuwsgierigen blik aangegluurd. Hij stond traag op, schopte den witten poedel ter zij, en zocht uit eene portefeuille op de vensterbank een paar zijner meesterstukken. Mevrouw van der Lely reikte ze met een zweem van een glimlach aan den „kunstschilder.” Hendrik de Leeuw beschouwde aanstonds uiterst aandachtig een grooten boom met een loodrechten stam van gebrandeterre-siènne, met dito takken, waaraan gelijke en gelijkvormige bladerenvan sapgroen en een verbazend aantal uitheemsche vruchten van vermiljoen. Verschillende malen knikte hij zeer welwillend tegen het kunststuk.
„Veel aanleg!”—zeide hij daarop, bescheiden kuchend.—„Zeer veel aanleg, mevrouw!”
De kantonrechter, die, barsch rondkijkend, voortdurend met sleutels en geld in zijne zakken gerammeld had, bracht nu zijne linkerhand te voorschijn, en gaapte zoo luid, dat de witte poedel verschrikt naar een schuilhoek vloog onder de sofa.
„Weet je wat, meneer de Vos!”—klonk het nu steeds geeuwend—„als jij het hier in dit beroerde nest probeeren wilt, gun ik je veel succes! Maar herinner je altijd, wat ik je dadelijk zei, 't is hier een beroerde boel!.... Wat heeft de Burgemeester je gezeid?”
„De heer Burgemeester was zeer voorkomend, meneer! Hij vroeg mij naar bewijzen mijner bekwaamheid. Ik vertelde hem, dat ik verschillende medailles aan de teeken-academie in de hoofdstad dezer provincie verdiend heb voor handteekenen en boetseeren, meneer!”
„Jawel, Geelhuyzen is altijd zeer formeel en zeer ceremonieel, dat weten we. Maar hij heeft zonen....”
„De jongeheeren Van Geelhuyzen zijn mijne eerste discipelen, meneer!”
„Frans! kom eens hier!”
De kantonrechter had nog luider geschreeuwd en barscher gekeken, dan gewoonlijk.
Frans naderde.
„Wil je teekenen leeren, jongen?”
„Ja, Pa!”
„Dan moet meneer maar zien of hij wat van je maken kan! Geef meneer de hand!”
Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” was zeer vereerd, boog zich verscheidene malen, en geloofde, dat het heel goed gaan zou. Nu kwam er nog een gewichtig punt: de conditiën. Maar hierover scheen de kantonrechter zich minder te bekommeren danzijne echtgenoote, die aanstonds vuur vatte bij deze onderhandeling. De eischen van den nieuwen teekenmeester waren echter zoo bescheiden, dat het verdrag weldra gesloten was.
Drie weken later had het stedeke Valendam het zeer druk over de verschijning van een nieuw lid der Valendamsche samenleving. De heer Hendrik de Leeuw had een paar gemeubelde bovenkamers bij een koopman in manufacturen gehuurd—hij had zijne opwachting bij alle notabelen van het plaatsje gemaakt, en al een tiental leerlingen voor „handteekenen” aangeworven. De ouders dier leerlingen hadden van hem tevens eene bescheiden aanbeveling voor het schilderen van hun portret ontvangen, maar tot nog toe was er van deze aanbieding geen gebruik gemaakt. Evenwel was zijne verschijning genoeg geweest voor het stille landstadje, om allerlei vriendelijke gesprekken uit te lokken. De Burgemeester Van Geelhuyzen had met den Gemeente-Secretaris—een deftigen ouden vrijer, die zich onderscheidde door eene verkleurde donkerbruine pruik—een ampel gesprek gevoerd, waarbij ten stelligste was uitgemaakt, dat Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” nimmer eenige aanspraak zou maken op den titel van Stadsteekenmeester, noch op eenige toelage uit de Gemeentekas, daar deze zoodanigen last niet zou kunnen dragen. Voor 't overige merkte de Burgemeester op, dat de vestiging van „genoemden” Hendrik de Leeuw in „deze gemeente” als eene aanwinst moest beschouwd worden, weshalve hij ook zijne beide zonen aan de teekenlessen deed deelnemen.
In het college: „Oefening en Vermaak”—een koffiehuis, waar de notabelste heeren des middags van één tot twee ouderwetsche glaasjes met „geestrijke vochten” opslorpten, en tweemalen 's weeks des avonds van zevenen tot tienen zichoefenden en vermaakten in kaartspel en rooden wijn—in dit zeer fatsoenlijk college had de kantonrechter Van der Lely zeer luid aan den Ontvanger der directe belastingen, een sufferig burgerlijk mannetje met een vuurrooden neus, te kennen gegeven, dat die arme duivel van een De Vos of De Leeuw er wel spoedig berouw over gevoelen zou, dat hij in zoo'n pitoyabele plaats als Valendam gekomen was. Hoe zou er liefde voor de kunst ontstaan in eene stad, waar de helft der kiezers niet opkwam en waar men zulke liberalen van den kouden grond naar de Kamer zond? De Ontvanger, die drie volwassen ongetrouwde dochters had, en tevens secretaris van het Valendamsche Nut was, die dus van den armen duivel van een teekenmeester nog op de eene of andere wijze partij dacht te trekken, stemde evenwel gaaf toe, omdat de kantonrechter zeer luid had geschreeuwd, en bovendien door zijn geld en ambt daar ter plaatse zeer gezien was.
In de wereld der oudere en jongere dames was tevens vrij wat beweging over den nieuwen inwoner der stad. De ouderen vonden hem zeer beleefd en voorkomend, maar zijn hair was veel te lang. Dit punt had inzonderheid een onderwerp van bezorgdheid uitgemaakt voor de echtgenoote van den predikant, wiens eenig kind onder de leerlingen des heeren de Leeuw werd geteld. De jongeren hadden ook hare opmerkingen. De dochters van den notaris vonden hem niet knap, en besloten hem bij alle voorkomende gelegenheden dapper uit te lachen, een privilege, 't welk deze dames, omdat zij de jongste, de knapste en de vroolijkste waren van den „jofferenstoet” uit het stedeke, besloten zeer duchtig te doen gelden. Maar de dochters van den ontvanger dachten wat gunstiger over den nieuwen teekenprofessor. Hij droeg zeer zonderlinge broeken en vesten, blauw- en groen-geruit, en zijne leverkleurige dassen met zwarte ouwels waren niet volgens haren smaak, evenwel scheen hij een zeer „geschikt jongmensch.”
Het onderwerp van al deze beschouwingen stond juist op een Zaterdagmorgen te tien uren klaar voor het eerst zijntiental leerlingen te ontvangen. Van zijne beide vertrekken had hij het beste voor leerkamer en atelier ingeruimd. Op de breede schuiftafel stond een zwart rek, bestemd voor de teekeningen en gravures, die het tiental tot model zouden dienen. Voor ieder was een overvloed van papier en teekenbehoeften gereedgemaakt. De stoelen stonden om de tafel geschaard—alles wachtte op de komst der jeugdige, teekenlustige Valendammertjes. Aan de wanden der kamer hingen velerlei studiën, die het kunstenaarstalent van Hendrik de Leeuw moesten staven—vooral portretten en studiekoppen, officiers met zwarte knevels en buitengemeen fraaie gouden epauletten, benevens Socratessen of Homerussen naar gipsbeelden op een bruinen grond met een stuk tafellaken van purper.
