(22)Men denke aan van Beuningen en Swammerdam en, hoewel in mindere mate, aan Defoe.
(23)Te kort doen aan den adeldom.
(24)Op voornamen voet.
(25)Minder voorname.
(26)Kleine markiezin.
(27)Nog in onze dagen kan men getuige zijn van dit onhebbelijk misbruik.
Ziehier, wat Cilie—met moeite en afgebroken woorden evenwel—verhaalde van hare ontmoeting met hare booze vijandin:
Ze had voor een ziek kind in de buurt iets gekookt, en was, nadat zij dit had aangereikt, in gedachten verzonken, naar het meer gewandeld.
Niet ver van den dijk was haar een jongen tegemoet gekomen, die haar zeide, dat Caro (de hond van denStroeve, en waarmee zij veel ophad) door een jager was aangeschoten, en achter een boschje, dat hij haar aanwees, lag te sterven.
IJlings was zij daarheen gesneld, maar in plaats van den hond, vond zij de moeder van Marrije, en wel bezig met russchen te vlechten.
Hevig ontsteld, wilde zij vluchten, maar met een sprong had het wijf haar bereikt, en onder zich neer geworpen.
Nadat zij haar handen en voeten had vastgebonden, met de banden die zij bezig geweest was van de russchen te vlechten, had zij de nu gansch en al weerlooze, het lichaam ontbloot, om daarin met tijgerwellust te knijpen, onder de verzekering, dat haar schreeuwen zoo min als hare duivelskunstenarijen, haar iets zouden baten, want dat zij op die plak zou sterven.
Daar zij waarschijnlijk vreesde, dat het luide gekerm van haar slachtoffer, toch zou kunnen gehoord worden, wilde zij haar een doek voor den mond binden, en het was op dat oogenblik, dat Allard verscheen en verdere marteling deed ophouden.
Het bewustzijn van naderende hulp, had Cilie nieuwen moed en kracht gegeven, en zoo was het haar gelukt hare handen vrij te maken, en daarmee den strop te grijpen, waarmede de moordenares haar den hals wilde dichtsnoeren.
Onder tranen en pijnlijke bewegingen bracht het arme kind dit verhaal ten einde, en zoo levendig trof het Allard, dat hij, de tegenwoordigheid van den „voogd” vergetende, haar handen greep en die overdekte met kussen.
Maar deStroeve, die met een zeer donkeren blik deze daad aanschouwde, maakte kortweg aan alle verdere betuigingen van sympathie een einde.
Met de verklaring, dat het meisje voor alle dingen rust noodig had, wenkte hij de huishoudster, voor haar bed plaats te nemen, en verzocht Allard hem te volgen.
Er bleef dezen dan ook niets anders over, dan een vluchtig afscheid van de zieke te nemen, echter niet, dan na haar toegefluisterd te hebben, dat hij den volgendenmorgen zoo vroeg mogelijk weer bij haar zou zijn.
Hij dacht nu huiswaarts te keeren, maar de schutbaas verzocht hem, nog eenige oogenblikken te vertoeven.
„Uwe kleeren,” zeide hij, „zijn nog niet droog genoeg om ze te kunnen aantrekken, en—terwijl zij drogen, willen we een ernstig woordje met elkander wisselen.”
Allard wenschte niets liever, en nadat hij zich verkwikt had aan een glas sterk gekruiden heeten wijn, door den schutbaas in der haast gereed gemaakt, zette hij zich tegen hem over bij het helder brandende vuur.
„Mijnheer!” dus begon deStroeve, terwijl hij een doordringenden blik op zijn' gast vestigde—„wat is uwe bedoeling met uwe herhaalde bezoeken aan mijne pupil? Ik weet, dat gij behoort tot eene familie, die eene wettige verbintenis van een harer leden met eenburgermanskind, als eene diepe vernedering zou aanmerken, en dat gij dus betrekkelijk Cilie plannen moet koesteren, die..... niet overeenkomen met de verwachtingen, die uwe aanzoeken bij haar zullen hebben opgewekt.”
„Jansen!” sprak Allard met verontwaardiging, „ik verzoek u voorzichtig te zijn met uwe uitdrukkingen, want ik ben nooit gewoon geweest, dergelijke voor mijne eer en karakter honende uitdrukkingen ongestraft te aanhooren!”
„Ik sprak als ik denk, jonker Allard! en heb te lang in de wereld verkeerd, om niet te weten, wat gewoonlijk de gevolgen zijn van dergelijke..... hm! verbindtenissen.”
„Maar wanneer ik zeg, dat uwe onderstellingen ten mijnen opzichte geheel valsch zijn!.....”
„Wil dat zeggen, dat jonker Allard Bentinck, in alle oprechtheid de hand zoekt te verkrijgen van een meisje—zonder vermogen, zonder stand, zonder godsdienst, en......”
„Spreek uit!”
„Zonder naam!” sprak deStroevemet een vloek.
„Zonder naam? dat is: zonder een naam, dien de wereld acht en eerbiedigt? En, zoo ik nu eens zeide, dat ik voor mij, vrij ben van alle vooroordeelen, aan lieden van mijne geboorte en stand gewoonlijk eigen, en dat ik, bij het zoeken naar eene vrouw, alleen te rade denk te gaan met de wenschen van mijn hart?”
„En hoe weet gij, dat uw hart u hier niet bedriegt?”vroegdeStroeveschamper. „Maar,” voegde hij er eenigszins zachter bij, „al waart gij overtuigd, dat Cilie is, wat zij u toeschijnt te zijn, dan zoudt gij u toch driemalen bedenken, om toe te slaan.”
„Dat dunkt u, maar uwe onderstelling is valsch.”
„Ik zal oprecht jegens u wezen! Ik zal u het geheim van Cilie's geboorte onthullen, en ik twijfel volstrekt niet, of gij zult daarna erkennen, dat een meisje als zij, nooit deel van uwe familie kan uitmaken, en dat, zoo ge haar zoudt willen trouwen, gij genoodzaakt zoudt wezen, met uwe ouders en àl uwe bloedverwanten te breken.”
Daar was iets in de laatste opmerking, dat Allard pijnlijk aandeed, en dat hem een oogenblik het stilzwijgen deedbewaren.
De man had met ruwe hand eene gevoelige plaats in zijn gemoed aangeraakt, en de donkere blik, dien hij van onder zijne borsteligewenkbrauwenop hem vestigde, getuigde maar al te zeer, dat hij des bewust was.
„Zie,” vervolgde hij na een oogenblik zwijgens, en nadat hij opnieuw de glazen gevuld had, „ik kèn uwe familie, en dat van zeer nabij, want—ik heb in 't huis uws vaders eenigen tijd gewoond als bediende. Maar dat was vóór uwe geboorte.”
„En hoe is uw naam?”
„Of weet jonker Bentinck niet, dat ik Jansen heet?” was de spottende wedervraag van deStroeve, en, na een oogenblik zwijgens, vervolgde hij: „gij beseft nu te wel, dat ik niet vanhooren zeggenspreek, wanneer ik verzeker, dat ik de trots der Bentinck's en van die tot hen behooren, ken. Maar ter zake!
„Ongeveer twintig jaren geleden, was ik Bastiaan(28)op eene plantage in Suriname. Die plantage was het eigendom van een Franschman, die zich „Marquis” noemde, en met de dochter getrouwd was van een Hollandschen planter—zekeren meneer Deleman.
De Franschman, mijn patroon—hijheettede Renneval—was een zeer lastig heerschap, en een wreed meester over zijne slaven.
Hij beschouwde en behandelde ze niet anders, dan als lastdieren, waarvan men 't meest mogelijke voordeel moet zien te trekken, tegen de minst mogelijke kosten van onderhoud.
Nu ben ik alles behalve een teederhartig man, en langdurige omgang met het ebbenhout, heeft mij niet vriendelijker gezind jegens hen gemaakt.
Het is een lui, morsig, dom en brutaal ras, en wanneer de patroon hun verwantschap met den mensch ontzei, en—meer of min ontwikkelde apen noemde—was dit een van de weinige punten, waarop ik het vrij wel met hem eens was.
Dat ik mijne onderhoorigen dus zachtmoedig behandelde, wil ik niet beweren, maar mijn streven was toch, om hen goed te voeden, en na den zwaren arbeid, behoorlijk rust te gunnen.
Dat de patroon gehaat was door de zwarten,behoef ik u niet te zeggen, en evenmin, dat zij zich op alle mogelijke wijzen op hem trachtten te wreken.
