Verzuchting.„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogenMijn aangezicht beroert,Word ik gants, ja gants bewogenWant ik ben.....”
Verzuchting.„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogenMijn aangezicht beroert,Word ik gants, ja gants bewogenWant ik ben.....”
Verzuchting.
Verzuchting.
„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogenMijn aangezicht beroert,Word ik gants, ja gants bewogenWant ik ben.....”
„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogen
Mijn aangezicht beroert,
Word ik gants, ja gants bewogen
Want ik ben.....”
„Een ploert!”—schreeuwde eene luide stem door het geopende venster.
De postdirecteur verbleekte van woede, en mompelde driftig eenige vloeken. De Leeuw zag toevallig, hoe de oudste zoon van den notaris met twee zijner zusters zachtjes den hoek omsloeg. Zij hadden staan luisteren.
Twee maanden later werd door den teekenmeester en zijne echtgenoote het plan vastgesteld, om hunne huisgoden naar de hoofdstad der provincie over te brengen. 't Werd hun in Valendam toch reeds moeielijk genoeg gemaakt. Het laatste overblijfsel van hun klein kapitaaltje werd geofferd, om het noodigste te voldoen. De Leeuw kondigde zijnen leerlingen weldra zijn aanstaand vertrek aan. De meesten namen het vrij luchtig op. De zonen van den burgemeester kwamen met een fraai plaatwerk als herinnering hunne dankbaarheid betuigen. Anton Lanting, de jongen met den hoogen rug, kwam een der allerlaatstedagen van De Leeuw's verblijf bij zijn teekenmeester, om hem vaarwel te zeggen. Hij vond de geheele bovenwoning in verwarring. Overal stonden de meubels gepakt—overal stof en wanorde. Mevrouw de Leeuw was uitgegaan, om hare kennissen in Valendam voor 't laatst te groeten. Der waarheid getrouw, mocht beweerd worden, dat zij waarschijnlijk sedert haar verblijf in Valendam geen driemalen met dat doel hare woning verlaten had.
Anton Lanting vond zijn meester in groote onrust, het bovenvertrek op en neer loopend. Hij droeg zijn telgje op de beide armen sussend heen en weer. Het wicht gierde en schreeuwde van verontwaardiging, misschien over de onhandige wijze, waarop het werd gedragen. Hendrik de Leeuw vertoonde een buitengewoon mistroostig gelaat. Zijn schilderachtig jasje met strikken en lussen als een huzarenpak hing gelijk een oud vod om zijne leden, zijne roode muts, met vlakken olieverf bezoedeld, slingerde achter op zijne verwarde blonde hairen. Hij gevoelde zich buitengemeen ongelukkig. Toen hij Anton Lanting zag, riep hij aanstonds:
„Mevrouw is niet thuis, jongelief! Mevrouw maakt visites voor afscheid. Ik ben alleen thuis.... Stil, mannetje, schreeuw dan toch zoo niet!”....
Het mannetje in duodecimo op zijn arm, tot wien deze laatste woorden gericht waren, ving aan nu nog veel luider te gieren.
De Leeuw begon aanstonds nog ijveriger te sussen en rond te loopen. Anton Lanting stond besluiteloos in een hoek. Daar eindelijk De Leeuw zijn dwergachtig welpje tot eenig stilzwijgen scheen bewogen te hebben, trad de jonge Lanting uit zijn hoek.
„Ik kwam meneer bedanken voor 't onderwijs!”—zeide hij met jongensachtige verlegenheid.—„'t Spijt mij, dat meneer weggaat, want ik was nu al een mooi eind op weg met teekenen, zeit vader.”
„Ja, Anton! 't spijt me voor jou, jongen—maar 't zal nu veel beter met mij gaan. Ik zal ginder ook wel een aardig troepjeleerlingen krijgen, zeker meer dan hier.... stil dan toch, stil kereltje!”
Wederom deed het gekrijt van het kind hem de kamer op en neer loopen.
Anton Lanting bleef wachten, want hij had zijne taak nog niet volbracht. Toen De Leeuw weer op hem toetrad, zei deze goedhartig, als altijd glimlachend:
„Neem me niet kwalijk, dat ik je geen stoel kan geven. Ze zijn altemaal ingepakt en naar 't schip gebracht, waarmeê we verhuizen!”
„O, dat komt er niet op aan, meneer! Maar als meneer 't niet kwalijk neemt, vader zei, dat ik meneer als gedachtenis”—hier bracht hij met moeite en haast een pakje te voorschijn—„dit drinkglas moest aanbieden!”
De Leeuw had geen vinger, waarmee hij het geschenk kon aanvaarden. Hij glimlachte zeer vriendelijk en verlegen, en verzocht of Anton het hem eens wilde laten zien. Anton pakte het voorzichtig uit en deed hem een kristallen bierglas zien, waarop met sierlijke krulletters de woorden:„Tot eene gedachtenis aan Anton Lanting” gegraveerd stonden. Had zijn kind niet zoo onophoudelijk gekraaid, De Leeuw zoude stellig zeer getroffen geweest zijn, en zich in dankbetuigingen uitgeput hebben. Thans was hem dit onmogelijk. Daarenboven werd er op dit oogenblik luide gescheld. Omdat er niemand thuis was, zette de dankbare leerling zijn geschenk op den schoorsteenmantel, en ging openen. Hij keerde terug met een brief. Op verzoek van De Leeuw verscheurde hij de enveloppe, en liet den brief aan zijn meester zien.
Deze herkende aanstonds de hand. Het was eene nota van Tjerko Meindert Hattinga, wijnhandelaar: „voor aan UEd. geleverden wijn volgens rekening.... ƒ84.40.” Onderaan stond: „NB: Meld mijvóór uw vertrek, wanneer ik over dit sommetje kan beschikken!” De Leeuw fronste de wenkbrauwen, liet de nota vallen en schudde zijn kind zoo heftig op en neer, dat het luider dan ooit begon te kraaien. Anton Lanting, diereeds lang hunkerde om te vertrekken, en die den armen teekenmeester vrij ondankbaar vond voor zijn fraai geschenk, haastte zich weg met een:
„Nu, ik wensch u het beste, meneer! mijn complimenten aan mevrouw!”.
„Dank je wel, Anton!”—en met den linkerarm zijn welp vasthoudend, drukte De Leeuw met aandoening, haast en verlegenheid de hand van zijn vertrekkenden leerling. Wat zij verder elkaar toeriepen, had niemand kunnen verstaan, het luid geschrei van de kleine maakte het onmogelijk. Zoo spoedig Anton vertrokken was, hoopten zich de donkere wolken op De Leeuw's voorhoofd samen.
„Stil kind! stil!”—schreeuwde hij met de uiterste drift.—„Frederike mag niet uitgaan! Neen, ze mag niet uitgaan! Ik verbied het! Ik wil het! Dat lamme geschreeuw! Stil dan toch.... zwijg!”
En een oogenblik later met de uiterste moedeloosheid zijn hoofd schuddend, fluisterde hij:
„O God! was ik maar grutter gebleven!”