Het kloppen aan de deur deed den eenigszins zenuwachtigen teekenmeester verschrikt opzien. Oogenblikkelijk daarna kwamen de teekenlustige knapen een voor een binnen. Met veel verwarring en haast wees Hendrik de Leeuw hun ieder eene plaats aan. De oudste zoon van den notaris, een jonkman van zestien jaar, die meer aan teekenen gedaan had, kreeg eene soort van eereplaats en koos aanstonds een groot landschap in waterverf, om te kopieeren. De knapen, die nog nooit eene teekenpen in handen hadden genomen, zaten bij elkaar, om rechte en kromme lijnen te maken, en Hendrik de Leeuw stond bij hen, om hun de geheimen van de houtskool en het zwart krijt te ontvouwen. De zoon van den predikant, een knaap met fraai krullend blond hair, mooie blauwe oogen, maar met een gemeenen trek om een leelijken mond, zat naast Frans van der Lely en brak voortdurend elk nieuw stuk houtskool, dat de nieuwe teekenmeester hem in handen gaf. De beide jongeheeren vonden het vernederend, dat men hen strepen deed namaken, en nog geen kwart uurs had de les geduurd, of Hein van der Grijp, des dominé's zoon, wierp een stuk houtskool over het rek naar de overzijde van de tafel, waar de jongens van den Burgemeester zaten. Dezejongeheeren zaten zeer rustig hun best te doen, om de aanwijzingen van „meneer” de Leeuw te volgen, toen het voorwerp van de andere zijde op hun werk viel.
„Pas op, Hein!”—riep de oudste jongen van den burgemeester.
„Pas zelf op, kroeskop!”
Kroeskop was een eerenaam, dien Jan van Geelhuyzen om zijn zwart kroeshair onder de jeugd van Valendam voerde.
Een algemeen en luid gelach volgde.
Onze teekenmeester zag verschrikt op. Hij wijdde al zijne aandacht aan den zoon van den notaris, die zeer voorzichtig en netjes zijn landschap begon te schetsen. Daar evenwel de meesten den schilder nog maar zeer kort kenden, bogen ze zich vol ijver over hun werk, zoodra hij opzag. Zijn uiterlijk was evenwel weinig geschikt, om hun ontzag in te boezemen. Hij droeg een nauwsluitend grijs huisjasje met koorden en lussen als een huzarenpak, en op zijn hoofd prijkte eene roode Turksche muts met blauwen kwast. Zijne welwillende blikken en goedhartige glimlachjes dwaalden een poos over de hoofden der jongens—maar allen schenen ijverig bezig.
„Meneer! mijn krijt is gebroken!”—riep Hein van der Grijp met luide stem.
„Ha zoo, jongeheer!”
Met groote beleefdheid haastte hij zich, zijn discipel te helpen. Daarna keerde hij weder naar de Geelhuyzens, die hem riepen, om inlichting. Nauw had hij zich gebogen of eene groote prop papier vloog rakelings voorbij zijn aangezicht. Bloedrood van verlegenheid en ergernis zag hij op—een onderdrukt gelach klonk van de zijde, waar Frans van der Lely naast Hein van der Grijp zat.
„Mijn krijt deugt niet!”—sprak de zoon van den kantonrechter, zoo luid als zijn vader gewoon was, toen hij bemerkte, dat meneer de Leeuw hem aanzag.
„Ha zoo, jongeheer!”—had deze gezegd en zich werktuiglijk naar de andere zijde begeven, om met groote onhandigheideen nieuw stuk krijt voor zijn leerling te zoeken. Dit oogenblik namen de Geelhuyzens te baat, om het bombardement van hunne zijde te beantwoorden. Doch daar de Leeuw aanstonds op hen toetrad, volgde er weder een oogenblik van rust. Dit spel werd nu met nieuwe tusschenpoozen een uur lang voortgezet. De heer Hendrik de Leeuw verkeerde in een moeilijk te beschrijven toestand—hij zag volstrekt geen middel om de baldadigheid der „jongeheeren” te keer te gaan, hij wilde ze wel gaarne eens ernstig waarschuwen, maar hij was zeer onhandig met alles, wat naar eene aanspraak geleek. Telkens, als hij zich met iemand in 't bijzonder bezighield, vingen de anderen aan onderling eene of andere aardigheid te vertoonen. De ziel van alle baldadigheid was de zoon van den dominé, Hein van der Grijp. Juist was deze opgestaan, om een klein manneke van twaalf jaren met een hoogen rug een reep papier achter op zijn buis te spelden, toen de teekenmeester voor hem trad.
„Ha zoo, jongeheer! Mag ik u verzoeken te blijven zitten! Teekenen is een moeilijk werk, jongeheeren! Daartoe behoort veel studie! Mag ik u verzoeken, te blijven zitten jongeheer van der Grijp!”
Daar echter de blonde domineeszoon een zeer uitdagend gezicht vertoonde, en eene prop tegen den zolder wierp, die aller vroolijkheid gaande maakte, verloor de welwillende heer de Leeuw zijn geduld.
„Beroerde kwajongen!.... ga aan je werk, ga aan je werk, of ik smijt je de trappen af, versta je?”
Ieder zweeg, ieder keek onthutst en verwonderd op zijne strepen en kromme lijnen. De stem van den teekenmeester had rouw en luid geklonken—hij had met den voet op den vloer gestampt, zijn gelaat was purperrood geworden. Zijne drift was zoo onverwacht en plotseling losgebroken, dat er dien morgen niets verder voorviel, alleen zat Hein van der Grijp te fluisteren tot Frans van der Lely, dat hij zich niet liet uitschelden voor „kwajongen,” dat hij niet terug wildekomen, dat hij geene hand meer aan zijne teekening zette, dat hij het aan zijne ouders zou vertellen. Het uur van twaalven verloste meester en discipelen, alleen de zoon van den notaris had met genoegen gewerkt, en het manneke met den hoogen rug, het eenig zoontje van den hoofdonderwijzer, had veel achting opgevat voor zijn teekenleeraar.
Met luide uitroepingen van pret en baldadigheid stormden de wildste jongens de trap af tot groote ergernis der eerzame wederhelft van den manufactuurhandelaar, bij wien Hendrik de Leeuw kamers had gehuurd. Deze zelf had zich, zoo spoedig zijne leerlingen vertrokken waren, op den eenigen armstoel neergezet, die zijne woning rijk was. Hij kruiste de armen over de borst, en verviel in een diep en somber gepeins. Zijn goedhartig gelaat plooide zich in strakke rimpels en scherpe trekken, zijne mondhoeken trilden, zijn oog staarde wezenloos in 't ronde. Als ware het een gevolg van zijn gemijmer, greep hij eensklaps zijne roode Turksche muts met blauwen kwast, en wierp haar woedend in een hoek der kamer.