Nu was er onder de mannelijke slaven zekere Hanno, die pretendeerde van Arabischen stam te wezen, en die zich dan ook door lichteren tint, dunnere lippen en beschaafder manieren van het overige beestegoed onderscheidde.
Hij was de beschermeling van de meesteresse, en was ook bij den patroon, tot zekere hoogte althans, vrij wel gezien, toen het volgende geval alles deed verkeeren.
De meesteresse had een jongequarteronnetot lijfmeid, die door den patroon met zooveel attenties bejegend wierd, dat zijne vrouw besloot haar uit te huwelijken, en wel aan niemand dan aan Hanno.
Dat geschiedde, maar in plaats van nu af te zien van verder pogen, vervolgdemonsieur de Rennevalmet verdubbelden ijver zijn doel, en het gelukte hem, op een uur, dat Hanno buiten was, zijne jonge vrouw te verrassen.
Dit nu nam Hanno, die werkelijk iets hooger stond dan een gewonen nikker, zeer euvel op, en 't was niet heel lang daarna, dat hij de gelegenheid waarnam van eene visite, die de patroon aflei op een naburige plantage, om in de slaapkamer van mevrouw te sluipen, en van haar te nemen wat de patroon van zijne vrouw genomen had.
Wellicht ware deze zaak geheim te houden geweest, want de meesteres zou zich wel gewacht hebben, de haar aangedane beleediging ruchtbaar te maken, maar dat lag niet in de bedoeling van Hanno.
Toen na negen maanden, mevrouwde Rennevalbeviel van eene dochter, zond hij eene oude slavin naar den patroon, om hem bekend te maken met het gebeurde, en vluchtte daarop met zijne vrouw naar de bosschen.
Datmonsieur de Rennevalin 't eerst meende te moeten twijfelen aan de waarheid der zaak, is licht te bevroeden, maar het verhaal van de negerin (bijna een ooggetuige) liet weinig twijfel over, en 't werd ten overvloede bevestigd, door de bekentenis van mevrouw—stervende uitgebracht—, want zij overleefde de geboorte van hare dochter maar een paar dagen!
In zijn toorn wilde de patroon het kind laten verhongeren, maar 't gelukte aan mijne vrouw, die de meesteresse als vroedvrouw had ter zijde gestaan, om hem diets te maken, dat het gestorven was.
Intusschen had zij het bij ons in veiligheid gebracht.
Toen een jaar daarna, de plantage wierd afgeloopen door Hanno, waarbij de patroon werd gedood, namen wij het hulpelooze schepsel mee naar Paramaribo, waar ik, het slavenranselen moede, van plan was mij als chirurgijn te vestigen.
Ik wist, dat daar eene zuster van mevrouw de Renneval woonde, en vond haar bereid, om zich het meisje aan te trekken.
Maar, zij wierd na een viertal jaren ziek en stierf.
Voor haar dood liet ze mij komen, en droeg mij het nu opnieuw verweesde kind op, voor welks onderhoud ze mij een klein kapitaal ter hand stelde.
Niet lang daarna werd ik weduwnaar, en daar 't mij op den duur te Paramaribo niet beviel, nam ik 't besluit mijne bezittingen te gelde te maken, en naar Holland terug te keeren.
Een gedeelte er van, op een ander schip vooruit gezonden, leed schipbreuk; het andere kwam behouden aan, en 't was met een deel daarvan, dat ik mij hier (waar ik in mijne jeugd woonde) grond kocht en er een huis op liet timmeren.
In 't eerst was ik van plan, om het meisje slechts tot zekeren leeftijd bij mij te houden, en haar dan bij lieden, waarbij zij iets beters kon leeren dan bij mij, op te doen voeden.
Maar”—en hier nam het gelaat van den verhaler eene zonderlinge uitdrukking aan—„maar.... ik ben van plan veranderd; waarom—dat gaat niemand aan!”
Hij zweeg.
„En is dat alles?” vroeg Allard.
„Dunkt het u niet genoeg?”
„Hebt ge mij denwarennaam medegedeeld van de ouders van Cilie?”
„Haar vader noemde zich Hanno,” sprak deStroevemet een grijnzenden lach, „en zoo gij meent, dat hij dit ten onrechte deed, moogt gij het onderzoeken.”
„En hoe heette de plantage, waar Cilie geboren wierd?”
„Tranquilité.”
„Jansen!” sprak Allard, „gij tracht mij te misleiden. In uw verhaal is waarheid, dat is zeker! maar even zeker is het, dat sommige omstandigheden daarin, al zeer onwaarschijnlijk klinken.”
„Wat!?” riep deStroevemet een paar geweldige vloeken.
„Uw vloeken vervaart mij niet, en het is niet uit vrees er voor, dat ik mij ga verwijderen. Maar mijne kleederen zijn thans droog genoeg, om ze weer aan te trekken, en 't wordt meer dan tijd om huiswaarts te keeren. Morgen kom ik terug, en we zullen dan nader spreken.”
„Als ik wil!” was het knorrige antwoord.
Dat het avontuur van Allard, den volgenden dag niet weinig besproken werd in de kolonie, en dat de held er van honderde vragen daarover had te beantwoorden, zal wel niemand verwonderen, en evenmin, dat het aan zijne nichten aanleiding gaf tot het maken van niet weinig bitterzoete commentariën.
Vooral nicht Alida kon niet nalaten, neef de opmerking te maken, dat zijn moed zeker zeer te bewonderen was, maar dat hij—naar haar oordeel!—toch beter gedaanhad, zijn leven niet te wagen, om eenschepselalsdit, van den dood te redden.
Maar neef's repliek was zoo levendig, en de verdediging van hetschepselzoo warm, dat freule Alida er niet weinig van ontzet was, en begreep, beter te doen—hierverdere opmerkingen te sparen, om ze later op eene plaats ter markt te brengen, waar zij geen effect zouden missen; eene manoeuvre, die—als men later zien zal—goed beraamd was, en niet zonder gevolgen bleef.
Wat Allard betreft, hij stoorde zich aan spot noch blaam.
De treffende gebeurtenis van den vorigen dag, had Cilie dierbaarder dan ooit gemaakt aan zijn hart, en hoe ookzijzich aan hem verbonden gevoelde,—de woorden, op de burrie hem toegefluisterd, bewezen het maar al te zeer.
Al wat naar weifeling geleek, was thans ook bij hem geweken. Gods vinger had hem verordineerd, haar ten beschermer te zijn, en wat er ook mocht gebeuren, wie zich tegen zijne vereeniging met haar mocht willen verzetten, hij zou haar niet verlaten, maar haar de zijne noemen, zoowel voor de menschen als voor God.
En het was met deze gedachten en voornemens, dat hij zich zoo schielijk hem maar eenigszins mogelijk was, naar 't huis aan 't meer spoedde.
Hij vond het arme kind wel wat bekomen van de angst en vermoeienissen, den vorigen dag geleden, maar toch pijnlijk, vooral op die plaatsen, waar het booze wijf haar met tanden en nagels had gehavend.
Maar de tegenwoordigheid van haar vriend, en vooral, wat hij, over hare peluw gebogen, haar herhaalde malen influisterde, oefende een zoo weldadigen invloed op haar uit, dat zij, alle leed vergetende, tegen den avond opstond en, door zijne armen ondersteund, nevens hem voor 't raam ging zitten.
Hier vertelde hij haar, wat haar voogd (deze was des morgens vroeg al uitgegaan) hem den vorigen avond betrekkelijk hare afkomst had medegedeeld. Zij hoorde hem met ingespannen aandacht aan, maar was verre van met alles in te stemmen, van hetgeen er in dat verhaal voorkwam.
Hoewel hare herinneringen, vooral op sommige punten, vrij vaag waren, was dit lang niet overal 't geval, en 't bleek Allard weldra, dat hij denStroeveniet ten onrechte verdacht hield, van onjuiste voorstelling der feiten.
Haar vader, wien zij naar 't verhaal van Jansen niet zou gekend hebben, herinnerde zij zich vrij wel. Zij wist, dat zij menigmalen op zijne knieën gezeten had, dat hij haar geliefkoosd en „petite marquise” had genoemd.
En, in plaats van weinig meer dan een zuigeling geweest te zijn, toen zij bij hare tante kwam, was zij minstens zes of zeven jaar oud geweest.