De heer Mr. Johan van der Lely bewoonde een zeer deftig huis in de hoofdstad der provincie. Juist met het klokkenspel van twaalven treedt hij deftig in 't zwart zijn huisvertrek binnen, waar zijne echtgenoote met stil ontzag zijne komst verbeidt in gezelschap van een koffiekan, die niet loopt, en den witten poedel, die slaapt. Zwijgend zet de Rechter der arrondissements-rechtbank zich neer. Voordat hij echter de lippen zet aan den eersten kop koffie, zegt hij met zijne daverende stem:
„Waar blijft Frans?”
„Ik begrijp het niet, misschien heeft hij straf op het Gymnasium!”
„Kom, kom! een jongen van zeventien jaar en vlug als Frans wordt nooit gestraft. Bovendien er moest niet gestraft worden op het Gymnasium! Ik heb het den Rector laatst gezegd. Als een jongen zich onbehoorlijk gedraagt, is het altijd de schuld van den docent!”
„Maar Johan....”
Dreunend werd de huisdeur toegeworpen, er klonken snelle stappen in de gang. Met een luid galmenden uitroep trad Frans van der Lely binnen. Hij was een lang opgeschoten knaap geworden, zag er rood opgezet uit, als zijn vader, en trok snel een stoel naar de tafel, om zijn kop koffie te ledigen.
„Hoe kom je zoo laat, jongen?”
„Ik heb in de Slijtersstraat staan kijken naar eene verkooping van een inboedel!”
„Waarom?”
„In 't begin maar om zoo eens te kijken, maar gauw zag ik een paar dingen, die ik heel vreemd vond. U herinnert zich wel dien meneer de Leeuw, waarbij ik in Valendam een poos teekenles had?”
„Ja, voor een halfjaar zoo wat is hij hier komen wonen!”
„Nu, het was zijn inboedel!”
Mr. Johan van der Lely verzonk een oogenblik in deftig gepeins. Frans vervolgde:
„Ik zag het aan de schilderijen en teekeningen in waterverf. Er was ook eene massa nog vrij aardige en nieuwe meubels bij, stoelen, tafels, een wieg....”
„Maar was dat alles van meneer de Leeuw, Frans?”—vroeg zijne moeder.
„Zeker! Ik sprak een man aan, die er bij stond, en die zei, dat het boeltje voor schulden moest verkocht worden. Daar waren er van hier en uit Valendam, die geld van De Leeuw moesten hebben!”
De Rechter der arrondissements-rechtbank had intusschen den loop zijner gedachten vervolgd. Plechtig, maar luid, viel hij nu in:
„Ik heb het hem wel voorspeld! Daar was in Valendam niets te halen, 't was een ellendig nest in mijn tijd, en het zal het nog wel zijn. Eene hoofdplaats van een kiesdistrict, waar ze zoo'n kwast, zoo'n babbelaar naar de Tweede Kamer hebben gestuurd! Zoo'n liberaal van den kouden grond! Bah!”
„Ik heb maar medelijden met zijne arme vrouw en zijn arm kind!”—fluisterde mevrouw van der Lely.
„En ik mocht De Leeuw wel!”—voegde Frans er bij.—„Hij was heel goed en hartelijk voor zijne jongens, en hij teekende toch zoo kwaad niet?”
„Hij schreef ten minste zeer net!”—merkte de heer des huizes aan.—„Dat bleek uit zijne nota's!”
„Gunst, Johan!”—viel zijne echtgenoote in.—„Gisteren vertelde je me, dat eene klerksplaats op de provinciale griffie vacant was, en dat iemand je gevraagd had naar een geschikt persoon. Help nu die arme menschen daaraan!”
„Hm! hm.... Zou hij niet te trotsch zijn.... een kunstenaar klerk te maken? Maar.... nu ja, ik wil het wel eens probeeren. Hij heeft onzen Frans teekenen geleerd.”
Een jaar, na dit gesprek, in den vroegen zomerochtend snelden twee personen, die beiden van verschillende kanten der straat kwamen, te X.... naar elkaar toe. Eene opgewekte en hartelijke begroeting volgde.
„En wat kom jij hier in den vroegen morgen doen, Van Schilferen?”
„Van alles zoo wat,amice! Ik komemplètesmaken voor mijne huishouding, want in Juli trouw ik. Bertha is allerliefst. En dan moet ik ook bij den postdirecteur zijn.... daar is eene kleine verwarring op mijn kantoor geweest! Ik zal 't wel goed maken! A propos! Het Leeskabinet heeft een paar van mijne verzen geplaatst! En hoe maak jij het, De Leeuw?”
De oud-teekenmeester Hendrik de Leeuw, nu zeer eenvoudig in 't zwart gekleed, antwoordde kalm:
„Och, het gaat me redelijk! Ik ben klerk op de provinciale griffie door de protectie van meneer van der Lely geworden. Ik neem nog een paar andere besognes van schrijfwerk waar, en verdien omstreeks negenhonderd gulden in 't jaar. Dat is nog weinig, maar ik ben weer met mijn oom den grutter verzoend, en dat helpt in de huishouding!”
„Bij al de Goden! Is 't mogelijk? Ben jij klerk geworden? Heb jij de kunst vaarwel gezegd? Neen, dan dien ik mijne Muzen trouwer! Een bundel verzen ligt klaar, en als de zaak met het postkantoor goed afloopt, dan draag ik hem op aan den Minister van financiën! En jij klerk, De Leeuw! hoe is 't mogelijk?”
De Leeuw glimlachte, en antwoordde:
„Neem me niet kwalijk, ik moet aan 't werk. Men kan die zaken verschillend beschouwen. Een eerlijk beroep trouw te vervullen is voor den man zonder talent beter dan plichtverzuim bij gebrekkige en leelijke kunstoefening. Goeden morgen! Als ik aan de griffie wat voor je doen kan, reken op mij. En denk er aan:n'est pas poëte qui veut!”
Hier begint de waarachtige historie van mijnheer Apollo, den wonderbare, en hoe hij aankwam in Beötië.
't Was maar eene zeer gewone herberg. Het uithangbord was vroeger op prachtige wijze donkerblauw geschilderd, en te midden van dien blauwen grond schitterde weleer eene zon van echt verguldsel. De tijd had de kleuren veel kwaad gedaan, de zon was koperrood geworden, en scheen steeds op het punt van onder te gaan. Duidelijkheidshalve schilderde men er weleer nog bij:In de Zon, opdat niemand zich vergissen mocht. De herberg was van meer opschriften voorzien. Eene witte plank met zwarte letters riep den voorbijganger toe:Logement en Stalling, Wed. F. C. van der Zwaag. Het Logement had maar eene verdieping, met een soort van opkamertje boven den hoofdingang. Toch was het een groot huis met zeer ruime kamers, stallen en een grooten tuin. Bovendien was deZonde eenige fatsoenlijke herberg van Oosterwolde, een soort van klein stedeke in het Noorden van ons vaderland.