In 't eind schudde hij langzaam, zacht mompelend, zijn hoofd—eene zucht rees uit zijne borst. Hij stond op en begon het teekengereedschap weg te ruimen, terwijl zijn gelaat steeds diepe neerslachtigheid aan den dag legde. Er werd aan de deur geklopt—de juffrouw van beneden vroeg of „meneer” ook een kop koffie zou gebruiken. De Leeuw antwoordde met verlegenheid, en nam het voorstel aan. Het wild gedrag zijner leerlingen zou wel aan de juffrouw van beneden in 't oog gevallen zijn. Daar twijfelde hij niet aan! Dankbaar aanvaardde hij dus den kop koffie—terwijl hij zeer welwillend, schoon zonder eenige aanleiding, opmerkte, dat er zeer veel passage was in de straat, waarop hij uitzag, iets wat de juffrouw met eenige aarzeling toestemde, daar ze al te wel overtuigd was van de stilte en eenzaamheid der buurt, waarin ze woonde.
Op dit oogenblik werd er luide aan de deur geklopt.
De persoon, die binnenkwam, had nauw zijn gelaat vertoond, of hij riep vroolijk:
„Bonjour, de Leeuw! Hoe maak je 't? Mooi weer vandaag, hè?”
Hendrik de Leeuw boog verlegen, en drukte den nieuw binnengekomen vriend de hand. Deze was een klein manneke met kort afgeknipt rood hair, grove trekken, grijze oogen met zonderlinge witte oogharen, eene zeer hooge stem, als van eene vrouw, en een sluwen lach op het gladgeschoren wezen.
„Zoo, heb je teekenles gehad?”—ging hij voort.—„En wat ga je nu doen? Naar de kroeg natuurlijk. Je bent al heelemaal een burger van deze plaats, hè? Wat mij betreft, ik ben altijd blij, als er meer leven in de stad komt—soms is het wel eens wat duf hier! Heb je ook eene sigaar?”
„Om u te dienen, meneer Hattinga! Neem me niet kwalijk.... Ik zal er wat laten halen!”
De goedhartige, maar zuinige de Leeuw had geene sigaren in voorraad. Hij schelde met groote overhaasting, en fluisterde aan de deur tegen de juffrouw van beneden, die verdwenen was met iets zeer vinnigs op 't gelaat, toen zij den bezoeker opmerkte.
De heer Hattinga was intusschen bezig de schilderijen aan den wand te bestudeeren met een kennersblik.
„Weet je wel, dat daar weergasche aardige dingen bij zijn, de Leeuw!”—riep hij steeds doorpratend.—„Dat bakkes van dien zwarten generaal bevalt me! Ik zou m'n portret wel eens willen laten maken—nu, zoodra als ik eene van die malle meiden hier trouw, dan zal jij me portret maken! Die gipskoppen bevallen me minder—goed voor de jongens! à propos, hoeveel kereltjes heb je er al?”
„Tien, meneer Hattinga!”
„Hoor eens, dat verveelt me! Gisteren en eergisteren heb ik je onophoudelijk gezegd, dat ik Hattinga heet, of lieverTjerko Meindert Hattinga—ik verzoek van dat meneer verschoond te blijven! We zijn beiden jongelui, die onzen kost hier moeten verdienen, jij met teekenen en schilderen en ik met de wijnkooperij—dat moet kortaf zijn: de Leeuw en Hattinga of ik ga heen!”
„Zooals u verkiest!”—antwoordde de Leeuw verstrooid en verlegen, terwijl hij een klein zakje met sigaren, dat juist gebracht werd, aan zijn nieuwen vriend toereikte.
De wijnkooper Hattinga, „of liever Tjerko Meindert Hattinga,” greep eene sigaar, nam een lucifer, en zweeg zoolang hij daarmee bezig was. Nauw was hij gereed, of hij ging voort:
„Hoe is 't man! ben je vandaag niet in je humeur? 'n Beetje 't land, misschien? Dat komt er niet op aan, iedereen heeft wel eens een beetje het land! Je zult hier ook wel geen leven op rozen hebben, de Leeuw! Maar daar hebben we wel een huismiddeltje voor. Wij jongelui, de postdirecteur Van Schilferen en Jan Kalkman van de steenbakkerij, wij zullen ons maar wat dichter aaneensluiten en ons onderling amuseeren! Komaan, we zouden wel eens een paar droppeltjes kunnen gaan nuttigen, proeven, verorberen ofte wel doorspoelen in onze veelszins vermakelijke sociëteit: „Oefening en Vermaak!””
De wijnkooper Hattinga, die al den tijd van zijn vlug gesprek op een hoek van eene tafel gezeten had, sprong op, en trok zijne ouderwetsche hooge boorden uit zijn vale zwarte das. Hendrik de Leeuw, die meer werktuiglijk aan zijne bevelen gehoorzaamde dan vrijwillig handelde—die vooral niet wilde laten blijken, dat zijne pas ondernomen taak hem reeds nu verdroot, schoot spoedig zijne beste zwarte jas aan, en zag in den spiegel, of hij in staat was de fatsoenlijke Valendamsche sociëteit te bezoeken. Hij kende den wijnkooper Hattinga nog maar een paar dagen, en verwonderde zich wel over de snelheid, waarmeê hunne kennismaking tot innige vriendschap was overgegaan, maar verheugde zich toch, dat hij reeds in zoo korten tijd zich in de goede gunst der Valendamsche jongelui had weten te vestigen.
Met snelle schreden spoedde het tweetal naar de sociëteit. 't Was het eenige, wat het stedeke opleverde, had de wijnkooper gezegd, 't geen voor hem eene zekere mate van waarschijnlijkheid mocht bevatten, daar hij leverancier was van wijnen en likeuren aan den koffiehuishouder, in wiens zalen de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” hare Penaten had opgesteld. Bij het binnentreden van het gewone lokaal, vonden zij de heeren habitué's reeds aanwezig—'t was ook kwart na één—en groetten zij zoo vriendelijk mogelijk. De gemeente-secretaris met de verkleurde donkerbruine pruik zag ongeduldig uit naar zijn partner voor het edele dominospel, den postdirecteur Van Schilferen; en daar hij verwachtte, dat die met Hattinga de zaal zou binnenkomen, trok hij zijne vergrijsde wenkbrauwen zeer hoog op, toen hij zag, dat dit het geval niet was. De nieuwe teekenmeester, bevreesd, dat zijn uitheemsch toilet of zijne zwierige glacé-handschoenen de verstoordheid van den achtbaren ambtenaar hadden opgewekt, boog zich nog dieper, en was zeer tevreden, toen hij achter in de zaal aan een tafeltje met zijn vriend had plaats genomen.
„Lamme kerels!”—ving Hattinga, zeer voorzichtig fluisterend, aan.—„De burgemeester is nogal wel, zie je, maar de rest, altemaal ploerten!”
Bij deze woorden sloeg hij zich op de linkerborst, thans met een versleten hoog toegeknoopt lakensch vest bedekt. De teekenmeester keek schichtig op—zou iemand het gehoord hebben? Maar Hattinga knikte hem bemoedigend toe—niemand lette op hen.