Deze tante kon ook geene zuster van hare moeder geweest zijn, maar wel van haar vader, want zij was eene Française, en van haar had zij de liedjes geleerd, die zij gewoonlijk zong, en het Fransch, dat zij ook nu nog gemakkelijker sprak dan het Hollandsch, en waarin zij zich bij voortduring had kunnen oefenen, daar haar voogd, die uit Fransch Vlaanderen afkomstig was, die taal zeer goed kende, en er zich bij voorkeur van bediende, wanneer hij met haar sprak.
Intusschen heette deze tante niet:de Renneval, maar:de Cosse, als zij bewees uit een Catholiek gebedenboekje, dat haar eenmaal had toebehoord, en op welks schutblad met duidelijke letters geschreven stond:Desirée Louise Posada, née de Cosse, 1687.
De naamCosseklonk Allard vrij bekend in de ooren, en bij eenig nadenken herinnerde hij zich, dat hij te Amsterdam, ten huize van een zijner kennissen, een refugié had ontmoet, die onder dien naam aan hem was voorgesteld.
Was hij nog in leven, dan zou er zeker wel gelegenheid bestaan om hem te spreken, en van hem te vernemen, of de tante van Cilie ook behoorde onder zijne bloedverwanten, en was dit laatste het geval, dan had men den draad in handen, om in dit labyrinth den weg te vinden. Ook kon daartoe dienen, de—zeker in een onbewaakt oogenblik—aan denStroeveontsnapte mededeeling: dat hij kort voor Allard's geboorte, in diens ouderlijk huis had gediend.
Hij deelde dat alles aan Cilie mede, en trachtte haar duidelijk te maken, dat zijn bespoedigd vertrek naar den Haag—hoe ongewenscht ook onder de tegenwoordige omstandigheden—noodig was, om den weg te effenen, die tot hunne vereeniging leidde.
Maar Cilie wilde daarvan niets hooren.
Te scheiden, en dat voor wie weet hoe lang; haar te verlaten,—nu al weer te verlaten, en dat terwijl zijn bijzijn haar zoo nameloos gelukkig maakte... het denkbeeld maakte het hartstochtelijk schepseltje zoo rampzalig, dat Allard zich haastte den storm te bedaren, door de verzekering te geven, dat hij vooreerst aan geen weggaan dacht, en althans zoo lang zou blijven, tot zij geheel hersteld was.
Eene belofte trouwens! die maar al te zeer instemde met de wenschen van zijn hart.
Want het waren dagen vol weelde, die hem wachtten aan de zijde van de teedergeliefde—vooral toen zij, als weldra 't geval was, slechts weinig letsel meer leed, van wat zij verduurd had op den schrikkelijksten dag van haar leven; den dag evenwel, waarvoor zij toch den goeden God niet genoeg kon danken, want na de doorgestane angsten en smarten, was haar geschonken, wat zij nooit had gedacht te zullen verwerven.
Bijna elken namiddag kwam Allard haar bezoeken, en, hing het schoone kopje mat en treurig neer, als eene bloem, die het aan water ontbreekt, het richtte zich op, wanneer het uur naderde, waarop de welbeminde gewoon was te verschijnen.
En, sloeg dat uur, 't was uit met mijmeren, en stond zij aan het hek van den hof, in gezelschap van den getrouwen hofhond, en omfladderd door hare duifjes.
Niet zoodra kreeg zij hem in 't oog, of in wilde vaart vloog zij hem tegemoet, drukte hem aan haar hart, en rustte niet voor hij haar evenals een kind op den arm nam, en huiswaarts droeg, gelijk hij gedaan had, toen hij haar, na haar uit het water te hebben getogen, naar de hut bracht waar zij de oogen had opgeslagen tot een nieuw leven.
Op die armen, en aan die borst, zeide zij, was zij veilig voor alle boozen en al het booze, dat in de wereld bestond, en—behoeft het gezegd te worden—dat de drager zich even gelukkig gevoelde als de gedragene, en onder de weelderige lokken, die zijn aangezicht omzwierden, de kus beantwoordde waarmede het schoone kind van tijd tot tijd haar gesnap afbrak?
Het zure gezicht van denStroeve(die echter zelden thuis was) en de tegenwoordigheid van de huishoudster, die order scheen te hebben, op al de bewegingen van het jonge paar acht te geven, maakte het verblijf binnenshuis minder aangenaam, en daarom ging men—wanneer het weer het maar eenigszins toeliet—naar buiten, en bezocht, arm in arm, de plekjes, merkwaardig en veelal dierbaar geworden, door de gebeurtenissen, der laatste dagen.
Het hutje van den goeden arbeider, waarin men liefderijk was verpleegd; de plek op den dijk, waar Allard gestaan had, toen hij de geliefde aan de golven had ontrukt, en het boschje, waarbij hij gepoogd had, haar in 't leven terug te roepen, werden niet vergeten, maar 't liefst en 't langst verwijlde zij met hem, op het plekje, waar hij haar 't eerst had toegesproken, „en waar ik „petite folle”(29)—als zij zeide—wou ontvluchten, wat mij was toegezonden door den lieven God, om mijn alles te worden.”
Maar.... als alle idyllen, was ook de hunne kort, en helaas! al te kort.
Eens op een morgen kwam Allard vroeger dan naar gewoonte, aan het schuthuis, en hoe verheugd Cilie ook was hem nu al te zien,—hare vreugde verkeerde aldra in angst, bij 't aanschouwen derdonkerewolken, die er rustten op zijn voorhoofd.
En waarlijk niet zonder reden, stond zijn wezen zoo droef.
Hij had den avond te voren, bij zijne thuiskomst, een brief gevonden van zijn vader, met het bericht, dat zijne moeder vrij ernstig ongesteld was geworden, en dringend zijn terugkomst verlangde.
Zijn onmiddellijk vertrek was nu onvermijdelijk, en dienzelfden avond wilde hij zich te paard naar Meppel begeven, om daar met de beste gelegenheid de terugreis naar den Haag te aanvaarden.
Het arme meisje was radeloos, en waarlijk geen wonder!
De toekomst was zoo duister.
Bij wien zou zij thans haar toevlucht nemen?—waar zou zij bescherming zoeken, tegen de vijanden, die haar alom belaagden?
Haar voogd?... maar had zij het steeds verzwegen, wat zij nu wel zeggen moest: daar was in zijne gedragingen jegens haar in den laatsten tijd veel geweest, dat haar méér zijne vriendelijkheid, dan zijn wrevel moest doen duchten!”
Met schrik hoorde Allard de laatste mededeeling aan.
Zij voegde eene groote bekommernis bij de reeds bestaande, en hij dacht er een oogenblik aan, om het arme meisje bij vertrouwde lieden onder dak te brengen, maar.... Cilie was nog niet meerderjarig, en door welk middel zou hij, en dat vooral bij de korte oogenblikken, die hem restten, haar aan de macht van haar voogd onttrekken?
En bij wien zou de door de meesten verafschuwde heks, een onderkomen zoeken?
Haar vriend jonker Swaap lag gevaarlijk krank, en een ander, verre boven de vooroordeelen van het onzinnig gepeupel verheven en haar zeer toegenegen man, was met zijne gansche familie op reis.(30)
Duisternis dus waar hij het oog vestte, en toch moest hij zich sterk betoonen, moest hij woorden van troost en bemoediging spreken.
Maar, evenals Rachel, wilde Cilie niet vertroost worden, en hoe meer het oogenblik van afscheid naderde, hoe sterker het hartstochtelijke kind zich aan hem vastklemde, en hem bezwoer, bij haar te blijven, en haar niet aan den dood prijs te geven!
Met geweld moest hij zich eindelijk uit hare armen los maken!
Driemalen ging hij heen, en driemalen keerde hij weder, en 't was niet dan met inspanning van al zijne krachten, dat hij er eindelijk toe kwam, de halfbezwijmde in de armen der huishoudster neer te leggen, en zoo schielijk hij kon zich te verwijderen.
(28)Slavenmeester.
(29)Kleine zottin.
(30)Mr. Petrus Calkoen, aan wiens aanteekeningen verre weg het grootste deel van Cilie's geschiedenis is ontleend.
Een paar weken zijn er verloopen sedert Allard's vertrek en de arme Cilie was reeds ten einde raad.
In de eerste dagen was 't haar ook zeer droef te moede geweest, maar bij nader inzien had zij toch begrepen, dat deze scheidingmoest voorgaan aan hunne vereeniging, en dat de woorden, door den heengaanden vriend gesproken, toch ook veel troostrijks inhielden.
