„Pour tant d'amour ne soyez pas ingrate,Lorsqu'il n'aura que vous pour seul bonheur!”
„Pour tant d'amour ne soyez pas ingrate,Lorsqu'il n'aura que vous pour seul bonheur!”
„Pour tant d'amour ne soyez pas ingrate,Lorsqu'il n'aura que vous pour seul bonheur!”
„Pour tant d'amour ne soyez pas ingrate,
Lorsqu'il n'aura que vous pour seul bonheur!”
MllePaquitageeuwt, en gaapt, en gebiedt Charles te zwijgen. Deze maakt wanhopige gebaren volgens tooneeltrant, en staart in de vlammen. Een oogenblik later vangt een gesprek aan, waarbij Charles de Bruyn van Oudenhoven even nauwkeurig Fransch spreekt, als de eerste kappersbediende der residentie.
„Ik verzeker u,Paquita! dat ik het sleuteltje bezit!”
„'t Is mogelijk! Maar ik geef het kistje niet in je handen!”
„Ik begrijp je niet meer, mijn lieve demon! Je wordt behandeld als eene slavin, je klaagt en schreit soms avonden lang, en je wilt van geene rede hooren! Doe wat ik je raad, en je wordt het gelukkigste schepsel van den aardbodem!”
„Alles zeer wel, maar wij Fransche vrouwen hebben een zeker idee van fatsoen. Hij heeft het mij vertrouwd, als een bewijs van zijne edelmoedigheid—en het dan uit mijne handen te geven....”
De deur van het salon ging op een kier open, het spichtig, mager gezichtje van een kamenier gluurde naar binnen, en riep:
„Il vient!”
Aanstonds greep er eene groote verandering plaats. De heer Charles vloog als een krankzinnige naar de deur, keerde terug, daar een stap op de trap klonk, en bedekte zich eensklaps met de zware roode damasten gordijnen voor de vensters. Gelukkig, dat de vensterbank breed genoeg was,om hem eene veilige schuilplaats te verleenen.MllePaquita Duflosvlijde zich nog kwijnender tegen de sofa. Nu klonk de stap op het portaal—de heer de Bruyn van Oudenhoven, het origineel van al de portretten aan den wand, trad binnen.
Hij liep aanstonds op den haard toe—stak zijne met witte handschoenen bekleede vingeren naar het vuur uit, en knoopte vervolgens een pelsjas open, waaronder een galakostuum verborgen was. Hij vestigde intusschen een doordringenden blik opPaquita, die onverschillig in den haard bleef staren. Beiden zwegen eene geruime poos. Nadat de heer de Bruyn zich genoegzaam verwarmd had, begon hij de kleine ruimte van de kamer tusschen den haard en de tafel op en neer te loopen. Zijne gelaatskleur was hoogrood, 't zij van uitwendige ontroering, 't zij van wijn. Eindelijk stond hij weer stil en sprak, iets beter Fransch gebruikend dan zijn zoon:
„Ik heb er over nagedacht, en ik blijf bij mijn besluit! Je kunt je engagement verbreken met de directie, maar dan nemen wij afscheid van elkaar!”
„'t Is me volmaakt onverschillig!”—riepDuflosmet iets krijschends in hare stem.
De oude man stampte woedend op den vloer, en schreeuwde:
„Dat is gelogen! Je hebt het me zoo even ook gezegd aan tafel en me razend gemaakt, maar nu zal ik oppassen. Ik heb een uur in de sociëteit zitten denken en tobben—de koffie heeft mij bedaard, en ik kom nu zien, of we vrede kunnen sluiten—maar liefst wat gauw, ik moet naar de Opera!”
„Men zou er je anders zeker missen!”
„Dat maakt niet uit! Antwoord me op wat ik zeg.”
De heer de Bruyn liep op de tafel toe, en schonk met bevende vingeren een groot glas rooden wijn in, welke hij in eene rassche teug verzwolg.
De Française hief het hoofd op. Een glimlach van minachting speelde om hare lippen.
„'t Is onnoodig je te zeggen, wat ik denk!”—sprak ze.—„Ikheb je zoo even mijn laatste woord gezegd, en ben deze tooneelen moe, tot walgens toe! Ga heen, amuseer je, verveel je, doe wat je wilt, maar hinder mij niet langer!”
De waardige beschermer der kunst zag met verbolgenheid in 't rond, maar antwoordde niets. Daarna schoof hij een stoel bij de tafel, trok flesch en glas naar zich toe, en prevelde zacht allerlei verwenschingen, terwijl hij langzaam een nieuw glas vulde. Daarna leunde hij met het hoofd in de linkerhand, en sprak zoo bedaard mogelijk:
„Paquita!luister nu nog eenmaal naar me! Je kunt die kleine beleefdheid mij ten minste wel bewijzen. Twee jaren zijn we vrienden geweest. Er is geen dag voorbijgegaan, waarop ik niet mijn best gedaan heb, om je genoegen te doen. Van schrielheid of onhoffelijkheid kun je me niet beschuldigen! Ik heb je in alles en altijd je zin gegeven! Maar op dit eene punt geef ik niet toe! En niet alleen, dat ik niet toegeef, maar ik vraag bovendien, dat je blijft, wat je waart—danseres!”
Mllewuifde met hare hand statig naar den ouden heer, en antwoordde:
„Dit alles weet ik over en over. Meneer kan niet bestaan zonder het ballet!MllePaquita Duflosis niets, debohémienne, die springt voor de voetlichten, is alles. Meneer heeft tot zijne bijzondere ijdelheid noodig, ruikers op het tooneel te werpen voor de danseres, welke het parterre toejuicht, en gevoelt zich gelukkig, als het publiek zijne zonderlingheden beschimpt. Maar wanneer dit alles zoo gebiedend noodzakelijk is voor het levensgeluk van meneer, dan behoorde hij ook achting te bewijzen aan de kunstenares, welke hij zoozeer bewondert. Doch het tegendeel is waar! Lang heeft hij haar met schoone beloften bezig gehouden, telkens herhaald, dat zij eene onbezorgde toekomst te gemoet ging, eindelijk heeft hij aan hare voeten haar zijn naam en hand aangeboden—in duidelijke woorden, zonder aarzeling, vrij en ongedwongen.... om eenige dagen later zijne beloften te herroepen,zijn aanbod terug te trekken en de arme kunstenares achter den rug te bespotten! Geloof mij, meneer de Bruyn van Oudenhoven! ik bezit een hoofd, dat misschien wel niet zoo vlug is als mijne voeten, maar dit begrijp ik toch volkomen goed—je houdt je belofte, of ik vertrek!”
De aangesprokene zat nu met het hoofd in beide handen gebogen. Hij antwoordde niets, en liet alleen een klagelijk gekerm aan zijne lippen ontsnappen. Daarna dronk hij weder. De aderen op zijn purperrood voorhoofd waren gezwollen. Hij haalde diep adem.
„Je zult niet vertrekken,Paquita!”—sprak hij met doffe stem.—„En jij zult je zin ook niet hebben. Al die praatjes zijn onzin. Je begrijpt zelve, dat ik niet wist, wat ik zei, toen ik van dat belachelijk trouwplan begon....”
„Belachelijk? Waarom belachelijk? Wees voorzichtig, en let op je woorden....”
„Geene isolentiën,Paquita!Mijn geduld is uitgeput!”
„Verdwijn dan, en doe een nieuwen voorraad op!”
„Ellendige deerne! Denk je dat ik me laat uitlachen....”
De heer de Bruyn van Oudenhoven verbleekte plotseling. De danseres barstte in een stuipachtig gillend lachen uit. Doch de eerwaardige Maecenas was zich zelven langer geen meester—toorn, spijt, verbittering en dronkenschap deden hem sidderen. Hij bracht juist een glas aan zijne lippen, maar bliksemsnel zich bezinnend, hief hij het op en slingerde het naar de sofa.
't Was of er dien heelen avond wat aan de voorstelling in de Opera haperde—meende de heer de Bruyn van Oudenhoven. Hij verhaalde het eerst aan deouvreuses, welke hem nederig glimlachend en buigend in zijne meening versterkten. Daarna vertelde hij het aan het buffet in de koffiekamer, en verscheidene bedienden verwonderden zich over de juistheid zijner woorden—terwijl hij met groote graagteeenige glazen van verschillenden inhoud leegdronk. Daarna zag men hem geeuwen in deloge grilléeen wierp hij tot verbazing van heel het parterre geen enkelen ruiker op het tooneel.