„Laat ons eens eene hartsterking nemen, waarde De Leeuw!”—ging hij voort met zekere kluchtige overdrijving, die hem den naam van een groot komiek had verzekerd.—„Piet, eene flesch port! Van de duurste soort, je vader weet het wel!”
Dit was tot een mageren knaap gericht, die de dubbele betrekking van markeur bij het biljart en koffiehuisknecht vervulde, en aanstonds op een wenk van Hattinga toesnelde.
Hendrik de Leeuw staarde zijn nieuwen vriend met verbazing aan.
„Eenefleschport!”—sprak hij welwillend glimlachend—„me dunkt een glas zou al zeer voldoende zijn!”
„Malligheid, mijn waarde! We blijven hier toch wel een beetje plakken, en straks komen Van Schilferen en Jan Kalkman hier bij ons zitten! Proef eens, is dat geen délicieuse port?”
De Leeuw dronk aarzelend eene kleine teug uit zijn glas. Hij knikte, en hoestte verlegen achter zijn zakdoek.
„Ja, 't is goeie qualiteit en niet duur ook! Ik kan je nog van dezelfde soort een paar ankertjes leveren: Maar je zult misschien liever met een half ankertje beginnen.... zoo voor na het ontbijt, als je de vrienden eens bij je krijgt.... 't komt altijd te pas!”
Onze teekenmeester had in 't minst geen plan om groote inkoopen te doen, daar zijne middelen 't hem volstrekt niet vergunden, dus stotterde hij in de uiterste verlegenheid de eene of andere verontschuldiging.
„Malligheid, De Leeuw! Neem gerust een half anker! Wij zullen het als vrienden wel vinden! Bekommer je niet om den prijs! Kom, kom! als je 't niet betalen kunt, dan laat ik je mijn portret maken. In elk geval, zal ik je voor een kwart anker opschrijven! Over tafelwijn spreken we later!”
Hendrik de Leeuw staarde sprakeloos in 't ronde. Hij had den moed niet, om zijn nieuwen vriend tegen te streven, en toch.... hij gevoelde, dat hij zich zorgvuldig van elke uitgaaf voor weelde moest onthouden. Gelukkig kwamen op dit oogenblik twee leden van de sociëteit hun gezelschap deelen. De nieuwe teekenmeester rees van zijne plaats op, en reiktebeideheeren de hand. Hij had ze al een paar dagen te voren leeren kennen op dezelfde plaats. De een had een zeer pronkerig voorkomen, een stroohoed met blauw lint, gekleurde das en lichte handschoenen, de andere was geheel in 't deftig zwart zonder veel sporen van linnengoed of eenigen smaak voor zijnekleeding. De pronkerige heer had een dikken, knobbeligen neus en plukte onophoudelijk aan datgene op zijn gelaat, 't welk in de toekomst wellicht eenmaal den naam van knevel zou voeren. De zwarte had een rood verbrand wezen en dito handen—want hij droeg geene handschoenen—en stak zijne lompe laarzen met zekere zelfvoldoening vooruit. De Leeuw had beiden reeds bij naam en hoedanigheid leeren kennen, de dandy was de postdirecteur Van Schilferen, de zwartjas de steenbakker Jan Kalkman.
„Zitten jelui kerels al onder den port?”—vroeg deze laatste met een zwaar provinciaal accent.—„Geef mij ook eens een glas!”
Piet, de markeur, stond al klaar, maar vroeg meteen uit naam van meneer Schippers, den gemeente-secretaris, of meneer de postdirecteur niet zou komen domineeren. Van Schilferen trok een lang gezicht, en bedacht zich een oogenblik.
„Heb je geen zin, Schilfertje!”—riep de comische wijnkooper.—„Wacht, Piet, zeg meneer Schippers, dat ik kom. Ik kan den man nog gauwer zijn kwartje doen verliezen, dan jij, postdirecteur!.... Zeg, laat me soms een inschenken!”
Met deze laatste woorden tot De Leeuw liet hij het drietal zitten, om een klein winstje met het dominospel te maken. Hij was toch zeer handig en grappig die Hattinga, zeiden de beide nieuw aangekomen heeren, en zijn belang vergat hij nooit, nooit, wat er ook gebeurde. Intusschen dronken de heeren een paar glazen port, en vroeg men De Leeuw, hoe het hem in Valendam beviel. 't Gesprek vlotte niet recht in den beginne door de schichtigheid van den nieuweling, maar de wijn had hem allengs wat meer spraakzaamheid gegeven, zoodat men op 't laatst zeer vertrouwelijk keuvelde. De steenbakker nam maar weinig deel aan het gesprek, hij dronk, wiegelde met zijn stoel op en neer, en greep eindelijk het Handelsblad.
„Men moet ergens beginnen, meneer De Leeuw!”—beweerde juist de postdirecteur zeer wijsgeerig.—„Natuurlijk kan dewaarachtige kunstenaar zich niet in zoo'n nest opsluiten als Valendam. Maar de kunst is soms eene bittere, onhartelijke stiefmoeder! Zooals ik hier voor u zit, meneer De Leeuw! had ik ook nooit gedacht met een postje als 't mijne hier mijn brood te moeten winnen! Ik ben letterkundige,mon cher! en naar ik verneem niet volkomen ongelukkig!”
De heer Van Schilferen sloot de oogen, en goot den inhoud van zijn glas langzaam in zijne keel. Daarna zuchtte hij met diepen weemoed, en bespiedde hij van ter zijde, welken indruk zijne woorden op zijn nieuwen vriend maakten. Hendrik de Leeuw had vroolijk geknikt, ook eens gedronken, en sprak nu sneller en opgewekter, dan hij in bedaarde oogenblikken pleegde:
„Maar men moet wat opofferen voor de kunst, meneer Van Schilferen! mijn heele leven tot nu toe was opoffering....”
„Als het mijne, als het mijne,mon cher! Toen ik schooljongen was, maakte ik mijne eerste verzen, aan een heerlijk onderwerp gewijd: „Zuleika, de Circassische.” Ik zal je 't eens laten zien, als je bij mij komt!”
„In mijne eerste jeugd wilden mijne ouders, later mijne voogden, niet van schilderen weten! Ik zou in mijn ooms zaak komen. U weet het misschien wel, als u in X....”—De Leeuw noemde de hoofdstad der provincie—„naar de groote markt gaat, zal u die groote grutterswinkel wel in 't oog gevallen zijn: Jakob de Leeuw & Zoon. Dat is mijns ooms huis. Ik zou ook grutter worden, maar waarlijk ik gevoelde er niet veel lust in....”
„Of je gelijk hadt, meneer De Leeuw! Laat ik je nog eens inschenken. Neen, het kan volstrekt geen kwaad! Kalkman drink eens uit, en laat ons nog een halfje voor den eten nemen!”
De ex-grutter-teekenmeester en kunstschilder gevoelde, dat de heeren inderdaad zeer gul waren met aanbiedingen van morgenwijn. Reeds duizelde zijn hoofd, maar 't hinderde hem niet bijzonder, zoodat hij aanstonds weer even opgeruimd engoedhartig als gewoonlijk naar de orakelen van den postdirecteur luisterde.
