V.

„Sur les remparts de BéthulieHolopherne a conduit ses infames soldats!”

„Sur les remparts de BéthulieHolopherne a conduit ses infames soldats!”

„Sur les remparts de BéthulieHolopherne a conduit ses infames soldats!”

„Sur les remparts de Béthulie

Holopherne a conduit ses infames soldats!”

En aangenaam was hij in gezelschap, voor iemand van zooveel talent was het toch waarlijk niet veel als hij Martha of Mina hoorde spelen, maar met het grootste genoegen, hoor! Zoo sprak mevrouw Snijders. En de echo ging de zaal rond, tot zij aankwam bij den jongen Rector Warmenhuizen, die met teleurstelling zijn hoofd schudde, en veler verontwaardiging opwekte.

De held van den avond wachtte intusschen naar een geschikt oogenblik, om op te treden. Juist was de „jachtweide” ledig, daar allen in gespannen verwachting naar de zaal waren gesneld, en er dien avond niet voor het publiek „getapt” werd.Herr von Hohenburgdroeg een prinselijken blauwen rok met gouden knoopen, twee fraaie ridderkruisen glinsterden in zijn knoopsgat, zijn witte das en vest vormden een wonder van blankheid en pracht. Voor den schuins hangenden spiegel schikt hij nogmaals de zwart blinkende hairen. Een tred klinkt achter hem.

„Ach zoo! ben jij daarGretchen!”—roept hij uit.

Gesina kwam eene stoof halen voor eene jongedame, die wat koude voeten had. In de vijf dagen van des Duitschers verblijf is ze wat vriendelijker geworden jegens den voornamen heer, van wien ieder met lof spreekt. Wel lacht hij altijd even familiaar, wel drukt hij hare hand somtijds, of vat haar schertsend om hare leest, maar anders is hij een recht hupsch heer, een knap heer, een royaal heer—Gesina is niet meer zoo kinderachtig bevreesd, als dien eersten morgen.Herr von Hohenburgtreedt op haar toe, met eene uitdrukking van ongeveinsde bewondering ziet zij hem aan.

„Ik denke nu' mal an te vangen,Gretchen!”

„De klok het al lang zeuven sloagen, meneer!”

„'t Is gerade tijd! Is de kammer vol,Gretchen?”

„Der kennen nijt meer ien, meneer!”

„Alzoo! Das geht los!”

Herr von Hohenburgglimlacht zoo vriendelijk mogelijk tegen het jonge meisje, trekt zijne witte handschoenen zoo nauwmogelijk aan zijne vingeren, en blijft naast haar staan. Zij draagt de stoof met beide handen. Plotseling slaat hij zijn arm om haar midden en drukt een vluchtigen kus op haar mond. Daarna verdwijnt hij bliksemsnel langs eene zijdeur, die uit de „jachtweide” naar de verhevenheid in de concertzaal voert—hetentrée des artistes. Een daverend bijvalsgejuich weergalmt tot in de „jachtweide.” Gesina is wel wat ontsteld, maar niemand heeft het gezien—en dan zoo'n knap heer.... Zij haast zich, ook bij het concert te zijn.

Professor Maximilian Brandt von Hohenburgis voor het geachte publiek opgetreden. Zijne buiging heeft de algemeene geestdrift gewekt. Hij opent zijn klavier, ziet rechts en links, trekt langzaam zijne witte handschoenen uit en legt ze op een der lichtdragende tafeltjes. Daarna zit hij recht als eene kaars, bemerkt, dat het publiek onder hooge inspanning wacht, en begint met een grillig forto zijn eerste concertstuk. Er zijn programma's gedrukt—iets geenszins alledaagsch in Oosterwolde. Het eerste stuk heette:Souvenir de l'Opéra:Il Trovatore de Giuseppe Verdi. De componist van ditsouvenirwas de heervon Hohenburgzelf. Eene volkomen stilte heerschte in de zaal. Ieder vond zich zedelijk verplicht de muziek onvergelijkelijk mooi te vinden, en op aller gelaat vertoonde zich een glimlach van stille tevredenheid. De Rector Warmenhuizen glimlachte ook, maar uit.... medelijden.

't Zou eene te zware taak zijn, het schitterend succes des Duitschen professors in al zijne volheid te verhalen. Zoo ras zijne voordracht van eenig stuk eindigde, maakte hij zich onzichtbaar te midden van oorverdoovend gejuich. In de eerste afdeeling van zijn concert genoten de Oosterwoldenaren nog deNocturnevanDöhlerenRondo capriciosovan den heervon Hohenburgzelven. Bij de laatste maten van dit laatste stuk scheen men het op den vloer der weduwe van der Zwaag te hebben gemunt—de kunstenaar werd teruggeroepen, de pauze begon. Met dit gewichtig onderdeel voor allefeestelijkheden daar ter plaatse, kwam er gewoonlijk eenige meerdere losheid onder het publiek. De dames en de heeren zagen de grenslijnen hunner verschansingen overtreden door sommige vermetelen. Men wisselde eenige woorden over de muziek. De meeste heeren waren in de gelagkamer verdwenen, die nu voor koffiekamer gold. De voorname dames schikten zich aan tafeltjes en ontvingen bezoeken van bekenden. Mevrouw Snijders zat met hare dochters in een wolk van vrienden.

„'t Is verrukkelijk!”—riep de kantonrechter.

„Onnavolgbaar!”—meende de ontvanger.

„Zoo iets hebben we hier nooit gehad!”—sprak Martha fluisterend.

„Ik hoop niet, dat de dames het mij kwalijk zullen nemen!”—zei de Rector Warmenhuizen.—„Ik vind dienHohenburgzeer middelmatig. De muziek vanVerdiis aardig, meer niet—en dieRondois een duidelijk plagiaat!”

„Meneer Warmenhuizen is moeilijk te voldoen!”—merkte mevrouw Snijders op.

De andere heeren zwegen. Martha lachte achter haar zakdoek. Mina zag den jongen Rector snel aan, en knikte hem zoo deelnemend en vriendelijk toe, dat hij er van af zag, nog iets in 't midden te brengen.

De bewierookte professor had zich in de pauze uit de „jachtweide” verwijderd, toen hij de heeren rookers en drinkers zag naderen. Hij zocht eene toevlucht op zijne kamer. Hij neuriede zeer tevreden, toen hij de deur sloot. De maan keek helder door het groote venster naar binnen.Herr von Hohenburgwreef zich in de handen, en trok plotseling luide aan de bel. Aanstonds bijna vloog de gedienstige Gesina binnen, en bleef op den drempel staan, om meneers orders te vernemen. 't Was om eene flesch Rijnschen wijn. Even spoedig was zij terug met het gevraagde, en terwijl zij glas en flesch nederzette, greep zij naar een kurketrekker. De beleefde kunstenaar nam haar echter dit werk uit de handen, en had in eene seconde zijn glas gevuld.

„Kom,Gretchen! Doe mij dat vergenoegen, en drink een glas op de concert!”

„Meneer wordt vrundelijk bedankt—ik heb geen tied!”

Maar Gesina meende het zoo erg niet. Met eenige aarzeling voldeed zij aan het beleefd verzoek. Toen schonk de knappe heer zich zelven in, en zag haar zoo aardig lachend aan, dat zij zelve moest meelachen.

„Gij zijt nicht boos,Gretchen?”

„Och Heere mien tied!”

De uitroep gold geheel iets anders, dan wel de vraag van den vriendelijken professor. Hij had de knappe deerne vast om hare leest gegrepen, en poogde haar weder te omhelzen.

Een luid kloppen op de deur klonk plotseling. Gesina vloog naar eene zijdeur, en nauw was zij in 't donker verdwenen, of de veldwachter vertoonde zich, omHerr von Hohenburgeen zak met honderdachtenvijftig rijksdaalders aan te bieden.

De Burgemeester van Oosterwolde maakt gebruik van eene voordeelige geldbelegging, en geeft een feest aan zijne vrienden.