Voor de deur van dit logement stond bij 't vallen van de duisternis eens guren November-avonds van het jaar 1849 een reiziger met eene groote menigte bagage. Eene kar, door vier sjouwers onder veel geschreeuw en gemor voortgeduwd,droeg voornamelijk eene enorme houten kist, die hoog opstond en door een paar solide koffers in evenwicht werd gehouden. Een fraai valies, een reisdeken en andere kleinigheden verrieden, dat de reiziger een zeer welgegoed man was. Met zeker ongeduld trok hij aan den koperen belleknop van de glazen deur. Eene lange vrouwelijke gestalte opende weldra.
„Kan man dat hierein brengen?”—vroeg de reiziger met uitheemsch accent.
„Wat 'n groote kist!”—antwoordde de gestalte.—„Droag 'm moar in 't veurhuus!”
Dit was tot de vier sjouwers gesproken, die met tragen spoed de koffers naarbinnen brachten, en eindelijk onder toezicht van den reiziger ook de kist van den wagen tilden. Verscheidene malen riep de vreemde heer iets in zijne taal, terwijl hij angstig de kist ondersteunde; eindelijk plaatste hij haar met behulp zijner mannen in het breede voorportaal. De vrouwelijke gestalte had een koperen blaker met walmende vetkaars ontstoken, en deze verspreidde een zwak licht in 't ronde. Daarna stonden de sjouwers stil met de hand aan de pet. De vreemdeling tastte snel naar geld, en gaf ze een gulden. De mannen zagen elkaar even snel aan. De kleinste van hen riep:
„Doar ken' wie 't nijt veur doun!”
Een ander voegde er bij:
„Twij kwartjes de man!”
De vreemdeling tastte wederom snel naar geld, en gaf nog een gulden. De vier sjouwers klompten de gang uit, en de vrouwelijke gestalte met den blaker schudde deftig het hoofd, 't was „veul te veul.”
Intusschen werd eene groote dubbele deur in de gang geopend, waardoor een stroom van licht naar buiten golfde. Onze reiziger richtte zich aanstonds naar dat licht. Hij trad eene ruime kamer binnen, welke degenius locimet den naam van „jachtweide” bestempeld heeft, anders gezegd: de gelagkamer van 't logement. Aan den open haard branddeeen vroolijk turfvuur. Met opgewektheid trad hij naar 't vuur, en strekte zijne voeten uit, die verstijfd schenen, hoewel de hooge reislaarzen met bont gevoerd waren. Het gezelschap in de „jachtweide” gluurde met groote, eenigszins schichtige nieuwsgierigheid naar den nieuw aangekomen gast. Dit gezelschap bestond vooreerst uit de vrouw met den blaker, die ook binnengetreden was, en op een soort van buffet aanliep, waar zij met een koperen domper haar licht uitbluschte. 't Was eene groote, vrij deftige matrone, geheel in 't zwart gekleed, met een breed wit voorschoot, waaronder zij nu hare handen en armen verborg, terwijl zij tegen het buffet, aldaar „tapkast” genoemd, aanleunde. Opmerkelijk was in deze figuur een gouden hoofddeksel of oorijzer met „stiften”, waarover eene fijne kanten muts, die met plooien naar de schouders afdaalde. Vervolgens waren er twee jongere vrouwen, evenals deze gekleed, maar met grijze of bruine kleedjes zonder voorschoot, terwijl ook oorijzer en kanten muts twee bolronde, blozende gezichtjes omlijstten. Eindelijk zaten er aan een tafeltje, ter zijde van den haard, drie mannen in zwarte jassen van een everlasten stof, zwarte vesten, zwarte dassen, zonder linnengoed en met lompe vetlaarzen. Zij bliezen allen dikke rookwolken uit lange Goudsche pijpen en hadden wijn in flesschen en glazen voor zich.
Allen hielden het oog onafgebroken op den reiziger. Niemand sprak. Het voorwerp van hunne oplettendheid scheen zich weinig om hunne tegenwoordigheid te bekreunen. Hij warmde zijne voeten, daarna zijne handen, geeuwde een paar malen zeer luid, en wreef zich in de handen. Bij het turfvuur kon men duidelijk de ringen zien flonkeren aan zijne vingers. Daarna zag hij vluchtig in 't rond, wendde den rug naar 't vuur, en sloeg zijne blikken naar de vrouwen. Hij droeg een ruimen pels met grijs bont en op zijne borst schitterde een groote diamant in eene das van donkerblauwe zijde. Al de personen in de „jachtweide” schenen den blik des vreemdelings te willen ontwijken, want ieder keek schuchter voor zich.
De man met den grijsbonten pels liep nu langzaam naar de „tapkast”, en bleef voor de vrouw in 't zwart staan.
„Wed'we van der Zwaag, nicht waar? Kan ik eene goete kammer bekommen?”
„As meneer blieft! Wil meneer de koamer zijn?1)Hillegie steek denbloakerop!” Dit laatste was tegen een der bolronde gezichtjes gezegd. Deze prevelde, of men eerst „de kachel op meneers koamer nijt most anleggen,” en de vreemdeling, die haar scheen te begrijpen, riep:
„Ja schön, etwas heitzen!”
Daarna keerde hij tot het vuur terug. De weduwe van der Zwaag, die niets van 's mans taal verstond, gaf evenwel order, dat de kachel op de logeerkamer zou worden aangelegd, zij had den toon van zijne stem begrepen. Hillegie, eene gewestelijke verhaspeling van Hillegonde, verliet de „jachtweide”. De man met den grijsbonten pels zag nu naar het andere bolronde gezichtje, en, terwijl hij flauw glimlachte, streek hij de blanke vingers met fonkelende ringen door zijn lang en prachtig krullend zwart hair. Hij poogde haar aan te zien, doch zij keek zeer bedaard naar het fijne en witte zand, dat over den planken vloer der „jachtweide” was uitgestrooid. Daarom deed hij opnieuw twee stappen naar de „tapkast”, en vroeg, ditmaal aan het jonge meisje:
„Hept ihr ook cognac?”—met den dubbelen nadruk op de eerste lettergreep van het woord cognac.
Het jonge meisje zag hare moeder aan, en deze nam een karaf van wit glas, waarop met sierlijke gulden krulletters „Cognac” te lezen stond. Toen de weduwe daarna een zeer klein glas van grof maaksel nauwelijks gevuld had, bracht hare dochter het den voornamen heer. Deze zag het aardig gezichtje zeer genadig aan, glimlachte met zijne schitterende blauwe oogen, en nam het glaasje met een zwierigen zwaai.Eenigen tijd keek hij naar het vocht in het glas, daarna goochelde hij het vliegensvlug naar binnen. Niemand sprak intusschen een woord, de drie rookers en drinkers bleven met drieste verbazing rondzien, de vrouwen bleven onbeweeglijk bij de „tapkast”.
Eindelijk kwam Hillegie terug. De kachel brandde. De weduwe van der Zwaag nam nu andermaal haren blaker, en ging den vreemdeling voor naar zijne kamer. Zij had er eigenlijk maar eene, maar die was allerkeurigst. Zij moest er zelve de eer van ophouden. Nauw waren zij beiden vertrokken, of de drie drinkers bij den haard zagen elkander deftig aan. De dikste van het drietal blies eene reusachtige rookwolk uit, en riep:
„Wat 'n wind het2)dij kerel!” De magerste dronk zijn glas uit, en sprak na eene kleine poos:
„Zeker zoo'n mofsche koalhans!”