„'t Is mij bijna als u gegaan”—sprak deze, geheimzinnig met de oogen knippend,—„mijne ouders bestemden mij voor een practisch baantje, en inwendig gevoelde ik hetfeu divin! Daarop heb ik menige klacht in rijm vervaardigd—je moet eens bij mij komen, dan zal ik je meer laten zien!”
„We zijn dan broeders in de kunst”—antwoordde de Leeuw met rooder tint op zijne wangen.—„Ook ik moest voor den handel worden opgebracht. Maar alles voerde mij tot de kunst. Als jongen op school bracht ik het tot eene zeer aardige hoogte in 't schoonschrijven, en later ging het evenzoo met het teekenen. Ik won twee medailles, meneer Van Schilferen! voor schetsen naar 't naakt model!”
„Laat ons eens op onze broederschap drinken, De Leeuw! en dat stijve meneer weglaten.”
„De drie percents weer gerezen!”—riep Jan Kalkman uit, die werktuiglijk met de heeren klonk, en van het Handelsblad opzag.—„In die Amerikanen is fortuin te maken!”
„Ik heb wel geen medailles verworven”—ging de postdirecteur voort, zonder op den steenbakker in 't minst te letten—„maar ik heb toch mijne sporen verdiend. Mijn eerste bundel:Tulpen en Hyacintengetiteld, zag verleden jaar het licht. Een persoonlijk vijand schreef er eene critiek van in dat lammeLeeskabinet.... ik heb er wat onder geleden!”
„Niet waar, men kan lijden voor de kunst”—riep Hendrik de Leeuw uit met stijgende geestdrift.—„Vandaag nog had ik eene onaangenaamheid. Ik begon mijne teekenlessen, en de leerlingen betoonden zich meest allen ongeschikt. Maar geduld.... ik zal er wel liefhebberij voor opwekken bij de jongelui hier, als ik maar tijd heb!”
„Dat de kunst toch altijd aan zooveel materiëels en onaangenaams verbonden is!”—klaagde VanSchilferen, en plaatste zijn glas zoo driftig op het tafeltje, dat de kelk brak en de wijn over zijne vingers stroomde.
„Dat doe je handig, Schilfertje!”—riep de wijnkooper Tjerko Meindert Hattinga, die zijne vrienden weer kwam opzoeken, daar hij den secretaris een paar kwartjes had doen betalen, en al de heeren reeds vertrokken waren. 't Gesprek werd nu algemeener. Jan Kalkman bracht het een en 't ander in 't midden omtrent de graanprijzen en de beursnoteeringen der effecten. Hattinga was zeer grappig, en stelde voor, om des namiddags een wedstrijd op het biljart te houden. Men scheidde onder wederzijdsche belofte van omstreeks vier uren aanwezig te zijn.
Hendrik de Leeuw werd echter dien namiddag door zoo drukkende hoofdpijn geplaagd, dat hij zijne kamer moest houden en geheel ziek zich te bed begaf.
Er waren na de eerste verschijning van Hendrik de Leeuw in Valendam ruim driekwart jaars verloopen. Veel verandering was er in dien tijd niet tot stand gekomen. 't Was winter en de vergaderingen van het Nut, het jaarlijksche bal der sociëteit: „Oefening en Vermaak”, alles had op behoorlijken tijd plaats gegrepen. Een aanzienlijk inwoner had de stad verlaten. Mr. Johan van der Lely was benoemd tot rechter in de arrondissements-rechtbank te X.... de hoofdstad der provincie. De jongeheer Frans had zijne kameraden met jongenshartelijkheid de hand gedrukt, van zijn teekenmeester had hij ook een vroolijk, maar toch dankbaar afscheid genomen.
Want Hendrik de Leeuw, wat er ook in dat driekwart jaars met hem mocht zijn voorgevallen, had zich de vriendschap zijner leerlingen weten te winnen. De onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter had, trots de baldadigheid der meesten, eindelijk over hunnen onwil gezegevierd. Zij konden het op 't laatst niet meer van zich verkrijgen denbeleefden, vriendelijken man, die daarenboven zoo kennelijk een trek van diepe zorg op 't gelaat vertoonde, met hunne uitgelatenheid of euvelmoed te kwellen. De oudste zoon van den notaris had daarenboven zeker zedelijk gezag over zijne kleinere kameraden weten uit te oefenen, en zoo was het langzamerhand al beter geworden bij de lessen—de jongelui, zelfs de bijzonder ondeugende zoon van den predikant, Hein van der Grijp, hadden zich met min of meer goed gevolg op het teekenen toegelegd. Hendrik de Leeuw had alles in 't werk gesteld, om zijne leerlingen te boeien. Met vier der meest gevorderden begaf hij zich eens in de week, zoolang het weer dit gedoogde, naar buiten om te „schetsen naar de natuur.” Dit alles ging vrij voorspoedig—maar andere zwarigheden begonnen hem te bemoeilijken.
Toen hij zich te Valendam ging vestigen, had hij gehoopt zijne inkomsten te zien vermeerderen door het toenemen der lessen of door het schilderen van portretten. Er mochten een paar jongelieden aan zijn tiental worden toegevoegd, één—Frans van der Lely—vertrok weder; en portretten, zoo die in Valendam werden gevraagd, zouden enkel besteld worden bij den een of ander photograaf van de hoofdstad der provincie. De arme De Leeuw zag duidelijk, dat hij van zijne kunst niet zou kunnen leven. En het tegendeel hiervan had hij steeds bij zijn voormaligen voogd, bij zijn oom, den grutter Jakob de Leeuw, volgehouden—daarom waren zij vijandelijk van elkaar gescheiden, toen Hendrik zijne studiën aan de teekenacademie had volbracht, en met de stoutste plannen voor de toekomst naar Valendam vertrok. Want hij had zijn klein vaderlijk erfdeel in zijne studiejaren moeten verteren, hij meende nu de renten van zijn kapitaal te winnen.
Maar die tijd scheen nog verre. Van het begin af had hij geoordeeld, dat hij zich zooveel mogelijk vrienden verwerven moest in de stad zijner nieuwe vestiging. De heer Hattinga, de dichterlijke Van Schilferen en de bemiddelde steenbakker Kalkman waren zijne meest intieme vrienden geworden. Hijhad hen zooveel mogelijk gezelschap gehouden des ochtends en des avonds op de sociëteit—maar daarmee was al zijn gereed en verdiend geld verslonden. De heeren hadden zich steeds gedragen, of zij er niet op letten, als De Leeuw uiterst zuinig was gebleven in al zijne verteringen en dit was zeer welwillend van hen—maar zoo kon het niet blijven. Het fatsoenlijk publiek van Valendam had zich—o wonder!—tot nog toe weinig met de huiselijke omstandigheden van den teekenmeester bemoeid, alleen de manufactuurhandelaar, wiens kamers hij bewoonde, schudde soms bedenkelijk het hoofd, daar de betaling der huurpenningen onder allerlei vriendelijke en verlegen uitvluchten tot na de voleinding van het eerste jaar was uitgesteld. De kennismaking met de meeste families had langzamerhand plaats gegrepen. De voornaamste patriciërs der stad hadden de behoorlijke reserve in acht genomen, vooral daar de jonge kunstenaar tot de club van den wijnkooper Hattinga behoorde, waartegen de dames een zeer sterk vooroordeel koesterden. Bij het gezin echter van den ontvanger der directe belastingen was de club welgezien, daar de dichterlijke postdirecteur op de Nuts-avonden verzen declameerde, 't geen den heer des huizes aangenaam was—dewijl Van Schilferen daarenboven vrij duidelijk zijn hof maakte aan de lichtblonde Bertha, de jongste dochter des gezins, 't geen algemeen in den smaak viel. Ook Hendrik de Leeuw had zich de goede gunsten van het ontvangersgezin weten te verwerven, door zijne onuitputtelijke goedhartigheid, en door in de vergadering van het Nut eene voorlezing te houden over de verschillende genres van schilderkunst, 't welk hem veel hoofdbrekens en luid gelach van des notaris dochters had op den hals gehaald.