De waardige kunstbeschermer had zeer onaangename oogenblikken bij de danseres doorgebracht—hij deed zijn best die tooneelen te vergeten. Soms duizelde zijn hoofd, en gevoelde hij eene pijnlijke klopping—maar dan richtte hij zijn kijker op het tooneel en spande hij zich in, om de vertooning te volgen. De kunstenaars deden in alle opzichten hun best—zij waren vroolijk en bezield, daar een der meesterstukken vanOffenbachbij het Nederlandsche publiek moest worden ingeleid. De zaal verkeerde in opgewekte stemming—de kunstenaars werden herhaaldelijk toegejuicht. Toch had de heer de Bruyn van Oudenhoven met geene enkele hunner verrichtingen vrede. De komiek was geesteloos in plaats van vermakelijk, zooals vroeger—de eerste zangeres had zich zoo onbehagelijk gegrimeerd, dat zij, trots de hoogste levendigheid van gebaren, bij hem geene genade kon verwerven en de dames van het koor droegen zulke fletsche kostumen, dat hare twijfelachtige bevalligheden hem tot wanhoop brachten. Rust genoot hij weinig. Hij stond op, veranderde van zetel en was het meest voldaan, toen het scherm viel.
Men zag hem nu ijverig door de corridors en in de koffiekamer op en neer wandelen. Met degenen, die hem wilden te woord staan, knoopte hij een gesprek aan. Tot een oud-gast der opera, een zeldzaam verdienstelijk man, die vijf en tachtig reizen de Hugenoten had zien vertoonen, en die de genealogie van alle artisten kende, sprak hij druk over het verval der kunst. De oud-gast schudde het hoofd, en beweerde, dat men jaarlijks achteruitging, dat de oude, goede overleveringen verloren waren, dat men niet meer zong, ziet u! niet meer zong! En beiden haalden de schouders op. Daarna zette hij zich bij de kachel, en liet zich bier schenken, toen de bel het publiek naar de zaal riep! Een bediende met eenschenkblad onder den arm had de eer het lang relaas zijner verveling te mogen aanhooren, en ontving tot belooning een halven gulden.
Voor geen prijs wilde de edele Maecenas de Opera verlaten. Men mocht niets buitengewoons aan hem bemerken. Men mocht niet vermoeden, dat zijne bescherming van het ballet hem met ondank betaald werd. Wel zoudeMlleDufloshem de laatste beleediging niet spoedig vergeven—maar met edelmoedige zelfopoffering van een aanzienlijk geschenk meende hij haar wel weder te zullen winnen. Ook dacht hij aan zijne trouwbelofte, maar het denkbeeld op zijn ouden dag onder de scherpe tuchtroede der Fransche danseres te moeten zuchten, deed hem eene heftige verwensching slaken. Zoo bracht hij nog een paar uren in zijnelogeen in hetfoyerdoor, totdat eindelijk de vertooning afgeloopen was.
Snel sprong hij in zijn rijtuig. De palfrenier hield het portier vast.
„Wagenstraat!”—fluisterde de Bruyn van Oudenhoven.
In weinige oogenblikken brachten de fraaie schimmels hem aldaar. 't Sloeg juist halftwaalf. De koetsier George kreeg bevel naar den stal te rijden. Zijn meester klom de trappen van het bovenhuis op. Toen hij de deur van het salon opende, zag hij met eenige aarzeling naar binnen. Er vertoonde zich niets ongewoons bij den eersten blik. Het half gebruikte maal stond nog op tafel—het omgevallen glas, de wijnvlak op het kleed, alles was nog juist zooals in den vooravond. De sofa was weggeschoven, de haard brandde niet meer. Op sommige stoelen lagen kleedingstukken. Er was niemand in het vertrek. Een onwillekeurig gevoel van schrik maakte zich van den gullen kunstbeschermer meester. Wat zou er geschied zijn? Doch hij stelde zich gerust. In menig booze bui hadMlleDufloszich naar eene harer ambtgenooten begeven—en nu zat ze daar zeker over haar treurig lot te klagen. Ze zou stellig terugkomen—mocht het ook nog een paar uren aanhouden. Maar het vuur is uitgegaan—echter hindert dit niet bijsterveel, de gaskroon verspreidt warmte genoeg. De heer de Bruyn van Oudenhoven zet daarna in aangrenzende vertrekken zijn verkenningstocht voort. Alles is verlaten, niemand antwoordt op zijne stem. Ook hier zwerven kleedingstukken over de meubels, anders is alles in den ouden toestand. Hij keert naar het salon terug en schelt luide om de kamenier. Niemand komt. Hij schelt driftig met forsche rukken—niemand komt. Hij werpt de deur open en schreeuwt op het portaal. De echo van zijne stem maakt hem verschrikt. Met stijgende boosheid roept hij luide: „Virginie!” den naam van den kamenier—niemand komt.
Hij treedt weder het salon binnen en loopt met klimmenden toorn langs de tafel. ZooMllePaquitauit spijt een bezoek bij vrienden brengt, moet ze immers wel hare kamenier medenemen. Dit denkbeeld doet hem plotseling stilstaan en glimlachen over zijn eigen angst. Hij zet zich bedaard op de sofa, en besluit zoo mogelijk geduldig een uur te wachten....
Zoo zat hij een geruimen tijd, terwijl de minuten met de uiterste traagheid voorbijkropen. Het geluid van een rijtuig, dat uit de verte kwam aanrollen, deed hem plotseling opstaan. Men hield stil voor de deur. Er werd luid gebeld. Misschien wasPaquitaongesteld geworden—hij spoedde zich naar het portaal en trok aan een koord. Een mannenstem vroeg:
„Kan ik meneer even spreken?”
Het was zijn huislakei Hendrik. Meermalen zocht men hem zoo in de Wagenstraat op, om bevelen te vernemen of beschikkingen voor den volgenden dag te treffen. Hij bromde eene onverstaanbare toestemming, en trad diep teleurgesteld het salon weder binnen. 't Was of Hendrik eene buitengewone moeite had om boven te komen—ten minste het duurde vrij lang eer er op de deur van het vertrek getikt werd—doch hij lette er niet op in zijne misnoegdheid. Aarzelend werd nu de deur geopend, en met langzame schreden trad eene deftige oude vrouw in rouwgewaad binnen, met een zwarten sluier over het gelaat. Zij sloeg dien echter aanstonds op, en nam met vastberaden moed al de bijzonderheden der kamer op.Daarna vestigde zij hare oogen op den edelmoedigen begunstiger van het ballet. Deze had met ongekunstelde verbazing eerst een korten vloek uitgestooten, en had haar vervolgens met stomme verbolgenheid aangestaard.
Nu het gaslicht op die rustige, kalme trekken valt, herkennen wij de dame, door Charles weleer met den naam van tante Bet begroet. Juist wilde zij de lippen openen om te spreken, toen de heer de Bruyn van Oudenhoven met verkropten toorn uitriep:
„Wat beduidt dit, schoonzuster?”
„Ik zal het je in drie woorden zeggen, Jakob! Je bent op onbeschaamde wijze bedrogen, en ik kom onmiddellijk, ondanks den nacht, tot je, om te redden wat te redden is!”
„Dat heb ik al meer van je gehoord! Je wilt mij redden, jij, die mijne dochter versterkt in hare koppigheid tegen mij—die Mina uit mijn huis hebt weggenomen! Je bent een eigenzinnig, trotsch mensch, schoonzuster! Doe mij het genoegen je met je eigene zaken te bemoeien, en laat mij met rust!”
Tante Bet schudde langzaam het hoofd, en hernam zeer kalm, spijt den dreigenden toon van haren zwager:
„Jakob! dat Mina sedert een jaar bij mij woont, is je werk, nadat je dat Fransche schepsel bij je aan huis hebt gebracht! Zwijg daarvan, zwager! De zaak is al te treurig!”
De stem der oude dame klonk zoo ernstig gebiedend, de uitdrukking van hare trekken was zoo smartelijk en zoo edel, dat de teleurgestelde lichtmis zijn gelaat afwendde, en zweeg.
„Maar nu”—ging zij voort—„hebben we geheel iets anders te overleggen. Zou je denken dat ik hier in de kamers van deze deerne zou willen komen, als ik gevaar liep er haar zelve te zullen ontmoeten?”
„Wat meen je?”—schreeuwde de Bruyn van Oudenhoven, terwijl eenige schorre vloeken tusschen zijne tanden bestierven.
„Ik meen, dat uwe juffrouwDuflosvanavond ongeveer halftien met den trein naar Rotterdam vertrokken is in gezelschap van je eenigen zoon—anders niet.”
De oude man zat als door den donder getroffen. Zijne handen sidderden. Hij vloog met een woedenden sprong naar de tafel, greep zijn hoed en wilde het vertrek verlaten. Tante Bet snelde hem na, en zei zeer rustig:
„Luister, Jakob! Je kunt hen toch niet achterhalen! Misschien zijn zij reeds over de Duitsche grenzen, misschien vertrekken zij morgen naar Londen! En je moet weten of je de zaak aanstonds ruchtbaar wilt maken!”