Hunne vereeniging, had hij gezegd, was in den hemel gesloten, en alzoo zou geen menschelijke macht er zich tegen kunnen stellen.
Voorts zou de scheiding slechts kort zijn, want slaagde hij niet, om het voorgenomen onderzoek naar hare familiebetrekkingen in korten tijd ten einde te brengen, en liet de ziekte zijner moeder het maar even toe,—hij zou haar komen afhalen, om haar in een of ander stil verblijf in veiligheid te brengen.
En in allen gevalle zou hij haar terstond na zijne aankomst ginds schrijven, en het beloofde bijbeltje toezenden; het Goddelijke boek, waaruit zij troost en bemoediging zou kunnen putten, wanneer het donker om haar heen wierd, en haar vertrouwen op de toekomst wankelde.
En thans was het veertien dagen geleden, sinds hij haar den laatsten kus op de lippen drukte, en zij had taal noch teeken van hem ontvangen.
Dag noch nacht had zij rust meer!
De nachten bracht zij wakende door, of—sliep zij—haar slaap was kort en vol van de ontrustendste en duisterste droomgezichten.
Des daags zwierf zij droevig en mistroostig om, en bezocht de plekjes, die zij nog zoo kort geleden, aan zijne zijde bezocht had,en die er nu somber en verlaten uitzagen, ook al bescheen de herfstzon ze met hare vriendelijke stralen.
Zelve had zij reeds tweemalen geschreven, en hoewel het haar veel moeite gekost had, hare gedachten in schrift te brengen—zij hanteerde zoo zelden de pen!—meende zij het toch duidelijk genoeg gemaakt te hebben, hoe vreeselijk angstig het haar om 't hart was, en hoe een enkele regel schrifts van zijne hand—slechts eene enkele!—haar tot rust zou brengen, en haar lot met onderwerping doen dragen.
En toch kwam er niets, letterlijk niets!
Elken Saterdag—de brieven uit Holland kwamen slechts eens in de week in de kolonie aan—elken Saterdag had zij haar vertrouwde gezonden naar den schatbeurder,(31)die belast was met het postbeheer voor de Velden, om te vragen of er iets was voor haar, maar—het meisje bracht haar steeds hetzelfde antwoord, en vergezelde dit met een zoo zonderlingen blik, dat zij niet wist, wat er van te moeten denken.
En—zonk zij schreiend neder op haren stoel, dan lachten haar voogd en zijn bondgenoote de huishoudster schamperlijk, en beiden plaagden haar met hare onnoozelheid.
Dan verzekerden zij haar, dat zij dwaas deed met te hopen op iets, dat nooit zou verwezenlijkt worden.
De voorname heer had haar verlaten, en dat voor altijd! Hij had haar gepaaid met ijdele beloften, om op eene aangename wijze met haar den tijd te kunnen korten, en..... nu hij wellicht zijn doel bij haar had bereikt, had hij haar weggeworpen, als een speeltuig, dat men moede is geworden!
Met verontwaardiging wierp het jonge meisje deze beschuldigingen terug.
Nooit was haar iets gevergd, dat streed met de eerbaarheid!
Hunne verkeering was rein begonnen en rein gebleven, en...... bleef Allard weg, dan was dat niet uit ontrouw, niet omdat hij haar niet lief had als weleer, maar dan was hem het een of ander overkomen.
Dan was hij ziek....teziek om het haar te kunnen melden!
En dit laatste denkbeeld, vestigde zich voor goed in hare ziel.
Allard was ziek en kon dus, hoe gaarne hij ook wilde, haar zijn toestand niet melden, en—zijne bloedverwanten weigerden dit voor hem te doen.
En was dat zoo, wat dan aan te vangen?
Een oogenblik had zij er over gedacht naar Holland te reizen.
Maar.... zij had geen geld, en al ware dit wel het geval geweest, wat zou het gebaat hebben, want zij was zoo bijster onervaren!
Waar zou zij, ware 't haar ook al gelukt, de groote en gevaarlijke reize over zee te volbrengen, waar zou zij in de—in hare verbeelding ontzaglijk groote Hofstad—Allard vinden?
Uit hare kindsheid herinnerde zij zich nog, hoe zij, aan de hand van haar voogd, door de straten van Amsterdam had gezworven, en hoe angstig te moede het haar was geweest, toen zij—door het geweldig gedrang van de menigte van hem gescheiden—een korten tijd door den menschenstroom was weggesleept.
En ook deze stad zou zij thans—en dat alleen—moeten doorkruisen!
Dit ging alzoo niet, en toch, zij wilde en moest zekerheid hebben.
En om deze te verkrijgen, besloot zij naar „de Huizen” te gaan, en zich bij de familie Bentinck, waar Allard gelogeerd geweest was, aan te melden.
Wel wist zij—Allard had het haar meermalen gezegd—dat die familie haar zeer ongenegen was, maar zij wilde haar dan ook volstrekt geen overlast doen, en alleen maar vragen: wat men van den zieke wist, en.... of er eenige hoop op zijn spoedig herstel bestond?
't Was een moeilijke gang voor haar—dien gang naar het dorp, want zij wist, en maar al te vaak had zij het ondervonden! dat het volk in haar zag eene dienaresse des duivels, die men beleedigen mocht naar welgevallen.(e)
En thans..... nu men ook den dood van Marrije aan haar toeschreef..... wiekon haar zeggen wat haar stond te wachten!
De beide meisjes ten minsten, die haar vroeger plachten te vergezellen, weigerden thans met haar mede te gaan, en had zij weleer in het dorp twee haar toegenegen vrienden, bij wie zij toevlucht zou kunnen zoeken, dit was thans het geval niet meer.
Maar al die overwegingen hielden haar niet terug.
Haar onrust was zoo groot, dat zij haar niet langer kon verduren, en toen ook de derde Saterdag geen bericht bracht, aanvaardde zij den tocht, na langen tijd op hare knieën den goeden God te hebben gebeden om zijne bescherming, als Allard haar had aanbevolen te doen, bij alle bezwaren en nooden.
't Was tegen den avond, toen zij in het dorp aankwam, en daar zij, om niet zoo gemakkelijk herkend te worden, haar wit kleedje onder eene donkere falie hield bedekt, gelukte het haar onbemerkt het huis van den heer Bentinck te bereiken.
Met bevende hand klopte zij hier aan.
De deur werd geopend, en—ongelukkiger kon het niet—juist door de jonge dame, die ik vroeger vermeldde als hare bitterste vijandin.
Men kon denken, met welke oogen zij het rampzalig voorwerp van haar haat aanstaarde, en welk antwoord het bevende kind ontving op haar met nauwelijks hoorbare stem gedane vraag.
Ook was deze nog niet ten volle uitgesproken, of eene stortvloed van verwenschingen en scheldwoorden barstte los, gevolgd door de verzekering, „dat zij jonker Allard nooit weer zou zien, want dat hij God gedankt had, toen hij—thuis gekomen—zich buiten 't bereik gevoelde van de tooverijen en liefkozingen eener infame heks!”
Als vurige pijlen drongen deze bitse woorden in het hart der rampzalige maagd, en, niet in staat om een enkel woord te antwoorden, kruiste zij de armen op de borst, keerde zich wankelende om, en ging heen.
Onder de pijnlijkste gedachten vervolgde zij haar weg.
Verlaten.... verstooten door hem, die haar duizendmalen de verzekering had gegeven, dat zij zijn alles was, en voor wiens behoud zij haar laatsten droppel bloed zou veil gehad hebben! O, Vader in den Hemel! Waarom haar in gindsche ure niet tot u genomen? Waarom haar een korte wijle gespaard, om haar thans een dood te laten sterven, oneindig pijnlijker, dan die haar gewacht zou hebben in den schoot der golven?
Vreeselijk waren de martelingen geweest, die zij verduurd had, van de handen harer pijnigster op de heide, maar wat waren zij, vergeleken bij het knagen van het venijn, dat thans haar hart doorwoelde?
Verstooten! beschimpt... door hem.
Werktuigelijk had zij den terugtocht aangenomen, werktuigelijk sloeg zij den weg in, die naar de „Velden” geleidde, en zoo zeer was zij verzonken in droevig gepeins, dat zij ter nauwernood hoorde, dat eenige jongens, die haar herkend hadden, haar nariepen, en „hekse! hekse! nevelhekse!” scholden.
Maar toen dat geroep sterker wierd, deed het haar toch hare schreden verhaasten.
Weldra was zij de laatste huizen van het Haagje, eene destijds door geringe lieden bewoonde buurt, genaderd, toen zij het ongeluk had, een klein kind, dat onvoorziens uit eene deur kwam schieten, omver te loopen.
Daar het kind schreide, nam zij het op, en poogde het door liefkozingen te sussen.
Maar de moeder, die op het geschrei van het meisje was komen toeloopen, zag niet zoodra haar kind in de armen van „Nevelhekse”, of zij hief een onzinnig geschreeuw aan, en riep daarmee de geheele buurt buiten.
„Haar kind”—riep zij—„werd behekst door deze duivelin, en zou nu eerlang sterven, evenals de arme Marrije!” en—honderd keelen hieven weldra denzelfden kreet aan.
De arme Cilie, verschrikt geworden door dit geweld, keerde zich om, en poogde uit te leggen wat er gebeurd was, maar in plaats van naar haar te luisteren, overlaadde men haar met scheldwoorden, en begonnen de jongens met slijk en steenen naar haar te werpen. Een van de laatsten trof haar boven het oog, en deed haar met een pijnlijken kreet neerstorten. Met de gevouwen handen opgeheven, terwijl een stroom van bloed haar over het oog gudste, lag zij op hare knieën, zag smeekend naar hare vervolgers op, en bad om medelijden.
Maar wat weet een dom en door godsdienstwaanzin verblind gepeupel van medelijden?
Haar val was een soort van triomf voor deze ellendigen.
Men bleek sterker te zijn dan de duivel, die deze heks beschermde, en kon dus niet beter doen de aanvankelijk behaalde overwinning te vervolgen.
Nieuwe verwenschingen en—nieuwe steenworpen alzoo!
Het arme kind uitte geen woord meer, maar toen een van de grootste jongens met kracht een steen haar tegen het lijf slingerde, stiet zij een kreet uit, stortte voorover en bleef—haar hoofd werktuigelijk met de handen beschermende, roerloos liggen.
Een vroolijk gejuich steeg op uit de borst der zegevierende helden, en men maakte zich gereed den laatsten beslissenden slag aan te brengen, toen de dorpsschoolmeester, die niet verre van de martelplaats woonde, kwam toeschieten.
Deze man, die soldaat geweest was en de wereld gezien had, bleek verre verheven boven het akelig bijgeloof der menigte.
Moedig stelde hij zich voor het meisje in de bres, en het gelukte hem door zijn woord en gezag, zooveel invloed uit te oefenen,dat de woeste bende, althans vooreerst, afzag van verdere geweldpleging.
In zijn hoed putte hij water uit de vaart, en bevochtigde daarmede de slapen van het nu bezwijmde meisje, en zond daarop een zijner kinderen naar den chirurgijn.
Deze verscheen spoedig, en met zijne hulp gelukte het weldra, de gewonde zoover bij te brengen, dat men haar naar het huis van den meester kon vervoeren.
Hier werd zij door diens vrouw met liefde verzorgd, en toen de chirurgijn verklaard had, dat de toegebrachte wonden en kneuzingen niet, of althans niet terstond, doodelijk waren en bij zorgvuldige verpleging zouden kunnen genezen, deed de goede schoolmeester een schuitje in gereedheid brengen, en nam een man aan om het voort te trekken.
Toen bracht hij een bed daarin, lei het meisje er op, bedekte haar met zijne oude ruitermantel en, zelf aan 't roer plaats nemende, voerde hij haar te middernacht naar het schuthuis.
Bleek en ongedaan, en naar lichaam en geest ongesteld, kwam de arme gefolterde daar aan, en legde zich op haar leger neder.
Den volgenden dag was zij doodziek, maar geen klacht ontglipte aan hare lippen.
Zwijgende liet zij zich door haar voogd verbinden, en gebruikte de haar toegediende medicijnen, maar—met gesloten oogen.
Meestal scheen zij verzonken in droeve gepeinzen, of in een toestand, die aan bewusteloosheid grensde, maar dat zij toch wist, wat om haar heen gebeurde, bleek aan den handdruk, waarmede zij meester van Xanten bedankte, toen hij naar haar kwam vernemen.
Den schout, die hem vergezelde, en haar een verhoor wilde doen ondergaan, gaf zij echter geen antwoord.
O, had de man, die de schrikkelijke oorzaak was van haar lijden, haar de toedracht der zaken in Holland—hem maar al te wel bekend—destijds medegedeeld, alles ware wellicht nog terecht gekomen!
Dat hij op het punt stond om het te doen, is zeker, maar hebzucht en begeerte, gesterkt door valsche schaamte, sloten hem de lippen, en toen hij eenige dagen later zoo gaarne had willen spreken, was het.... te laat!
In den vierden nacht na haar terugkeer, verbrak de zieke eensklaps het stilzwijgen, en verschrikte de huishoudster, die bij haar sliep, door een zonderling gemompel, van tijd tot tijd onderbroken door vreemde en met een schrille stem geslaakte kreten.
De sluiswachter die opgestaan was, dacht eerst aan een aanval van koorts, en, was dit vermoeden wellicht niet ongegrond, hij merkte aldra, dat hierbij iets ergers in 't spel was.
De schrikkelijkste kwaal, en die maar al te dikwijls een diepgaand zielelijden volgt, vertoonde zich weldra in al hare akeligheid bij Cilie: hare rede had haar begeven—zij was volslagen krankzinnig geworden.
Des daags zat zij soms uren aaneen met het hoofd in de handen, naar buiten of in het vuur te staren, maar tegen den avond verhieven zich buien van waanzinnige woestheid.
Dan werd zij druk en levendig, sprak allerlei onzin, en was niet dan met geweld binnenshuis te houden.
Tegen haar voogd bleek zij een geweldigen afkeer te hebben opgevat.
Zijne nadering was voldoende, om haar, zelfs gedurende hare betrekkelijk kalme buien, in hevige woede te doen uitvaren, en hem met allerlei half Fransche, half Hollandsche schimpnamen te overladen.
Meestal verwijderde hij zich dan ook zoo schielijk mogelijk en geen wonder! want sommige van hare uitdrukkingen deden een vreemd licht opgaan over zijne handelingen en bedoelingen, zoo jegens haar als anderen.
Maar daarover straks.
(31)Ontvanger.
Ik heb in 't begin van deze geschiedenis gesproken over de twisten tusschen de aangelanden van het meer, en jonker Swaap, over het beheer van het verlaat, dat de wateren er van bedwong.
Deze twisten hadden een rechtsgeding ten gevolge gehad, dat op dit oogenblik nog aanhangig was.
Naar de gewoonte van die dagen waren er door beide partijen tal van excepties opgeworpen en bepleit, die dan eens gewonnen, dan eens verloren werden, maar die, zeer ten genoege van de advocaten, de procedure gerekt, en bijgevolg voordeeliger voor hunne beurzen hadden gemaakt.
Men pleitte echter thans ten principale, en naar velen meenden, zou het eindvonnis niet ten voordeele van den jonker uitvallen.
Maar deze, dit wellicht niet geloovende, had den sluiswachter aanbevolen, niet de minste toegevendheid tegenover zijne tegenstanders te gebruiken, en hen te kwellen zooveel hij maar kon.
Thans was hij wel is waar doodziek, maar deStroevehield zich aan zijne ontvangen orders. Hij gaf in droge tijden niet meer water, dan er noodwendig moest gegeven worden bij het doorschutten van de turfbakken, waarmede de jonker zijne sponturf afscheepte, en wist bij overvloedigvocht, door kunstmatige opstuwing er—vooral de Zuidwoldingers—overlast mede te doen.
Van tijd tot tijd waren er in stilte pogingen aangewend, om het schut te openen, maar de baas was zoodanig op zijne hoede, dat dit maar eenmaal gelukt was, en sedert dien tijd was zijne waakzaamheid dan ook verdubbeld.
Intusschen was thans door Participantenen aangelanden besloten, het Hollandscheveldsche Opgaande opnieuw te verdiepen en te verbreeden, en daar dit niet geschieden kon, zonder afsluiting van alle zijkanalen, was er ook een dam geplaatst in de wijke, waardoor het water van het groote meer in dat Opgaande afloosde.
Er was alzoo thans geene noodzaak om het verlaat te bewaken, want bestond er voor eenige weken nog behoefte aan het meerwater, thans zou het openen van de sluis eene ramp geweest zijn, want het water uit het, door de laatste regens boven 't gewone peil gestegen meer, zoude den dam beneden wegspoelende, het leeggepompte pand opnieuw onder hebben doen loopen.
DeStroevekeurde het alzoo niet noodig, om het windrad, waarmede de valdeur van het sluisje werd opgetrokken, als naar gewoonte met een hangslot te sluiten.
Dit verzuim wierd hem noodlottig.
Op een stormachtigen nacht, in 't laatst der maand September, was hij te bed gegaan, en Cilie, die den vorigen nacht wat rustiger geweest was, had zich ook thans zonder veel tegenstribbelen naast de huishoudster neergelegd.
De slaap had hem—als hij later verklaarde—schielijk bevangen, maar al spoedig werd zijne rust verstoord door bange droomen.
Eerst in geheel onbepaalde vormen.
Hij voelde, dat hem iets dreigde, maar wat dit was, kon hij onmogelijk uitmaken.
Er school, dacht hem, gevaar in alle hoeken, en het gansche vertrek zag hij vervuld met vormelooze, en in 't rond wriemelende wezens.
Dan hoorde hij een vervaarlijk gesis, als van de adders en slangen der boorden van de Coppename, dan weer een brullen als van de tijgers der vlakten, en vervolgens als van het loeien des orkaans door het dichte loover der West-Indische wouden.
En daartusschen klonken stemmen, en vertoonden zich gestalten uit een lang verdwenen, maar toch alles behalve vergeten verleden; gestalten, die hem zoo wakende als droomende, maar al te dikwijls hadden verontrust.
En achter hen verrees nu eene nieuwe, en evenzeer dreigende gedaante.
Zij was gehuld in een blinkend wit gewaad, en had de trekken en houding van Cilie, en terwijl zij grooter en blinkender wierd, wees zij hem met de hand naar een donkeren hoek, aan den voet van een hoogen boom, waar iets lag,—verborgen door hooge struiken.
Wat dit was, wist hij maar al te wel, en met afgrijzen keerde hij zich af.
Maar het baatte hem niet, want een geweldig ruischen als van een waterval kwam nader, en de wind woei het lijk bloot dat daar lag—bloedende en met verglaasde oogen.
Hij uitte een kreet van ontzetting, en ontwaakte.
Goddank!—dacht hij—'t was niets dan een bangen droom, veroorzaakt door 't huilen van den wind.
Maar was het wel alleen de stem van den wind, wat hij hoorde?
Hij woei met ongeregelde rukken, maar tusschen die rukken klonk het geweldig en aanhoudende ruischen van een waterval.
Zoo het verlaat eens.....
En met een sprong was hij uit zijn bed, en rukte de zijdeur open.
De schrik verlamde een oogenblik zijn krachten, en, als op den drempel vastgenageld, staarde hij het wilde tafereel voor hem aan, thans helder beschenen door het licht der maan, die een oogenblik onbelemmerd straalde, tusschen de donkere wolken die in geweldige vaart voorbij haar schoven.
Een vijandige hand had de valdeur van het schut opgehaald, en met woeste vaart stortte het water van het meer zich naar beneden.
Blijkbaar was het schut al eenigen tijd geopend geweest, want het water, gestuit door de keersluis en vervolgens door den dam in den mond der wijke, vloeide over de boekweitakkers, en stortte zich, met het op 't land gelaten boekweitstroo, welker massa's zich als groote donkere plekken op het schuim teekenden, in de vaart.
Tot bezinning gekomen, snelde de sluiswachter naar het schut, en poogde de valdeur te doen zinken, wat hem met de hulp der inmiddels toegesnelde huishoudster eindelijk gelukte.
In 't eerst schreef hij dit woest bedrijf toe aan de moeder van Marrije, maar de huishoudster verzekerde, dat zij reeds voor veertien dagen met hare gansche familie naar 't Bentheimsche was vertrokken, en.. klonk daar niet in de verte de stem van Cilie?
Gewis, en veel vreemder dan ooit!
't Was niet meer het welluidend gekweel van vroeger, maar het geleek op het wild gekrijsch van trekkende vogels, hoog in de lucht!
Het meisje scheen zich met snelle schreden naar de oostzijde van het meer te begeven, want van daar, doch al reeds heel ver weg, klonk haar gezang.
Zonder twijfel was zij de schuldige!
Onbemerkt had zij de zijde van de huishoudster verlaten, was stilletjes door de achterdeur ontsnapt, en had de valdeur weten op te winden en vast te zetten.
Zoo snel als de stormwind en de duisternis het hem toelieten volgde Jansen de vluchtelinge, maar 't bleek hem weldra vergeefsche moeite te zijn.
Nog slechts eenmaal hoorde hij de stem van de arme waanzinnige weerklinken over de woeste donkere vlakte, maar het was heel, heel ver weg, en nauwelijks hoorbaar door 't gehuil van den stormwind.
Met het aanbreken van den dag, zette hij zijn onderzoek voort, en doorkruiste het land om het groote meer, maar zonder eenig gevolg—het meisje was en bleef verdwenen!
Het slot dezer geschiedenis vereischt geen lang verhaal.
Bij den Banner-Schultus van het Beiler Dingspil, die zich op dit oogenblik te Zuidwolde bevond, meldde zich een drietal dagen na deze gebeurtenissen een man aan, die verklaarde: een drievoudigen moord op zijn geweten te hebben.
De God—zeide hij—wiens geboden hij zijn leven lang gehoond en overtreden had, had zich eindelijk een machtig God betoond en zijn verzet gebroken.
Het brandde hem inwendig.
Hij had rust noch duur meer, en kwam zich aan de menschelijke gerechtigheid overgeven.
Hij woonde te Hoogeveen en was daar bekend onder den naam van Jansen, maar zijn ware naam was Martin Balingre.
De Banner-Schultus, dacht eerst te doen te hebben met een krankzinnige—en zijn verwilderd en woest voorkomen wettigde dan ook volkomen deze onderstelling—maar het klaar en geregeld verslag, dat de man gaf van zijne lotgevallen en misdrijven, overtuigde hem weldra van het tegendeel, en hij aarzelde dus niet langer, hem gevangen te doen nemen, en voorloopig naar Assen op te zenden.(f)
Ziehier wat een handschrift van een tijdgenoot, en dat onder mijne papieren berust, van den man en zijne bekentenissen vermeldt:
Martin Balingre, geboren te Rijssel, in Fransch Vlaanderen, had, nu vijf-en-veertig jaren geleden, eerst als kleermakersgezel, vervolgens als barbiersleerling, een korten tijd te Hoogeveen vertoefd, en stond bij het Schoutambt aldaar niet bijzonder gunstig aangeschreven.
Herhaalde malen toch was hij op de Gôspraken beboet wegens geweldplegingen en bekkesnijderijen.
Hadden deze tot nog toe geene andere gevolgen gehad, dan eene gedwongene werkstaking van eenige weken of dagen bij zijne slachtoffers,—anders wierd het, toen hij bij een twist in een herberg, zijn tegenstander zoo geweldig verwondde, dat deze nog dienzelfden nacht bezweek.
Hij was echter gelukkig genoeg den Schout te ontkomen, en nam de wijk naar Holland.
Eerst te Haarlem en later in den Haag, verhuurde hij zich als heerenknecht, en was in de laatste stad, gelijk hij ook aan Allard verteld had, een poos als huisknecht in dienst geweest bij diens ouders, en wel in 't jaar 1676.
Hij bleef hier, zoo min als trouwens ergens, heel lang.
Uit den dienst der Bentinck's ontslagen, kwam hij bij een Oostersch heer wonen, en daar maakte hij kennis met iemand, die in de kolonie Suriname een groot fortuin had gemaakt en breed opgaf van de vele gelegenheden die er bestonden, voor iemand van ondernemenden geest, om er schielijk en gemakkelijk rijk te worden.
Martijn Balingre, ofDupré, als hij zich destijds noemde, die niets liever wenschte, vond aldra gelegenheid om naar de West over te steken, maar niet—om als hem was voorgespiegeld—er in korten tijd fortuintemaken.
Nadat hij het eenige jaren te vergeefs met de Chirurgie beproefd had, ging hij over in dienst van denMarquis de Cosse, een refugié uit het zuiden van Frankrijk, die gehuwd was met een Hollandsche erfdochter, die hem de plantage „Mon Désir”, aan de boorden der Suriname, ten bruidschat had aangebracht.
Hier nam Balingre eenigen tijd het ambt van Bastiaan waar, en 't was een jaar ongeveer voor zijn ontslag, dat het geval gebeurde met Hanno, als hij indertijd aan Allard verhaalde.
Het kind, dat de vrucht was van Hanno's geweldpleging, was echter niet Cilie—want deze was destijds al vijf à zes jaren oud, en alzoo een wettige dochter van den heerde Cosseen zijne echtgenoote Bertha Wilhelmi.
Ook was de plantage wel verwoest door Hanno en zijne medestanders, maar Martin Balingre had hen daartoe niet alleen aangezet, maar ook de gelegenheid verschaft, en wèl, om zich te wreken op zijn meester, die hem—naar hij beweerde—grievend had beleedigd.
Ook was hij het, die met eigen hand het huis van den patroon in brand stak, en erger! hem had neergeveld, toen hij, vluchtende met zijn kind, bij een buurman onderkomen zocht.
Bewogen door de lieftalligheid van het meisje, en meer nog door de verwijtingen van zijn geweten, had hij zich harer aangetrokken, en haar later toevertrouwd aan hare tante, mevrouw Posada, die, evenals haar broeder in Holland, geheel onkundig was gebleven van de waarachtige toedracht der gebeurtenissen, waardoor de kleine Cilie wees was geworden.
Maar ook zij wierd weldra ziek, en 't was even voor haar dood, dat zij hem het meisje opnieuw toevertrouwde, en verzocht het mee te nemen naar haar broeder in Amsterdam.
Tevens had zij hem eene aanzienlijke som gelds ter hand gesteld, en een goed deel van hare juweelen en kostbaarheden voor het kind, en daarbij hem ruimschoots vergoeding gegeven voor zijne moeite en de te maken onkosten, voor overtocht en onderhoud.
Maar de duivel der hebzucht had hem bekropen, en—gebruik makende van de omstandigheid, dat het schip, waarop een deel van zijne eigene bezittingen was ingescheept, verongelukte—had hij den heerde Cossete Amsterdam weten diets te maken, dat het hem toevertrouwde kind, bij deze gelegenheid met al wat het bezat, was verloren gegaan.
Hij had zich hierop te Hoogeveen, waar hij in zijne jeugd—als gezegd is—korten tijd gewoond had, te kort—als hij hoopteen ook waar bleek—om er te worden herkend, nedergezet onder de verhaalde omstandigheden, en er verder—op zijne wijze altijd—voor zijne pupil gezorgd.
Gelijk hij aan Allard gezegd had, was hij aanvankelijk van plan geweest, om Cilie, wanneer zij tot zekeren leeftijd zou zijn gekomen, op een of andere school te doen, en haar bij hare meerderjarigheid, of wanneer zij kwam te trouwen, een deel althans van haar eigendom terug te geven.
Maar zijne hebzucht verzette zich meer en meer tegen dit plan, en kreeg later eene bondgenoote, die het voorgoed verijdelde.
Deze sombere, norsche en menschenhatende man, die met alles spotte, en die bij elke gelegenheid op de liefde, het huwelijk, de vrouwen en hare gebreken schold, werd—de onwaarschijnlijkheid blijkt bijna even dikwijls wààr te zijn, als de waarschijnlijkheid onwaar—verliefd op zijne achttienjarige pupil!
En deze verliefdheid was vrij plotseling ontstaan ook!
Nog niet zoo heel lang geleden, zag hij het zich toen reeds toch al heerlijk ontwikkelend kind, met onverschillige oogen aan, en wenschte hij haar alleen bij zich te houden, om vrij te kunnen blijven beschikken over hare bezittingen.
Maar dit was thans geheel anders geworden!
Het sinds lang in zijn boezem gedoofd vuur der zinnelijkheid ontvonkte opnieuw, en verkeerde zijn gansche wezen.
Met een begeerig oog bespiedde hij Cilie en al hare gangen, en hij besloot geen middel onbeproefd te laten, om zoowel over hare goederen, als over hare bekoorlijkheden te beschikken.
Maar hoe dit aan te vangen?
Hoe haar over te halen tot iets, dat—hij gevoelde het maar al te wel—niet de minste bekoorlijkheid voor haar zou kunnen hebben?
Gewis, het zou alles behalve gemakkelijk zijn, maar hij wilde het beproeven.
De eerste maatregel zou zijn: den stuggen en vaak onvriendelijken voogd te vervangen, en in zijne plaats te schuiven een welwillenden en aangenamen vriend.
En na dezen, moest komen—de minnaar.
Gelijk hij gedacht had, handelde hij!
Langzamerhand behandelde hij zijn pleegkind met meer onderscheiding, en werd hij beleefd, vriendelijk en voorkomend jegens haar.
Natuurlijk was dit naar den zin van Cilie, want de argelooze was verre van te vermoeden, wat daarachter school.
Maar toen zij dit ontdekte; toen hij zich meer en meer ontmaskerde; met haar alleen poogde te wezen, en dan allerhande vreemde uitdrukkingen en gedragingen zich veroorloofde, ontweek zij hem met schrik, die niet verminderde, toen de vroegere huishoudster, die zeer wel gemerkt had wat er gaande was, haar de geheime bedoelingen van den schandelijken grijsaard blootlei, en haar wees op de strikken, die hij harer onschuld spreidde.
Van dat oogenblik vermeed zij dan ook alle toenadering, en hield zich bij Gerre, hare beschermster, die haar met moederlijke teederheid beminde.
Maar deze goede vriendin ontviel haar, want zij werd ziek en stierf na een kort, maar hevig lijden.
Jansen haastte zich nu haar een opvolgster te geven, en wel eene—geschikt en tevens, genegen om zijne plannen te dienen.
Het was eene vrouw van middelbaren leeftijd, maar met een alles behalve onberispelijk verleden, en die er zekere lust in vond, jonge meisjes den weg te doen bewandelen, dien zij zelve bewandeld had.
Maar zij faalde in hare berekeningen, en geen wonder!
Cilie was veel te rein, haaraangeborengevoel van betamelijkheid en kieschheid te groot, om niet van de kunstjes, die dit door en door bedorven schepsel aanwendde, om hare deugd te verschalken, en begeerten op te wekken, die bij haar schenen te sluimeren, zich met walging af te wenden, zoowel als van haar persoon.
Wat den voogd betreft—zij bleef hem in alles gehoorzamen wat hij met recht van haar kon verlangen, maar gaf hem tevens duidelijk te kennen, dat zij—liet hij haar niet met vrede—een toevlucht zou gaan zoeken bij jonker Swaap of den advocaat Calkoen, twee lieden, die zij wist, dat haar genegen waren. Deze waarschuwing had hem voorzichtig gemaakt, en zijne plannen een oogenblik doen opschorten, want ging hij werkelijk over tot geweld, dan zouden de openbaringen van zijn slachtoffer, licht aanleiding kunnen geven tot een onderzoek, dat hij moest vreezen en wel onder meer dan een opzicht.
Zoo stonden de zaken, toen Cilie kennis maakte met jonker Allard; eene kennismaking, die hij hoopte dat tot niets zou leiden, maar die aldra dreigde zijne hoop op een eindelijke bevrediging zijner wenschen geheel te verijdelen, zoo hij er niets op vond, om een spaak in 't wiel te steken.
Hoe hij te vergeefs het doorgaans werkzame middel van bedrog en misleiding had beproefd bij Allard, is verhaald, en wat hij verder wilde beginnen, hij was 't nog met zich zelven oneens, toen hij bemerkte, dat er meer lieden waren, die eene vereeniging der gelieven met leede oogen aanzagen, en over machtiger middelen konden beschikken, dan die hem ten dienste stonden.
Hij vond middel met hen in aanraking te komen, en aarzelde niet, om hetgeen er was voorgevallen tusschen zijn pupil en Allard, zoodanig voor te stellen, als men wenschte het voorgesteld te zien.
Dat freule Alida van deze mededeelingen het noodige gebruik maakte, is te denken, en dat men er zich in den Haag niet weinig over ontrustte, evenzeer.
Allard werd plotseling teruggeroepen, ennu dit geschied was, stelde Jansen zich ten taak, de tijdelijke scheiding tot eene duurzame te maken.
Om den zoo zeer geliefden Allard door het jonge meisje te doen vergeten, hij begreep terecht, dat dit—voorshands althans—onmogelijk zou zijn, maar om haar te doen gelooven, dat zij door hem was vergeten en verlaten, dit dacht hem niet zoo moeielijk, en vooral niet nu hij wist, dat men ginds alles zou doen, om zijn terugkeer naar Drenthe te beletten.
Door zijne bondgenoote, de huishoudster, had hij vernomen, dat de correspondentie der gelieven zou geschieden door de tusschenkomst van een der meisjes, die Cilie gewoonlijk op hare tochten naar het dorp vergezelden.
Dit meisje wist hij om te koopen en tot eene verraderresse te maken.
Zij beloofde hem alle brieven, die Cilie naar den Haag zond, achter te houden, en alles, wat de schatbeurder van daar voor haar ontving, aan hem te overhandigen.
Ontving nu Allard geen antwoord op zijne brieven, 't zou hem wellicht eene welkome gelegenheid wezen, om zich langzaam van zijne aangegane verbindtenis los te maken, en tot zijne vroegere geliefde te doen terugkeeren, en wat Cilie betreft, hij twijfelde niet, of zij zou eindigen met geloof te slaan, aan de haar reeds zoo lang gegeven verzekeringen, en aannemen, dat, zoo zij al niet door den voornamen jongeling was misleid, de invloed zijner familie, en de macht der vooroordeelen, sterk genoeg waren geweest, om hem voor goed van haar te doen afzien.
En was men zoo verre gekomen, waren de banden, die Cilie aan Allard knoopten, op deze wijze losgemaakt, dan wilde hij opnieuw beproeven, wat met het meisje was aan te vangen, en of hij haar, 't zij door overreding of geweld, tot de zijne zou kunnen maken.
Maar.... al die zoo vernuftig gemaakte berekeningen faalden.
Cilie's geloof aan de trouw van den welbeminde werd er niet door aan 't wankelen gebracht. Zij zag maar al te wel in, dat er iets moest wezen, dat hem belette zich aan haar te openbaren, en om te ervaren wat dit was, ging zij tot den stap over, die aan alles een einde maakte.
Thans zag hij in, hoe deerlijk hij zich vergist had, en het lijden van het ook door hem beminde wezen, schudde zijn geweten wakker.
Ongekende wroegingen verscheurden hem het hart, toen de ziekte der naamloos gefolterde, uitliep op het verschrikkelijkst, wat een denkend wezen kan treffen—krankzinnigheid.
Een geneesmiddel, dat—onmiddellijk aangewend na haar terugkeer—gewis gunstig zou hebben gewerkt, beproefde hij toen het daartoe te laat was.
Hij lei het bijbeltje met den brief, dien het begeleidde, en die Allard terstond na zijne komst in den Haag aan Cilie had afgezonden, op het tafeltje voor haar bed, en zóó, dat beide voorwerpen haar in 't oog moesten vallen.
Ook zag zij ze, maar roerde ze niet aan.
Wat, eenige dagen geleden, haar gansche wezen met eene wonderbare vreugde zou hebben doortrild, trok thans hare aandacht niet.
En nu—geheel ten einde raad—besloothij een brief naar den Haag te zenden, en daarin onbewimpeld zijn schuld te belijden.
Hij ontveinsde zich volstrekt niet, dat deze stap de noodlottigste gevolgen voor hem zelven zou hebben, maar de hoop, dat het wederzien van den geliefde, weldadig zou werken op het gemoed van de inmiddels bijna razend gewordene krankzinnige overwon alle vreeze en bedenkingen.
Maar.... toen deze brief zijne bestemming bereikte, was alles beslist.....
Drie dagen na het verdwijnen van Cilie kwam Allard in de kolonie aan, en zijne smart kende geene grenzen, toen men hem de laatste gebeurtenissen had medegedeeld.
Maar zich nog altijd vleiende met de hoop, dat het meisje zich hier of daar verscholen zou houden, doorkruiste hij dagen lang de omstreken van het groote meer, onder het uitroepen van den dierbaren naam.
Maar niets dan de echo antwoordde op zijn roepen.
Cilie's stem was voor eeuwig verstomd!
Eindelijk, overtuigd van het nuttelooze zijner pogingen, verliet hij het oord, hem eens zoo dierbaar—maar thans vol van de pijnlijkste herinneringen.
En—onder een grievend zelfverwijt! Want het stond thans bij hem vast, dat hij Cilie had kunnen redden, had hij, in tijds geluisterd naar de stem, die in zijn binnenste weerklonk, en hem gestadig had aangemaand alle bedenkingen ter zijde te stellen, en zonder verwijl naar haar terug te keeren, en dat vooral, toen hem gebleken was, dat hij de toestemming zijns vaders tot eene verbindtenis met haar niet zoude verwerven, ook al gelukte het hem te bewijzen, dat er op hare geboorte niet de minste smet kleefde.
Maar hij had deze goddelijke waarschuwingen in den wind geslagen.
Hij had, zich vleiende, zijne moeder althans naar zijne zijde te zullen overhalen, het onderzoek naar Cilie's betrekkingen begonnen, en was, vooral toen hij daarin boven verwachting slaagde, daarmede ijverig voortgegaan.
't Is waar, hij meende dit te kunnen doen in een zeer korten tijd, en, bleek het ook meer tijd te vorderen, dan hij aanvankelijk gehoopt had, hij had aan Cilie geschreven, zich over zijn uitblijven niet te verontrusten, en evenmin, wanneer zij niet geregeld brieven van hem ontving.
Vooreerst zou zijn onderzoek veel heen en weer trekken vergen, en ten anderewas het licht mogelijk, dat zijn brieven onderschept wierden.
En vooral dit laatste vreesde hij, dat ook met hare brieven aan hem het geval kon worden, waarom hij haar aanraadde, weinig aan hem te schrijven, en alleen dan, wanneer zij begreep, dat ditvolstrektnoodig was.
Een met de beste bedoelingen gegeven wenk, maar die de oorzaak werd van zijn en haar ongeluk!
Want in het vertrouwen, dat de gegeven raadgeving was opgevolgd, maakte hij zich over haar stilzwijgen niet alleen niet ongerust, maar achtte hij het een bewijs voor zijne opvatting: dat er niets was voorgevallen, 't geen zijne onmiddellijke overkomst noodig maakte.
Eerst later veranderde hij van gedachten en wel, toen een brief van hem, waarin hij haar dringend verzocht om een onmiddellijk antwoord, en dit onder een ander adres, dan van het huis zijns vaders, onbeantwoord bleef.
Het werd hem nu angstig om het hart, ja zóó, dat hij besloot de reis naar Drenthe geen oogenblik langer uit te stellen.
En juist was hij bezig zijn valies te pakken, toen hem een brief werd overhandigd, die uit het noorden kwam.
Was hij van Cilie? Hij hoopte, ja verwachtte het, en dat te vaster, daar het adres door eene weinig ervarene hand was geschreven, en gesteld in zeer gebrekkig Fransch.
Haastig brak hij hem dan ook open, maar.... hij was pas begonnen te lezen, toen eene doodelijke bleekheid zijn wezen overtoog.
Het was de straks vermelde brief van Jansen, en dat is genoeg gezegd!
Met een pijnlijken kreet zonk hij neer op zijn stoel, maar hopende, dat nog niet alles zou zijn verloren, sprong hij op, liet zijn paard zadelen, en ging nog voor den nacht op reis.
Wellicht was het nog niet te laat om haar van den dood te redden, en deze gedachte sterkte hem, den ganschen langen weg over.
Helaas, het was ook daartoe—te laat!
Te laat!
Voortaan zou dat woord hem op alle zijne wegen vergezellen.
Het klonk nevens hem, overal waar hij ging!
Hij las het op alles, wat hem omringde, ja op de wolken des hemels, die over zijn hoofd wegdreven!
Eene diepe, en door niets te verzetten melancholie maakte zich van hem meester.
Na een kort verwijl in den Haag, verliet hij het land zijner geboorte, om in een gestadig reizen eenige afleiding te zoeken.
Of hem dit gelukt is, weet ik niet, maar het is zeker, dat hij eenige jaren later overleed—verre van zijn Vaderland.
Het huis, waarin de arme Cilie leefde en leed, is met alles wat het omringde verdwenen, en men weet thans zelfs de plaats niet meer aan te wijzen, waar het eenmaal stond.
En wat haar zelve betreft, haar naam leeft zelfs niet voort in de Sage, anders zoo gereed het verledene mede te deelen, gehuld in het nevelachtig gewaad van haar wezen.
Maar eenige losse en half vergane bladen, geschreven door een haar toegenegen vriend, werden door het toeval in mijne handen gespeeld, en leerden mij haar kennen in al de liefelijkheid van haar wezen.