Daar echter zijn toestand financieel hoe langer hoe pijnlijker werd, had hij morgen en avond op het een of ander plan gepeinsd, om zich van zijne zorg te bevrijden. Eindelijk had hij iets ontdekt. Met een strak peinzend gelaat had hij een lang epistel geschreven aan eene oude kennis in X....—eenedame, half en half eene nicht, een vijftal jaren ouder dan hij en met een weinig fortuin, zeide men. 't Gevolg van dit alles was, dat op zekeren morgen meer dan ooit gedronken werd door de club, terwijl de postdirecteur Van Schilferen, tot verbazing van al de aanwezigen, luide een vers declameerde. Hendrik de Leeuw verhaalde aan zijne vrienden, dat hij verloofd was met eene nicht, geenszins de dochter van zijn oom, den grutter, maar eene verre nicht, uit eene zeer fatsoenlijke familie gesproten, eene wees.... De vrienden voegden er bij, dat het een deksels slimme trek van hem was—dat hij zeker wel een rijk vrouwtje zou huwen, dat al de jongedames in Valendam om wraak zouden roepen. De geestdrift steeg zoo hoog, dat de goedhartige kunstenaar niet nalaten kon, zijnen vrienden onder diep geheim te verzekeren, dat zijne bruid inderdaad eenig fortuin bezat—zoodat men het middagmaal in den steek liet, en een geïmproviseerd diner in de sociëteit gebruikte.
Eerlang nam de gelukkige Hendrik de Leeuw een acht dagen vacantie. Het huwelijk werd zonder veel vertoef gesloten. De bruidegom scheen zijne 25, de bruid hare 30 jaren tot voorwendsel gekozen te hebben om niet al te lang te wachten. Het jonge echtpaar betrok nu eene flinke bovenwoning, die met de meubelen der nieuwe mevrouw de Leeuw voortreffelijk werd gestoffeerd—en de huurpenningen voor den manufactuurhandelaar met nog eenige kleinigheden aan wijn voor vriend Hattinga werden, begeleid van zeer beleefde brieven, door den jeugdigen echtgenoot aanstonds na zijne terugkomst in Valendam betaald. Ieder had gedurende een veertien dagen veel op te merken over de Leeuws huwelijk, maar toch bleef ieder uiterlijk zeer hartelijk gezind voor de jonggetrouwden. Dezen meenden een stap te moeten doen, om de welgezindheid der Valendammer fatsoenlijke wereld, vooral wat de ongehuwde jongelui aangaat, voor goed te winnen. Vóór zijn huwelijk had de Leeuw nog onder zijne leerlingen een prijs uitgeloofd voor de beste teekening in zwartkrijt.Daar de oudste zoon van den notaris zich buiten mededinging hield, was die prijs ten deel gevallen aan den zoon van den hoofdonderwijzer, den jongen met den hoogen rug. Die prijs, eene zilveren teekenpen, zou op eene plechtige wijze worden uitgereikt. Daarom hadden „meneer en mevrouw” de Leeuw besloten eenige vrienden tot bijwoning dier plechtigheid uit te noodigen. 't Waren de leden van de club, Hattinga, de postdirecteur en Kalkman, benevens de drie dochters van den ontvanger.
Omstreeks zes uren waren de jongelui in de nieuwe woning bescheiden. 't Was der moeite waard het vergenoegd gezicht van Hendrik de Leeuw waar te nemen, als hij daar te midden der toebereidselen uiterst gelukkig zijne kamer op en neer wandelde. En daar was mevrouw de Leeuw waarlijk ook! Welk een aardig, vlug, levendig vrouwtje was mevrouw de Leeuw! Ze was wat heel klein, sommigen meenden al te klein, maar ze had een geestigen wipneus, kleine fonkelende zwarte oogen en een fijn kinnetje. Men behoefde haar maar eene enkele reis ontmoet te hebben, om haar aanstonds te herkennen, waartoe niet weinig bijdroeg, dat niemand haar ooit zonder een fraai mutsje met zwierige rooskleurige linten en een paar zwarte zijdenmitainesgezien had. Zoo was het uiterlijk der verre nicht, die Hendrik de Leeuw hart en hand had geschonken. Vlug en vroolijk sprak ze met haar echtgenoot, die in zijne gewone goedheid al de schoone eigenschappen zijner vrienden nog eens opsomde.
Na een bescheiden tikken op de deur traden nu de Leeuw's discipelen allen te zamen binnen. Mevrouw was recht vriendelijk tegen de jongeheeren, en de teekenmeester was ook zeer vriendelijk, en tevens wat deftiger dan gewoonlijk, en de jongelui waren ook zeer vriendelijk en glimlachten allen even welwillend als hun goedhartige onderwijzer.... maar allen waren wat verlegen en het gesprek stokte ieder oogenblik. De Leeuw deed met veel verwarring en drukte zijne leerlingen plaats nemen, zijne kleine, bedrijvige vrouw schonkthee, en praatte snel door over de suiker en de melk en duizend kleinigheden, zoodat men reeds eenigszins meer vertrouwelijk was, toen de drie dochters van den ontvanger met veel vriendelijke uitroepingen en buigingen binnentraden. De verschijning dezer drie blonde schoonheden deed al het gesprek der jongelui verstommen, maar integendeel het praten van mevrouw de Leeuw in gelijke mate levendiger worden. Niet lang duurde het nu, of Hattinga, grappiger, de postdirecteur, dichterlijker, en Jan Kalkman, lomper dan ooit te voren, kwamen het gezelschap voltallig maken. In een oogenblik waren de beide eersten meester van den toestand, en schertsten en schreeuwden of zij zich in de lokalen der vermakelijke stads-sociëteit bevonden.
„'t Doet me toch plezier, dat mevrouw de Leeuw nogal schik heeft in Valendam!”—riep Hattinga uit.—„De menschen klagen wel eens wat gauw, maar 't is hier goed uit te houden, wat zeg jij, Gonne?”
Gonne, of beter Hildegonda, de oudste blonde dochter van den ontvanger, die evenals hare zusters een bolrond gelaat en groote, niet bijzonder schrandere blauwgrijze oogen bezat, lachte verlegen, en zei rad:
„Hou je mond toch, Hattinga, zie je dan niet dat de Leeuw wat zeggen wil!”