De bedrogen balletvriend stond eensklaps stil voor zijne schoonzuster, en haar ruw bij den arm grijpend, krijschte hij:
„Je wilt me bang maken, je liegt! Hoe weet je dit?”
Tante Bet schudde den woesteling van hare zijde af en antwoordde:
„Wees bedaard, zwager! Ik heb Hendrik medegebracht. Hij wacht mij beneden! Hij heeft de zaak ontdekt. De jongeheer Charles is omstreeks halfnegen in groote haast thuis gekomen, heeft Hendrik geroepen, met dezen een koffer gepakt en gezegd, dat hij een uitstapje deed naar Amsterdam. Daarop is eene vigilante—waarschijnlijk vooraf besteld—aan de deur verschenen. Hendrik heeft den koffer helpen opladen, en verklaart daarin duidelijk twee gesluierde dames te hebben zien zitten. De vigilante is daarop in allerijl naar het station vertrokken! Hendrik heeft denzelfden weg ingeslagen, heeft overal gevraagd en onderzocht, en van allerlei lui vernomen, dat Charles met twee dames, de eene voornaam en buitengewoon gekleed, de andere veel eenvoudiger, eene kamenier waarschijnlijk, plaats heeft genomen naar Rotterdam. Zij spraken voortdurend Fransch!”
De Bruyn van Oudenhoven viel bitter glimlachend op een leunstoel neer. Hij wreef de handen radeloos ineen, en rukte aan het weinige grijze haar op zijn schedel. Zijn voorkomen was op dat oogenblik diep terugstootend en allerellendigst. Een schitterend licht viel juist op de fraaie decoratie in zijn knoopsgat, op het lichtgroene en rozeroode lint van hetLaubenstein-ApfenroderLuipaard.
Tante Bet zag met statigen ernst op den diepvernederden man. Wat zij nu ging zeggen, was met zachter, vriendelijker stem, dan vroeger:
„Zwager! Je bent ongelukkig door eigen schuld! Ik zal je niet oordeelen! Maar sluit nu het oor niet langer voor mijne waarschuwingen! Hoor, wat je edele, brave Mina u toeroept! Je hebt haar leven en geluk verwoest, hare schoone hoop van teedere liefde en trouw heb je moedwillig verstoord door de ruwe beleedigingen, den goeden Adolf Weber toegevoegd! Zoo even zeide zij mij: Tante! ga naar mijn armen papa en zeg hem, dat wij hem zullen liefhebben, nu ieder hem bedriegt en verlaat!”
De oude dwaas slaakte een kermenden kreet, tranen vloeiden door de vingeren, die zijn gelaat bedekten. Tante Bet sloeg deze zenuwachtige droefheid met belangstelling gade, en meende eene schrede verder te kunnen gaan.
„Kom, Jakob! Wees nu eens weder openhartig en goed, zooals je voor je grootheid placht te zijn. Verzoen je met Mina—vergeet dat gemeene creatuur, en wees gerust over Charles! Zoodra zijn geld verteerd is, laat de danseres hem loopen—en dan zullen we....”
Maar de Bruyn van Oudenhoven slaakte plotseling een woedenden kreet. Met ingehouden adem liep hij naar een zijvertrek—onder allerlei toornige dreigementen hoorde de verbaasde, oude dame hem een kast openen, meubelen omverwerpen, eindelijk kwam hij terug met eene fraaie cassette van rozenhout. Hij zonk zwijgend en doodsbleek op een stoel en greep in een ring met sleutels, dien hij bij zich droeg. Met sidderende vingeren opende hij het kistje, wierp er eenige papieren uit op den vloer en zocht eenige seconden. Eensklaps slingerde hij de cassette met een luiden vloek tegen den wand en schreeuwde:
„Bestolen! Bestolen! Dieven! Dieven, ellendige, gemeene dieven!”
Tante Bet ontstelde hevig. Zij had als een gerucht gehoord,dat haar zwager zoozeer al de luimen der danseres bevredigde, dat hij zelfs zijne cassette met effecten, heel zijn fortuin in roerende goederen naar hare woning had overgebracht. Zij had daarop de bedienden zooveel mogelijk ondervraagd—doch toen dezen niets wisten, had zij zich gerust gesteld. Nu echter vreesde zij het ergste. Zij trad bevende op den ongelukkigen man toe, die beweegloos zijne oogen naar den grond richtte, terwijl zijne tanden klapperden.
„Jakob, bevatte die cassette geld?”
Geen antwoord.
„Jakob, is het waar, dat je zoo dwaas kondt zijn, om je fortuin in de handen eener oplichtster te vertrouwen?”
Geen antwoord.
„Zwager! Nog eens, ik wil je niet oordeelen! maar hoe zou je de stem van je geweten tot zwijgen brengen, als je dochter tot den bedelstaf was gebracht, nu eene lage lichtekooi met je ellendigen zoon haar het wettig erfdeel ontsteelt?”
De heer de Bruyn van Oudenhoven lachte bitter.
„Erfdeel”—fluisterde hij met doffe stem.—„Jij vraagt dus ook alleen naar geld, zooals de anderen—jij, die zoo vroom en edel bent, ha! Ik heb de sluwe dievegge bedrogen, schoonzuster. Zij waande heel mijn fortuin tot onderpand van eene trouwbelofte te bezitten, maar ik hield de cassette gesloten. 't Is waar, een sleutel is voor maanden zoekgeraakt—zeker eene handigheid van mijn handigen Charles. Stel je gerust! Mina zal geen schade lijden. Er waren slechts een paar duizend gulden in bankpapier hier—de rest is bij den Notaris.”
Hoog in de toppen der beuken ruischte de zoele zuidenwind. Juni was in 't land. De meidoorns en de linden spreidden zoete geuren in 't rond. Allerlei stemmen van vogels orgelden onder het groen. De gulden zonnestralen speelden over de frissche takken der boomen, en teekenden soms breede, trillende gouden schijven over het zandige pad van de laan. De geheele Zeestraat van Den Haag naar Scheveningen scheen feest te vieren bij de terugkomst van den zomer. De stem van den wind en der vogels vormde een lustig concert, somtijds verdoofd door de talrijke rijtuigen, die van de residentie naar het Badhuis rolden. De hooge laan ter zijde van den weg, zoo schilderachtig in 't groen verscholen, was nog niet overdekt met breede scharen van badhuisbezoekers—want het was midden in de week, juist tegen twaalf uren, dat we een jongmensch met langzame schreden naar het zeedorp zien wandelen.
Adolf Weber, wiens stem anderhalf jaar geleden zoo nadrukkelijk klonk in het prachtige vertrek des heeren de Bruyn van Oudenhoven, komt van eene reis naar het zonnige Zuiden terug. Hij had Tyrol en de meren van Noord-Italië bezocht, hij zou naar Florence vertrekken, toen een brief hem terugriep. Adolf Weber heeft een zwaren strijd met zijn lot bestaan. Hij had, na de heftige tooneelen bij den vermogenden balletbegunstiger, Mina niet weer ontmoet. Toen hij er eene poging voor in 't werk stelde, was die mislukt. Hij had zich namelijk tot tante Bet gewend, die eene hartelijke vriendschap voor den jongen, ernstigen kunstenaar koesterde. Aanstonds had deze zijn vurigste wenschen afgewezen—elk onderhoud met de teeder geliefde jonkvrouw was nu onmogelijk, had de oude dame verklaard. Mina was haar vader gehoorzaamheid verplicht, en had Adolf hare trouw verpand. Elke ontmoeting was nu ongepast, daar zij heimelijk zou moeten geschieden,en de oude tante kende hare nicht te goed, om niet te vermoeden, dat de fierheid van deze zoodanige voorwaarde zou afwijzen. Weber behoefde nimmer te wanhopen—Mina had haar woord gegeven. Zoolang echter de heer de Bruyn van Oudenhoven zijne meeningen niet wijzigde, was het onkiesch, 't zij in persoon, 't zij met een brief, het diepverslagen meisje aan hare beloften te herinneren.
Wat zoude de teleurgestelde kunstenaar tegen deze logica? Met onuitsprekelijken weedom onderwierp hij zich geduldig—en herinnerde zich ieder oogenblik de koene woorden van de kloeke jonkvrouw, toen een lakei geroepen werd, om hem de deur uit te werpen, toen haar oog fonkelde van verontwaardiging, en hare vingeren trilden in zijne hand. Maar toch, in hare nabijheid te leven, haar niet te mogen naderen, zelfs eene toevallige ontmoeting zooveel mogelijk te schuwen, was boven zijne kracht. Zijn leven in de residentie werd hem ondragelijk—zijn werk boezemde hem geen belang meer in—hij bracht oogenblikken door, waarin hem de voorzichtige wijsheid der oude dame als iets monsterachtigs voorkwam, waarin hij zich diets maakte, dat alle hoop verloren was, dat Mina hem eerlang vergeten zoude. Vandaar zijne reis. Reeds lang lokte hem het land der beloften voor ieder kunstenaar, nu eischten de omstandigheden iederen dag luider eene kunstreis naar Italië. Tante Bet keurde zijn besluit volkomen goed, zelfs beloofde zij hem voor het geval, dat de heer de Bruyn van Oudenhoven zijn besluit mocht wijzigen, een onmiddellijk bericht.
Adolf Weber zette zich een oogenblik op eene bank onder het zonnige lommer van het Scheveningsche hout. Nu klopte zijn hart luide van de heerlijkste hoop—en toch aarzelde hij het doel van zijne wandeling te bereiken. Een schrijven van tante Bet had hem naar Nederland teruggeroepen. Daarin was hij voorbereid op groote veranderingen. De hoogst ernstige, bijna angstwekkende toon had hem met den uitersten spoed doen reizen. Den vorigen avond was hij aangekomen. En uitden mond van zijn spraakzamen huisbaas, een bolbleek Haagsch koekenbakker, had hij zoo gewichtige dingen vernomen, dat hij den geheelen nacht in onrustige gepeinzen had doorwaakt.
Iedereen wist het in de residentie—de rijke heer de Bruyn van Oudenhoven was op ellendige wijze aan zijn eind gekomen. In den vorigen winter had hem een zware slag getroffen. Zijn veelbelovende zoon Charles had hem eenige duizenden guldens ontfutseld, zei bakker Willemsen, en was daarna op de vlucht getogen, met zoo'n Fransche „madam” van de komedianten. De menschen vertellen er bij, dat de Fransche „madam” eigenlijk met den ouden heer had moeten trouwen, maar dat hij er geen „genie” voor getoond had. De jongeheer Charles was er nog het ergst afgekomen, want die was na veertien dagen al weer terug—de Fransche danseres had hem weggejaagd. Zijn vader deed niet beter. Er moest al vrij wat zijn voorgevallen, want de oude heer zag er na dien tijd als een stokoud mannetje uit. De jongeheer had eerst op zijn krediet geleefd, maar toen men merkte, dat er niet betaald zou worden, was hij achtervolgd en daarna plotseling verdwenen uit Den Haag. Iedereen wist, dat hij, voor een maand of vier, als koloniaal naar de Oost vertrokken was en dat de oude heer gezworen had, geen cent van 's jonkers schulden af te doen.
Maar, voegde bakker Willemsen er bij, 't was wonderlijk geweest, zoo woest en „schandalig” die oude heer na dat tijdstip geleefd, gereden en gedronken had. Bij alle koffiehuizen zag men des nachts zijn rijtuig met de fraaie schimmels staan, en in het holste van den nacht rende hij onder woest geschreeuw door de straten. Zijne bedienden hadden hem meest allen verlaten, en daarom was zijn laatste koetsier een groote brekebeen geweest. Zoo had deze voor een groote vier weken, tegen den morgenstond, een toertje met den heer de Bruyn van Oudenhoven door de stad gemaakt, en was hij met het rijtuig bij het oprijden van een brug naar het Bosch tegen een lantaarnpaal aangeslingerd, door welken schok de oude heer zijn evenwicht verloren had, en uit den open wagen opde steenen was nedergestort. Zwaar was het achterhoofd gewond en stervende was hij zijne woning ingedragen, waar hij reeds den laatsten adem had uitgeblazen, voordat zijne eenige dochter, die bij familie woonde, aan zijn sterfbed verscheen.
Wel vroeg de jonge kunstenaar zijn huisbaas tal van ophelderingen, welke deze hem met groote breedsprakigheid meedeelde, maar van mejuffrouw de Bruyn en van hare familie wist hij niets meer, dan dat zij op eene villa aan den Scheveningschen weg woonde. In den vroegen morgen was hij naar de bovenwoning van tante Bet gesneld, en daar had men hem zonder eenige verdere opheldering het nummer en den naam van het buitenverblijf meegedeeld. Eenige zijner beste vrienden, die hij daarna om inlichting raadpleegde, verzekerden hem, dat het relaas van bakker Willemsen volkomen juist was. Men verhaalde hem zelfs, dat de oude schelm zijn zoon Charles van diefstal had willen aanklagen, maar dat hij door tusschenkomst van zijne dochter dit had opgegeven. Weinig wist men hem van Mina te zeggen—eenigen hadden haar gezien in den tuin der villa, en verzekerden hem, dat zij iets lijdends in haar voorkomen vertoonde, en nimmer onder menschen verscheen.
En terwijl Adolf Weber al deze dingen met groote snelheid overwoog, klopte hem het hart van angst en verlangen tevens—nog eenige schreden, en hij zou de dierbare geliefde terugzien. Hoe zou hij worden ontvangen?
Een lieflijk plekje was het inderdaad.
't Was de tuin der villa, waar tante Bet zich met hare nicht Mina voor den zomer gevestigd had. Langs de zuidzijde van de woning strekte zich eene veranda uit, door een afdak en breede guirlandes van slingerplanten, vooral geurige kamperfoelie, tegen de al te felle schittering der zon beveiligd. Een rozentuin, in den vollen zin des woords, strekte zich voor het terras uit. De golvende duinrug stuitte den blik en sloot ditaan geuren en kleuren zoo rijke oord met een groenenden muur van de buitenwereld af. Wel klonk het geraas van den rijweg tot in den tuin, maar geen nieuwsgierig oog van buiten kon tot in het heiligdom der vrouwen doordringen.
Thans zitten ze te zaam op het terras, tante Bet aan de ijzeren tuintafel, waarop ze de koffie klaarmaakt, Mina in een der hooge matten stoelen, die eene eigenaardigheid schijnen te vormen van het Scheveningsche strand, en die zoo uitmuntend geschikt zijn, elken hinderlijken tochtwind onschadelijk te maken. Hare liggende houding en de treffende bleekheid van haar gelaat bewezen, dat ze veel geleden had, en nog steeds leed. De schittering der zon in den tuin over de teedere kleuren van rozen en geraniums, scheen haar zachtblauw oog zelfs te fel—haar hoofd leunde achterover, terwijl zij de fijne hand boven de oogen beschermend opgeheven hield.
„Kom Mina!”—sprak tante Bet.—„Ik hoor weer geen woord van morgen! Je zult opnieuw ziek worden, melieve! als je altijd toegeeft aan dien zin voor mijmeren en zwijgen!”
Mina hief zich eenigszins op, en glimlachte flauw. Zacht klonk hare stem:
„Tante! U zal nog wat geduld met mij moeten oefenen! Ik heb zooveel treurigs doorleefd, dat ik mij niet gewennen kan aan eenig denkbeeld van geluk! Alles om mij heen is gestorven—soms schijnt het mij, dat hopen en leven voor mij eene zeer zware taak zal worden!”
De oude dame schudde het hoofd:
„Alles is gestorven!”—mompelde zij zacht.—„Vergeet je dan, dat ik je liefheb, mijn kind?”
Mina bloosde snel, en de handen uitstrekkende, terwijl een traan in haar oog glinsterde, fluisterde zij:
„Vergeef me, tante! U alleen weet, wat ik ondervond.... welke hoop....”
„Nu ja, ik zal je weer moeten beknorren, als een kind. Waarom altijd het ergste vermoed! Wie zegt je, dat Adolf....”
„Och, tante! Spreek niet van hem! Diep beleedigd heeft hijons huis verlaten. Kan hij dat alles vergeten,—vergeten, dat ik de dochter ben van een man als mijn vader, de zuster.... neen tante! Adolf is fier! ik ken hem. Nooit heeft hij iets van zich doen hooren in al dien tijd.... het is voorbij, voor goed voorbij!”
Mina leunde achterover, en weende stil.
De oude vrouw stond op, naderde den grooten stoel, en knielde op een voetbankje voor de bedroefde jonkvrouw.
Hare hand grijpend, sprak ze snel:
„Plaag je niet langer, mijn kind! Adolf kon, mocht niet komen. Hoe dikwijls vertelde ik je, dat ik dit zelve met hem heb bepaald. Hij heeft me immers geschreven!”
„Zeker, tante! Dat is alles zeer goed en waar. Maar er rust nu schande op mijn naam. Adolf zal in Italië zijne kunst met al de kracht van zijn geest gaan beoefenen—de nieuwe wereld zal hem troosten, hij zal u nog eenige reizen schrijven zeker,—maar eindelijk houdt ook dit op en dan....”
„Ondeugend, zwaarmoedig schepsel! Je spreekt tegen eigen overtuiging! Adolf heeft je lief, boven alles hartelijk lief!”
Er klonk een zachte tred over het grind van het tuinpad. Tante Bet zag om, doch bemerkte niemand. Mina had op niets gelet.
„En”—ging tante Bet voort—„geloof me, kind! Adolf verneemt natuurlijk, zoodra hij terug zal gekomen zijn, alles wat er hier is voorgevallen. Zijn eerste werk zal zijn ons op te zoeken—want je kunt hem nu bewijzen, dat je het waarlijk meende, toen je hem trouw hebt beloofd!”
Mina richtte zich geheel op. Plotseling kwam er gloed in haar oog. Zij zag de oude dame uitvorschend aan.
„Tante! U weet iets! Uw toon zegt het mij! Tante, spreek toch....!”
Maar de oude dame zag peinzend naar het zijpad bij de villa. Daar klonk weer de tred. Eensklaps richt zij zich op, en maakt eene haastige beweging. Adolf Weber stond op het terras. Beiden wilden spreken, maar stonden beweegloosstil. Doch de jonkvrouw had haar zetel verlaten. De kunstenaar strekte de armen uit. Met het diepste stilzwijgen ving hij in een ondeelbaar oogenblik de sidderende Mina in zijne armen....
„Neen, tante, van vreugd zal ik niet instorten! Ik ben wel, volmaakt wel! Laat mij toch met Adolf spreken!”
Dat zeide Mina aan den avond van dienzelfden dag, waarop zij des morgens nog wanhoopte aan de terugkomst van den langverwachte. Een wonderlijke medicijnmeester is de liefde! De kwijnende bloem is geheel opgericht, de moedelooze maagd is eene sterke, van vreugde stralende jonkvrouw geworden. Tante Bet schudt het hoofd wel, maar wischt toch heimelijk een traan weg. Het geluk van haar pleegkind, de zaligheid van den edelen, flinken jonkman—dat schouwspel, zoo lang gewenscht en gehoopt, ze had het nu voor oogen. En in alle stilte getuigt haar geweten, dat hare plichtsbetrachting tegenover beiden niet zonder vrucht is gebleven. De jongelieden spraken, fluisterden, glimlachten en zwegen eene lange poos, zooals ik hoop, dat ieder, die een gezond menschenhart met warmte heeft voelen kloppen, eens gesproken, gefluisterd, geglimlacht en gezwegen heeft, of althans eenmaal spreken, fluisteren, glimlachen of zwijgen zal.
Slechts een woord uit hun gesprek wordt ter wille der historie hier vermeld.
„Mijn broer Charles!”—verhaalde Mina—„vertrok naar Indië. Voor eenige dagen kregen wij een zeer kort bericht, dat hij in het hospitaal te Batavia aan eene hevige ziekte overleden was!”
„Misschien nog het beste voor hem”—meende Adolf.—„Hij was ongeschikt voor eene ernstige taak. Zijn hart was diep bedorven in het best van zijne jonge jaren. Je weet het, melieve! de eenigste opvoeding, welke hij ooit genoot, ontving hij in destallesder Fransche Opera in Den Haag!”
„Vooral is het nepotisme eene steeds invretende kanker, omdat daarbij het persoonlijk belang van dezen of genen sollicitant en diens familiebetrekking boven het staatsbelang wordt gesteld.”Mr.L. Ed. Lenting.
„Vooral is het nepotisme eene steeds invretende kanker, omdat daarbij het persoonlijk belang van dezen of genen sollicitant en diens familiebetrekking boven het staatsbelang wordt gesteld.”
Mr.L. Ed. Lenting.
„Het eigenaardig karakter van de vertegenwoordigers des volks bestaat daarin, dat zij.... zoo onafhankelijk mogelijk zijn.”Mr.C. Van Bell.
„Het eigenaardig karakter van de vertegenwoordigers des volks bestaat daarin, dat zij.... zoo onafhankelijk mogelijk zijn.”
Mr.C. Van Bell.
Het gezin van den Commies.
„Gaat Moe niet meewandelen?”
„Neen, Betsy!”
„En 't is zulk mooi weer!”
„'k Ben wat vermoeid, kind!”
„Och, kom! ga mee, Moe! ga mee!”
Maar Betsy drong tevergeefs. Moeder schudde zacht het hoofd, en stond op, om het eenvoudige stroohoedje met zwart fluweel lint van hare zeventienjarige blonde dochter eenigszins te verschikken op de fraai krullende lokken. Betsy glimlachte vroolijk, moeder zag ernstig. De deur van het vertrek werd intusschen geopend. Nog een jong meisje, een paar jaar ouder dan Betsy en lang zoo opgeruimd en onschuldig vroolijk niet als deze, trad met een betrokken gelaat binnen. Betsy keerde zich tot haar, en zei aanstonds:
„Ga je tóch mee, Sofie?”
„Och ja, kind! Vader wil het graag. In Godsnaam dan! Wat zienjouwhandschoenen er nog goed uit! Kijk de mijnen eens!”
En Sofie stak hare lange en magere vingers vooruit, thans bedekt met heldergele handschoenen van Schotsch katoen.
„Ik heb nog een nieuw paar, Sofie!”—klonk moeders stem—„wil je die gebruiken?”
„Dank u, moeder! 't Kan er vandaag nog wel mee door! Mijn parasol is toch zoo verschoten!”
Op dit oogenblik trad een man van ongeveer zestig jaar de kamer binnen, vrij net in 't zwart gekleed, hoewel zijne zorgvuldig toegeknoopte jas veel te dikwijls in aanraking was gekomen met den schuier, om nog eenige aanspraak op glans of fraaiheid te kunnen maken.
„Komt, kinderen!”—riep hij vriendelijk—„ben jelui klaar!”
En haastig werd moeder toegeknikt door de oudste dochter, terwijl de jongste ze eerst met kinderlijke hartelijkheid ten afscheid kuste—en weldra verdween het drietal, om de wandeling te beginnen. Moeder oogde ze na, want ze kwamen het venster aan de straat voorbij. Betsy keek naar boven, en groette haar met een liefderijken glimlach. De achtergeblevene zette zich langzaam aan het venster neer. Ze liet de armen moedeloos in den schoot vallen. Zacht schudde ze het hoofd, een traan rolde langzaam over hare bleeke, vermagerde wang.
't Was maar eene eenvoudige, burgerlijke vrouw, die moeder en die echtgenoote—in haar effen bruin kleed; met haar onder de muts weggestreken grijs hair, was er niet veel belangrijks in haar voorkomen te bespeuren, maar wie hare geschiedenis had gekend, wie ingelicht ware geweest van al de stormen en zorgen, die op dit oogenblik haar gemoed beangstigden, hij hadde die gebogen gestalte met de innigste deernis beschouwd.
Haar leven was een lange strijd geweest, om te kunnen leven, en hare groote veldslagen had ze bijgewoond in hare laatste huwelijksjaren. Ze had met buitengewonen moed gestreden tegen een sterken vijand: de dagelijksche behoefte vaneen fatsoenlijk gezin in de residentie.... en haar eenig wapen in dien strijd was de zeer karige bezoldiging van een commies bij het ministerie van **** geweest. De behoeften klommen, het loon bleef hetzelfde, eigenlijk verminderde het, want „de tijden” als men zegt, „werden duurder”. Maar deze moeder en echtgenoote had met wanhopigen moed den strijd volgehouden, zij had tot nog toe gezegevierd, en was gedecoreerd.... door het zilver van hare slapen en door een gerust geweten.
Maar deze overwinningen waren soms duur gekocht. Ze had drie dochters en twee zonen. De oudste dochter had reeds de ouderlijke woning verlaten, om naar de Oost te gaan als gouvernante—de dag van haar vertrek was eene zware worsteling geweest voor het arme moederhart! Nog altijd dacht ze aan dat uur van scheiden, toen hare meest geliefde dochter haar werd ontrukt—doch zelfbeheersching en berusting in de noodzakelijkheid hadden de felste smart eenigszins gelenigd. Wat al overleg, welke zuinigheid had zij niet moeten aanwenden, om die oudste dochter zoo ver te brengen! Onderwijs van allerlei aard, somtijds duur en boven hare macht, omdat ze ook hare beide jongere dochters daarin wilde doen deelen—de opvoeding van een paar knapen, de een nu al geplaatst aan 't zelfde ministerie, waar zijn vader diende, de ander op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger in dienst getreden—dit alles had haar jaar aan jaar beangstigd en bekommerd, maar meestal waren de bezwaren door hare schranderheid overwonnen of uit den weg geruimd. Zij had daarbij eene ongemeene bekwaamheid aan den dag gelegd in het beheer der magere huislijke inkomsten. Haar budget sloot telkenjare met een klein, zeer klein, bijna onmerkbaar voordeelig saldo, en daaruit poogde zij een reservefonds saam te stellen voor buitengewone uitgaven—aan schulddelging behoefde ze niet te denken, want het gezin kende geen debet of credit. Moeder betaalde alles en kocht alles, zonder hare middelen met de geringste som te overschrijden.
Was alzoo uiterlijk rust en orde gewonnen in dit huisgezindoor het verstandig bestuur der moeder, was er niemand daarbuiten, die zelfs bij de uiterste achterdochtigheid en de kilste kwaadwilligheid aan het fatsoen en de achtbaarheid dezer familie durfde twijfelen, daarbinnen in den huiselijken kring bleven nog velerlei kleine moeilijkheden, die door gedurige herhaling het meeste van de geestkracht der moeder eischten. Daar was in de eerste plaats haar man. Ze wist wel, dat hij den heelen dag druk werk had aan 't ministerie, somtijds nog des avonds—en dat al meer dan vijf en dertig jaren—maar ze had toch zoo vurig gewenscht, hoewel die wensch nooit over hare lippen was gekomen, dat hij in stede van altoos en immer met dezelfde oude folianten en papieren, zich met iets meer winstgevends, had beziggehouden. Hij had zelfs ten vorigen jare eene onvoorziene uitgaaf op haar budget gebracht—hij had de vrucht van jarenlange studie en geduldig onderzoek met ongelooflijke moeite geboekt, en wederom na jarenlange aarzeling die eindelijk bestemd voor de pers. Wel had hij soms korte artikelen gesteld over genealogie en heraldiek, die zijn naam in een zeer kleinen kring van degelijke, wetenschappelijke kenners hadden bekendgemaakt, maar 't was liefhebberij en anders niet. Zijn groot werk over de „Oudste adellijke Geslachten van Noord- en Zuid-Nederland” had hij eindelijk naar zijn wensch gedrukt gezien, met wapenkaarten in kleuren en afdrukken van oorkonden en fac-similes, maar de uitgever had hem ter belooning van zijn meer dan twintigjarigen arbeid slechts een twintigtal exemplaren en niets anders kunnen afstaan. Daarvan moest een drietal extra mooi worden gebonden, goud op snee en groen marokijn—'t was op zijne kosten geschied. Moeder had aarzelend toegestemd—ze had er haar reservefonds voor aangesproken, maar 't was immers zulk eene belangrijke onderneming.... zulk een degelijk boek.... en de drie mooie exemplaren waren bestemd voor den Minister, tot wiens departement haar echtgenoot behoorde, voor den Koning en voor den Koning van België. 't Was nog geen drie maanden geleden, dat de kostbare boeken hoopvoldoor den zestigjarigen auteur waren verzonden. Welk eene vreugde heerschte er in die woning, toen het hoofd des gezins eens des middags van het ministerie kwam—en verhaalde, hoe Z.E. hem had laten roepen, en hoe Z.E. hem verzekerd had, dat Z.E. zijn „veelomvattend” werk met genoegen „ontvangen” had. Verder had Z.E. niets gezegd, en hoe zou dit ook kunnen, had de gelukkige auteur er bijgevoegd—er was niets te zeggen.—Maar zijne echtgenoote dacht, dat hij reeds vijf en dertig jaren aan 't ministerie werkzaam was met ongekreukte trouw en vlijt, en al zestien jaren als commies. Hij zelf had dan ook dikwijls met een geheimzinnig glimlachend gezicht er op gezinspeeld, dat hij niets zeggen mocht, dat men wel zien zou, dat hij bijna zeker was.... Nog op dat oogenblik was hij volkomen gelukkig en tevreden gaan wandelen. Sinds een paar dagen was er eene vacature aan zijne afdeeling gekomen. Een hoofdcommies was bevorderd—er moest een andere in diens plaats benoemd worden, hij was de oudste, had de meeste aanspraak, was zeer bemind aan 't ministerie, en Z.E. zelf was hem niet ongenegen.... vandaar zijne buitengewone tevredenheid en de neerslachtige stemming zijner echtgenoote.
Hoe kon zij hopen en gelukkig zijn—reeds vijf malen had men den bescheiden, door niemand beschermden commies.... commies gelaten en een gelukkiger bevorderd. Thans sprak hij den heelen dag in vertrouwen over zijne bevordering tot zijne vrouw, en schertste en glimlachte hij, als hij in geene jaren gedaan had. Hoe sneed het der zorgvolle echtgenoote door het hart, als zij bedacht, dat misschien ook deze hoop zou worden vernietigd even als de vorige.... maar toch, zijne aanspraken waren zoo rechtvaardig, zijne diensten zoo vele en steeds zoo geprezen.... hij had zich nog onlangs als man van studie onderscheiden—ook zij wilde alle hoop niet opgeven, maar zonder eenigen twijfel vast te gelooven! Zij zag er de bron van groot leed in voor de toekomst.
Daar was nog iets anders, dat haar kwelde en reeds zoodikwijls gekweld had. Bij haar zuinig beheer was elke, zelfs de geringste,weelde verboden. En dat konden hare kinderen niet begrijpen, en hadden dit nimmer begrepen, behalve de oudste dochter, die nu ver was.... Ook haar oudste zoon, de klerk aan het ministerie, had stilzwijgend haar stelsel gehuldigd, maar Sofie en Betsy gaven haar dikwijls stof tot kleine verdrietelijkheden en misverstand. 't Waren vragen, beginnende met: „Waarom mogen wij dit niet?” en „Waarom kunnen wij dat niet?”—vooral Sofie had zich dikwerf zeer ontevreden betoond. Dit was een kommer, die reeds vele jaren duurde—zij kende hare kinderen, zij wist, dat Sofie weinig gaven van geest bezat.... knap was ze ook niet, en dit scheen het meisje wrevelig te maken, als ze op hare zooveel meer begunstigde zuster Betsy zag. Elke kleine bijzonderheid van het huislijk leven werd door Sofie aangegrepen, om ze met hare klachten en met hare verbitterde stemming te bederven, en meestal vermeden de anderen het booze humeur van de kijfzieke huisgenoote uit vrees voor meer oneenigheid. 't Was niet voor het eerst, dat zij zoo even over hare verschoten parasol en handschoenen had geklaagd—de arme moeder zuchtte nogmaals....
„Hoe is het, moeder! zoo in gedachten?”
Een jongmensch, met een ernstig, eenigszins peinzend gelaat, was binnengekomen, en ging aan het venster bij zijne moeder zitten. 't Was haar oudste zoon Willem, de klerk bij het ministerie.
„Och jongen! je weet het wel! Sofie wou eerst niet mee gaan wandelen, omdat ze niet mooi genoeg gekleed was, maar vader was zoo opgeruimd en vroeg het haar zoo vriendelijk.... Eindelijk zijn zij gegaan!”
„Ja, moeder! daar behoort veel toe, eer we geheel tevreden zijn met ons lot! Hoe meer iemand begrijpt, dat hij zijn plicht moet doen in zijn eigen kring, hoe gelukkiger hij is.... en onze Sofie heeft een boos humeur!”
„Ik geloof, dat je te streng bent. Sofie is jong, negentienjaar oud, ze houdt van uitgaan en onder de menschen te komen. 't Spijt me genoeg, dat ik haar geene nieuwe parasol kan koopen, geene betere handschoenen....”
„Kom, kom, gekheid! Vader is maar commies, en zijne dochters komen knap en fatsoenlijk genoeg voor den dag!”
„Neen, dat begrijp je niet goed. Een meisje hecht veel meer aan hare kleeding dan een jongmensch van jou jaren, Willem! Ze ziet alle dagen zooveel moois en fraais hier in de stad—ze wil ook wel eens wat moois hebben!”
„Hoor eens, moeder! dat is verkeerd gezien! 't Is mij in vroeger tijd ook wel eens zoo gegaan als Sofie. Als ik rijker en gelukkiger jongelui zag, vroeg ik altijd: waarom hebben zij dat en ik niet? Dagelijks zag ik honderden om mij heen genieten, wat veel meer zegt, dagelijks zag ik—en zie ik—honderden, die door ieder geacht en ontzien worden, omdat zij meer genieten dan het gros der menschen. Ik meen, dagelijks zie ik domme aanbidding van het gouden kalf! Ik was boos en wrevelig, moeder! en verwenschte mijn lot! Meermalen ben ik al vloekend naar het ministerie geloopen, terwijl ik morrend vroeg, waarom de eene mensch rijpaarden en fijneglacé-handschoenen, gouden remontoirhorloges en leegen tijd, champagne en onderscheiding bezit, terwijl den ander alleen kale hoeden, versleten schoenen, een schrijflessenaar en diepe eerbied voor de „gestelde machten” overschiet!”
De klerk aan het ministerie glimlachte in zich zelven, en zweeg een oogenblik.
Zijne moeder zei fluisterend:
„Maar dat is ondankbaarheid tegen Gods beschikking, jongen! De Heer geeft ieder naar Zijnen wil—en wij moeten gelooven, dat die wil heilig en rechtvaardig is!”
„Dit zou u dus onder anderen aan onze Sofie kunnen antwoorden. Maar laat ik u zeggen, waarom ik nu niet zoo ontevreden meer ben. Ik heb, als ik tijd had, dikwijls over die zaak nagedacht, ik ben gaan lezen, wat groote mannen daarover schreven. Een viertal jaren heb ik er over gelezenen nagedacht, en nu zie ik helder in, dat, wat mij zoo stuitend en onbillijk scheen, eenvoudig uit den natuurlijken loop van zaken in de maatschappij te voorschijn komt, omdat onze menschelijke maatschappij zich nog niet op het toppunt der volmaking bevindt. Misbruik van macht, vooroordeel, gebrek aan kennis, doen en deden allerlei schreeuwende onrechtvaardigheden geboren worden, die men eerst als ziekteverschijnselen heeft bejammerd, later door de gewoonte als volkomen gezonde elementen heeft gewettigd. Maar de edelsten onder onze geleerden en staatslieden weten het, de maatschappij is nog steeds lijdende, doch er is genezing voor die patient! Hoe meer de geneesheeren haar bestudeeren en de wetten op 't spoor komen, die haar geheel beheerschen, hoe meer de beterschap toeneemt!”
Moeder had al dien tijd haar zoon met verbazing beschouwd, en eenigszins nieuwsgierig aangezien.
„En hoe heet de medicijn, jongelief! voor die kranke?”
„Kennis! Wetenschap! Verlichting!... en bij die drie kostbare geneesmiddelen een nog kostbaarder, een peperdure, eene bijna onverkrijgbare artsenij: Vrijheid in de maatschappij, vooral in de maatschappij, en in den Staat!”
„Och, Willemlief! ik wil dat best gelooven, maar wat helpt het ons nu? Ik wil graag aannemen, dat er veel zal verbeterd worden in latere jaren, wat nu nog gebrekkig en onaangenaam is om ons heen—maar dat vermindert mijne zorg niet voor het oogenblik. Jongen, er is zooveel dat mij drukt en kwelt, en waar zou ik heen, als ik niet kon gaan tot dien Eenen, die gezegd heeft: „Komt allen tot mij, die vermoeid en belast zijt!” en waarlijk, ik mag het zeggen, Hij heeft mij ruste gegeven!”
Beiden zwegen. Moeder wischte een traan weg. Willem zag peinzend uit naar buiten. Eindelijk zei de eerste snel:
„En wat denk je van vader?”
„Dat vader recht heeft op de benoeming tot hoofdcommies! Volgens alle mogelijke regelen en redenen heeft vader recht. Als een ander benoemd wordt, is het eene gemeene onrechtvaardigheid!”
„Dat heb ik ook gedacht, jongen! Het doet me veel plezier, dat jij het ook zegt. Ik vat nu wat meer moed.”
„Wat ik u bidden mag, moeder! vlei u niet. De zaak kan heel anders uitkomen—daar is evenveel kans voor.... misschien meer!”
Moeders hoofd zonk moedeloos op de borst. Zij verborg haar gelaat in de handen. Zij kon het niet onderdrukken, het gevoel van weedom en teleurstelling, dat haar plotseling overmeesterde, en een heeten stroom van tranen door hare vingeren deed vloeien.
„Bedaar, moederlief!”—sprak Willem ernstig, maar opgewekt.—„Als men vader dus miskent en voorbijgaat, moet vader dien smaad niet verdragen. Hij moet aanstonds vragen om zijn eervol ontslag en pensioen.”
„Pensioen....”
„Ja, al schijnt het u bedenkelijk en haast onmogelijk, dat ons gezin van nog minder zou moeten leven dan nu. Maar vader kan niet anders, als hij gepasseerd wordt, is het zijn plicht ontslag te vragen. En dan zal ik zorgen, dat het ontbrekende wordt aangevuld!”
„Jij, Willem?”
„Ja, moeder! Droog uwe tranen en luister eens oplettend. Ik heb een groot en zeer gewichtig plan!”
En Willem haalde eene brieventasch te voorschijn. Hij nam er een pak brieven uit, en begon te lezen.
Zondagsmiddags naar Scheveningen.
Schoon onze geschiedenis in lang vervlogen jaren—maar toch na het jaar 1848—plaats grijpt, heerschte er op de schoone Zeestraat tusschen de residentie en Scheveningen dienzelfden middag bijna evenveel gewoel, en rolden er bijna evenveel rijtuigen als thans in het jaar des vredes en der Weener tentoonstelling. Voetgangers waren er misschien meer, daar niemand nog droomde van de ijzeren rails in de schaduw der beuken, door Huygens zorg geplant, waarop zoovele heerlijke Engelsche guinjes spoorloos zouden verloren gaan. Daar het een kostelijke zomer-Zondag-namiddag was, stroomde eene groote menigte van de residentie naar het zeedorp. Zeer weinigen, meest slenterende Scheveningsche jonkvrouwen met toegespelde halsdoeken van heldere kleuren en de handen gekruist over hare bonte schorten, kwamen van de tegenovergestelde zijde. Op weg spoedde een aantal voertuigen van allerlei soort en gedaante naar het strand: fraaie equipages, door levende kopieën van modejournalen bestuurd, nederige vigilantes, waar een gehaast reiziger mee naar „het Badhuis” snelde, en groote lompe, opene wagens, door de volksluim even smaakvol als geestig „aardappels” getiteld. Daar zaten mannen in uit het volk met bonte zakdoeken en een flesch Schiedammer naast vrijsters, wier zomerhoeden met veeren en lint prijkten bijna even rood als hare wangen en hare grove handen—en te midden van hen, echt broederlijk, merkte men den Nederlandschen soldaat op, met zijn schilderachtige uniform, zijn sierlijk hoofddeksel en zijne wanluidende vloeken. Een lieflijke wind ruischte boven in de toppen der beuken, als had hij medelijden met het verward geraas van al die stemmen en kreten, als wilde hij al die menschelijke wangeluiden in zijn suizenden adem oplossen.
Recht tevreden stapte daar ook langzaam een drietal wandelaarsop den zoogenaamden bovenweg langs het plantsoen. 't Was de schrijver van het prachtwerk over de oudste adellijke geslachten in Noord- en Zuid-Nederland, met zijne dochters Sofie en Betsy. Zij waren in zeer druk gesprek gewikkeld, en schenen zeer opgewonden te praten.
„En wanneer kan dat zijn, vader!”—vroeg Sofie, die nu zeer prettig en opgeruimd was.
„Misschien van de week nog, misschien over veertien dagen, kind.”
„Hè, wat zal dat heerlijk zijn!”—vervolgde de jongste blonde Betsy.—„Dan kunnen we van tijd tot tijd eens samen uitgaan. En, Fie! dan krijgen we ieder eene nieuwe parasol en glacé-handschoenen.... en wat zal moeder dan blij zijn!”
„Ja kind! en veel zorg minder hebben!”—sprak de zestigjarige commies ernstig. Doch plotseling weer vroolijker, ging hij voort:—„'t Zou niet bij eene parasol blijven, Bet! daar zou nog wel een mooi japonnetje bij kunnen, en misschien nog een mooi hoedje ook!”
„En weet u, vader! wat ik wel zou willen”—viel de oudste schielijk in.—„U moest dan maar lid worden van de Witte sociëteit, dan konden we Woensdags en Zondags naar de muziek gaan hooren in de Tent—in plaats van zooals nu met allerlei volk er omheen te dwalen!”
„Dat zou moeder moeten beoordeelen. Daar durf ik niets van beloven! 't Is nog al duur, zoo'n sociëteit.... en wie weet wat men er over zou te zeggen hebben! Neen Sofie, dat zou niet gaan!”
„Maar waarom niet, vader? Daar heb je de Mullers en de Jansens, haar papa's zijn ook hoofdcommies, en die zijn al lang lid van de Witte sociëteit.”
„Ja, maar ik ben nog maar commies!”
„Nu ja, maar als u nu bevorderd wordt over veertien dagen, wat zou er dan nog tegen zijn?”
„Heel veel, heel veel, kind! maar.... kijk eens, wat is daar te doen?....”
De hoofdcommiesin spewees naar den rijweg, waar een aantal menschen te zaam vloeide.
Wat er te doen was? Een paar schreden terug zullen het ons leeren. Terwijl vader en dochters langzaam den bovenweg volgden, rolde er langs de Zeestraat eene opene calèche, geen eigen equipage, geen „aardappel,” maar iets tusschen die twee uitersten in. Twee heeren hadden het zich zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt op de breede banken, en lagen in achtelooze houding hunne sigaar te rooken. Beiden waren jong noch oud, de een was er te schraal, de ander te dik voor. Beiden hadden echter de dertig nog niet lang achter den rug, en schenen er wel iets om te geven, dat men hen voorbachelorszou aanzien. De schraalste was bijna geheel in 't zwart, maar zijn donker hair was allerzorgvuldigst langs zijne slapen geplakt, en zijne boorden hadden een buitengewoon net aanzien. De dikke droeg een fraaien, rossigen, krullenden knevel en een licht zomerpak, dat hem zeer in 't oog deed vallen.
„Dat eten is weergaas goed bij Paulez tegenwoordig!”—zei de schrale.
„Ja, maar merkte je niet, dat de Bourgogne naar de kurk smaakte?”—vroeg de dikke.
„Min of meer!”
„En dan zijn er tegenwoordig zulke rare sausen in de mode! Wat heb je aan dien Franschen wind....”
Beide heeren zwegen eensklaps. De calèche stond stil. De paarden schenen eene poos te willen rusten. Ze hadden er alle recht op, want ze hadden dien dag, van 's morgens elf uren af, steeds vice-versa tusschen de residentie en het Badhuis gereden, maar dat was hun uiterlijk niet oogenblikkelijk aan te zien.
„Welnu, koetsier, wat beduidt dit?”—schreeuwde de schrale nijdig.
„We gaan al meneer, we gaan al!”—antwoordde de koetsier, want de arme duivels van rossen hadden goedgevonden opnieuw voort te kruipen.
De beide heeren zwegen eene poos.
„Krijg jelui gauw vacantie?” vroeg de dikke.
„Binnen acht dagen!”—antwoordde de schrale.—„Nog een paar kleine contracten, en dan gaan we op reces uiteen!”
„Blijf-je in de stad?”
„Nog een veertien dagen, drie weken, en dan ga ik eens in mijne negerij kijken!”
„Ik wou, dat ik ook eens vacantie had—op het ministerie weten ze daar niets van!”
„Kom! kom! Binnen een paar jaren ben je referendaris, en dan neem je vacantie.... weergasche knollen!”
De paarden stonden nog eens stil, de koetsier zwaaide met de zweep, en bromde allerlei tooverformulieren, maar niets baatte. In een oogenblik was de dikke uit zijne gemakkelijke houding opgerezen, en met één sprong zat hij naast den koetsier op den bok. Met krachtige hand greep hij de teugels en de zweep, en rukte en ranselde, of hij al den Bourgogne-wijngeest van het diner bij Paulez op de ruggen der armzalige trekdieren wilde doen neerdalen.
Doch voordat ik verder ga! een woord van hulde aan u, edele dierenbeschermers! die in deze gelukkige dagen, nu er in de residentie eene Maatschappij tot bescherming van dieren werd opgericht, vooral aangemoedigd door stoffelijke lauwerkransen, belet zoudt hebben, dat er ooit een schandaal plaats greep, als ik thans moet beschrijven. Edele, dierminnende agenten van politie! hoe zal ik u naar waarde loven! Gij, die altijd zoo edelmoedig zorgt, dat geen onschuldig kalf zal worden gehinderd in zijn rustigen gang ter slachtbank, die misschien niet in staat zijt te beletten, dat sommige werklieden of enkele vrouwen en kinderen door hollende wagens worden overreden en vermorseld, die er ook niet voor zorgen kunt, dat de jonge kinderen bij de slachthuizen hun gemoed beschaven door de studie van het bloederig huid-afstroopen der geslachte ossen—gij, voortreffelijke, waakzame, veel beproefde handhavers vanrust en orde! u breng ik hulde in dit ernstig oogenblik. Waart gij gedurende den boven beschreven middag aanwezig geweest op den weg tusschen de Eiberstad en Scheveningen, waarlijk, ik zoude heden den zwaren arbeid des geschiedschrijvers niet op mij genomen hebben. Dan ware alles geweestpour le mieux dans le meilleur des mondes—thans, hoort wat er geschiedde!
De dikke heer was op den bok geklommen, en deed de zweep met vinnige kracht over kop en rug der deerniswaardige paarden neerdalen. De doodvermoeide trekdieren deden eene uiterste inspanning, en met een schok, die den schralen heer in 't rijtuig een onfatsoenlijken vloek afperste, stoof de calèche snel voorwaarts. De nieuwe koetsier juichte luide tot zijn vriend en verdubbelde zijne zweepslagen. Sneller en sneller werd de vaart, en hooger en hooger steeg het genot van den dikken voerman. Zoodra de minste vertraging bespeurd werd, regende het forscher slagen. De eigenlijke koetsier van het rijtuig, een man met een versleten zwarten hoed en een violetkleurigen knobbel op zijn neus, schreeuwde, en tierde uit al zijne macht om de heftigheid van den liefhebber-rijtuigbestuurder te matigen—tevergeefs! deze had besloten om zoo snel mogelijk den weg naar het Badhuis af te leggen. Eensklaps steigert het vandehandsche paard te midden van zijn vaart, het bijdehandsche struikelt, een woedende zweepslag knalt.... met een fellen schok staat de calèche stil—het bijdehandsche paard is in elkander gezonken!
In een oogenblik was eene groote menigte op de plek van het onheil tegenwoordig. Wandelaars en Scheveningsche kwajongens vormden onverwijld een kring, die voortdurend aangroeide. De koetsier met den violetkleurigen knobbel op den neus deed het uiterste om het gevallen paard op te heffen—de beide heeren stonden met zekere verlegenheid er naar te kijken.
Maar het arme ros scheen daar voor goed te willen blijvenliggen. De koetsier trok en duwde tevergeefs, de toestand der heeren werd bij de spottende aardigheden der omstanders vrij onaangenaam.
„We zullen maar te voet naar 't Badhuis gaan!”—bromde de schrale.
„Ja, kom! Laat die vent maar zien, dat hij zich klaar haspelt.”
En de beide vrienden wilden hun weg voortzetten, toen als een pijl uit den boog de koetsier op hen toeschoot, en hun den weg versperde.
„Als je blieft, meneeren! een woordje, als je blieft! Schadevergoeding voor m'n paard en de vracht, als je blieft!”
De schrale werd vuurrood in 't gelaat, en wierp haastig een gulden in de uitgestoken ruwe hand. Maar de koetsier slingerde dien gulden voor zijne voeten, en eischte luid schreeuwend schadevergoeding. Meer en meer groeide de belangstellende menigte aan. Op dit oogenblik trok het voorval de aandacht van den commies en zijne twee dochters, die eene poos staan bleven. Tot hunne verbazing zagen zij echter, dat de koetsier buigend achteruitweek, de gulden weer opnam en dat de beide heeren langzaam voortwandelden, terwijl de menigte achteruitweek, en de koetsier met hulp van een paar menschen het paard langzaam weer op de been hielp. Het geheim was eenvoudig te verklaren. De dikke liefhebber-voerman had den brutalen koetsier zijn naam en woonplaats op een kaartje gegeven, met last, den volgenden morgen over de zaak te komen spreken. Op dit kaartje stond „Jhr. Charles de Rijk van Varenhorst”, en de koetsier wist ten minste, dat die naam genoeg was, om hem voor alle schade te waarborgen.
Vrij ontstemd slenterde het tweetal verder. In 't begin zwegen beiden. Doch juist bij den ingang van 't zeedorp vertoonde er zich eene levendige ontroering op 't gelaat van den Jonkheer.
„Kijk, daar heb je haar! Kijk, Distelboom! daar, die dekselsche mooie meid, waarvan ik je laatst gesproken heb! Loopwat gauw, dan kunnen wij haar inhalen en eens fixeeren. Jongen, kerel! dat is zoo'n lief bakkesje! zoo'n middending tusschenScheffer's GretchenenRafael's Belle Jardinière! Ik heb haar al lang gezocht, als ik op straat was! Kijk, daar naast je!”
De heer Distelboom keek aandachtig in de gegevene richting. Hij zag twee jongedames, die zonder erg in 't rond staarden, en een oud heer met grijs hair, die eerbiedig zijn hoed afnam, toen hij Distelboom gewaarwerd. Deze laatste beantwoordde haastig dezen groet, en trok Jonkheer van Varenhorst een eind weg vooruit.
„Weet je wie het zijn, Varenhorst?”
„Neen!”
„'t Is de commies Krelissen met zijne beide dochters—fatsoenlijke lui!”
„'k Geloof, dat de man bij ons aan 't ministerie is. 'k Heb zijn gezicht daar wel eens gezien! Maar wat gaat mij die vent aan! 'k Wou, dat ik dat snoeperig bakkesje maar eens alleen sprak! Straks aan 't Badhuis in defoulezullen wij eens zien!”
„Vlei je maar niet, kerel! 't zijn door en door brave en fatsoenlijke menschen!”
„Brave en fatsoenlijke menschen! Hoe heb ik 't met je, Distelboom! worden we kindsch! Een juffertje met gele katoenen handschoenen braaf en fatsoenlijk! Bah! ik ga me een minuut voor je schamen!”
En vroolijk ving Jonkheer Charles de Rijk van Varenhorst aan een airtje uit denBarbier van Sévillete neuriën.