De opgewondenheid heerschte voortdurend in Oosterwolde. Het concert won zulk een reusachtigen bijval, dat men er den geheelen volgenden dag in huizen en straten over sprak. Het tweede deel had nog meer applaus verworven dan het eerste. Het laatste nummer was eene verrassing geweest. De heer professor had met indrukwekkende stem een „Heimath-Lied” van eigen maaksel voorgedragen, en toen was er aan het bravo-geroep geen einde geweest. Tevergeefs hadHerr von Hohenburgzich bescheiden aan het algemeen gejuich onttrokken. De Burgemeester zelf had hem in den kring der zijnen gebracht—nu het concert toch geëindigd was. Er werdchampagne gedronken, en bij eene aanspraak des heeren Snijders vernam het geëerde publiek, dat de armen van Oosterwolde dien avond drie honderd gulden rijker waren geworden. Er kwam geen eind aan den lof des edelmoedigen kunstenaars. Deze had zich onder de dames gemengd, en zat fluisterend te spreken met Martha. Daarna had hij tot steeds klimmend genoegen van het publiek op buitengewonen aandrang een vroolijk air uitMozart'sZauberflötegezongen, enz. enz. Het was zeer laat geworden. De Burgemeester had een aantal uitnoodigingen gedaan voor den volgenden avond ten zijnent. Ook had hij een lang particulier onderhoud met den Duitschen professor gehad, en zeer opgewonden met zijne vrouw gesproken over het gunstig rapport, 't welkvon Hohenburgin Duitschland zou maken, en dat men nooit kon weten, waarvoor zoo iets goed was.

't Was misschien om deze reden, dat des Burgemeesters woning thans zich zoo luisterrijk tooit. De pronkkamer is door de geopende deuren met de huiskamer alssuitetot feestzaal ingericht. De muziekavond zal om halfacht beginnen. Niemand is nog aanwezig. De dames des huizes maken groot toilet. Het lustig branden van de beide open haarden en het rustig tikken van eene kostbare doch smakeloos vergulde pendule verbreken de stilte. Nu wordt de deur der huiskamer zacht geopend. Mejuffrouw Martha zweeft naar binnen. Hoe bevallig staat haar dat lichtgroene zijden kleed. Zij heeft werkelijk goeden smaak—en dit is althans het gevolg van haar kostschool-verblijf. Voor het overige heeft Martha geene schadelijke invloeden ondergaan bij het „acheveeren” harer „educatie”—de kloosterachtige afsluiting en de belachelijke vormdienst hebben alleen hare verbeelding wat al te sterk gevoed en haar soms wat droomerig gemaakt. Zij heeft zich in dit uur gehaast spoedig gereed te zijn—en toch toont haar uiterlijk, dat zij dien avond de koningin van het feest wil zijn. Hare donkere oogen schitteren van ongewonen gloed, zij stelt zich buitengemeen genot voor. Natuurlijk bedoelt zij kunstgenot, alsHerr von Hohenburgzijne uitstekende gave zal doen bewonderen, maar er is ook nog iets anders..... een levendige belangstelling in den persoon des kunstenaars. Gisteravond, na het concert, hadden ze samen in 't Duitsch gedweept met muziek.... en Duitsch is zulk eene lieve taal, als men een beschaafd man vloeiend en fraai hoort spreken. Zeker fluistertHerr von Hohenburgzoo intiem met haar alleen, omdat zij zijne moedertaal verstaat, en er hem in antwoordt. Die anderen zijn ook zoo bang, om een woord Duitsch te zeggen! Maximiliaan heet hij.... aardige naam: Maximiliaan!

Hier verandert plotseling de stroom harer denkbeelden door eene buitengewone omstandigheid. Zij merkt, dat er twee piano's zijn. In de huiskamer en in de pronkkamer beide prijkt een klavier. Daar heeft zij niets van gehoord. Die in de huiskamer is de hare, de Leeuwarder. Maar in de voorkamer staat eene vreemde, eene fonkelnieuwe! Heeft haar vader dit als eene verrassing dus beschikt! Misschien is het ook, dat de Duitsche professor zijn eigen klavier wil behouden.... Daar wordt de deur toevallig geopend.

„Zoo, Martha, kind!”—klinkt de stem van den Burgemeester—„wat zeg je er van? Is dat geene verrassing?”

„Die nieuwe piano?”

„Nieuwe! Zeg eenige, zeg onvergelijkelijke! Met veel moeite heb ikvon Hohenburgovergehaald. Je weet wel, dat die vanSchulzweinig deugt. Daar heb je er een vanLaurent, een der beste fabrieken uit Parijs. Ik sprak er gisteren over met onzen professor, en vroeg hem raad voor een goed stuk—want je moet een door en door goede piano hebben, Martha! geen knoeiwerk! 't Was zeer moeilijk een wezenlijk goed instrument te verkrijgen—men moest er kenner voor zijn. Hij had voor deze ƒ800 gegeven—maar wilde haar voor geen ƒ900 weer missen! Eindelijk, nadat ik duidelijk te kennen gegeven had, dat ik hem zijn stuk benijdde, was hij edelmoedig genoeg het mij aan te bieden! Zonder winst natuurlijk voor ƒ800—maar het was een dienst. Wij zijn er uitstekendmee geholpen, en zie je, onze Duitsche vriend zal er niet over zwijgen in zijn vaderland, dat hij hier in Oosterwolde zoo goed is ontvangen endat kan geen kwaad, kind!”

„En heeft meneervon Hohenburgnu geen klavier meer?”

„Je begrijpt, dat hij met zijne kennis spoediger een ander vindt dan wij. Hij zeide me dit zoo even nog confidentieel, toen ik in deZonmet hem afrekende!”

„En hoe komt de pianino hier zoo gauw?”

„Dit heb ik alles met mama maar in stilte geschikt, om ons feest van avond luisterrijker te maken en ook om je eens te verrassen, kind!”

Martha had de tranen van erkentelijkheid in de oogen. Zij omarmde haar goeden vader met een vroolijken blos. De Burgemeester legde met trots de hand op hare zijzachte glinsterende lokken, en gevoelde zich volkomen gelukkig.

Met luid lachende stemmen stormden nu de kleine Snijdersen in galagewaad binnen en hadden het ontzettend druk over de mooie piano, die Martha weldra voor hunne gauwe vingertjes moest sluiten. De drukke mevrouw Snijders kwam nu pratende aanhollen, en berichtte, dat de dominé en zijne vrouw al in de gang stonden. Zij was buitengewoon feestelijk gedost door eene menigte juweelen en had meer verdriet van haar struikerig en verwilderd kapsel, dan in gewone dagen. Na den predikant kwamen de meeste gasten en daaronder het grootste deel van het concertpubliek des vorigen avonds. Ook de Rector Warmenhuizen was natuurlijk gevraagd en gekomen. Hij had zich niet weder over den held van den dag uitgelaten—zijn gelaat droeg echter de sporen van ernstige bekommering, toen hij den Burgemeester begroette.

Professor Maximilian Brandt von Hohenburgmaakt zijne opwachting bij de genadige vrouw „Burgemeesterin” en buigt voor al de heeren en dames met bevalligen zwier. Zijn kostuum verschilt niet veel van het concert-gala—zijn linnengoed en witte das zijn echter nog weidscher, er blinken meer ringen aan zijne vingers. Er is een oogenblik stilte in de feestzaal.De groote man weet zeer geschikt gebruik te maken van de algemeene aandacht op zijn persoon, om zijn gesteendrukt portret met loftuitend onderschrift den Burgemeester aan te bieden. 't Was eene belofte van den vorigen avond. Algemeene uitroepingen van bewondering deden aanstonds eene levendige beweging ontstaan. Had de Burgemeester geweten, dat hij de tweede was in zijne stad, die zulk een portret ontving, zijne geestdrift was wellicht minder groot geweest. De eerste begiftigde was Gesina van der Zwaag.... die toevallig op „meneers koamer” was verschenen, toen het geschenk voor den burgervader gereed werd gemaakt.

Intusschen bewezen de levendigste gesprekken, dat de algemeene stemming zeer vroolijk was. Een paar jongedames, dochters van den ontvanger, speelden op de nieuwe piano, wat wij nog niet anders gewoon zijn te noemen, dan een „quatre-mains.” Ieder sprak, de meisjes haastten zich aan het eind te komen, daarna volgde een beleefd, maar flauw handgeklap. Mejuffrouw Martha trad nu met een zangstuk op.Herr von Hohenburgaccompagneerde zelf. Nieuwe uitroepingen van bewondering. De zwakke, doch lieve stem van Burgemeesters oudste dochter bezong de eeuwenheugende:

„Fleuve du Tage.”

„Fleuve du Tage.”

„Fleuve du Tage.”

„Fleuve du Tage.”

VonHohenburgimproviseerde eene schitterende finale, en de geestdrift brak met onstuimigheid los. Thans werd de stemming voortdurend feestelijker. Stientje en de veldwachter, die nu als huisknecht optrad, brachten wijn en warme dranken. Ieder was voldaan. Misschien maakte de jonge Rector Warmenhuizen eene uitzondering. Hij hield zich uiterlijk zeer onbezorgd, maar volgde den Duitscher voortdurend met de oogen. In den loop van den avond trof hij de tweede dochter des huizes, die geene muziek maakte, maar aan alles dacht, 't welk hare bedrijvige en drukke moeder vergat, een oogenblik bijna alleen in de huiskamer.

„Luister, Mina!”—fluisterde hij snel.—„De zaak gaat verkeerd.Die kwakzalver strooit je beste ouders zand in de oogen, en is druk op weg je zuster 't hoofd op hol te brengen.”

„Stil, Herman! zeg het toch niet! Je zult onaangenaamheden krijgen. Ze gelooven je niet! Weet je al, dat vader die piano van den professor gekocht heeft voor ƒ800!”

„Dat 's knap van den kerel! Daar wint hij ƒ400 of ƒ500 mee! Maar ik kan het zoo niet langer aanzien....”

„Je kunt er niets aan doen, Herman! Vader heeft nog moeite gehad, om het ding voor dat geld te krijgen. Hij is in de wolken—en moeder in de wolken—en Martha in de wolken! Ons heele huis zweeft!”

„Boven den afgrond, misschien. Maar wees gerust, Mina! Wij zijn er ook met ons tweeën! Wij moeten handelen,melieve!”

„Maar wat te doen?”

„Wil je me één ding toestemmen, Mina?”

„Och, Herman! Je meent vader te spreken....”

„Juist! Beloof me dat eene! Als het mij gelukt dien zwendelaar te verjagen, mag ik dan tot belooning uw vader over onze liefde spreken!”

„Ik laat het aan je over, Herman!”

„Uitmuntend! Hier is mijne hand! Ik verklaar je met den meesten ernst, dat ik zeer spoedig met dien professor zal afrekenen.... nu je dit zegt!”

„Op welke manier?”

Het oorverdoovend handgeklap, 't welk een lied uit denDon JuandoorHerr von Hohenburgbeloonde, maakte des Rectors antwoord onverstaanbaar. De verschijning van eenige gasten belette de voortzetting van het gesprek.

Een half uur later greep er een ander gesprek plaats bij de pianino, 't welk eene geheel verschillende kleur droeg. De gasten woelden druk door elkander heen. Men maakte met onbekrompenheid gebruik van 's heeren Snijders voortreffelijken wijn. Ieder verdiepte zich met buurman of buurvrouw in een hoog opgeven over het uitstekend muzikale genot. Mejuffrouw Martha zou eene aria zoeken uit den Robert, en bladerde ineen prachtig gebonden muziekboek.Herr von Hohenburgstond achter haar stoel en boog zich zoo nabij haar oor, dat zijn zwart haar hare blonde lokken aanroerde. Zij spraken Duitsch.

„Er komt een oogenblik in ons leven,”—zeide hij—„dat ons de oogen geopend worden. Het onbestemde, het nevelachtige ideaal onzer ziel wordt werkelijkheid! Toen ik het eerst dit vertrek binnentrad voor weinige dagen, zweefde mij maar eene onduidelijke voorstelling voor oogen, wat liefde was! Ik heb al dien tijd in een droom geleefd, toen is het licht geworden!”

Martha bedekte haar blos met het muziekboek. Ze ziet even op, haar voorhoofd raakt de lippen des sprekers, die zich schielijk opheft, en met den vinger op de muziek wijzend, vervolgt:

„De liefde is de waarachtige melodie van het leven, schooner dan al de melodiën van al de maestro's te zamen. Maar zij is een duet, waarbij de krachtige slag van het beminnend hart hettempoaangeeft. Mijn hart isallegro.... o Martha!”

Martha verstaat den knappen man, en lispt:

„Ik kan u niets antwoorden.... u heeft goed gesproken, Herr von....”

„Noem mij toch Max, mijn eenvoudige naam, waarmee mijne moeder mij riep! Dat klinkt mij zoo weemoedig en gemoedelijk in 't oor!”

„Ik mag dit niet, Max....”

„Waarom niet?”

„Binnen weinige dagen zul-je vertrekken, dan zie ik je nimmer weer, en je vergeet aanstonds het opgewonden gesprek van het onbeduidende landmeisje.”

De eenvoudige Max bracht zijn hoofd weder aan haar oor, en fluisterde:

„Ik vergeet u nooit! Ik heb niemand lief dan u alleen! Maar u.... Martha?”

Martha boog het hoofd en scheen een moeielijke maat op het muziekblad te ontcijferen. Snel zag zij daarna op en verzekerde met dien blik alles, wat de professor durfde te droomen.

„Ik vertrek niet uit deze stad. Ik blijf, Martha! Mijn besluit staat vast. Wij kunnen nu niet langer fluisteren. Die lange jongen, dien je Rector noemt, bespiedt ons. Kan ik u morgen tien minuten zonder getuigen spreken?”

„Kom om tien uren hier, dan is papa op zijn bureau, en mama nog niet klaar! Je maakt een bezoek, eenvoudig! Niemand kan er iets op aanmerken!”

Hier eindigt de geschiedenis van mijnheer Apollo, den wonderbare, tot verbazing van alle Beötiërs.

Des morgens na desoiréebij den Burgemeester waren er verschillende personen in het stedeke Oosterwolde, die min of meer de naweeën van twee feestavonden begonnen te ondervinden. De dochters van den ontvanger vonden, dat Burgemeesters Martha wel wat al te vrij met dien voornamen heer omsprong, en de ontvanger vond, dat het aankoopen van zoo'n duur stuk wel wat al te kwistig was. In deZonwas de stemming niet zeer vroolijk. De kasteleines had vreeselijk tegen Géésien uitgevaren, dat kind wist niet meer wat ze deed, alles liep in de war, ze bleef soms een kwartier weg, als meneer boven schelde. Ze mocht niet meer naar boven, Hillegien zou het wel waarnemen, en na dat oogenblik zwierf Géésien met rood beschreide oogen door de „jachtweide.” Bij de Snijdersen was tevens zekere afgematheid waar te nemen. Mevrouw had hoofdpijn, en hield hare kamer. Meneer had zijne bezigheden der twee vorige dagen nog af te doen, en mocht niet gestoord worden in zijn bureel. Mina zweeg, en scheen bekommerd, alleen Martha was opgewekt en in een keurig morgengewaad aan 't lezen gegaan.

Groote bedrijvigheid heerschte er bij den Rector. Omstreeksnegen uren had de post hem een drietal zeer belangrijke brieven gebracht. 't Was gelukkig Zaterdag en dan had hij geene lessen. Ontbijten en zich klaarmaken was zeer spoedig gedaan. Maar de Burgemeester kon hem nog niet ontvangen, meneer werd verzocht over een uur terug te komen. Warmenhuizen schikte zich in dezen tegenspoed en begaf zich naar deZon, waar hij met de weduwe van der Zwaag een zeer lang en gewichtig gesprek had, terwijl de beide dochters van tijd tot tijd werden geroepen en geraadpleegd.

Juist had het tien uren geslagen, toen Stientje aan den Burgemeester kwam zeggen, dat de „vremde heer van guster oavend in de veurkoamer was.” Niemand was gereed om hem te ontvangen, dan alleen Martha. Mina zou vader en moeder waarschuwen, Martha zou hem wel zoolang aan den praat houden. Toen zij de deur van de pronkkamer achter zich sloot, gevoelde Martha eene hevige hartklopping. Maximiliaan kwam met snelle schreden haar verwelkomen. Zij wist er zich geen rekenschap van te geven, maar zij rustte weldra aan de elegante borst van den knappen vreemdeling, terwijl stilzwijgend eene lange, vurige omhelzing volgde. Maar Martha ontwaakte, en hoog blozend zette ze zich in een armstoel neder.Herr von Hohenburgvolgde haar met hoffelijke onderdanigheid, en knielde aan hare voeten.

„Wat is de tijd mij lang gevallen, mijne dierbare engel!”—fluisterde Max in zijn fraaiste Duitsch.—„Ik had den heelen nacht geen rust! Allerlei treurige gedachten deden mij waken! Een vreeselijke angst, dat dit heerlijke geluk mij weldra zou ontstolen worden, maakte mij kinderachtig week en bang!”

„Maar waarom”—antwoordde Martha, die haar hoofd aan zijn schouder vlijde en zijn arm om haar leest gevoelde.

„Ach, denk eens, Martha mijne! Uwe ouders zullen immers nooit toestemmen in onze vereeniging? Ik ben een vreemdeling, mijne roeping is in mijn vaderland. Ik moet eenmaal naar Duitschland terugkeeren, en jij zelve, zul-je ouders en zusters vaarwel kunnen zeggen om mij te volgen?”

Martha antwoordde niet. Allerlei aandoeningen overstelpten haar. Haar hart klopte heviger. Max raakte eerbiedig aan hare gulden lokken en drukte ze daarna vol hartstocht aan zijne lippen. Twee dikke tranen biggelden over Martha's bleeke wang.

„Je spreekt niet!”—vleide de Duitscher verder.—„Ik heb een stout, een gevaarlijk plan! Liefde is sterker dan de dood. Liefde trotseert alles! Uwe ouders zullen ons dwarsboomen! Maar wij moeten overwinnen! Martha! je zult mij volgen immers, waar ik ga? Welnu, hedenavond met het vallen van de duisternis zal een rijtuig klaar staan even buiten de stad bij het logement: de Posthoorn. Als je dan komt, zal niemand ons meer scheiden!”

Martha hief zich plotseling van haar stoel op.

„Neen”—snikte ze,—„mijnelieveouders bedriegen.....”

Doch Max trok haar opnieuw tegen de blauwe zijden das met diamanten speld en overdekte haar voorhoofd met zachte kussen.

„Heb ik je dan kwalijk verstaan, melieve? Heb je mij geen liefde beloofd?”

Martha zag met de oogen vol tranen naar den knappen spreker, en sloeg toen plotseling de armen om zijn hals, onstuimig snikkende....

Daar wordt de deur der kamer heftig geopend. De Rector Warmenhuizen en de Burgemeester Snijders treden ijlings binnen. Met bliksemsnelheid heeft Martha zich in den armstoel doen zinken.Herr von Hohenburgheeft een album met platen ter hand genomen. 't Was te laat. Hij was verrast en betrapt. De beide heeren bleven een oogenblik verbijsterd staan, toen trad de jonge Rector vastberaden naar de tafel.

„Herr Heinrich Brandt, ik zoek u!”—sprak hij met een kalme stem.—„De commissaris van politie te Zwolle vraagt mij om uw adres!”

De man, die nuHeinrich Brandtgenoemd werd, scheen plotseling van gedaante te verwisselen. 't Was of hij kleiner werd. Hij greep zijn hoed van 't tapijt en zag met een boosaardigen glimlach naar de deur. Daarna zeide hij tot den Rector met schorre stem:

„Ik versta u niet! Ik heb niets met u te maken!”

„Maar wel met mij, vervloekte schurk!”—viel Mr. Willem Snijders in.—„Valsche oplichter! Weet je wel, dat je in mijne macht bent! Dat je geen professor, geen directeur en wat nog al meer zijt, dat je met valsche ridderkruisen pronkt....”

Heinrich Brandtknoopte zijn pels toe.

„Dat je onder een valschen naam reist, schoft! Dat je te Zwolle en te Kampen dit spel evenzoo hebt beproefd! Dat je den notaris van Leek eene oude pianino voor ƒ700 hebt verkocht, zooals je mij bedrogen hebt met dat vod, valsche reiziger in oude pianino's! Had de Rector mij niet gewaarschuwd, God weet, welke schande nog over mijn huis zou gekomen zijn. Maar ik ben Officier van Justitie en ik zal je schadeloos maken!”

„Ach Jesus Maria! Das sollte mein Verderben sein!”

Heinrich Brandtprevelde deze woorden met trillende lippen. Doch de jonge Rector had een medelijdend oog geslagen op Martha, die wezenloos naar den grond bleef staren, en viel op strengen toon in:

„Ik heb nog iets aan onzen reiziger in oude pianino's te zeggen. Hij is niet alleen een beurzensnijder, hij is ook een vrouwenbederver. In deZon, waar alles vroeger vrede en vroolijkheid ademde, is nu groote verslagenheid. Hij heeft vrouw van der Zwaags mooiste dochter het hof gemaakt, op zijne kamer gelokt, zijn portret geschonken, het arme kind het hoofd op hol gebracht....”

„Nicht weiter!”—viel de verslagen Duitscher in.—„Das Gretchen hat nichts Böses erfahren!”

„Ik hoop, dat je niet liegt....”

De Rector zweeg. Martha was doodsbleek opgestaan, had zich bevende aan haar vader vastgeklemd, en toen plotseling zulk een kreet van diepe ellende en smart uitgegild, dat ieder de oogen naar haar heenwendde. De Burgemeester weende in stilte, en hief haar liefderijk op. Door de openstaande deur vlogen nu mevrouw Snijders en Mina binnen. Niemand sprak. Het zachte snikken der bedrogen jonkvrouw klonk alleen in het vertrek.

„Waar is de schoft?”—riep plotseling de Burgemeester.

Allen zagen op. De pseudo-professor was verdwenen. Zeer stil had hij zich uit de voeten gemaakt. De jonge Rector fluisterde den Burgemeester iets in, 't welk deze aanstonds toestemde.

Te twaalf uren bij de koffie waren de Snijdersen al wat hersteld van den schok. Martha's gezichtje was treurig bleek, maar zij sloeg de oogen toch op. Hare natuurlijke trots begon reeds te zegepralen over eene al te onvoorzichtige gevoeligheid. Dr. Herman Warmenhuizen deed een uitvoerig verhaal van zijne handelingen. Hij had aanstonds achterdochtgevoeld, toen hij den schitterenden vreemdeling had zien verschijnen. Hij had naar twintig verschillende plaatsen aan vrienden en bekenden geschreven en gelukkig, dat althans een drietal hem had geantwoord. Hij oordeelde het beter de zaak te laten rusten, voor de eer der familie. De menschen in Oosterwolde zouden er toch genoeg van spreken, al hield men alles nog zoo geheim.

„Ja, Rector!”—antwoordde de Burgemeester.—„Ik ben je veel verplicht, maar gelukkig weet ik een middel, om je mijne dankbaarheid te toonen. Is het niet zoo, Mina?”

De jongelieden lachten en waren onhandig verheugd, want de stille verloving van beiden was een soort van openbaar geheim in de familie.

Martha verliet stil het vertrek.

„Eene voorwaarde maak ik er bij,”—zei mevrouw Snijders.—„Jelui hebt de zaak al zoo lang geheim gehouden, laat het nu niet bekend worden voor het volgend voorjaar. 't Is om onze Martha. Overmorgen gaat ze naar Leeuwarden, om er een prettigen winter bij eene vriendin door te brengen. Daarna zal alles wel vergeten zijn!”

„Mijn brave Herman wil juist wat moeder wil!”—zei Mina blozend, en legde zachtjes hare hand in de zijne.

Des avonds te acht uren van dezen gedenkwaardigen dag trok meneer Ex-Apollo over de Pruisische grenzen.

Korte maar Haagsche geschiedenis.

De groote klok speelde zeer luchtig:

„Je suis le mari de la Reine.”

„Je suis le mari de la Reine.”

„Je suis le mari de la Reine.”

„Je suis le mari de la Reine.”

't Was elf uren in den nacht. Een heer, die luid met de klok meezong, liep door een van de voornaamste kwartieren der residentie zoo snel mogelijk voort.

Hij bewoog zijne beide armen zeer heftig, en sloeg met een zeer korten rotting driftig door den kouden mist. Hij zette het wijsje voort, toen de klok al lang had stilgezwegen, en hield niet op, voordat hij bij de stoep van een der deftigste woningen was aangekomen. Met een miniatuur-sleutel verschafte hij zich toegang, en trad in het volle licht van de gaslantaarn.

Hij was nog zeer jong. Zijn gelaat scheen weinig merkwaardig. Donkere oogen, zwart hair, een knevel in wording, bleeke kleur, vielen 't spoedigst in 't oog. Hij trok zijne zware overjas vlug uit, en snelde de gang door. Daarna opende hij eene deur, en trad een ruim, prachtig gestoffeerd vertrek binnen. Eene gaskroon deed alles in helder licht baden—inzonderheid de breede vergulde lijsten van een aantal zeer middelmatige schilderijen. Voor eene tafel was eene sofageschoven, waarop twee dames zaten, die met zekeren schrik den jonkman zagen binnentreden.

Deze haakte een vierkant glas tusschen de leden van zijn rechteroog en zei:

„Ah zoo! Tante Bet! Hoe vaar je? Dag Mina! Verduiveld aardig geweest van avond!”

En zich in eene tooneelhouding plaatsend voor de tafel:

„Voici le sabre! le sabre! le sabre!”

De jonkman had eene zeer schorre stem, maar aan de gebaren kon men zeker talent van nabootsing niet ontzeggen.

De beide dames zwegen. Er lag een open boek voor de oudste, door den jeugdigen melomaan met den naam van tante Bet aangesproken. Zij had juist gelezen. Haar hoogst ernstig gelaat droeg er nog den jongen, bezielenden indruk van, zij was te eenvoudig gekleed, om in harmonie te verkeeren met de weidsche pracht van hare omgeving—maar haar zwart kleed, de kleine grijze krullen onder de breede strooken van hare muts gaven dat ernstige gelaat eene tint van eerwaardigheid, die aantrok en tot ontzag stemde.

De vroolijke bewonderaar vanOffenbachkeek de beide vrouwen eene poos stilzwijgend aan. Een klein boos lachje stierf weg, toen hij de hand weder ophief en voortging.

„'t Was enorm vol!L'auteur de mes jours, de honorabele heer de Bruyn van Oudenhoven, had twee ruikers in deloge grilléeop stoelen naast zich geplaatst. ToenMllePaquita Duflosverscheen met dien vervelenden Chinees, welke altijd meespringt als zij danst, wierp onze eerwaardige vader de beide ruikers aan hare wit satijnen voeten! De heele zaal daverde van gejuich. Een heer naast mij in destallesriep: „Leve de Bruyn van Oudenhoven!”MllePaquitaboog naar alle kanten, en ik kreeg nog een extra-knikje!

„Oh! mon père qu'elle était belle,Et, contre mon coeur sans secours,C'est Dieu, que j'implore.... et c'est elle,C'est elle! que je vois toujours!”

„Oh! mon père qu'elle était belle,Et, contre mon coeur sans secours,C'est Dieu, que j'implore.... et c'est elle,C'est elle! que je vois toujours!”

„Oh! mon père qu'elle était belle,Et, contre mon coeur sans secours,C'est Dieu, que j'implore.... et c'est elle,C'est elle! que je vois toujours!”

„Oh! mon père qu'elle était belle,

Et, contre mon coeur sans secours,

C'est Dieu, que j'implore.... et c'est elle,

C'est elle! que je vois toujours!”

De jongste der beide dames, door den schorren zanger Mina genoemd, was met eene toornige beweging opgestaan. Zij had den mond geopend tot spreken. Het gaslicht viel over haar niet onbevallig gelaat, over haar lichtbruin hair en helder blauwe oogen—zij geleek op den schreeuwer, maar verschilde nog meer van hem. De uitdrukking van hare trekken was sombere smart. Eindelijk klonk hare stem, trillend van verontwaardiging:

„Zul je zwijgen, Charles! Dadelijk zwijgen! Ik wil niet, dat tante meer hoort!”

Charles maakte eene deftige buiging. Hij stak de linkerhand in het laag uitgesneden zwarte vest, strekte zijne rechterhand uit om zijn lorgnet met een sierlijken zwaai voor zijn oog te brengen:

„Waarlijk, mejuffrouw! U is al te gestreng! Wij kennen u het recht niet toe, ons, uwen eenigen broeder op deze aarde, het stilzwegen voor te schrijven!”

Deze woorden waren volkomen op den tooneeltoon gesproken. De heer Charles had er een ongemeen behagen in, want hij beproefde in een zenuwachtig lachen te vervallen, alsof hij de kopie van een clown wilde geven.

Zijne zuster Mina viel op de sofa terug. Zij stak hare handen smeekend naar de oude dame uit, die roerloos en met wijd geopende oogen den jonkman in zijne bewegingen volgde.

„Weet je wat, Mina!”—vervolgde deze eenigszins bedaarder.—„Ik ben eigenlijk voor jou thuis gekomen, ik moet je even spreken!”

Het jonge meisje keek hem met kwalijk verholen gramschap aan.

„Veel eer!”—antwoordde ze bitter.

„De eer is aan mij, kind! Kan ik je even in de gang spreken?”

„Neen!”

„Dan zal tante Bet wel niet kwalijk nemen, als ik je hier over iets huiselijks raadpleeg. 't Is maar een kleinigheid! Papa geeft me rijkelijk zakgeld,—Maandag nog wat muntjesgehad, maar ik kan ze niet lang bewaren—en hem nu meer vragen, dat doe ik niet. Hij geeft van avond eensouperaan eenige bekwame artisten van onze bloeiende Haagsche Opera in het Hotel ***, en ik heb.... eene kleine reünie met een paar vrienden. Leen me voor een paar dagen een bankje van zestig of honderd?”

De beide vrouwen zwegen.

„Kom, Mina! Ik heb niet veel tijd! Je moest het maar doen! Misschien zie ik Adolf Weber wel, je weet wel, dien gevoeligen vriend van je! Ik zal hem spreken over je goedheid....”

Tante Bet hief nu de hand op, en sprak zoo koud en kalm mogelijk:

„De heer Adolf Weber, ons beider vriend,—niet waar Mina?—is een fatsoenlijk man! Ik twijfel ten sterkste of hij zeer op het gezelschap gesteld is van iemand als mijn neef Charles de Bruyn....”

„Van Oudenhoven! als je blieft, tante Bet! Mijn achtenswaardige vader heeft de heerlijkheid Oudenhoven niet zoo duur gekocht, om kortaf de Bruyn te heeten. Maar ga voort, ga voort, tante Bet!”

„Ik wilde u verzoeken u zoo min mogelijk te bemoeien met den heer Adolf Weber en onze vriendschap voor hem!”

„Uw verzoek is zeer vriendelijk, tante Bet! Maar ik begrijp het niet!”

„Dat behoeft ook niet!”

De heer Charles de Bruyn van Oudenhoven bleef plotseling stilstaan.

„Ah ça!Maar, tante Bet, ik hoop niet, dat dit eene onaangenaamheid is!”

„Wat jij hoopt, is mij onverschillig!”

„Zoo, dat verandert. Maar dan zou ik wel eens willen weten, met welk recht u hier over mij zit, om mij zoo iets te zeggen!”

De heer Charles was de tafel genaderd, leunde met beide handen aan den rand, en sprak deze laatste woorden op uitdagenden toon.

Tante Bet knipte met de oogen. Zij had een breiwerk ter hand genomen, en bewoog met koortsachtige drift de naalden. Daar liet zij het werk eensklaps steken, en riep luide:

„Onbeschaamde jongen! Zou het mij niet geoorloofd zijn aan den zoon van mijne overledene zuster te zeggen, wat ik goed vind! Heb ik nu niet sedert drie jaren dagelijks mij geschaamd om de schande door uw vader over dit ongelukkige huis gebracht! Mijne arme zuster, uwe eigen moeder, Charles! is gestorven van verdriet! Vroeger was zij gelukkig, voor dat die rampzalige erfenis je vader tot een ellendigen lichtmis en jou tot een ellendigen leeglooper had gemaakt! Je vader is nooit een bijzonder edel mensch geweest, maar hij arbeidde ten minste, en moest van zijn klein inkomen leven. Dagelijks heb ik je moeder bijgestaan in de stille, eenvoudige bovenwoning, waar jij bent opgegroeid! De goede vrouw was zwak, beide naar lichaam en geest—jij hebt het ondervonden, dat ik je jongensstreken zwaar heb gestraft, als je vader lachte en je moeder begon te schreien. Toen zijn de dagen van voorspoed gekomen. Door handige vleierij is het je vader gelukt, zijne oude nicht Daalberg geheel in te palmen en haar testament maakte hem plotseling zeer vermogend. Van dat oogenblik was alle vreugde voor je arme moeder voorbij—je vader betrok dit huis, en maakte door zijne smakelooze snoeverijen zich berucht in de heele residentie. Maar wat het ergste was—op bijna vijftigjarigen leeftijd ving hij een leven van een losbol aan, en sleepte zijn zestienjarigen zoon overal mede. Elken avond moest jij, als een bespottelijk pronker opgedirkt, in destallesvan de Haagsche Opera verschijnen, en in de handen klappen, zoodra de gemeene deernen op het tooneel verschenen, aan welke je vader zijne bloemen toewierp....”

„Een oogenblik, tante Bet! Ik ben al lang aan uwe sermoenen gewend—maar u zal mij toch genoegen doen de dames van het ballet en het koor niet met zulke leelijke scheldwoorden aan te duiden! Dat ik uit verveling de meeste avonden in de Opera doorbreng, weet ik wel! Daar schuiltniets misdadigs in, voor zoover ik kan zien. Integendeel, ik heb er een schat van aardige airs opgedaan, die me in leege oogenblikken zeer vermaken, en als ik mij niet een poosje geërgerd had over alles, wat u daar van Mama zegt, zou ik er u een proef van geven!”

Tante Bet had hare rechterhand, die van aandoening en verontwaardiging sidderde, op het boek gelegd, waar zij voor eenigen tijd uit las.

De heer Charles de Bruyn van Oudenhoven had voortdurend de kamer driftig op en neer gewandeld, terwijl de oude dame sprak. Eensklaps trok hij eenvoltairenaar de tafel, ging er achteloos in liggen, en zeide:

„Nu we er toch over spreken, tante Bet! zal ik u mijne volle opinie maar eens zeggen, meteen voor Mina, dan ben ik er af, en verzoek van verdere opmerkingen welwillend verschoond te blijven. Mijn vader is rijk geworden door eene onverwachte erfenis—daar zal wel niemand tegen hebben, behalve zij, die hem benijden. Mijn vader maakt gebruik van zijn geld, helpt arme drommels van kunstenaars vooruit—laatst heeft hij nog eene teekening van Adolf Weber gekocht—mijn vader wil zich amuseeren, daar komt hij voor uit. Bovendien is hij goed en mild voor zijne kinderen, hij geeft mij alles wat ik vraag, ik ben soms verlegen om hem lastig te vallen, zooals juist van avond. Zoolang Papa niemand iets schuldig is, aan niemand verplichtingen heeft, kan niemand iets tegen den man inbrengen! Ik verlang daar nooit meer van te vernemen—alles wat ik vraag is, of Mina mij een bankje van zestig of honderd wil leenen.”

De oude dame was onbeweeglijk blijven zitten, met de hand op het boek. Mina had de beide handen om haar schouder geslagen en het hoofd tegen haar arm gevlijd. Een traan van ergernis blonk in het oog van het jonge meisje. Tante Bet knikte haar vriendelijk toe. Toen sprak zij met eene zachte, bijna roerend ernstige stem:

„Wij zullen niet langer met elkander twisten, neef Charles!Misschien val ik je nooit weer lastig met mijn gesprek. Maar dit eene moet je nog hooren! Zoo zeker als ik mijne hand uitstrek over dit heilig Evangelie, zoo waarachtig zal ik de belofte houden, die ik uwe moeder gedaan heb in het uur van haar dood!”

Zachtjes was tante Bet opgestaan, en had Mina aan hare zijde getrokken. Achter de sofa hing een levensgroot portret. 't Was de flink geschilderde beeltenis der overledene vrouw des huizes—een jaar voor haar dood in de dagen van zoogenaamden voorspoed vervaardigd. Op den grijzen achtergrond las men den naam van den kunstenaar: Adolf Weber. Tante Bet had zich ter zijde gewend en den vinger uitstrekkend naar het portret, ging zij voort:

„Charles! Je hebt je moeder liefgehad! Hieraan wil ik niet twijfelen! Zij hoort mij in dit oogenblik—zij spreekt tot je door mij! Nu is het al anderhalf jaar geleden—zij lag ginder boven op haar sterfbed. Je vader wist het wel, maar had niet veel tijd, zich met zijne vrouw te bemoeien. De debuten waren in de Opera begonnen. 't Zal na zevenen in den avond geweest zijn. De arme kranke lag beweegloos. Ik zat naast haar—Mina was op de knieën gezonken, en schreide zacht. Plotseling komt een luide tred en een opendoen der deur ons ontstellen. Je vader stond vóór ons—jij zelf bleeft op den drempel, beiden in groot galakostuum met al die gouden kettingen en ornamenten, waarmee mijn schoonbroer zich zelven en zijn zoon overlaadt. Jelui kwaamt van het diner—en je vader is dan gewoonlijk luidruchtiger door zijn onmatig drinken, dan een fatsoenlijk man betaamt. Ik stond op, en wees hem op zijne doodelijk zieke vrouw. Hij wenkte met de hand, dat hij maar even kwam zien—en trok je mede. Toen hief zich uwe stervende moeder op—zij klemde zich aan mij vast, en riep je naam, Charles! herhaalde keeren, met zoo angstwekkende, doordringende stem, dat ik nog dagelijks dien vreeselijken kreet in mijne ooren verneem. In dat uur fluisterde zij mij eene bede toe—eene bede voor je geluk. Jelui waart langvertrokken en toen je des avonds terugkwaamt—was het met je arme moeder gedaan!”

De oude dame had hare blikken op het portret der gestorvene zuster gevestigd. Zij zag niet, dat de heer Charles achter zijne nog met den witten handschoen bekleede hand geeuwde. Mina had haar hoofd aan tantes schouder verborgen. Niemand zag het. De geschilderde beeltenis alleen scheen het te zien—want toen Charles die toevallig in het oog kreeg, mompelde hij zacht eenige woorden, en verdween hij met een snellen tred uit het vertrek.

Vóór de deftige heerenhuizing, waar den vorigen avond de zanglievende Charles de Bruyn van Oudenhoven ophield om binnen te treden, stond nu eene vorstelijk mooie calèche met twee vorstelijk mooie schimmels. De lakei, die op den bok zat en diep in den bonten kraag van zijn knechtenpak was weggedoken, hield het lichaam en het hoofd kaarsrecht, om aan te toonen, dat hij zeer wel wist, welk eene belangrijke persoonlijkheid hij in het vorstelijk 's Gravenhage voorstelde. Op de stoep des huizes liep dribbelend heen en weer een jeugdiger Mercurius in hetzelfde pak als de koetsier. Uit zijne oogen straalde niet minder ingenomenheid met zijne eervolle betrekking als lakei-palfrenier. Aan den overkant was een lange slagersknecht juist bezig om eene bolronde keukengravin met karmozijnen koonen het hof te maken, op welk tafereel de verheven lakeien van den huize de Bruyn van Oudenhoven met innige minachting nederblikten.

De palfrenier bleef staan en riep den Mercurius op den bok toe:

„Heb ik het je niet gezeid, George!”

„Van die zotte keuken-Trien?”

„Excuseer, met dat slag van menschen bemoei ik me niet! Ik meen van den ouwe!”

„Zoo! Ja, 't is de schimmels in den grond bederven, dat eeuwige wachten! 't Wordt met den dag vervelender! En dan die Fransche prinses!”

„Asjeblieft! De kamenier van die madam is net zoo!”

Het gelaat van den achtenswaardigen koetsier nam eene uitdrukking van kortswijl aan, voor zoover 's mans aanzienlijke persoon en bediening dit veroorloofden.

„Nou Filip!”—klonk het van zijne lippen—„je bent een beste! Hoor die meid daarover eens gieren!”

Maar Filip stapte met een diplomatischen glimlach de stoep op en neer. De keukenmeid stak nog even het hoofd buiten de deur, toen de slagersknecht met zijne mand wegstapte, en wisselde een heimelijken blik met George.

Terwijl beiden intusschen in het geheim huns harten, voor de winterkou overvloedig beschermd door scharlaken vesten en azuur-blauwe overjassen, met voldoening overlegden, hoezeer de overige Haagsche menschheid een hoogen dunk mocht koesteren van hunne nuttige en achtbare personen, was de man, voor wien hun ruggegraat zich kromde, in zijne binnenkamer met de aangenaamste tijdkorting bezig.

Men zoude hem op dat oogenblik in het salon hebben aangetroffen, waar zijne dochter en de oude dame, die Charles tante Bet noemde, den vorigen avond een zoo ernstig onderhoud met dien veelbelovenden spruit des Oudenhovenschen huizes hadden gehouden. De oude heer de Bruyn van Oudenhoven was er volstrekt niet op gesteld, dat men hem eenouden-heers-rang toekende. De eerste kleermakers van de residentie, zich noemendetailleurs, hadden hun best gedaan, om het kostuum van den royalen klant zoo jeugdig mogelijk te maken. Hij zat op dit oogenblik in een zwierigen, rood damasten leunstoel, dus kon men niet aanstonds bemerken, hoe vlug en kort de prachtige zwartfluweelen smoking was, die 's mans magere gestalte omsloot.

Kenmerkend in den uiterlijken tooi des heeren de Bruyn was nog het gouden lorgnet, waren de uiterst hooge halsboordenmet breede bruine strepen en hondekoppen en een lint, lichtgroen met rozerood, waaraan een ridderkruis in zijn knoopsgat.

De heer de Bruyn van Oudenhoven was sedert den vorigen zomer gedecoreerd. Tante Bet heeft ons reeds geleerd, hoe gelukkig de Fortuin haar schoonbroeder had bedacht. Men heeft daarenboven opgemerkt, welk eene edele kunstbescherming hij het koor- en ballet-personeel der Haagsche Opera gewoon was te verzekeren.

In deze kunstlievende kringen had eene aangename kennismaking met een jeugdigenattachévan denLaubenstein-ApfenroderErfprins hem bijzonder gebaat. In zekere zeer galante omstandigheden had hij den jongen staatsman een belangrijken dienst bewezen, en deze had den Vorst vanLaubenstein-Apfenrodeover de hooge bekwaamheden van den heer de Bruyn van Oudenhoven eene belangrijkedépêchegeschreven. Zoo was deze laatste ridder van 'tLaubenstein-ApfenroderLuipaard geworden.

In zijn rooden fauteuil gedoken, ziet hij met zekere grimmigheid naar een glas champagne, 't welk hij tegen het licht houdt. Tegenover hem aan eene kleine ronde tafel, waarop een luisterrijk ontbijt van oesters en geroosterd brood is geplaatst, zit eene jongedame van een zeer in 't oog vallend uiterlijk. Lichtblauwe zijde teekent hare figuur met nauwe plooien van de schouders tot even boven den enkel. Een ceintuur van rood lint, rood als de vlammen van den breeden haard, waarin de kamer-Mercurius juist ijverig pookt, valt in overbreede strikken en lamfers langs het pianostoeltje, 't welk ze met opzet gekozen heeft, uit vrees voor eenige kreuking van bovengenoemde ornamenten.

Het gelaat dezer jongedame had zulk eene luisterrijke rozeroode tint, dat ze met de fraaiste wassen beelden had kunnen wedijveren, ook was de leverancier van haar blos een der aanzienlijkstecoiffeursuit de residentie. Voor 't overige had ze een alledaagsch wezen, doffe, donkere oogen, kleinevingers vol ringen, en een stel zware vlechten, aan het achterhoofd vastgehaakt, met wier geldswaarde eene zuinige arbeidersvrouw maanden lang hare huishouding had kunnen bekostigen.

Was zij rozerood, haar gastheer was perkamentkleurig geel. Had zij een hoog opstijgend haartooisel, haar gastheer vertoonde een gladde kruin met enkele kunstig gedraaide grijze haarspieren. De Bruyn van Oudenhoven vestigde nog steeds zijne kleine grijze oogen op het glas champagne, en schreeuwde op eens:

„Hendrik! schenk in! een schoon glas, als de wind!”

Hij voegde er nog een paar sterk sprekende uitdrukkingen bij, die we pro memorie vermelden, en steeds zullen verwaarloozen.

Hendrik sprong van den haard, en bood eerbiedig het gevraagde. Daarna bracht hij eene flesch van het buffet uit den hoek, en schonk.

„Nog een glas,Paquita?”—ging de gastheer voort in 't Fransch.

„Twee droppels,mon ami!”

„Ja, nu ben je lief,Paquita! Omdat ik je zin doe, ben je lief! Maar ik moet nog weten wat gisteravond....”

„Tais-toi!”

EnMllePaquita Duflos, de beroemde kunstenares, die zoo menigpas de trois, zoo menigpas Bohémienvoor het verrukte Haagsche parterre had afgedanst, sloeg met hare zwakke vuist op de tafel, dat de fraaie champagnekelken trilden. De ridder van hetLaubenstein-ApfenroderLuipaard keek met onverminderde grimmigheid rechts en links, en riep:

„Hendrik! sta je daar nog zoo te luieren? Heb je de freule Mina gezegd, dat ik haar wachtte aan 't ontbijt?”

„De freule heeft hoofdpijn, meneer!”

„Kuren!”

En de heer de Bruyn van Oudenhoven stampte met zijne verlakte laarzen op het tapijt, terwijl hij een woedenden blik door de kamer wierp, doch plotseling het hoofd deed zinken, daar hij het portret van zijne overledene vrouw gewaarwerd.

De deur werd op dat oogenblik eerbiedig geopend. Eene dienstbode kwam vragen, of meneer thuis was voor den heer Adolf Weber.

„Wel zeker! Laat hem binnen!Paquita,ma chère!Een beroemd kladschilder vraagt gehoor!”

Met vlugge schreden trad een jongmensch de kamer binnen. Toen hij bemerkte, dat de heer des huizes niet alleen was, bleef hij met eene uitdrukking van onaangename teleurstelling staan. De heer de Bruyn wenkte met de hand en riep:

„Ga zitten, Weber! Geneer je niet, kerel! Hendrik, geef een stoel! Een glas champagne, he?”

Adolf Weber aarzelde. Zijn gelaat was bleek, eene zekere ontroering was zichtbaar in al zijne bewegingen.

Eindelijk sprak hij met blijkbaren tegenzin:

„Reeds een paar weken heb ik getracht u te ontmoeten, meneer de Bruyn. Altijd tevergeefs. Nu meende ik gelukkiger te zijn, maar wederom is u niet alleen, en ik wilde u om de gunst van een vertrouwelijk onderhoud onder vier oogen verzoeken!”

„Met plezier, kerel! De dame daar isMlleDuflos, eene kunstenares....MllePaquita Duflos,monsieurWeber,un des nos meilleurs peintres!”

De danseres nam Weber met een lorgnet langzaam op, de schilder maakte eene halve buiging, waarin vrij wat bedwongen wrevel om den hoek gluurde. De heer de Bruyn van Oudenhoven ging voort:

„We kunnen zeer vertrouwelijk spreken, Weber! Ze verstaat geen enkel woord Hollandsch! Je hoeft je niet te geneeren! Hendrik geef de flesch hier, en maak als de weerga, dat je weg komt! Niemand mag ons komen storen.”

Adolf Weber scheen een besluit te nemen, want hij plaatste zich niet ver van den heer des huizes, met den rug voor driekwart naar de Fransche danseres. Deze trok den schotel met oesters naar zich toe, en ving aan ze met grooten eetlust te verslinden. Een blik van onverholen minachting op de beide mannen vergezelde ieder harer bewegingen.

De schilder Adolf Weber had uiterlijk zeer weinig van datgene, 't welk men soms kunstenaars-„chique” noemt. Niemand kon aan zijn gezicht of kleeding iets opmerkelijks bespeuren. Hij was rijzig, had onverschrokken blauwe oogen, eene gezonde kleur en eene zekere fierheid in zijne gebaren, die een aangenamen indruk maakte. Als zoodanig leverde hij een volmaakt verschil met den vervallen, bleekgelen Maecenas tegenover hem, die zich ongelooflijke moeite gaf, om iets ontzagwekkends in toon en manieren aan te nemen, maar niets dan de lompe driestheid van een grofzinnelijken geldman in 't oog deed vallen.

De kunstenaar ving aan:

„Ik doe een beroep op uw geduld, meneer de Bruyn! Lang al heb ik u willen zeggen, wat ik u nu ga mededeelen—maar altijd hielden uwe.... zaken u bezig!”

„Natuurlijk! Gisteren eensoupergegeven aan de beste artisten van de Opera! Laat geworden! Van morgen metPaquitagetoerd, die er nu eens op stond bij mij aan huis te ontbijten!”

„Ik herinner u, meneer! dat in vroegere jaren, toen u nog op de kleine bovenwoning van de Zuilingstraat gevestigd was, mijne ouders zeer vriendschappelijk met u en mevrouw uwe echtgenoote hebben omgegaan. Menig avond was u met vrouw en dochter bij ons.”

„Ja, kerel! Die tijden zijn voorbij! Mijne goede nicht Daalberg heeft mij eenig vermogen vermaakt—ik heb mijn ontslag gevraagd als adjunct-commies bij Koloniën, en ben zoo langzamerhand in andere kennissen gekomen.”

„Mijne familie beklaagt zich daarover niet. Ik matig mij geen oordeel aan over uwe handelingen! Maar u zal het mij niet euvel duiden, dat ik mij op die vriendschap beroep!”

„Wil je eene schilderij verkoopen? Heb je geld noodig? Adolf! spreek vrij, kerel!”

Adolf Weber beet zich met drift op de lippen. Eene donker roode kleur trok over zijn voorhoofd. Zijn oog fonkelde. Hij bedwong zich evenwel, en ging voort:

„Ik wilde mij op uwe vriendschap beroepen, meneer de Bruyn! met een geheel ander doel! Ik zal kort zijn. Nog eene vergissing als de vorige, en ik zou moeten zwijgen! U weet, onze gezinnen hebben jarenlang met elkander omgegaan. Ik heb de zekerheid, meneer de Bruyn! dat uwe dochter Mina mij innig en hartelijk liefheeft—gelijk ik het van het eerste oogenblik onzer ontmoeting deed. Toen begon ik als kunstenaar, mijn naam was onbekend. Ik durfde haar niet van mijne liefde spreken—thans ga ik de toekomst met hoop te gemoet, mijn werk in de kunst is niet ongelukkig geslaagd. Mina heeft mij liefde en trouw beloofd, alles hangt af Van uwe toestemming!”

De heer de Bruyn van Oudenhoven schonk langzaam de glazen in, sprak een paar woorden Fransch metPaquita, en vestigde toen zijne grijze oogen door de glazen van zijn gouden lorgnet met zekere grappige verwondering op Weber. Deze zag strak voor zich, en bleef wachten.

„Weet je, wat ik er van denk, kerel!”—begon de heer de Bruyn—„Ik geloof dat je een beetje al te sentimenteel bent. Liefde en zulke kuren gaan goed op in deOpéra Comique, maar bij mij aan huis wil ik er niemendal van weten! Op zijn tijd zal Mina trouwen, natuurlijk! Maar dan zal ik er me mee bemoeien! Ze zal een aardig stuivertje erven, en er zijn liefhebbers genoeg!”

Adolf Weber stond langzaam op. Zijn oog fonkelde opnieuw. Zijne ademhaling was hoorbaar.

„Is dit uw laatste woord?”—vroeg hij fluisterend.

„Wel neen, kerel! Ik zal er nog wat bij zeggen! Je bent een voortreffelijke, beste jongen, als je nog eene mooie teekening hebt, zooals laatst, neem ik ze dadelijk voor 't zelfde geld!”

Weber sidderde, maar bedwong zich nog. Uiterlijk kalm sprak hij:

„U kan mijn aanzoek weigeren, meneer! Ik had mij er op voorbereid. Maar uwe grofheden duld ik niet!”

Luidkeels lachend wierp de ex-adjunct-commies zich achterover in zijn stoel, en riep in 't Fransch:

„Luister,Paquita! meneer maakt me eene scène! Meneer wil met mijne dochter trouwen, en is niet in zijn humeur, omdat ik weiger!”

„Wel, dat is zeer grappig!” antwoordde de danseres, die hare laatste oesterschelp nauwkeurig bekeek.

Wat Adolf Weber zou antwoorden was gemakkelijk te voorspellen, voor wien de aderen op zijn hoog voorhoofd had zien zwellen—maar in ditzelfde oogenblik opende zich eene zijdeur, en trad de dochter des huizes doodsbleek te voorschijn. IJlings trad ze op den schilder toe en riep:

„Zwijg, Adolf! Laat u niet beleedigen door dat....”

Het woord stokte op hare kleurlooze lippen, maar ze wees met eene beweging vol toorn en minachting naar de Française.

Sprakeloos van verbazing had de heer de Bruyn van Oudenhoven zijne dochter zien binnentreden—nu barstte hij eensklaps los:

„Is er hier een komplot, of wat duivel, mankeert je, Mina? Denk je, dat ik zoo stom zal wezen, om je met dien kladschilder te laten trouwen? Heb je bij de deur staan luisteren als eene keukenmeid, en denk-je, dat ik om al dat gejank een zier geef? Ik ben hier de baas in mijn eigen huis, is het niet waar, Charles?”

Deze laatste woorden werden tot den veelbelovenden zoon des huizes gezegd, die met een wijsje uit deDuchessede kamer binnenstormde.

„Zoo, is er een scène?Bonjour, Paquita!Wat wil Weber?”

De aangesprokene had gedurende de weinige seconden, waarin dit alles geschiedde, een zwaren strijd gestreden. De bleekheid van zijn gelaat scheen ieder oogenblik doffer te worden: met de armen over elkaar geslagen, het hoofd gebogen, wierp hij een blik naar het meisje, dat hij liefhad.

„Wat ik wil?”—vroeg hij.—„Ik wil de waarheid zeggen,die mij reeds jaren op de lippen ligt, maar die ik smoorde uit eerbied voor haar!”

Hij strekte zijne hand naar Mina uit. Deze deed vastberaden eene schrede vooruit, en greep Adolfs hand.

De ex-adjunct-commies vloog uit zijn leunstoel op, en schreeuwde:

„Geene familiariteiten, als-je-blieft!”

De schilder trok zijne hand zachtjes terug, en antwoordde:

„Ik zal u de waarheid zeggen, meneer de Bruyn, bijgenaamd van Oudenhoven! Dat U u zelven niet ontziet en jaarlijks dieper zinkt in het slijk uwer liederlijkheid, dat U het huis, waarin uwe edele overledene vrouw eens leefde, en uwe arme dochter hare wettige plaats bezit, bezoedelt door de tegenwoordigheid eener beschilderde deerne, als daar ginds—dat is laag! Dat U uw zoon meesleept in uwe eigen onreinheden, dat U hem dagelijks meer verdierlijkt door uw heerlijk voorbeeld, zoodat hij van de knechts der Haagsche koffiehuizen kleine sommen leent, om ze heimelijk in handen dierzelfde deerne te storten, om u zooveel mogelijk uwe grofheden en ellende te vergelden door list en bedrog—dat is laag! Dat U een kunstenaar, op wiens eer en goeden naam ook door de bekrompenste zielen niets valt af te dingen, voorbedachtelijk uittart en beleedigt in uw huis—U, de armzalige parasiet onzer hoogaanzienlijke, Haagsche maatschappij, U, de ijdele leeglooper en lafhartige verkwister, ijdeler en lafhartiger dan de heele schitterende gilde der Haagsche leege pronkers en leege praters—dat is laag! Maar, dat U uwe eigene dochter, uwe vlekkelooze, reine dochter in 't bijzijn van deze creatuur durft te verdenken en te lasteren, dat is meer dan laag, dat is de daad van een godvergeten schoft!”

De heer des huizes schreeuwde luide vloekwoorden, Charles greep naar zijn rotting.MllePaquitabegon luide te fluiten. Eensklaps vliegt de oude schurk naar de bel, en doet haar luide overgaan. Hendrik stort binnen.

„Hei daar, Hendrik! smijt dien ploert de deur eens uit!”

Weber maakte eene korte beweging. Hendrik stond oogenblikkelijk aan den grond genageld. Nu trad Mina op den schilder toe, greep zijne hand, en sprak zoo luide mogelijk:

„Adolf! misschien zien wij elkaar nooit weer. Het is mijn treurige plicht mijn vader te gehoorzamen! Maar wees gerust! Ik heb je trouw beloofd. Ik zal mijn woord houden!”

MllePaquita Duflosbewoont een zeer prachtig bovenkwartier in de Wagenstraat.

Ruim een jaar is verloopen, nadat zij des ochtends ging dejeuneeren ten huize van den hoogedelgeboren heer de Bruyn van Oudenhoven, senior. Omstreeks acht uren des avonds vinden wij haar in een overdadig rijk gemeubeld salon, waar alles bijeengebracht is, wat de luim der kunstenares dag op dag aan haar gegoeden Maecenas ontfutselde, maar waarin alle orde, netheid en zorg volkomen ontbreken. Midden in het vertrek staat eene tafel met een nauw aangeroerd, kostelijk maal. Eene gaskroon werpt een hard licht op kristallen vazen en allerlei soort van wijnglazen—enkele zijn half gevuld, één is omgeworpen en verspreidt eene breede wijnvlak over het witte tafelkleed. Behalve de wanorde en dwaze overlading van dit vertrek is niets in 't oog vallender dan de ongewone menigte van photographieën aan den wand, op den schoorsteenmantel en op alle zeer kleine, sierlijke meubelen in 't ronde. Deze photographieën zijn portretten en stellen niet alleen de danseres in alle mogelijke tooneel-kostumen en poses, maar ook haar beschermer, den heer de Bruyn van Oudenhoven in velerhande houdingen voor. Levensgroote borstbeelden van dezen kunstlievenden operabezoeker in fraaie vergulde lijstenbedekkenden muur naast andere portretten, die hem afzonderlijk of in gezelschap der danseres voorstelden.

MllePaquita Duflos, in eenpeignoirvan witte zijde en kant, met den volledigen voorraad zwarte vlechten aan het onbeschilderd hoofd, waardoor ze een geelbleek, ziekelijk gelaat vertoont,MllePaquitarust in bijna liggende houding op eene sofa voor den helderbrandenden haard. Aan hare voeten knielt onze waardige vriend Charles, de melomaan, die juist met nog rauwer stem, dan vroeger, aanheft:


Back to IndexNext