Inderdaad stond Hendrik de Leeuw juist op dit oogenblik gereed eene aanspraak tot de jongelui te houden. Hij had een paar malen bescheiden gekucht, reeds eenmaal aangevangen met een: „Dames en Heeren!” maar het geluid der sprekenden had zijne stem overvleugeld, en daarom had hij nu luider op de tafel getikt.
Allen zwegen. De heeren en dames, die tot nog toe den meesten tijd staande hadden doorgebracht, zetten zich op een afstand van de tafel en fluisterden vroolijk door, toen zij zagen, dat de Leeuw met zekere zenuwachtigheid eenige teekeningen en papieren rangschikte, een rolletje papier met roode linten ter hand nam en zijne leerlingen deftig aanzag. Men bemerkteaanstonds, dat hij tamelijk verlegen was, maar toch eene zekere waardigheid had aangenomen na zijn huwelijk, welke niet weinig verhoogd werd door eene deftige zwarte jas en een sierlijken gouden horlogeketting. Eindelijk begon hij:
„Dames en Heeren! Het doet mij hartelijk, ja zeer hartelijk veel genoegen, dat gij wel zoo goed wildet zijn, deze geringe, deze huiselijke plechtigheid, als ik zoo spreken mag, met uwe tegenwoordigheid te vereeren. Voor een paar maanden heb ik mijne leerlingen tot een wedstrijd opgeroepen en een prijs uitgeloofd voor de beste teekening in zwart krijt....”
Hier haperde de Leeuw een oogenblik. Zijn geheugen—hij had zijne aanspraak van buiten geleerd—liet hem in den steek. Weldra hervatte hij kuchend:
„Voor de beste teekening in zwart krijt. Die wedstrijd heeft plaats gehad. Na een onpartijdig oordeel te hebben geraadpleegd, bleek het mij, dat de teekening van mijn jongen vriend Anton Lanting, oudsten zoon van onzen geachten hoofdonderwijzer alhier, dien prijs had behaald, terwijl ik een getuigschrift voor de tweede best gekeurde teekening aan Jan van Geelhuyzen, zoon van onzen hooggeschatten heer burgemeester, mag toekennen!”
De genoemde jongelui stonden op. De Leeuw reikte met volkomen achtbaarheid—de blijdschap zijne rede naar wensch te hebben uitgesproken, maakte hem stouter—de zilveren teekenpen en het getuigschrift aan de bekroonde jongelieden, die vrij verlegen en met diepe buigingen hunne plaats weer opzochten.
Had de echtgenoote van den glimlachenden teekenmeester juist niet met een blad, waarop wijn en glazen, komen aandragen, misschien ware zijn toestand dan wederom wat moeilijker geworden, want zijn voorraad van buiten geleerde volzinnen was uitgeput. Doch nauw hadden de dames en ook de heeren van de club een glas wijn in handen, of Hattinga stond op en sprak:
„Jongens! jelui moet maar flink oppassen bij meneerde Leeuw! Ik zou jelui aanraden, om een volgend jaar zoo weergaas mooi te teekenen, dat je altemaal wat verdiend hadt. En als je me nu een plezier wilt doen, dan drinken we dit glas op de gezondheid van meneer en mevrouw de Leeuw!”
Luid gejuich en salvo's van vroolijke uitroepingen volgden. De oudste zoon van den notaris vond het zeer aanmatigend van den roodhairigen wijnkooper, om zich zoo in zaken te mengen, waarbij hij eigenlijk niet anders dan als toekijker genoodigd was—maar omdat hij niet wist wat hij zeggen zou, zweeg hij met een betrokken gelaat.
De plechtigheid was nu geëindigd. Mevrouw de Leeuw bood een gebakje, haar man schonk wijn—waarbij Hattinga een aardig procentje winst maakte—ieder bewoog zich met meerdere vrijheid dan voorheen. Doch de jongelui stonden te zaam voorzichtig te fluisteren. Op eens traden zij allen te voorschijn, reikten hun meester de hand, en gaven hun voornemen te kennen, om te vertrekken. Maar nu moest ieder nog een glas drinken, nu werd de gezondheid van beide bekroonden bedacht, en onder veel betuigingen van wederzijdsche tevredenheid trok de stoet der jongens af.
„Zie zoo, dat geeft ruimte!”—riep Hattinga, zijn stoel bij de tafel schuivend.—„Je weet niet wat je met die kereltjes praten moet! Ze zitten zoo verduiveld zot rond te kijken. Die jongen van den burgemeester had het op je krullen, Bertha!”
De lichtblonde Bertha, jongste dochter van den ontvanger, schaterde het uit, meneer en mevrouw de Leeuw schaterden mede, en de heer van Schilferen bewonderde de schakeeringen van zijn bont gekleurd vest. Weldra was men in de genoeglijkste stemming. Jan Kalkman dronk zoo dikwijls zijn glas uit, dat hij ook spraakzaam werd, en eenige zwaarwichtige beleefdheden richtte tot mejuffrouw Thérèse, gewoonlijk Trees genoemd. Deze was in leeftijd tusschen de dames Hildegonda en Bertha, en onderscheidde zich door eene zekere kwijning in haar voorkomen, benevens door een zeer kunstmatig keurslijf,'t welk eenige gebreken in haar aanleg op passende wijze te gemoet kwam. De heer van Schilferen was vol poëtische invallen—de schoonste richtte hij tot Bertha. Mevrouw de Leeuw schertste zoo druk mede, dat ze al spoedig zeer hoog in de schatting van de club stond aangeschreven. Haar gelukkige echtgenoot deed zijn uiterste best. Op vereerend verzoek zong hij een weemoedig lied—het eenige van zijn repertoire—waarin de kortheid van het menschelijke leven, de maan en de eeuwige trouw der min werden verheerlijkt. De postdirecteur was onuitputtelijk in het voordragen van tragische, elegische en comische verzen. Sommige waren aan zijne eigene kunst te danken, en bij deze noodigde hij telkens het gezelschap uit, om eens bij hem te komen, daar hij hun de handschriften toonen zou.
Toen men eindelijk in eene zeer opgewondene stemming naar huis trok, begeleidde het drietal heeren de dochters van den ontvanger naar hare ouderlijke woning. Daar aangekomen, bleef mejuffrouw Thérèse nog een oogenblik met den steenbakker keuvelen.
„Zou jij gelooven, Kalkman! dat die vrouw van de Leeuw zooveel fortuin had?”
„Neen!”
„Weet je er ook wat meer van!”
„Ik weet alles!”
„En dat is?”
„Dat de Leeuw een heel zotten streek heeft begaan. Dat mensch met dat mutsje brengt hem wat nieuwe meubeltjes aan, en een heel klein sommetje geld. Ik weet het van mijn broer te X.....”
„'t Is de moeite waard, om zich zoo'n air te geven. Nu, adieu, Kalkman! ik dank je voor je geleide!”
Nog geen halfjaar na de Leeuws huwelijk, waren er reeds, die het gevoelen van den steenbakker in hunne gesprekken openlijk durfden herhalen. Ja, de teekenmeester had een dommen streek bedreven. Zijne vrouw had weinig of geen fortuin, en hoe zouden zij in Valendam van zijne teekenlessen bestaan. Een ander deel van het publiek, en het waren de meest notabelen, de burgemeester en de predikant, zagen de zaak zoo duister niet in—in elk geval scheen de welwillende en gedienstige teekenmeester toch nog eenig vermogen te bezitten, als men naar zijn uiterlijken staat mocht oordeelen en zijne verdiensten konden op den duur vermeerderen.
Meneer en mevrouw de Leeuw vormden op dat oogenblik geheel andere gedachten. Ze leefden in de blijde hope, eerlang hun gezin met een telg te zien vermeerderd. De teekenlessen gingen geregeld voort en de zeer matige inkomsten werden met vreugde door de echtgenooten geïnd. Inderdaad had mevrouw de Leeuw eene kleine som aan contanten ten huwelijk meegebracht, waarvan de onbeduidende rente het huiselijk budget maar zeer onvoldoende kwam aanvullen. Daarom deed zich een en andermaal de noodzakelijkheid gevoelen, om het kleine kapitaaltje voor een deel te gebruiken in de hoop, dat toekomstige winsten dit te kort zouden dekken. De Leeuw ontwierp daarom ook eene kapitale schilderij: „Eene episode uit den watersnood” voorstellend, en waarvoor de bezieling hoofdzakelijk in eene oude vergeten gravure uit de Muzen-Almanak van 't jaar 184* gezocht was.
Een ander verschijnsel was van zorgwekkender natuur. Door de onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter had de gelukkige teekenmeester in de eerste maanden van zijn huwelijk zijne dwergachtige echtgenoote zoo volkomen gevierd en toegegeven, dat zijn wil allengs eene vrij onbeteekenende omstandigheid in het gezin werd. Mevrouw de Leeuw had een vroolijken luchthartig karakter met eene kleine overhelling tot zelfzucht, die door de medeplichtigheid van haren echtgenoot zich langzamerhand ontwikkelde tot eigenzinnigheid en heerschzucht. Nu de tijd meer en meer naderde, dat hare blijde verwachting zou vervuld worden, kon de arme de Leeuw wel eens oogenblikken doorleven, die hem aan zijn huiselijk geluk, zoo luid geprezen bij de club, in allen ernst deden twijfelen. Reeds hadden de vrienden uit kortswijl hem verweten, dat hij „onder de pantoffel” zuchtte, en had hij zijne onafhankelijkheid bewezen, door getrouwer dan ooit de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” te bezoeken.
Mevrouw de Leeuw was zeer tegen het laat blijven op de sociëteit, 't zij des avonds, 't zij des morgens. Haar echtgenoot wist dit en paste inderdaad voorbeeldig op zijn tijd. Eens gebeurde het hem, dat hij tot kwart na tweeën aan het biljart bleef toeven, en toen ontstond er aan tafel tusschen de echtgenooten een zeer ernstig geschil. De Leeuw was altijd toegevend en goedhartig, tot laf wordens toe, maar als zijne gevoeligheid eens was opgewekt, gaf hij toe aan eene plotselinge uitbarsting van drift, die aanstonds plaats maakte voor een diep berouw. Zoo ging het hem thans. Zijne vrouw kreeg een hevig zenuwtoeval, gilde, huilde en wrong zich in allerlei bochten. De radelooze teekenmeester stiet in zijn angst meubelen omver, riep om artsen, heelmeesters en spiritus, doch de persoon, die weldra bleek het meest noodig te zijn, vergat hij: de baker.
Mevrouw de Leeuw stond den schok dezer onverwachte gebeurtenis redelijk wel door—zij schonk haren berouwvollen echtgenoot vergiffenis, en beiden verheugden zich over hun telgje, waaraan niets opmerkelijks dan eene bijzondere kleinheid en dwergachtigheid was waar te nemen. De keerzijde van deze gebeurtenis was echter een noodzakelijk aantal uitgaven, waartoe het grootste deel van het overblijvend kapitaaltje gebruikt werd. Een jaar na zijn huwelijk kon Hendrik de Leeuw de gedachte niet onderdrukken, dat de toekomst meer bezwaren aanbood dan vóór zijn trouwen. Daarbij kwam, datzijne kapitale schilderij: „Eene episode uit den watersnood”—door de commissie van de Tentoonstelling geweigerd was!
De arme kunstenaar had nu rust noch duur. Zijne schilderij geweigerd, zijne uitgaven zich uitbreidend voor zoover hem dit mogelijk was, zijne inkomsten verminderd door de vertering van het gering kapitaal zijner vrouw—alles drukte hem diep ter neder. Daarbij kwam dat zijn krediet allengs verminderde. Een jaar was verloopen en wederom was de nu vrij aanzienlijke huishuur niet betaald. Daar werden beleefde briefjes gewisseld met den banketbakker, wiens bovenwoning men gehuurd had. Een uitstel van betaling werd toegestaan. En intusschen schreeuwde het wicht in duodecimo, 't welk in die bovenwoning het licht aanschouwd had, op zoo oorverscheurende wijze, dat De Leeuw ten einde raad zijn hoed greep, en radeloos in de sociëteit zich met al de kranten boven zijn leed poogde te verheffen.
In 't eind vertrouwde hij zijn moeilijken toestand aan den postdirecteur. Deze schudde verschillende malen ernstig zijn hoofd. Zij zaten in Van Schilferen's zwierige voorkamer en dronken, om de zaak bedaard te kunnen overwegen, een glas Schotsch bier.
„Had je me dat maar vroeger vertrouwd,amice! dan was er nog wat aan te doen geweest, ik heb je altijd gezegd, je moest eens bij me komen!”
De Leeuw zuchtte. Aan dien raad had hij niets. Van Schilferen dronk zijn glas deftig uit, wreef met zijn wijsvinger tegen zijn dikken, knobbeligen neus, en ging voort:
„In zoo'n akelig nest als Valendam kunnen eigenlijk geene kunstenaars, als wij zijn, bestaan. Als ik dat ellendig baantje van postdirecteur er niet bij had, dan zou ik ook niet kunnen leven. Ik had een ruimer en beter werkkring moeten kiezen!”
„Je meent, dat het voor mij beter zou zijn, in een grooter en bevolkter stad teekenlessen te zoeken?”
Van Schilferen schonk zeer bedaard de glazen in, dronk het zijne leeg, en zeide langzaam:
„Juist!”
De Leeuw verzonk in diep gepeins. Dit was althans een raad. Maar Van Schilferen sloot zijne secretaire open en nam er een tal manuscripten uit, die hij op de tafel uitstalde. Weldra had hij er een opgevat.
„Ja, De Leeuw!”—begon hij—„'t Is wel treurig, dat de kunst zoo om brood moet vragen. Ga daarom zoo spoedig je kunt. Ik moet hier blijven. Maar ik verlies nog alle hoop niet. Ik wijd mij ijverig aan de Muzen. Eenmaal zal misschien een dezer zangen de opmerkzaamheid wekken van een echt kunstkenner. Hoor eens, wat dunkt je daarvan?”
En met eene kunstmatig trillende basstem hief hij aan: