Het was, als licht te begrijpen is, niet het meest, de begeerte om zijne patiente te zien, die Allard reeds vroeg in den morgen van den volgenden dag naar „de Velden” dreef.
Zeer zeker stelde de arts belang in zijne zieke, en wenschte hij de gevolgen van zijne behandeling waar te nemen, maar...... de wensch, om opnieuw iets van Nevelhekse te hooren, en de hoop haar zelve te zullen zien, hadden hem den ganschen nacht bezig gehouden, en hem reeds voor 't rijzen van de zon ten bedde uitgedreven.
En zie! hij zou niet terugkeeren, zonder zijn wensch te zien vervuld.
Wat de zieke aanging, zij was niet bijzonder wel. De arm en een deel van den hals waren gezwollen. Ze had pijn in de keel, een droge tong, drukking op de hersenen, en klaagde over groote zwaarte in de leden.
De ouders van het meisje zaten bij haar leger,
„Een bed van stroo, wel half bedorven,”
en wisselden hunne betuigingen van angst af, met bedreigingen tegen haar, welke zij niet twijfelden, de veroorzaakster te zijn van deze ellende.
Vooral de moeder, eene vrouw van meer dan gewone lichaamslengte en krachten, drukte zich zeer hevig uit, en verzekerde, terwijl zij met gebalde vuist op de tafel sloeg: „dat zij—zoo Marrije mocht komen te bezwijken—wel wist wie haar gezelschap zou houden!”
Allard deed zijn best, om aan deze onwetende lieden het dwaze hunner vooronderstellingen onder 't oog te brengen, maar, als te denken is, zonder het minste gevolg.
Het meisje alleen, was redelijk genoeg, aan de mogelijkheid van dwaling te willen denken, maar hare ouders bleven stijf en strak volhouden, dat niet alleen dit, maar genoegzaam alle ongelukken, die er in de buurt voorvielen, aan den schutbaas en zijne dochter waren te wijten, en dat de man, die het land van deze pesten verloste, verdienen zou, door allen te worden gezegend.
Na het arme meisje iets ingegeven te hebben van den drank, dien hij had medegebracht, kroop Allard de donkere van turf en leem gebouwde hut uit, waarin de lijderes lag, en richtte zijne schreden naar den dijk, die naar 't huis van denStroevegeleidde.
Bij de begeerte, om met de geheimzinnige bewoners er van kennis te maken, voegde zich thans eene andere beweegreden. Hij wilde hun mededeelen, wat hij gehoord had, en raden op hunne hoede te zijn voor de betrekkingen van Marrije, wanneer deze, onverhoopt, mocht komen te bezwijken.
Weldra stond hij tegenover het gezochte huis, waarvan hij echter weinig meer danhet pannen dak kon zien, daar een welig plantsoen het aan alle zijden omringde.
Intusschen overtuigde hem een blik op het meer, dat zich, van de sluis daarnevens gezien, in al zijne uitgestrektheid aan hem vertoonde, dat hij den man, dien hij wenschte te spreken, niet te huis zou vinden.
In de verte toch zag hij iemand, wiens voorkomen aan dat des sluiswachters beantwoordde, in een roeiboot zich van den wal verwijderen, en aanleggen bij een der talrijke eilandjes in het meer.
Een geweerschot, gevolgd door een blauw wolkje, en een gansche schare watervogels, die zich krijschend boven het kreupelhout verhieven, verklaarde zijne bezigheid op die plek.
Wellicht was het jonge meisje tehuis. Maar het woedend geblaf van een forschen hofhond, die zijne nadering bespeurd had, en naar het hek schoof, dat het erf van het pad scheidde, deed hem van de voorgenomen poging afzien, om zich bij haar aan te melden.
Hij wandelde dus het erf om, dat, aan alle zijden zorgvuldig omtuind door dichte wilgenhagen, aan de akkers van den vreemden kolonist paalde, en die op dit oogenblik bedekt waren met spurrie en in schoven staande boekweit.
Voor hem uit, strekte een eenigzins heuvelachtige en met kreupelhout en heesters bedekte vlakte, zich uit tot de noordwaarts gelegen vaart, aan welker overzijde, een van veen ontbloot stuk grond paalde aan de nog onontgonnen hooge venen, die met de grauwgroene kleur van hare oppervlakte en de hooge donkere turfhoopen aan haren voet, een eigenaardig voorkomen aan het landschap bijzett'en.
Intusschen was het niet dit, wat Allard's oog boeide, en even weinig was het 't gezang der tallooze leeuwrikken, die alom in de stralen van de warme Augustus-zon opstegen, dat hem de ooren deed spitsen.
Achter een boschje van els en hazelaren hoorde hij een luid geklap in de handen, gevolgd door een levendigen schaterlach, en niet lang behoefde hij te vragen naar de herkomst dezer geluiden, want met luchtige sprongen vloog een in 't wit gekleed meisje het boschje uit, en de heide op.
Zij scheen een haas in zijn leger te hebben verrast, en met kinderlijke dartelheid zette zij het vluchtende dier na, tot het in een greppel verdween.
„Ut flos in saeptis secreta nascitur hortis”(7)sprak Allard half overluid. „Ziedaar dan Nevelhekse!..... Stond een bewoner van het oude Griekenland op mijne plaats, hij zou haar hoogeren oorsprong niet ontzegd hebben, maar haar groeten als eene dochter der Goden, of als eene Dryade. Welke gratie! Welk eene verwonderlijke losheid van bewegingen! Welk een sierlijke gestalte!”
Vermoeid van den dollen wedren, vlijde zij zich bij een braamboschje neder, en begon het mandje, dat zij aan den arm droeg, met de donkere vruchten te vullen.
Zij bleef ook in deze houding Allard den rug toekeeren, en daar hij dus zeker was, dat zij hem niet had opgemerkt, trad hij zachtkens naar haar toe, met den wensch haar onbemerkt te verrassen, en dan mede te deelen, wat zij zoo noodig had te weten.
Zijne krijgslist gelukte.
Druk bezig met plukken, en door het ritselen van het loof belet het geluid van zijne schreden te hooren, werd zij zijne tegenwoordigheid niet eer gewaar voor hij haar reeds dicht was genaderd.
Met een luiden schreeuw van verrassing vloog zij op, wierp haar mandje weg, en staarde hem met hare groote, zwarte oogen aan, gereed om bij de geringste verdachte beweging van zijne zijde, zich op de vlucht te begeven.
Maar een geruststellende wenk van Allard, vergezeld van de woorden: „Vrees mij niet, lief kind! ik kom om u te waarschuwen voor een groot gevaar!” deden haar stilstaan.
„En wat!” vroeg zij met een eenigzins vreemden tongval, terwijl zij hare oogen angstig op hem bleef vestigen.
„Wat? Ik wilde het liever aan uwen vader zeggen, dan aan u. Waar is hij?”
„Aan de jacht? Wie mijneer wezen?”
Sprak uit het donkere van haar oogen, het gitzwarte van heur haar, de vreemde afkomst van Nevelhekse niet genoegzaam, haar gebrekkig Hollandsch stelde deze buiten allen twijfel.
„Ik woon hier ver van daan, heel ver, en kwam bij toeval op deze plaats, Cilie.”
„Cilie!” riep zij, met de opgetogenheid van een kind in de handen klappende. „Cilie! hij weet mijn naam wel! En... hoe?”
De uitleg volgde en de uitleg scheen naar Cilie's zin te zijn ook, want zij lachte, en begon daarop de gevallen braambessen op te rapen en weer in haar mandje te vlijen.
„Neem een of wat!” sprak zij, en bood het mandje Allard aan.
„Gaarne.”
Allard at, en stak van tijd tot tijd Cilie een bes in den mond.
Blijkbaar vond zij dit aardig, en het duurde nu ook maar zeer kort, of het meisje had al haar wantrouwen afgelegd, en zat rustig nevens haar bezoeker in de heide.
Daar moest hij haar vertellen hoe hij heette, waar hij woonde en wat hij hier kwam doen, en haar sprekend oog en levendige gebaren, getuigden van hare belangstelling in dat onderwerp.
Toen hij vertelde wat men van haar gezegd had van het ongeluk, Marrije overkomen, balde zij de kleine vuisten, maar barstte terstond daarop in snikken uit.
„Ach!” riep zij, „ik zij goed ben deze menschen, maar zij boos op mij!—Wat doen?”
„Wèl blijven doen, Cilie: maar zeer voorzichtig, jazeervoorzichtig wezen.”
„O ja! ik.... maar mijneer mij gelooven goed?”
„Kun je dat vragen, Cilie?”
„Dieu merci!”(8)en zij lei hare hand in die van Allard.
„Gij gelooven mij goed, Dieu merci! Och! waarom niet hier wezen altijd?”
„Dat zou u dus genoegen doen?”
„Ja, want gij wezen zou, mijn vriend!” sprak het meisje, terwijl zij een blik vol kinderlijk vertrouwen op Allard vestigde.
Dezen werd het vreemd te moede; ja, als het iemand zou zijn, die, gewoon te wandelen in een naar de regelen der kunst aangelegden tuin, zich plotseling verplaatst ziet in een landschap, waarin de natuur alleen heerscheresse is, en waarin alles verrast door zijn verrukkelijken eenvoud.
Geheel buiten de wereld opgevoed, was Cilia vreemd gebleven van de kunstenarijen en geveinsdheden der samenleving.
Zij vertrouwde ieder te zijn gelijk zij zelve was, en sprak uit wat zij dacht.
Met al de oprechtheid van een kind, sprak zij over zich zelve en hare omstandigheden, en haar stamelen in de taal die zij sprak, verhoogde nog het kinderlijke in haar wezen.
Maar was zij onwetend in veel, wat meisjes van haar leeftijd, in de stad en op het platte land, zeer goed weten, zij was daarentegen bedreven in veel, wat dezulken—vooral in die dagen—nimmer trachtten te leeren.
Van haar „Vooge”—als zij hem noemde, die gewoonlijk voor haar vader doorging, had zij een tamelijk uitgebreide kennis van de kruiden en hunne krachten en werkingen opgedaan, en was tevens niet onervaren in 't gereedmaken van geneesmiddelen.
Ook kon zij vrij goed lezen en schrijven, en de weinige boeken, die deStroevebezat, en die meerendeels bestonden uit reisbeschrijvingen, had zij met aandacht gelezen.
Maar ook zij was uit een vreemd en ver land, en een wonderland tevens, verzekerde zij. Als een jong kind had zij het verlaten, maar de schitterende zon er van, straalde nog met warmen naglans in hare verbeelding.
Wonderbaar hooge boomen groeiden er; prachtige en met duizend kleuren getooide bloemen, vlinders en vogelen, bloeiden en zweefden er, en de liefelijkste geuren doorbalsemden er de lucht.
Suriname heette het, dat wist zij, en ook, dat zij er eenmaal gewoond had in een landhuis te midden van tuinen—groot, ja, zoo groot, als zij er hier nooit een gezien had.
Van hare ouders wist ze weinig van te vertellen. Hare moeder herinnerde zij zich bijna niet meer, maar haar vader wel, „ah qu'oui”! Menigmalen had zij op zijn schoot gezeten, en had hij haar wonderliefelijke vruchten gegeven, en haar genoemd:Petite Marquise. Ook had hij met haar gesproken in de taal, waarin zij hare liedjes zong—Fransch uit 't zuiden van Frankrijk, als 't Allard voorkwam, toen zij op zijn verzoek een liedje aanhief, en met verwonderlijk heldere en welluidende stem zong:
Para loulou, pti otaPara loulou!Para loulou, qu'impostaLa voi douna!Para loulou, qu'impostaLou mouton!(9)
Para loulou, pti otaPara loulou!Para loulou, qu'impostaLa voi douna!Para loulou, qu'impostaLou mouton!(9)
Deze liedjes had zij echter niet geleerd van haar vader, maar van een „ma tante”, in welker huis zij later, toen hare ouders overleden waren, gewoond had, en dat „veel tijd wel”.
Maar deze „ma tante, si belle et si bonne”(10)—en hier schreide het arme kind—was ook overleden, en toen was zij afgehaald door den man, die thans haar „vooge” was, en met hem gereisd over die groote zee, „heel lang naar hier.”
Deze „Vooge” nu, was altijd zeer goed voor haar geweest, en zij had ook wel veel van hem gehouden, maar in den laatsten tijd was hij geworden „étrange”(11)en was zij hem daarom minder genegen.
En dat was er niet op verbeterd, sedert den dood van de goede oude huishoudster. Want toen had hij eene vrouw in hare plaats genomen, die zij niet mocht, en geen wonder ook, want zij sprak „vele boosheden” en vertelde niet zelden „liegens”.
Over hare afkomst en familie was haar „Vooge”,secret, bien secret”(12), en nu onlangs had hij haar zeer bedroefd gemaakt, met haar te zeggen: dat de man, wien zij altijd papa noemde, eigenlijk haar papa niet was, en toen zij hem schreiende gevraagd had: waarom hij haar datnueerst zeide? had hij eerst gezwegen, maar haar later toegevoegd: dat hij niet voor hare meerderjarigheid aan hare nieuwsgierigheid kon voldoen, maar dat zij wel zou doen naar dat tijdstip niet te zeer te verlangen.
Van godsdienst bleek zij weinig of geen besef te hebben.
Haar voogd sprak daarover nooit, en wanneer zij hem vroeg—waarom hij niet als andere menschen naar de kerk ging? lachte hij smadelijk, en zeide, dat de dominé's en pastoors bedriegers waren, die de menschen wat voorlogen, om daardoor gemakkelijk en aangenaam te kunnen leven.
Zij dacht echter, dat hij dit maar zei, om ook haar uit de kerk te houden, want hijwilde haar niet onder de menschen zien, en daarin had hij dan ook wel wat gelijk, want de menschen waren zeer slecht, en „deden veel boosheid aan haar”.
Van haar „ma tante” had zij echter een rozekrans gekregen en ook bidden geleerd.
Alle morgen riep zij dan ook „Notre Dame du bon sécours(13)aan”, en dankte des avonds „Ons Heer enle doux Jesus”(14)voor hunne bescherming.
Maar zij deed dat nooit in tegenwoordigheid van haar „Vooge”, want die spotte ook met zulke dingen.
„Mijnheer Allard zou er mogelijk anders over denken?”
Gewis dacht „mijnheer Allard” er anders over en terwijl hij haar sprak over God, den Schepper van hemel en aarde, en Zijn eenig geboren Zoon Jezus Christus, den Heiland der Wereld, en zich daarbij het hoofd ontblootte, zonk Cilie op hare knieën voor hem neer, vouwde de handen, en luisterde met ingespannen aandacht en half geopenden mond naar hem, terwijl zij van tijd tot tijd lispte: „Ah que c'est sublime”!(15)
En, evenals een kind doet na eene vertelling, riep zij, toen hij ophield met spreken: „meer nog! meer nog!”
„Ik begrijp, Cilie, dat je geen Bijbel hebt?”
Ze wist niet eens wat dat was.
„In den Bijbel staat dit alles te lezen, en zoo oneindig veel meer, wat ons stervelingen onmisbaar is, om hier beneden zóó te leven, dat we ginds de eeuwige zaligheid kunnen beërven. En daar ik begrijp, dat het je bezwaarlijk zal vallen zulk een boek aan te schaffen, zal ik, zoodra ik in Holland ben teruggekomen, u er een toezenden, en wel een met gouden haken.”
Op vloog het meisje in kinderlijke verrukking, sprong en danste eenige malen in 't rond, plukte daarop eenige veldbloemen en takjes bloeiende heide, en vlijde zich toen weer bij Allard neer.
„Je vous ferai un petit bouquet!”(16)
Met vlugge vingeren en aangeboren smaak schikte zij de eenvoudige bloemen, bond ze met een biesje bijeen, en bood ze hem aan.
„En gij zult komen hier—nog weer?”
„Zeker, Cilie!”
„Ah quel bonheur!”(17)
„En laat ik u nu eene gedachtenis geven van onze kennismaking, in ruil voor uw boeket.”
Hij nam de struisveer met het met diamanten ingelegde gespje, dat zijn hoed versierde, er af, en maakte die vast op den strooien hoed van het meisje.
En een blos van verrassing en.... genoegen kleurde hare wangen, toen hij, na dit verricht te hebben, eene kus op hare lippen drukte.
Nog lag zij op de knieën voor hem, toen er een schot in de buurt knalde.
„Deja?”(18)riep Cilie met eene beweging van verdriet, en terwijl zij opsprong.
Het was het sein, verklaarde zij, dat haar „Vooge” was teruggekeerd, en dat hij haar thuiskomst verlangde.
Daar hij ongaarne vreemdelingen ontving, wilde zij hem gaan voorbereiden op Allard's bezoek, en een liedje, dat zij zou aanheffen, zou het sein wezen, dat hij verwacht wierd.
Met een vriendelijken blik, en na een vertrouwelijk tikje op zijn arm te hebben gegeven, snelde de bekoorster voort, en liet hem alleen.
Droomend wandelde hij op en neer, terwijl hij zich afvroeg.... of hij werkelijk wel waakte? Of zij, die hem daareven verliet, wel bestond? Of zij niet zou blijken te zijn een beeld zijner phantasie, of een lichtgeest, die zich zou oplossen in nevelen?
Maar hoor! daar klonk weer de liefelijke stem!
Lou cuoer dé ma mie, ly fait tant de maou;Quand io vaz, quand io vaz la vir, la soulage au paou.(19)
Lou cuoer dé ma mie, ly fait tant de maou;Quand io vaz, quand io vaz la vir, la soulage au paou.(19)
Geen droom—werkelijkheid! Cilie bestond; Cilie riep hem, en..... zoo snel hij maar kon, gehoorzaamde hij aan hare liefelijke roepstem.
Bij het tuinhek wachtte zij hem op, in gezelschap van den nog altijd brommenden, maar—op haar bevel—niet meer dreigenden hofhond.
Haar „Vooge” was binnen, zeide zij, en..... was ook niet heel boos geweest, maar toch „gebrom wat”.
Terwijl zij hem noodigde naar binnen te gaan, floot zij een paar witte duiven, die op het dak zaten, tot zich. Beide kwamen zich op haar arm en schouder neerzetten, en fladderden rondom haar, toen zij schaterlachende in wilde vaart door den tuin vloog, gevolgd door den luid blaffenden hond.
Allard werd door denStroeve, in het bekende vertrek met de doodshoofden verbeid, en vrij koeltjes, zoo niet norsch, ontvangen.
't Was een man van een kleine zestig jaren, wellicht, en van een alles behalve vriendelijk en aangenaam voorkomen.
Met een somberen blik ontving hij Allard's mededeelingen, en hoewel hij zeide, de beleefdheiden belangstelling op prijs te stellen, die een „zoo aanzienlijk heer” (met zekeren nadruk sprak hij die woorden uit!) in hem, envooralin zijn pupil stelde, was deze dankbetuiging, niet weinig in strijd met den toon er van.
Intusschen werd hij een weinig spraakzamer, toen het gesprek viel op de Natuur en hare wonderen, waartoe Allard, in 't geen hem omringde, gereede aanleiding vond.
„Wat gij hier ziet”, zeide hij, „is maar eene kleinigheid, vergeleken bij 't geen ik eenmaal bezat. Het grootste gedeelte mijner verzameling is verongelukt bij een schipbreuk, niet verre van Paramaribo, waar ik destijds nog gevestigd was.”
Zijn voorkomen betrok echter weder, toenAllard van Cilie gewaagde, en hare wonderschoone stem prees, en nog donkerder werd zijn blik, toen het meisje binnenkwam, en hij bemerkte, dat niet alleen het oog van zijn bezoeker met welgevallen op haar rustte, maar dat alles in zijne pupil den grooten indruk verraadde, door den jongen en knappen vreemdeling op haar gemoed gemaakt.
Zij bracht brood, kaas en bier binnen, en een keteltje met de destijds, in deze streken vooral, nog zeldzame koffie.
Nadat Allard op hare dringende uitnoodiging, er een kopje van gedronken had, nam hij afscheid van den barren sluiswachter.
Wat Cillie betreft, zij was op dit oogenblik niet in het vertrek, maar Allard vond haar bij het hek staan, en wel met tranen in de oogen.
Zij reikte hem hare hand, terwijl zij het kopje afwendde, en zacht fluisterde: „Et vouz reviendrez?”(20)
„Bientôt, cher enfant!”(21)en hij deed meer dan hare hem toegestoken hand te kussen.
(7)Als eene bloem, in een verborgen tuin getogen, en daar bloeiende.Catullus.
(8)Goddank.
(9)Wacht u voor den wolf, kleine! Wacht u voor den wolf, die het lam rooft! Wacht u voor den wolf, die het schaap rooft! (Landtaal van Auvergne).
(10)Tante, zoo schoon en zoo goed.
(11)Vreemd.
(12)Geheimzinnig.
(13)Onze lieve Vrouwe de goede helpster.
(14)De lieve Jezus.
(15)Ach, wat is dat mooi.
(16)Ik zal u een ruiker maken.
(17)Ach, welk een geluk.
(18)Nu reeds.
(19)Het hart van mijn liefje doet—o zoo zeer;Wanneer ik bij haar kom, troost ik haar teer.
Het hart van mijn liefje doet—o zoo zeer;Wanneer ik bij haar kom, troost ik haar teer.
Het hart van mijn liefje doet—o zoo zeer;Wanneer ik bij haar kom, troost ik haar teer.
(20)En gij zult terugkomen?
(21)Spoedig, mijn lief kind.
Gewis was Allard van plan, om den volgenden dag, zoo vroeg mogelijk, aan eene uitnoodiging te voldoen, die maar al te zeer strookte met zijne wenschen. En toch verliepen er verscheiden dagen voor Cilie hem wederzag.
Verscheiden dagen, die hij doorbracht in gestadige onrust, in pijnlijke zelfkwelling, in een voortdurenden strijd, tusschen zijne levendige begeerte, en—hetgeen hij achtte zijn plicht te zijn.
En wat was er dan voorgevallen, dat hem tot dit zonderlinge gedrag noopte; dat er hem toebracht, te handelen in strijd met zijne beloften, en de hoogste wensch van zijn hart?
Het manuscript, waaraan deze geschiedenis ontleend is, gewaagt van een visioen, dat zich op zijn terugkeer naar de kolonie aan zijne oogen vertoonde, en dat een zoo geweldigen indruk op zijn gemoed maakte, dat hij beslootvoorshandsalle verkeering met Cilie af te breken, en, zoodra 't hem maar mogelijk was, naar Holland terug te keeren.
Ik wil de getuigenis van mijn oorkunde niet volstrekt wraken.
Allard Bentinck was iemand, die, hoewel in menig opzicht van een verlichte denkwijze, ook op godsdienstig gebied, niet te min wel een weinig besmet was met het „bevindelijke geloof”, in die dagen door zoovele, overigens heldere koppen aangekleefd.(22)
Hij geloofde—en later zal dat overtuigend blijken, hoe dit geloof van invloed was op zijne handelingen—dat de Godheid dikwijls, hetzij door uitwendige teekenen, hetzij door geheime intuitie, den mensch het pad aanwees, dat hij moest bewandelen, om tot de bestemming te komen, die hem was gezet, en dat het dus plicht was op deze teekenen te letten, en de stemmen, die zoo vaak wonderbaar in 't gemoed weerklonken, niet te smoren.
Had hij dus werkelijk in de meening verkeerd, zulk een visioen te hebben aanschouwd; het plotseling afbreken van zijne aangeknoopte betrekking met Cilie, zou volstrekt niet in strijd geweest zijn met zijne denkwijze, maar ik meen toch (en mijne opvatting wordt gewettigd door den verderen loop der gebeurtenissen), dat hier niets dergelijks in 't spel was en dat zijn vreemd gedrag, niets dan een gevolg was van redeneering—eene levendige voorstelling van wat noodwendig moest volgen, ging hij voort op den ingeslagen weg.
Een weg gansch en al een anderen, dan men had gehoopt, dat hij zou inslaan, en een handelwijze geheel in strijd met beloften, die hij—ofschoon gedwongen—had afgelegd.
Een kleine terugtred naar zijn verleden, en 't geen er was voorgevallen, voor hij het ouderlijke huis verliet, zal noodig zijn om 't een en ander in 't ware licht te stellen.
Er bestond zekere spanning tusschen hem en zijne bloedverwanten, of meer bepaald tusschen hem en zijn vader en zuster, want zijne moeder deelde niet in alle opzichten, de zienswijze van echtgenoot en dochter.
Zijn vader, die een aanzienlijk ambt bij de Thesaurie bekleedde, was een man „ganschelijk gevangen” in den kring van hoogheid en voornaamheid, dien hij begreep, dat tot zijn stand in de maatschappij behoorde.
Trotsch op zijn geld, zijne betrekking, en voornamelijk zijn adel, zag hij met minachting neer op al wat burgerlijk was, en kende geen grooter vergrijp, dan wat hij noemde „deroger a la noblesse”.(23)
De Hofstad met haar leven „au grandton”,(24)en hare thans meer en meer buitenlandsche, of meer bepaald op Fransche leest geschoeide vermakelijkheden, was zijn lust en ofschoon de jaren der jeugd al lang voorbij—hij ontbrak nooit er een levendig deel aan te nemen.
Zijn zoon daarentegen was van gansch andere natuur. Hij had de oude vaderlandsche manieren en zeden lief; noemde de gestadig veldwinnende buitenlandsche levenswijze en levensbeschouwingen een ondergang van 't land; had alleen eerbied voor adel, verkregen door verdienste, en zou, had zijne moeder vooral, het niet tegengehouden, de Hofstad al lang vaarwel gezegd hebben, om ergens in een vergeten hoek van 't land te gaan wonen, en zich aan de studie te wijden, aan de zijde van eene vrouw, die hij lief had, en die, evenals hij, haar geluk zocht in een stil huiselijk leven.
Maar zijne moeder had steeds de opkomende stormen bezworen, en door haar invloed den huisvrede zooveel mogelijk gehandhaafd.
Allard beminde zij als haar oogappel, en zij kon het denkbeeld niet verdragen, verre verwijderd van hem te moeten leven.
Intusschen had ook zij hare grieven tegen hem. Haar Alceste, als zij hem schertsenderwijze noemde—naar den held van Molières beroemde comedie, die destijds in den Haag werd opgevoerd—haar Alceste, anders zoo gereed aan hare minste wenschen toe te geven, bleef weigeren haar wil te volgen, in één, en wel een kardinaal punt.
Zij kon hem niet bewegen, zich te verloven met het meisje, dat zij hem tot vrouw had toegedacht, en wel van zijn vroegste jeugd af.
En dit huwelijk was de wensch van haar hart!
Niet alleen toch, zou het de kroon zetten op een door haar aangegane verbintenis met de liefste vriendin harer jeugd, maar het beantwoordde tevens aan alle eischen van stand en familie-belangen.
Daarbij geloofde zij vast, dat freule Elisabeth Dubois eene uitmuntende vrouw voor haar zoon zou wezen, en volkomen geschikt tevens, om hem te genezen van zijnemesquine(25)begrippen betrekkelijk de samenleving, die hem zelven, zoowel als zijne familie, steeds zooveel onaangenaamheden hadden berokkend, en gewis nog verder zouden berokkenen.
Maar het waren juist dezemesquinebegrippen, die hem terughielden, aan de wenschen van zijne teederbeminde moeder—althans, voor als nog—toe te geven, want of hij niet eindigen zou, met te handelen naar hare begeerte, het tegendeel stond allesbehalve bij hem vast.
In menig opzicht toch voelde hij zich door Elisabeth Dubois aangetrokken. Zij wasniet alleen schoon en lieftallig, maar onderscheidde zich ook door haar verstand en geest van de meeste harer Haagsche zusteren, en men mocht haar niet rekenen onder de „Jofferschap, die den tijd met „caerte en taerling” zoek bracht.”
Maar..... voor 't overige ging zij zoo goed als alle anderen, geheel in 't leven der Hofstad op, bezocht geregeld den Franschen schouwburg, en ontbrak nooit op de bals in 't Mauritshuis, waar de dames van 't corps diplomatique, als Coenraad Droste zegt:
„Te zamen om den prijs der grootste schoonheid stonden”.
„Te zamen om den prijs der grootste schoonheid stonden”.
Werd hij de echtgenoot van freule Dubois, hij zou genoodzaakt zijn in den Haag te blijven wonen niet alleen, maar ook om met haar deel te nemen aan vermakelijkheden, en eene levenswijze, die niets aantrekkelijks voor hem hadden, en hem op den duur zouden walgen.
En daar de laatste overwegingen, de eersten geregeld overwogen, bleef de kwestie hangende.
Maar zijne moeder rustte niet, en maakte alle omstandigheden cijnsbaar aan haar doel.
Zelfs huiselijke twisten!
Vader en zoon hadden geruimen tijd in tamelijk goede harmonie geleefd, maar eene aanmerking, die de laatste zich veroorloofd had te maken, op het gedrag van zeker hooggeplaatst, maar naar ziel en lichaam zeer wormstekig bezoeker zijner salons, deed diens toorn ontbranden, en gaf aanleiding tot nieuwe onaangenaamheden.
Er werd nu besloten, dat Allard een poosje op reis zou gaan, en zijne moeder maakte van deze gelegenheid gebruik, om hem nogmaals, en met grooten aandrang, haar beschermelinge aan te prijzen, en zijne argumenten tegen eene verbintenis met haar te weerleggen.
En zij deed dit met zooveel warmte, en zoo overtuigend, dat zij er in slaagde, Allard over te halen, om voor zijn vertrek afscheid van haar te nemen, en wel in hare tegenwoordigheid en die van de moeder van het jonge meisje.
Deze afscheidsvisite—behoorlijk door de beide moeders gearrangeerd—had plaats gevonden, en was naar 't oordeel der geallieerden zeer wel geslaagd.
Freule Elisabeth—door Allard gewoonlijk zijne Celimène genoemd—had haar bijnaam bij deze gelegenheid doen vergeten.
Ze was natuurlijk aanminnig geweest, ja was zelfs zoo ver gegaan het leven op het land—altijd onder zekere voorwaarden—te prijzen, en had, zoowel door 't een als 't andere, een zoo gunstigen indruk op het gemoed van den nog altijd weerbarstigen Alceste gemaakt, dat hij onder 't huiswaarts keeren aan zijne moeder beloofde, na zijn uitstapje ernstig het hof te zullen maken aan haar lieveling, thans fraaitjes op weg ook de zijne te zullen worden.
Haar beeld toch had hem gestadig vergezeld op zijne reis, en was nog sterker op den voorgrond getreden na de kennismaking met zijne nichten, de freules Alida en Coosje.
Maar thans was dat geheel anders geworden.
Het liefelijke wezen van Cilie, vervulde zijn gemoed zoo geheel, dat hij aan niets anders denken kon.
Evenals Romeo, die na het ontmoeten van Julia, zich plotseling bewust wierd, dat zijne liefde voor Rosalinde niets was dan zelfbedrog, had zich ook in zijne ziel de overtuiging gevestigd, dat hij niemand dan Cilie zou kunnenbeminnen; dat Cilie, en zij alleen, beantwoordde aan het ideaal, dat hij zoo lang in zijn hart had gekoesterd, maar zonder hoop, het ooit anders dan in droomen te zullen aanschouwen.
En thans, hij had het aanschouwd, hij had in werkelijkheid gezien een wezen, dat hooger stond dan het beeld zijner phantasie.
En—wilde hij—hij zou haar de zijne mogen noemen.
Maar!......
En de herinnering van wat er gebeurd was, en dat nog zoo kort geleden, rees op als een spook en stelde zich tusschen hem en zijne wenschen.
Mocht hij alleen met de begeerte van zijn hart te rade gaan?
Kon hij het voor God en zijn geweten verantwoorden, wanneer hij geheel buiten zijne ouders om, zich verbond aan het meisje zijner keuze?
Zou het niet zijne moeder het harte breken, wanneer hij tot haar kwam met de verklaring—dat hij niet alleen de hem toegedachte bruid van onberispelijke geboorte en stand verwierp, maar in plaats van haar, eene voorstelde—zonder geboorte, zonder opvoeding, zonder fortuin en—zonder godsdienst: een kind gekomen van wie weet waar, en eene dochter van wie weet wie?
Neen! dat kon hij niet, en daarom wilde hij zijn hart geweld aandoen, en zich wachten onmiddellijk eene verbindtenis te sluiten, die de noodlottigste gevolgen na zich zoude kunnen slepen.
En daarom wilde hij Cilie niet wederzien voor hij alles had aangewend, om zijne keuze door zijne ouders, of althans door zijne moeder te doen billijken.
Want, naderde hij haar nogmaals, hij zou zich zelven niet meester kunnen blijven.
Waagde hij het nog eenmaal naar de liefelijke klanken van deze volle betooverende stem te luisteren, nog eenmaal in deze donkere oogen te staren, nog eenmaal zich te verlustigen in de uitingen van dit zoo rein, kinderlijk, en van alle onoprechtheid vervreemd gemoed—de teerling zou voor goed zijn geworpen.
Hij zou moeten spreken.... aan zijn hart drukken wat hem met zoo onweerstaanbare macht tot zich trok.
En tot terugtreden of liever om stil te blijven staan op den ingeslagen weg—daartoe was het nog niet te laat.
Er was geen woord van liefde tusschen hem en het meisje gewisseld, er was geene belofte gedaan, ja zelfs geen wensch anders dan tot wederzien uitgesproken, en keerde hij dus niet terug, Cilie kon hem ontrouw, noch misleiding verwijten; een oogenblik aangenomen, dat zijn wezen op haar gemoed een indruk gemaakt had, groot genoeg, om anders dan met een voorbijgaand gevoel van belangstelling aan hem te denken.
Neen! het was besloten!
Hij wilde zoo schielijk mogelijk naar den Haag wederkeeren, en er beproeven of hij de vooroordeelen zijner ouders zou kunnen overwinnen.
En eenig uitzicht daarop bleef er.
Voorondersteld eens—dat Cilie een spruit was van even goede familie als de zijne, zou dat niet al zeer veel gewonnen wezen?
Hare herinneringen pleiten levendig voor deze opvatting.
Schitterde het verleden niet in hare verbeelding als een gouden droom?
Had ze niet in een groot landhuis gewoond, en klonk niet nog in hare ooren, het woord van haar vader: „petite marquise?”(26)
En bleek trok het tegendeel eens waar te wezen, zouden zijne ouders, en vooral zijne moeder, zich op den duur kunnen verzetten tegen het huwelijk huns eenigen zoons, met de vrouw zijner keuze?
En zouden zij, leerden zij Cilie kennen, die keuze niet moeten billijken, in weerwil van hunne vooroordeelen, en tevens niet moeten erkennen, dat het een vreemde weg geweest was, die hem tot haar geleid had, en geen gewone drang, die hem genoopt had, haar te naderen?
En—maar genoeg—hij wilde geen middel onbeproefd laten, om tot zijn doel te geraken, en—faalden al zijne pogingen; waren zijne ouders onredelijk genoeg, de hoogste wensch van zijn hart te weerstreven, hij zou... maar hij huiverde het uit te spreken, wat hem bij dit rampzalig uiterste te doen zou staan.
En na deze lange uitweiding—noodig niettemin—om het vreemde gedrag van den jongen man tegenover Cilie op natuurlijke wijze te verklaren, kan ik den draad van het verhaal weder opvatten.
Dat Allard zoo schielijk mogelijk de kolonie trachtte te verlaten, zal ik na het aangevoerde, wel niet behoeven te verzekeren; maar wèl, dat hij niet terstond een geschikt voorwendsel vond, om dit gansch onverwacht vertrek bij zijne bloedverwanten te bewimpelen. Overigens noopten hem de gebrekkige reisgelegenheden nog eenige dagen te vertoeven, en om gedurende dat tijdsverloop alle verzoekingen af te snijden, elke weifeling te voorkomen, droeg hij de zorg voor zijne patiente op aan dendorpschirurgijn, wien hij eene ruime schadeloosstelling voor zijne diensten ter hand stelde, en tevens eenig geld voor de zieke en hare ouders, met verzoek dit ten huize van den sluiswachter te overreiken, met de boodschap, dat hij vroeger dan hij dacht naar Holland moest terugkeeren, maar eerlang dacht weder te komen.
En na al deze beschikkingen te hebben gemaakt, dacht hij verre te zullen blijven van wat hij 't liefst wenschte te naderen.
Zoo dacht hij, maar hoe gansch anders zou het uitkomen!
„De mensch, dus zegt men—Is Schepper van zijn eigen noodlot; zelfWeeft hij aan 't weefgetouw des tijds, het weefselVan zijn lotgevallen.Voor een deel is 't waar:De mensch weeft eigen toekomst, maar verborgen hand,Schiet somtijds vreemde draden door het weefsel,En knoopt aan gulden draad een zwarten vast,Of, aan een zwarten, omgekeerd een gulden.”
„De mensch, dus zegt men—Is Schepper van zijn eigen noodlot; zelfWeeft hij aan 't weefgetouw des tijds, het weefselVan zijn lotgevallen.Voor een deel is 't waar:De mensch weeft eigen toekomst, maar verborgen hand,Schiet somtijds vreemde draden door het weefsel,En knoopt aan gulden draad een zwarten vast,Of, aan een zwarten, omgekeerd een gulden.”
Er zijn oogenblikken in het leven, waarin de omstandigheden met al onze berekeningen den spot drijvende, ons dwingen te gaan, waar wij niet wenschen te wezen; oogenblikken waarin een dusgenaamde toevalligheid eene gansche omkeering in onze beschouwingen te weeg brengt, en een golfslag doet ontstaan, die voortrolt tot, en mogelijk—verre over het graf!
„Zij is dood!” dus klonk het Allard in de ooren, toen hij, van eene wandeling teruggekeerd, thuis kwam,—„de arme Marrije is dood!”
't Was kort voor zijn vertrek naar Holland was bepaald, en de barbier, die op zijn verzoek de zieke behandelde, bracht hem deze tijding—trouwens niet geheel onverwacht.
Haar toestand was verergerd in de laatste dagen.
Wel stond de wonde niet slecht, maar de patient had gestadig hartkloppingen, en de koorts was in hevigheid toegenomen.
Het meisje had nooit tot de sterksten behoord en het bleek nu, dat hare krachten niet toereikend geweest waren, de door de werking van het venijn voortgebrachte ziekte te wederstaan.
Den laatsten nacht had zij ijlende doorgebracht, en in dien toestand—als haar moeder zeide—dingen geopenbaard, die zeer bezwarend waren voor denStroeveen zijn pupil, en eene algemeene verontwaardiging onder het volk hadden verwekt, niet verminderd door de toespraak, die de catechiseermeester Greve tot de omstanders had gehouden, even voor haar dood.
't Werd Allard droef te moede bij het ontvangen van dat bericht, en hij maakte zich in hooge mate ongerust over de gevolgen, die dit overlijden, onder dergelijke omstandigheden, voor de arme Cilie kon hebben.
De vreeselijke bedreigingen van de moeder van Marrije klonken hem nog schril in de ooren, en hoewel deStroevezich volstrekt niet ongerust betoond had, toen hij ze hem mededeelde, en lachend had aangemerkt: dat deze lieden gewoon waren geweldig te blaffen, maar niet te bijten, en dat hij, ook wanneer zij dit mochten willen doen, volstrekt niet voor hen vervaard was, bleef hij van een heel ander gevoelen.
Eene niet te miskennen dweepzucht bezielde de oude vrouw, en maakte van hare droefheid en toorn vreeselijke wapens.
En was zij ook al onmachtig om daarmede den sluiswachter te treffen, hoe licht was het weerlooze kind er door te bereiken!
Hij begreep niet beter te kunnen doen, dan aan den Schout mede te deelen, wat hij gehoord had, en hem aan te bevelen, den sluiswachter op het gevaar, dat hem en zijne pupil dreigde, opmerkzaam te maken.
Maar deze was geen vriend van denStroeve, en wat het meisje aanging, hij begreep dat zij schrander genoeg was, om zich niet binnen het bereik van hare vijandin te wagen. Intusschen beloofde hij toch haar persoonlijk te gaan waarschuwen, en dat binnenkort.
Allard bleef echter de drie dagen, die er nog moesten verloopen, voor hij met den Coevordschen postwagen naar Zwartsluis zou vertrekken, onrustig en gejaagd, ja zóó, dat zijne nichtjes, die—ik vergat het te zeggen—verre waren van hem met onverschillige oogen aan te zien, begrepen, dat hier meer in 't spel was, dan verdriet over den dood van Marrije, en allerlei pogingen aanwendden om achter het fijne van de mis te komen.
In den nacht, die den dag voorging, waarop zijn vertrek was bepaald, sliep hij zoo onrustig, dat hij bij 't aanbreken van den morgen zijn leger verliet, om in de buurt rond te zwerven.
Haast zonder het zelf te weten, waar hij zich bevond, had hij het pad langs de vaart ingeslagen dat naar de Riegshoogte geleidde.
Een paar zwaar geladen vaartuigen, nog vochtig van den nachtdauw, en met moeite voortgesleept door een drietal vrouwen, kwam het kanaal langzaam afzakken.
Vol medelijden met deze arme schepsels, aldus gedoemd tot een werk, geheel ongeschikt voor hare sekse en verre hare krachten te boven gaande(27), stapte Allard haastig voorbij, maar vertraagde zijne schreden aldra opnieuw, bij het aanschouwen van wat deze vaartuigen onmiddellijk volgde.
't Was een klein schuitje, langzaam voortgetrokken door twee mannen.
Daarin stond een doodkist, en op deze zat, in voorover gebogen houding, en geheel gedoken in zwarte faliën, een viertal vrouwen.
Van hare gelaatstrekken was niets te zien, want evenals de Grieksche treurvrouwen, hielden zij met hare mantels het hoofd bedekt; maar de hooge statuur, en de eigenaardige vormen van eene van haar, maakte gissing naar haar persoon overbodig.
Het was de moeder van Marrije, en de kist bevatte het lijk van het arme meisje.
Een lange sleep van donker uitziende mannen en vrouwen volgde het schuitje, en het geheel van deze aan de begrafenisplechtigheden der oude Egyptenaren herinnerende lijkstaatsie, maakte een zoo diepen indruk op het bewogen gemoed van Allard, dat hij met ontbloot hoofd bleef staan, nog lang nadat de laatste der lijkvolgers hem waren voorbijgegaan.
Toen hij een uur daarna in de kolonie terugkeerde, hoorde hij, dat de gansche gemeente in rep en roer was geweest, en dat ds. Curtenius op het kerkhof eene rede had gehouden, die meer getuigde van zijne bekrompenheid en onverdraagzaamheid, dan van Christelijke liefde.
Algemeen voorspelde men nu, dat het ginds wel niet rustig zou blijven, en dat de schutbaas en zijne pupil het hard zouden te verantwoorden hebben tegenover het volk.
Op den avond van dienzelfden dag, was Allard opnieuw uitgegaan, om in de eenzaamheid te overwegen, wat hem nu te doen stond, en, bewogen door de meest strijdige gedachten en plannen, bleef hij besluiteloos rondstappen, toen een ongewoon gedruisch in de lucht boven hem, hem in zijne overpeinzingen stoorde en verschrikt deed opzien.
Eene witte duif, waarop een sperwer een mislukten raam had gedaan, deed haar best om aan diens verdere vervolgingen te ontkomen, en stortte, na twee- of driemalen dicht over 't hoofd van Allard te zijn gevlogen, voor zijne voeten neder, als wilde zij zijne bescherming inroepen.
Zonderling getroffen, nam hij het dier op, dat, als zich bewust, hier niets te vreezen te hebben, zich gewillig liet vangen.
Er was niets ongewoons in dit geval.
Blijkbaar was het duifje afkomstig van een til, dat door vriendelijke menschenhanden wierd verzorgd, en welker bewoners, hunne gewone schuwheid hebbende afgelegd, het gezelschap van den mensch eer zochten, dan vermeden.
Maar Allard zag daarin iets geheel anders, en de stemming, waarin hij verkeerde, was maar al te geschikt, om hem zijne opvatting aldra als zekerheid te doen aannemen:
De witte duif was Cilie; Cilie, die, aldus door een vijand vervolgd, een beschermer zocht, maar..... niet zoo gelukkig als het duifje—dien niet zou vinden!
Niet zou vinden?.....
En was hij er dan niet?
Was hij er dan niet? en had hij niet begrepen wààrom de witte duif bij hem haar toevlucht had gezocht, en...... was dit gansche geval niet een vingerwijzing van Hooger Hand?
Vertoonde het hem niet—klaar als in een spiegel—wat het lot der arme duive ginds zou worden, wanneer hij, in zijne onmannelijke berusting volhardende, haar overliet aan hare vijanden?
Had hij dan zoo weinig zelfbeheersching, eene zoo geringe gedachte van zijn wil, dat hij meende zich niet te kunnen vrijwaren voor het aangaan eener overijlde verbindtenis, dan door het zich volstrekt onthouden van alle bijeenzijn met het voorwerp zijner min?
Neen! het was besloten! de witte duif zou hem niet te vergeefs zijn toegezonden!
Hij wilde Cilie opzoeken, en dat onmiddellijk, want wie wist, hoe zeer ze zijne hulp behoefde!
Lang was de sperwer verdwenen, toen Allard nog met de duif aan zijne borst gedrukt voortschreedt.
Eindelijk liet hij haar vrij.
Hoog steeg zij op in de lucht, zeker om de plaats te verkennen waar zij zich bevond en vloog toen met snelle vaart oostwaarts.
Oostwaarts lag het Riegmeer.... was het niet een nieuwe wenk?
Het begon reeds te schemeren, toen Allard het veld bereikte, gelegen tusschen Alberts-Holtien en het groote Riegmeer.
In 't zuiden broeide een onweer, en het bruine water van den grooten plas, die kalm en bewegingloos tusschen zijne donkere oevers lag, weerspiegelde van tijd tot tijd de rosse gloed van het weerlicht,dat tusschen de samenpakkende wolken speelde, terwijl eenige oogenblikken later, eene doffe, langzaam voortrollende donder volgde.
Het huis van denStroevelag oostwaarts verscholen achter de boschaadiën, die het omringden, en de vlucht witte duiven die er boven zweefde, deed zijn hart sneller kloppen, daar ze hem levendig herinnerde aan hetgeen pas was geschied.
Juist stond hij gereed het pad, dat er heen leidde in te slaan, toen een zonderling geluid, dat van de zijde van het meer kwam, zijne ooren trof.
In 't eerst dacht hij, dat het veroorzaakt wierd, door een vlucht eendvogels, die, beducht wellicht voor het naderend onweer, eene schuilplaats zocht, maar weldra overtuigde hij zich, dat het noodkreten waren, en wel van een menschelijk wezen.
Een kind of vrouw scheen in doodsangst te verkeeren en riep dan eens met gesmoorde stem, dan eens met een luid gegil om hulp.
In een oogenblik had Allard het kreupelbosch, dat zich tusschen hem en de plaats vanwaar de kreten klonken, bevond, omgetrokken.
Niets belemmerde thans zijn uitzicht op de vlakte,die hem nog van het meer scheidde, en zoo zag hij dan ook, dat niet ver van den dijk, die het aan deze zijde beteugelde, eene donkere gestalte iets onder zich uitgestrekt hield, dat zich aan haar poogde te ontworstelen.
Door een, met al de kracht zijner longen voortgebrachten kreet, kondigde hij zijne tegenwoordigheid en aanstaande tusschenkomst aan, en dat deze niet onopgemerkt gebleven was, bleek uit de gevolgen.
Want, de donkere gestalte, die nu duidelijk bleek van eene vrouw te zijn, en wel van niemand anders dan van de moeder van Marrije, rees op, en balde de vuist naar de zijde van den snel naderenden, maar zich nog altijd op een tamelijken afstand bevindenden Allard.
Maar in plaats van te vluchten, greep zij plotseling op, wat zij onder haar hield neergestrekt, wrong het vast in hare armen, en rende er mee naar den dijk.
Opnieuw stiet Allard een geweldigen kreet uit, terwijl hij zijn vaart verdubbelde, want het witte gewaad der aldus weggevoerde, en de klank van hare stem liet hem geen twijfel over, of het was Cilie die zich in de macht harer vijandin bevond en die door haar naar het meer werd gesleept, met een licht te bevroeden, afgrijselijk doel.
En dit laatste—meestal zoo kalm, en als sluimerende, vertoonde op dit oogenblik een gansch ander karakter.
Een felle bliksemstraal, gevolgd door een ratelenden donderslag, scheen den stormwind te hebben ontketend.
Met wilde vaart vloog hij over het water en joeg het met geweldige golven tegen den dijk.
De moeder van Marrije, eene met buitengewone lichaamskracht begaafde vrouw, was het kinderspel geweest met een zoo lichten last als Cilie was, den dijk op te schrijden, en lang voor het Allard gelukt was, dien te bereiken, stond zij daarop, met den eenen arm het nog altijd kermende en gillende meisje tegen zich aanklemmende, en met den anderen allerlei bewegingen makende, terwijl zij al krijschende de afschuwelijkste verwenschingen uitbraakte.
„Moed, Cilie! moed!” riep Allard, terwijl hij niet ver van de plaats, waar het wijf stond, den dijk opsprong.
Maar het arme kind had geen tijd om te antwoorden, want op hetzelfde oogenblik, omvatte de reuzin met de eene hand haar den nek, met de andere de enkels, hief haar hoog boven haar hoofd, en wierp haar daarop in de bruischende diepte!
Wel woelde het water het gezonkenlichaamweer naar boven, en zag Allard het vlak aan den dijk, maar in 't volgende oogenblik was het verdwenen.
Er was geen tijd te verliezen—hij sprong het meisje na in de diepte.
Nog eenmaal, maar al veel verder weg, zag hij haar witte gewaad schemeren, en met forsche slagen zwom hij naar die plaats.
Maar de golfslag van het hier, gelukkig! niet zeer diepe meer, had haar al weer naar den dijk teruggevoerd, en na een paar vruchtelooze pogingen, gelukte het hem de drenkelinge te grijpen, en op een met riet en gagel begroeide plek, die glooiend van den dijk in 't meer afdaalde, vasten voet te krijgen.
De krampachtig om zijn hals geslagen arm van het meisje overtuigde hem, dat zijne hulp nog niet te laat gekomen was, en dit bewustzijn schonk hem nieuwe krachten tot de worsteling met de elementen, die nu nog overbleef, om weer op den dijk te geraken.
De plek toch, waarop hij stond, was niet alleen met allerlei struikgewas begroeid, maar zij werd ook gestadig overstroomd door het water, dat, door den meer en meer aanwakkerenden stormwind voortgezweept, met hooge golven er over kwam rollen.
Tweemalen struikelde hij dan ook, en was op het punt neer te storten, maar eindelijk kreeg hij vasten voet, en stond, met de geredde in zijne armen, op den dijk, niet verre van de plaats, waar de veroorzaakster van al dat leed nog toefde, om allerlei verwenschingen uit te braken, en den redder zoo goed als de geredde te vervloeken.
Allard was echter veel te ijverig bezig met zijne pogingen, om Cilie het ingezwolgen water te doen overgeven, en haar tot bewustzijn te brengen, om veel op haar te letten.
Alleen toen hij zag, dat de enkels van het arme meisje door een breeden band van russchen waren saamgebonden, kon hij eenige woorden van toorn niet bedwingen, terwijl hij haar met de vuist dreigde.
Een onbeschaamd gebaar, en een nieuwe stroom van vuile scheldwoorden, was haar antwoord.
Kort daarop verwijderde zij zich echter.
Het onweer was intusschen in hevigheid toegenomen.
Rusteloos flitste de bliksem door de lucht, en ratelde de donder, terwijl de regen, die in stroomen neerdaalde, het oog weldra belette zelfs de meest nabijzijnde voorwerpen te onderscheiden.
En wat nu te doen?
Gedaald van het gestadig door de golven overspoelde dijkje, zocht hij naar een plek, waar hij eenigermate beschutting kon vinden voor wind en regen, want om naar eene meer afdoende schuilplaats om te zien, was onder de tegenwoordige omstandigheden onmogelijk.
Met het meisje in zijn eenen arm, tastte hij met de andere rond, en vond eindelijk een kreupelboschje, waarachter hij zich met haar kon nederzetten.
Pas was hij daar gezeten, toen hij opnieuw een noodkreet meende te hooren. Het kletterenvan den regen en het gedruisch van donder en wind beletten hem echter, waar te nemen, van welke zijde het geroep kwam, en daarbij was hij te bekommerd over den toestand van Cilie, om er bijzonder op te letten.
Want nog altoos lag zij bewusteloos in zijne armen, en licht te denken was het, dat er geene beterschap kon worden verwacht, bleven dezelfde ongunstige omstandigheden voortduren.
En dit was het geval. De regen stroomde met voortdurend geweld neder, en al werd hij ook minder, wat dan nog te beginnen? Want het was zoo donker geworden, dat er geen denken aan was, een pad te zoeken door het drassig geworden terrein.
Maar hoor! nogmaals het geroep van daareven!
Het klonk nu echter dichter bij, en 't werd Allard dra duidelijk, dat het niet was van iemand die hulp zocht, maar van een die hulp zocht te verleenen.
Mogelijk was het wel deStroeve, die—Cilie missende—haar kwam zoeken.
Hij stond dus op, en, zijne stem met alle kracht verheffende, riep hij eenige malen achter elkander: „Hier!”
En niet zonder gevolg!
Weldra schemerde het licht van een lantaarn in de nabijheid, en verscheen er een man, die inderdaad bleek deStroevete zijn, en die niet weinig verrast scheen, toen hij haar, die hij zocht, in de armen van Allard zag rusten.
Met een enkel woord verklaarde deze de toedracht der zaak, en drukte den man tevens op 't hart, geen oogenblik te zuimen, wilde hij het meisje in het leven behouden.
DeStroeveging nu met den lantaarn voor, en wees Allard, die Cilie droeg, den weg naar een arbeidershut in de nabijheid, en die men—echter niet zonder veel moeite en struikelingen—weldra bereikte.
Er was, als licht te denken is, weinig gemak in dit berookt verblijf, maar de lieden, die het bewoonden, waren gul en dienstvaardig.
Terwijl deStroevenaar huis liep, om brandewijn en de noodige kleedingstukken te gaan halen, stak Allard zich onder een afdak in 't Zondagspak van den arbeider. De vrouw hield zich met Cilie bezig, kleedde haar uit, rolde haar in de eenige deken die zij bezat, en bereidde haar daarna een leger, vlak bij het inmiddels levendig opflikkerende vuur.
Weldra begon de warmte weldadig te werken en tot innige vreugde van Allard sloeg het meisje de oogen op.
Een teug brandewijn, haar door haar pleegvader ingegeven, bracht haar langzamerhand tot bewustzijn, en na het gebruik van de andere voor haar medegebrachte middelen, look zij weldra zóó op, dat men het wagen kon, haar, in warme dekens en mantels gewikkeld, op eene burrie te leggen, en naar huis te brengen.
Toen Allard zich onder 't voortgaan over haar heenboog, om haar te vragen hoe 't haar ging, fluisterde zij hem toe: „Zoo gij weggaan van mij—ik sterven!”
Een welsprekende handdruk was zijn antwoord.