De derde eindelijk blies rookwolken weg, en dronk tevens zijn glas uit, terwijl hij wederom na eene poos opmerkte:
„Pas moar op, Hillegie! moak, dat je de kerel zien centen kriegt!”
„Doar bin' wie nijt bang veur, meneer Jellemoa! Veur 't brengen van zien koffer hettie twij gulden geven!”
„En nou vraagt meneer om een karaf vol cognac met woater en suker! Gauw wat!”—riep de weduwe, die met zekere haast binnenstoof.
1)Zien.
1)Zien.
2)Heeft.
2)Heeft.
Hier begint de vestiging van meneer Apollo, den wonderbare, in Oosterwolde en zijne eerste kennismaking met de Beötiërs.
Halfelf in den voormiddag. De vreemde heer, die den vorigen avond in de Zon is komen logeeren, heeft luid gebeld. De weduwe van der Zwaag is nog ontoonbaar in haar morgengewaad en zonder oorijzer, maar hare jongste dochter Géésien,eene verminking van Gesina, „het de muts al op.” Met zekere nieuwsgierigheid wipt de vroolijke deerne de trappen op, die naar het boven den hoofdingang gebouwde pronkvertrek leiden. Na een zacht tikken op de deur, treedt ze haastig binnen en vraagt:
„Het meneer scheld?”3)
De reiziger knikt allervriendelijkst ja. Hij staat van zijne tafel op, waar de rest van zijn ontbijt valt waar te nemen. Hij is nog ruim zoo zwierig gekleed als den vorigen avond.
„Ik woude u etwas vragen, mijn liebes kind!”—zegt hij.—„Geeft het bij u ook een groote vertrek, waar damen en heeren versammelen? Voor concerten, ballen, theaterstukken....”
„Veur 'n bal? Joa, meneer! Bi ons!”
„Bij u? Ach zoo! Dat is kostlich!”
„'s Winters heb' we drij bals van de groote sociëteit en twij van de burgers! Zummers heb' wie mit peerdemarkt en mit harddroaverij nog twijmoal bal....”
De zwierige reiziger loopt even zijn vertrek op en neer. Hij glimlacht steeds even aanmoedigend. Daarna blijft hij in eene schilderachtige houding bij de tafel staan, beide armen over de borst kruisend. Gesina gaat intusschen voort met hem op te sommen hoevele voortreffelijkheden zich in de Zon vereenigen. De slotsom is, dat er beneden eene groote zaal is, waarin gedanst wordt, en zeer zelden ook een concert wordt gegeven. Meneer behoeft niet te twijfelen, of de zaal groot genoeg is, want in den vorigen winter hebben zelfs de „komedianten” uit X, de hoofdstad van de provincie, er gespeeld. Gesina glimlacht even, en voegt er bij:
„Moar meneer is toch zeker nijt bi de komedianten?”
„Gewis, niet, mijn liebes kind! Aber.... wie is toch ihr naam?”
„Géésien!”
„Gretchen!Ach zoo! Das is een prachtvolle naam! Al onze schönste jonkvrauwen heetenGretchen! Nu,Gretchen....”
De reiziger deed twee stappen van de tafel, en roerde even op zachte wijze de vingertoppen van „Gretchen” aan. Daarna zag hij haar met zijne helderblauwe schitterende oogen zoo innemend aan, dat het jonge meisje, vuurrood van verlegenheid, tevergeefs poogde eenige stugheid aan den dag te leggen. Meneer wilde beneden de zaal zien. Snel springt Gesina vooruit, meneer ijlt haar na, maar heeft haar toch eerbiedig de hand gedrukt. Beneden loopt het „liebes kind” zoo vreeslijk snel door de gang, dat haar grijs kleedje aan de groote kist blijft haken. Doch ze getroost zich liever een goeden winkelhaak, dan dat meneer met zijne drieste oogen haar komt helpen. Zoo is ze een tweetal trappen opgevlogen, heeft de deur geopend, en staat nu boven. Meneer volgt haar, en treedt haar ter zijde in een zeer ruim vertrek, dat vrij wel op een bal- of concertzaal zou gelijken, indien het niet veel te laag van verdieping ware.
In gedachten wandelt hij dit vertrek op en neer. Gesina leunt tegen een biljart, 't welk met een wit stofkleed is overdekt, meneer gluurt een raam uit naar den zonderlingen, spitsen toren met blauwe leien, die een der sieraden van Oosterwolde uitmaakt. Daarna zegt hij:
„De kammer is kostlich,Gretchen! Voortreflich! Hept u niet een paar kerl', om mijn te helfen an die groote kist hier te bringen?”
„Gretchen” denkt even na. De vreemde heer wil een kist brengen op de groote zaal, waar de „Heeren” om halftwee sociëteit houden—kan dit? En wat zit er in die kist? Als er zich moeilijke gevallen, of onoplosbare vragen voordoen, neemt Gesina als brave dochter altijd het advies van moeder. Snel loopt ze naar de deur en roept:
„Meneer blieft even wachten! Ik zel even zijn!”
De vreemdeling blijft alleen. Hij plaatst zich weder bij een venster. Het volle daglicht schijnt over zijne rijzige gestalte. Niemand kan met recht volhouden, dat hij wezenlijke knapheid en innemendheid mist. Zijne trekken zijn fraai, zijn gelaat inrust heeft bijna eene edele uitdrukking. Het hooge, blanke voorhoofd, de fijne gebogen neus, de purperen lippen, waarom een glanzig zwarte knevel krult, de zeldzaam lange, fijne en behaagziek verwarde hairlokken, die, meestal achter het oor weggestreken, naar de schouders golven, dit alles vormt hem tot een knap man. Zijne oogen zijn wel fraai blauw en schitterend, maar de uitdrukking mist waardigheid. Zij werpen wat al te vrijmoedige blikken in 't rond, daar blaakt een vuur in van zinnelijke driestheid en ijdel zelfvertrouwen. Meestal evenwel is dat vuur getemperd door de half gesloten oogleden en den allereerbiedigsten lach, die elk zijner woorden vergezelt.
Voor het stedeke Oosterwolde is hij veel te zwierig gekleed. Zijn keurige sluitjas van donkere kleur doet maar een zeer klein deel van het hooge sneeuwwitte vest en der lange blauwe zijden das te voorschijn komen. Genoeg evenwel, om de kolossale diamanten speld te doen fonkelen, waarnaast een helder groen en rood lint in zijn knoopsgat schittert, eene ridderorde van den Vorst van Lichtenstein.
Geruime poos staat hij aan het venster te turen. Eene breede straat, half plein, half rijweg, strekt zich voor hem uit. Huizen van ééne verdieping, zonder eenig bijzonder kenteeken, maar kleinsteedsch van de grondvesten tot aan de daksparren, een paar lindeboomen boven een tuinmuur, de spitse toren, een paar kwajongens op groote houten klompen, een paar boeren met drie runderen, een paar kippen, die ijlings wegvluchten, dit is het tafereel, 't welk zich aan onzen Lichtensteiner Ridder voordoet.
„Philister, und noch einmahl Philister!”
Terwijl hij dit met zekere bitterheid binnensmonds prevelt, naderen snelle voetstappen. De weduwe van der Zwaag met Hillegie en Géésien, allen in oorijzer en kanten muts, treden de zaal binnen.
„Wol meneer de kist in de zaol brocht hebben?”—vraagt de kasteleines.
„Ach ja! Laat maar een paar kerl kommen!” Doch zoosnel ging de weduwe niet tot het ontheiligen van hare zaal over. Met een vloed van woorden betoogde ze, dat de „Heeren” er sociëteit hielden en of de kist niet in de gang kon blijven. Zij was verbijsterd over het schoone kostuum en de voorname manieren van haar gast, maar vroeg toch luide, wat er dan toch eigenlijk in die kist was.
„Mijn klavier!”—zei de vreemdeling snel.
Moeder en dochters zagen elkander aan, en begrepen de zaak maar half. Met een voornamen glimlach voegde hij er thans bij, dat zijn „klavier” moest ontpakt worden, dat het niet veel plaats innam en zeer „famos” was. Maar spoedig, zeer spoedig. De kasteleines had dikwerf hooren verhalen, dat voorname vreemdelingen, vooral Engelschen, de eene of andere zonderlinge liefhebberij aankweeken, en daarom meende ze nu, dat deze niet zonder zijn „klavier” zou kunnen leven. Fluisterende met hare dochters, werd er nu besloten den staljongen en den tuinman te laten roepen. Haar gast was intusschen reeds in het voorportaal en poogde de pianokist van den muur te schuiven. Met groote voorzichtigheid, terwijl nog twee keukenmeiden, wier zilveren oorijzers en zwarte kousen—zij hadden hare klompen op hoog bevel achtergelaten—een zweem van glimlach bij den klavierman deden ontstaan, op het ijverigst medehielpen, werd nu de groote en zware kist, naar de zaal gedragen. De Lichtensteiner Ridder gaf allerlei bevelen in zijne moedertaal, die niemand recht begreep, doch de kist stond weldra zonder ongeval bij een der vensters. In een ommezien had hij zelf de planken losgemaakt en ontdekte nu voor de verbaasde lieden uit deZoneene fraaie pianino. Met groote bedrijvigheid deed hij de houten bekleedselen wegbrengen, had hij het instrument geopend en liet hij plotseling een stroom van luide en grillige akkoorden door de zaal galmen. Het stuk was wat ontstemd, weldra had hij er de vergulden luchters afgelicht, de pianino van voorwand ontbloot, en een stemsleutel ter hand genomen. Hierop ving hij ijverig aan te stemmen.
De kasteleines, de meisjes, de keukenmeiden, de staljongen en de tuinman bleven op eerbiedigen afstand staan luisteren. Misschien was er in geheel Oosterwolde maar één piano, die met deze kon wedijveren, bij den Burgemeester. En die hadden de meeste hunner nooit gezien. Als de vreemdeling soms eensklaps met beide handen de volle kracht van zijn stuk liet doorklinken, zagen zij elkander vol verbazing aan. Weldra was de zuiverheid van toon hersteld. Zonder naar zijne hoorders om te zien, wier tegenwoordigheid hij evenwel had opgemerkt, ving hij aan met eene vlugge, aangename melodie te doen hooren. Plotseling viel hij in met eene vrij zwakke, doch dragelijke tenorstem een Duitsch lied aan te heffen. De kasteleines en hare huisgenooten hielden den adem in. De beide jonge meisjes volgden met vroolijke blikken den zanger. Dat hadden ze nog nooit zoo gehoord! Zoo mooi kon juffer Martha van den Burgemeester niet zingen! Hoor, hij zwijgt. Twee forsche akkoorden, alles is stil. Meneer rijst op, en sluit de pianino. Het publiek deinst af, en verdwijnt met groote overhaasting uit de zaal.
3)Heeft meneer gescheld?
3)Heeft meneer gescheld?
Hoe Mr. Willem Snijders in den kring der zijnen gewoon is aan de koffietafel te regeeren.
Oosterwolde was een plattelandsstadje met een drieduizend inwoners, eene arrondissements-rechtbank, beroemde veemarkten, een weinig nijverheid en veel ongetrouwde meisjes. Men was er uren ver van alle groote of grootere steden. Al het verkeer met de omliggende plaatsen werd levendig gehouden door een paar goedaardige trekschuiten. Een telegraafkantoor werd door niemand gehoopt, en ieder Oosterwoldenaar van geboorte begreep, dat er nooit eenige de minste kans voor een spoorwegzou komen opdagen. Het stedeke had daardoor een zeker vast karakter verkregen, waarom elk eenigszins buitengewoon voorval aanstonds de algemeene belangstelling wekte. Men zag er niemand vreemds, dan de boeren en boerinnen uit den omtrek, de eersten met ouderwetsche hoeden en zilveren tabaksdoozen, de laatsten met gouden hoofdijzers, „stiften” en lompe oorhangers. De doortocht van een man met een draaiorgel, of van een troep nomadische Duitsche horenblazers, maakte eene geweldige gebeurtenis uit. Al wat Oosterwolde aan straatjongens bezat, schaarde zich rondom het vreemde verschijnsel op de straat, terwijl de vaders der gezinnen met al hun personeel op de stoep hunner woningen post vatten.
Eene zekere stoffelijke welvaart was in Oosterwolde evenwel niet te miskennen. De handel in vee en landbouwvoortbrengselen, waarvan de stad meer en meer stapelplaats werd, bracht veel vertier aan. Winkeliers, logementhouders en procureurs deden er schoone zaken, 't welk zich zichtbaar aankondigde in de netheid en frischheid der meestal kleine huizen. Heerenhuizingen van twee verdiepingen vond men er wel, maar die behoorden tot de uitzonderingen. Eene der aanzienlijkste lag juist aan 't eind der breede straat, die het heerenlogement de Zon onder hare sieraden telde. Dit huis lag, een eind van de andere woningen in den omtrek verwijderd, in de schaduw van twee reusachtige kastanjeboomen. 't Was stevig en hecht gebouwd, maar de architect had bijzonder weinig goeden smaak aan den dag gelegd. Goede smaak was in 't algemeen in Oosterwolde zeer duur. De huizing nu, met de kastanjeboomen als wachters voor den ingang, was bij ieder bekend en beroemd, daar woonde de Burgemeester.
Mr. Willem Snijders, van beroep advocaat en notaris, had met koninklijk goedvinden de eereplaats in de Oosterwoldsche magistratuur bezet. Op het oogenblik, waartoe onze waarachtige historie thans genaderd is, vinden wij hem in zijne vroolijke en welingerichte huiskamer. De familie gaat koffie gebruiken. Bij de zilveren kan treffen we mevrouw Snijdersaan, eene zeer bedrijvige en drukke, maar extra vroolijke en gulle dame van diep in de veertig met zeer ongehoorzaam lichtbruin hair, 't welk ze voortdurend met eene snelle beweging onder de muts wegschuift. Voorts ontmoeten we nog twee jonge dames, Martha en Mina, die al onze aandacht waard zijn. Martha is eene beroemde schoonheid, Mina had te grooten neus, om voor mooi door te gaan. Martha was eene flinke, lief glimlachende jonkvrouw met ongemeen fraaie blonde, lange krullen. Mina was niet zoo mooi, maar ieder hield bij uitstek van haar. Zij was mevrouw Snijders plaatsvervangster in alle huiselijke zaken van gewicht, en de afgod van hare talrijke jongere zusters en broers. Een deel van dezen zit ook aan de koffietafel, rondwangige meisjes met lange witte schorten, en twee mannetjes met blond krullend hair en inkt aan de vingers.
Voorzitter was daar evenwel de Burgemeester zelf, Mr. Willem Snijders in eigen persoon. Deze brave magistraat was zeer klein, had kleine vlugge, grijze oogen, een klein kaal voorhoofd en kleine grijze bakkebaarden. Hij was even levendig als zijne vlugge gade, sprak niet zoo rad, maar daarom te gewichtiger. Hij achtte zich zelven zoo gelukkig en tevreden, als een zeer rijk man in Oosterwolde maar eenigszins zijn kan. Hij had geld genoeg, om in Amsterdam of Den Haag equipage te houden, maar zijne familie en die zijner vrouw behoorden tot de Oosterwoldsche patriciërs, en daarom had hij geen het minste denkbeeld naar de Heerengracht of den Vijverberg te verhuizen. Eerzucht had hij in zekere mate: bij alle dingen, die zijn huis en familie betroffen, moest solide weelde en onbesnoeide ruimte heerschen. Voor 't overige bemoeide hij zich met niets, zelfs niet met de politiek. Eene candidatuur voor de Tweede Kamer had hij van de hand gewezen, alles, wat hij misschien van dien aard wenschen mocht, stond in betrekking tot zijn maagdelijk knoopsgat.
't Had juist twaalf geslagen. Mevrouw Snijders schenkt de dampende koffie in, Mina snijdt een stuk koek voor de meisjes en knaapjes, die heel stil moeten blijven zitten, want vaderleest de „oprechte” Haarlemmer. De mooie Martha heeft een boek naast haar kop koffie, en werpt er ter sluik een blik in. Zij leest eene verbazende hoeveelheid romans in 't jaar, meest alle uit het Engelsch vertaald en vol brave helden en heldinnen.
Mr. Willem Snijders legt de krant neer, en zegt:
„Geen nieuws vandaag! Uit Leeuwarden wordt veel gepocht over een groot concert!”
„Dat mag wel! Concerten zijn heel prettig in Leeuwarden!”—zegt Martha, die den vorigen winter in Frieslands hoofdstad heeft gelogeerd.
„Litholf en nog zoo'n snuiter!”—vervolgt de Burgemeester.
„Hier is nooit eens concert!”—antwoordt de dochter.
„Kom, kom!”—valt moeder in.—„Hier is het Nut, en bals en allerlei pretjes! Ik zou er niet voor in Leeuwarden willen zitten!”
„Ja, mama dweept met Oosterwolde, dat weet ik wel!”
De mooie Martha had dit met eenig humeur gezegd. Opmerkelijk was het ook, dat mevrouw Snijders eene andere uitspraak van hare moedertaal bezigde, dan hare dochter. Mama sprak eenigszins in den trant der kasteleines uit de Zon, en Martha had de uitspraak van een duur kostschool in Gelderland, waar zij drie jaren was „gesoigneerd.”
De Burgemeester vond het niet aangenaam, als er verschil van meening was onder de zijnen. Hij hield veel van zijne knappe dochter, hij pronkte graag met haar in bijeenkomsten van het Oosterwoldsche publiek, maar de zienswijze van zijne vrouw en de liefde voor zijne stad deden hem elke minachting van deze laatste ernstig tegenspreken.
„Hoor eens, Martha! Ik vind het niet aardig, dat je zoo van Oosterwolde spreekt! Jij bent de dochter van den Burgemeester! En wat de concerten betreft....”
Juist werd de deur geopend, en bracht de „kamermeid” Stientje een kaartje aan den Burgemeester. De heer Snijders zag het onverschillig in, maar maakte plotseling eene beweging van verwondering.
„Daar heb je het al!”—riep hij uit.—„Hoor eens, welk bezoek wij ontvangen:
Prof. Maximilian Brandt von Hohenburg, Fürst. Hofpianist und Director des Fürst. Theaters zu Lichtenstein-Vadoetz.
„Stientje!”—gaat de Burgemeester voort,—„laat meneer in de voorkamer! Deksels een professor! En ik in mijne grijze ochtendjas! Dat kan onmogelijk! Ik vlieg, om mijn rok aan te trekken!”
De Burgemeester was niet gewoon dagelijks vele professoren in Oosterwolde te ontmoeten, en dan zoo'n aanzienlijk man! Intusschen gevoelde hij genoeg van zijne burgemeesterswaardigheid, om zich niet bedremmeld voor zijn bezoeker te vertoonen. Zijn rok en witte das, welke laatste hij dagelijks droeg, stonden hem in dit goede voornemen bij, zoodat hij uiterst deftig de deur van zijne voorkamer ontsloot, en den diepbuigenden professor een stoel aanbood.
„Professor Maximilian Brandt von Hohenburg, de Lichtensteiner Ridder met de pelsjas, thans resideerende bij de weduwe van der Zwaag in deZon, heeft de eer zich bij den „genadigen” heer Burgemeester te vervoegen met tweeërlei doel. Hij reist voor zijn genoegen door het westen van Europa, en bezoekt thans Nederland. Zijne vorstelijke genade, de Vorst van Lichtenstein, heeft hem deze kunstreis opgedragen, om zich van de tegenwoordige ontwikkeling der toonkunst in het westen van Europa een helder denkbeeld te vormen. Vorst Johan II is een zeer verlicht Maecenas, waarvanHerr von Hohenburgslechts de nederige dienaar is.
MaarHerr von Hohenburgbeoefent ook in alle nederigheid de kunst. Hij is professor aan de vorstelijke kunstacademie van zijne vorstelijke genade. Hij is vorstelijke hofpianist en directeur der muziek van de vorstelijke opera te Lichtenstein-Vadoetz. Het is zijn voornemen in alle plaatsen van Nederland, die hij bezoekt, bij uitzondering één concert te geven. Als de„genadige” heer Burgemeester denkt, dat een klavierconcert in zijne stad eenigen bijval mocht verwerven, dan....”
Herr von Hohenburgheeft dit alles in zeer vloeiend en hoffelijk Duitsch gesproken. De Burgemeester van Oosterwolde houdt zich ferm, maar is lang niet op zijn gemak. Duitsch spreken is volstrekt zijne gewoonte niet. Een gek figuur maken kon een man van zijne waardigheid nog veel minder, vooral tegenover zulk een diplomatisch kunstenaar als de heervon Hohenburg, zeker een edelman, en dan met zoo iets roods en groens in zijn knoopsgat.
„Vergun me, meneer de Professor, dat ik in mijne moedertaal u antwoorde....”
„Bitte, bitte, gnädige Herr!”
„Ik geloof, dat er hier in Oosterwolde een zeer dankbaar publiek voor pianomuziek zou gevonden worden, en we hebben een vrij goede zaal in deZonbij vrouw van der Zwaag.”
Herr von Hohenburgbeaamt de woorden van den „genadigen heer Burgemeester”, daar hij echter Duitsch blijft spreken, en geene moeite doet zich in hetgeen hij Hollandsch noemt uit te drukken, zullen wij hem hier als tolk ter zijde staan.
„Ik zou u echter raden, meneer de professor, om vooraf eene lijst bij de notabele ingezetenen rond te zenden, men is zoo zeldzaam in de gelegenheid iets goeds te hooren!”
„Ach! ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik moet u nog iets mededeelen! Ik behoor niet tot de zoodanige artisten, die concerten geven voor geld. Mijne kunst heeft edeler doel. Ik laat een entrée betalen, om na aftrek van de noodzakelijke kosten het batig saldo in de armenkas te storten!”
Mr. Willem Snijders, die tot nog toe met het denkbeeld, dat de Duitsche professor voor geld concerten gaf, zich zelven een riem onder het hart had gestoken, gevoelde nu, dat alle bewustheid van meerderheid hem ontzonk. Hij glimlachte nog vriendelijker dan te voren, en verzekerde meneer den professor dat hij zijne komst in Oosterwolde op hoogen prijs stelde.
Herr von Hohenburghad gebogen, gelachen, en de kamer rond gezien. Bij het ontdekken eener pianino had hij met onweerstaanbare losheid zich naar het stuk begeven, het geopend en als gedachteloos een paar akkoorden gegrepen. Plotseling weer naar zijne stoel terugsnellend, riep hij uit:
„Ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik heb de slechte gewoonte, als ik een klavier zie, aanstonds naar de toetsen te grijpen....”
„Integendeel! Ik hoopte reeds, dat u ongemerkt zou hebben doorgespeeld!”
De beide heeren putten zich van weerszijden uit in tallooze hoffelijkheden. De slotsom was eindelijk, dat de beroemde professorvon Hohenburgzich nogmaals voor de pianino plaatste, en na onder menigte van sierlijke zwenkingen met hoofd, lichaam en armen, een stroom van luidklinkende melodiën door het pronkvertrek van den Oosterwoldschen Burgemeester deed ruischen. Mr. Willem Snijders was geheel verrukking. Hij wist niet hoe hij zijn voornamen gast zou danken. Hij verhaalt, hoe zijne oudste dochters beiden wat aan muziek doen. Intusschen phantaseertHerr von Hohenburgverder. De Burgemeester zou waarlijk, als meneer de professor er niets tegen had, zoo gaarne mevrouw Snijders en zijne oudste dochters.... De professor vraagt duizendmaal verschooning voor de hooge eer.... De Burgemeester heeft gebeld. Weldra verschijnen de drie dames, die in de aangrenzende kamer geene noot van de muziek verloren hebben.
Zoo spoedig zij de kamer binnentraden, hadHerr von Hohenburgzijne sierlijkste en innemendste buiging gemaakt. Met een snellen blik had hij het mooi gezichtje van Martha waargenomen en in stilte een paar Duitsche woorden gemompeld, die zeer plat, maar zeer vleiend voor de dochter des Burgemeesters waren. Beide meisjes hadden echter eene te schuchtere natuur, om in het eerste oogenblik veel op den schitterenden heer te letten, door haar vader met veel omhaal van naam en qualiteiten deftig aan haar voorgesteld.Herr von Hohenburgvroeg eenige duizenden malen om verschooning, aan de „gnädige Frau Bürgemeisterin” en aan de „gnädige Fräulein.” Hij had maar even aan de pianino geraakt, en het was zijn noodlot, dat hij onwillekeurig bleef spelen. Mr. Willem Snijders wilde vrouw en dochters gaarne op de hoogte brengen van al de verdiensten des vreemden professors, en voerde hem weder naar het klavier terug.
Toen speelde de bereidwillige en edelmoedige kunstenaar eene uitvoerige phantasie met gedruischmakende fortissimo's, en zwenkte hij allerbevalligst heen en weer op de lage pianotabouret. Martha volgde hem oplettend, en was in diepe aandacht verzonken. Het knappe gelaat van den Duitscher, de geniale wijze van het hoofd te buigen, terwijl zijne linkerhand soms plotseling de over zijn voorhoofd vallende zwarte hairen wegwierp, het merkwaardig uitheemsche, 't welk zijne geheele gestalte een soort van tooverglans schonk, dit alles maakte op haar eenvoudig, maar stil dwepend gemoed een zeer diepen indruk. Daarbij kwam, dat zij het niet bijster ver in de muziek gebracht had, en vol verbazing de vaardigheid van den vreemdeling waarnam. Deze eindigde nu snel zijn woesten storm van tonen, en stond glimlachend naast de dames. Ieder zweeg met dankbare waardeering.Herr von Hohenburgbegreep, dat hij het best deed onder dezen indruk te vertrekken. Hij sluit de fraaie pelsjas over al de pracht van zijn uitgezocht kostuum, en greep de coquette parelgrijze handschoenen.
De Burgemeester uitte een stroom van vriendelijke dankbetuigingen, hij had niet vermoed, dat er zulk een schat van fraaie geluiden in zijne pianino verborgen was.
„Ach zoo!”—antwoordde de schitterende professor.—„Ik vraag duizendmaal om verschooning, maar uw klavier is zeer zwak van toon! Hollandsch fabrikaat, geloof ik, zeer middelmatige instrumenten. Neen, dan hebben we er beter in Duitschland.”
„Maar ik ben met mijne piano zeer tevreden!”—viel Martha plotseling met haar kostschool-Duitsch in.—„Wij zijn in onzekleine stad niet zoo scherp van gehoor! Bovendien de piano is pas nieuw, en uit de fabriek vanSchulzte Leeuwarden!”
„Ik waag het niet u tegen te spreken,mein gnädiges Fräulein! Maar ik hoor, dat u kunstenares is, en men heeft recht op het edelste en schoonste, zoodra men zulk eene bekoorlijke kunstenares is, als u.... Ik vraag duizendmaal om verschooning! Duizendmaal! Genadige Vrouw! Genadige heer Burgemeester! Genadige Freules!”
Herr von Hohenburgboog metonbeschrijfelijkebevalligheid. Terzelfder tijd bleef zijne houding edel en waardig—zoo streefde hij vooruit, en de nu werkelijk een weinig bedremmelde heer Snijders volgde hem onder het uiten van overvloedige beleefdheidsbetuigingen.
Toen deze daarna bij vrouw en dochters terugkwam, riep hij luide:
„Geen kwakzalver, hoor! Een edelman! Hij geeft concerten, om de plaatselijke armen te bevoordeelen! Verduiveld royaal! Onze piano is slecht!”
Hier verrukt Phoebus Apollo al de Beötiërs op een na.
Vijf dagen achtereen reeds is het stedeke Oosterwolde in rep en roer. Van den Burgemeester tot den minsten straatjongen is ieder bezig zich te bemoeien met den voornamen vreemdeling, die in deZonlogeert. De Faam geeft verschillende voorstellingen van zijn persoon. De meest algemeene lezing luidt, dat hij een schatrijk Duitsch Prins is, die belangeloos zijne kunst doet bewonderen, en uit grilligheid heel de wereld doorreist. De Burgemeester heeft hem op de sociëteit voorgesteld, waar hij het middelpunt eener goedhartige en lastige bewondering vormt. De bewoners van Oosterwolde onderscheiden zich hierin voornamelijk van de overige Nederlanders, dat zijonbegrijpelijk stug en terughoudend tegenover landgenooten, maar buitengewoon eerbiedig en vriendschappelijk tegenover vreemdelingen zijn.Herr von Hohenburghad er de dagelijksche ervaring van. Een enkel woord van hem deed het heele gezelschap in de sociëteit schateren, den tweeden avond van zijn verblijf had hij zeer vriendschappelijk in den huiselijken kring des Burgemeesters doorgebracht, den derden dag had hij bij den kantonrechter, die ongetrouwd was, met de bloem der Oosterwoldschejeunesse doréegedineerd, en men had er eene onbegrijpelijke hoeveelheid flesschen wijn en champagne verbruikt.Herr von Hohenburghad echter gezorgd, dat de heeren meer dronken dan hij. Hij was volkomen waardig gebleven, en had geen enkelen gewaagden volzin gesproken, een euvel, waarvoor hij zeer voorzichtig op zijne hoede was. De lijst van het concert, 't welk nu aan den avond van den vijfden dag zou plaats grijpen, was bijna door al de notabelen van de stad met ijver geteekend.Herr von Hohenburghad den prijs zeer hoog gesteld voor Oosterwolde. Niet dikwijls wilde men daar voor eenig kunstgenot ƒ2.50 betalen, de „komedianten” uit X**** lieten zich bewonderen voor 75 centen, maar boven aan de lijst van den Duitschen professor prijkten de woorden:Ten voordeele der algemeene armen, welke, gevoegd bij de tooverkracht, die in zijne persoonlijke verschijning verborgen was, de koorden van ieders beurs hadden losgemaakt.
In Oosterwolde leefde echter één persoon, die zich niet bij de algemeene beweging aansloot. Hij had wel niet bijzonder veel invloed, maar telde toch mede onder de notabelen. Er bestond namelijk in het stedeke eene zeer oude instelling, die niemand vergat onder de merkwaardigheden der plaats te noemen: eene Latijnsche school. Rector van deze school was sinds een paar jaren een jongmensch, pas gepromoveerd, vreemd in het stadje, maar blijde, dat hij zijne loopbaan aldaar beginnen mocht. Het personeel der leeraren werd door hem alleen vertegenwoordigd, terwijl het getal zijner leerlingen tusschen devijf en zeven bleef. Zijn naam was Dr. Herman Warmenhuizen, hij was gezien bij de meeste fatsoenlijke families, doch men vond hem steeds wat vreemd. Twee groote voordeelen had hij aan zijne zijde: hij was ongetrouwd, en hij wist in gezelschap tamelijk wel piano te spelen. De oude en jongere dames waren nogal op zijne hand, de heeren mochten hem niet—hij was te wijs en te stil. Hij was geen ware sociëteitsman, hijbiljartteniet, hij maakte geene partijtjes, hij rookte geene Goudsche pijpen. Zijne beschaafde Nederlandsche taal maakte hem bij de Oosterwoldschebachelorsverdacht, en zijne politieke meeningen bij depère-nobles. De predikant, de burgemeester en de kantonrechter hadden echter een zekeren eerbied voor hem, 't welk al de overigen in bedwang hield.
Dr. Herman Warmenhuizen had van den beginne niet in de algemeene koorts gedeeld, die na de verschijning vanProfessor von Hohenburgheel Oosterwolde had besmet. Hij had den beroemden man op de sociëteit gezien en gesproken. Hij verklaarde, dat hij nimmer iets van eene Lichtensteinsche hofhouding gehoord had—dat zulk een voornaam man als de professor al een zeer zonderling figuur in zulk een klein plaatsje als Oosterwolde maakte. Doch hij deed alleen een koor van lofredenaars voor den vreemden kunstenaar ontstaan, die hem even warm tegenspraken, als zij den Duitscher prezen. Vele oordeelden het volkomen ongepast en bespottelijk pedant van den Latijnschen „schoolvos”, dat hij zich zulke opmerkingen veroorloofde. Zelfs bij de familie Snijders, waar hij met gulheid ontvangen werd—men mompelde soms iets van eene geheime verloving tusschen hem en mejuffrouw Mina—zelfs bij de Snijdersen, moest hij zwijgen tegenover de opgewonden lofredenen des Burgemeesters, de uitroepingen van mevrouw en de zachte opmerkingen van mejuffrouw Martha.
Onder deze omstandigheden was het bijna met zekerheid te voorspellen, dat het concert een ongehoorden bijval zou winnen. Dr. Warmenhuizen voorzag het, en trok kwartier voor zeven van den bewusten avond naar het welbekende vereenigingslokaalder weduwe van der Zwaag. Ongewone drukte en levendigheid heerschte alom in deZon. De veldwachter stond in pontificaal bij de voordeur, en oefende naast zijn eigen, ook nog het beroep van bureaulist uit. In de „jachtweide” blonk alles nog eens zoo luisterrijk als gewoonlijk—het vuur was eens zoo hoog opgestapeld en de „tapkast” zuchtte onder de reusachtige menigte flesschen van allerlei gehalte. De kasteleines met hare beide dochters vertoonden zich in groot gala, zwarte zijde, oorhangers, bloedkoralen halskettingen met eerbiedwaardige vierkante gouden sloten en armbanden. Zij zweefden onophoudelijk heen en weer van de „jachtweide” naar de concertzaal. Daar was alles even luisterrijk en feestelijk ingericht. Al de koperen hanglampen blonken of ze van goud waren en brandden zoo helder, als ouderwetsche olielampen immer hebben kunnen branden. Het biljart was weggenomen. De ledige ruimte was met tafeltjes en stoelen bezet. Op eene kleine verhevenheid zag men de gesloten pianino des professors met waskaarsen verlicht, terwijl twee tafeltjes met groene kleeden nog tal van luchters en waskaarsen naast het klavier vertoonden. Men moest den kunstenaar kunnenzien!
Reeds lang vóór zeven uren was het publiek bijna voltallig, daar het te laat komen in Oosterwolde niet tot de goede manieren behoorde. Men zag er de bloem der ongetrouwde jonge meisjes met hare moeders meestal te zamen, terwijl de heeren en jongelieden op den achtergrond der zaal afzonderlijke groepen uitmaakten. De familie van den Burgemeester had zich zonder aarzelen op den voorgrond bij de verhevenheid met de pianino geplaatst—al de vriendinnen in 't ronde fluisterden met Martha en Mina over den Duitscher.Von Hohenburgwas allerbeleefdst—niets trotsch, hij was onvermoeid in 't spelen, en hij zong goddelijk! Verbeeld je, hij had voor Martha allerbeleefdst de muziek omgeslagen, toen zij deJudithvanBordesegezongen had, je weet wel: